Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8784

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-09-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
FT EA 21/1117
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk voorlopige voorziening. Verzoek 287a, eerste lid, Fw toegewezen. Verhuurder bevolen in te stemmen. Minnelijk traject reeds (succesvol) doorlopen. Subsidiaire verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling afgewezen. Thans