Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8810

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-06-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
10/750492-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij medeplegen tweeledig opzet. Opzet op samenwerking en opzet op plegen gronddelict. Verklaring van verdachte dat hij betrokken was bij uithalen container.

Feit van algemene bekendheid dat containers in haven Rotterdam worden gebruikt om drugs het land binnen te brengen. Door geen vragen te stellen over de aard van het klusje heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het om cocaïne ging. Voorwaardelijk opzet op invoer van cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750492-19

Datum uitspraak: 21 juni 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte]) op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte],

raadsman, mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 11 februari 2020, 25 september 2020 en 7 juni 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Sondermeijer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 52 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Bij de verdachte ontbreekt het opzet, ook in voorwaardelijke zin, op de invoer en het voorhanden hebben van verdovende middelen, al dan niet in vereniging. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat de sporttassen gevuld waren met telefoons en wist niet dat die sporttassen verdovende middelen bevatten. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Op 15 november 2019 is de verdachte aangehouden als bestuurder van een voertuig van merk en type Peugeot Partner met – naar later bleek – valse kentekenplaten ([kentekennummer]) dat even daarvoor het terrein van [naam bedrijf] te Rotterdam had verlaten. In de laadruimte van het voertuig zijn sporttassen aangetroffen met daarin 492 pakketten met een bruto gewicht van 536 kilogram die – naar later bleek – cocaïne bevatten. Voorts zijn in de laadruimte een rugtas met daarin gereedschap en een kapotte rederijzegel gevonden dat naar de container met nummer [nummer] leidde. Deze container bevond zich op het terrein van [naam bedrijf] te Rotterdam en was afkomstig van een containerschip dat vanuit Brazilië via Marokko naar Nederland was gevaren en een dag eerder in Rotterdam was aangemeerd. In de container was in het midden van de lading een lege plek zichtbaar. Nabij de container werd een sporttas aangetroffen met daarin een aantal ongebruikte Nike-tassen die er hetzelfde uitzagen als de in de Peugeot aangetroffen tassen.

Voor een veroordeling voor medeplegen moet er sprake zijn van een tweeledig opzet, d.w.z. opzet op de onderlinge samenwerking en opzet op de verwezenlijking van het grondfeit, in dit geval de (verlengde) invoer van cocaïne.

Opzet op de samenwerking

Vaststaat dat de verdachte betrokken was bij het uithalen van voornoemde container. Dat verklaart hij zelf ook. Hij had gokschulden van tienduizenden euro’s en om deze in te lossen had hij met zijn schuldeiser afgesproken dat hij twee jongens naar het terrein van [naam bedrijf] zou brengen. Hij heeft de jongens vervolgens geholpen met het dragen van de tassen die de pakketten cocaïne bevatten naar het door hem bestuurde busje en hen ten slotte terug gereden.

De verdachte had daarom het opzet op de samenwerking.

Opzet op het grondfeit

De vraag die vervolgens resteert is of de verdachte het opzet had op het onderliggende misdrijf: de (verlengde) invoer van cocaïne.

De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het om diefstal van telefoons ging ongeloofwaardig. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat telefoons niet per schip worden vervoerd, omdat vervoer over zee te lang duurt en dit de handel belemmert. De rechtbank acht het voorts onwaarschijnlijk dat een gokschuld ter waarde van € 50.000,- in één klap kan worden ingelost door onbekenden naar de haven te brengen en hen daar te helpen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat containers die de haven van Rotterdam inkomen regelmatig gebruikt worden om smokkelwaar, in het bijzonder drugs, het land binnen te brengen. Door geen nadere vragen te stellen omtrent het door hem aangenomen ‘klusje’ heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij behulpzaam was bij het uithalen van een geheel andere lading, te weten cocaïne,. Hij moet bij het overladen van de sporttassen – waarvan sommige kapot waren en openstonden, zodat de inhoud zichtbaar was – gezien hebben dat deze pakketten bevatten die er niet uitzagen als verpakkingen van telefoons. Desondanks heeft hij niet besloten de samenwerking te staken, maar is hij zijn rol blijven vervullen.

De verdachte had daarom voorwaardelijk opzet op de invoer van de cocaïne.

4.1.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 15 november 2019 te Brielle,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 491,46 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

(primair)

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemeen

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 500 kilo, een voor verdere verspreiding en handel geschikte hoeveelheid, cocaïne in Nederland. Door de invoer van een dergelijke grote hoeveelheid heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. De volksgezondheid wordt door het gebruik van harddrugs ernstig bedreigd, waaraan de verdachte kennelijk lak had. De handel in harddrugs gaat voorts, direct en indirect, gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. Het handelen van de verdachte past in dat beeld. Hij lijkt uitsluitend gedreven te zijn geweest door het lucratieve karakter van het gepleegde feit en het verbeteren van zijn eigen penibele financiële situatie, te weten het vereffenen van een enorme gokschuld.

7.2.

Standpunt verdediging

Bij de straftoemeting dient rekening te worden gehouden met de beperkte rol van de verdachte en diens persoonlijke omstandigheden. De daarbij passende op te leggen straf heeft de verdachte reeds in voorlopige hechtenis doorgebracht. Derhalve dient de voorlopige hechtenis van de verdachte te worden opgeheven, dan wel dient de schorsing ervan te worden gecontinueerd.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het bij de aanhouding van de verdachte toegepaste geweld – hij is aangehouden met behulp van een politiehond, waarbij hij serieuze verwondingen heeft opgelopen – als disproportioneel gekwalificeerd moet worden. Dat levert een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv op, dat zich volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1092) leent voor compensatie door middel van strafvermindering.

7.3.

Beoordeling

Gezien de ernst van het feit kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd. Voorts is van belang dat de invoer van cocaïne effectief dient te worden aangepakt. De opgelegde straf moet een ieder duidelijk maken dat men zich niet met de invoer van drugs moet inlaten: wie dat toch doet en gepakt wordt, zal tot een aanzienlijke gevangenisstraf worden veroordeeld. Daarom is voor opheffing van de voorlopige hechtenis zoals door de verdediging is bepleit, geen plaats.

De rechtbank heeft er rekening mee gehouden dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft voorts in het voordeel van de verdachte meegewogen dat hij geen initiërende rol bij het strafbare feit heeft gehad. Ten slotte heeft de rechtbank in overweging genomen dat de aanhouding van de verdachte gepaard ging met geweld waarvan de rechtmatigheid niet aanstonds inzichtelijk is. Bij de aanhouding is een politiehond ingezet, die de verdachte serieuze verwondingen heeft toegebracht. Uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal blijkt echter niet waarom de verdachte op deze wijze moest worden aangehouden. Veelzeggend in dit verband is dat de verbalisant – die de hond naar eigen zeggen van begin tot eind in het zicht en aan de lijn had – niet relateert hoe de aanhouding feitelijk in haar werk ging: het proces-verbaal houdt daaromtrent niet meer in dat de verbalisant met zijn hond een bosje in liep en vervolgens het geschreeuw van de verdachte hoorde, die door de hond was gebeten. Naar het oordeel van de rechtbank moet de inzet van de politiehond daarom als disproportioneel worden aangemerkt, een vormverzuim dat zich leent voor compensatie door middel van strafvermindering.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een kortere vrijheidsbenemende straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Hoewel zij gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden in beginsel passend acht, zal zij vanwege het vormverzuim bij de aanhouding van de verdachte de opgelegde straf met twee maanden verminderen.. Voorts acht zij de verbeurdverklaring van het door verdachte bestuurde voertuig passend en geboden.

8. Voorlopige hechtenis

8.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht primair de voorlopige hechtenis op te heffen, subsidiair de schorsing te verlengen.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft bepleit dat de voorlopige hechtenis in stand moet blijven.

8.3.

Beoordeling

Gelet op bovengenoemde bewezenverklaring, zal de voorlopige hechtenis in stand worden gelaten. De rechtbank ziet echter wel aanleiding de schorsing voor onbepaalde tijd te verlengen.

9. In beslag genomen voorwerpen

Het in beslag genomen voertuig Peugeot Partner met kenteken [kentekennummer] zal, zoals door de officier van justitie is gevorderd verbeurd worden verklaard, aangezien het bewezen verklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan.

10 . Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:

  • -

    33, 33a en 47, van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2 aanhef onder A en 10 Opiumwet.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig), maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verlengt de schorsing van de voorlopige hechtenis voor onbepaalde tijd, met voortzetting van dezelfde voorwaarden;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het primaire feit: het voertuig Peugeot Partner met kenteken [kentekennummer].

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.M. de Winkel, voorzitter,

en mrs. W.H.S. Duinkerke en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juni 2021.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks de periode van 15 november 2019 te Rotterdam en/of Brielle, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 491,46 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.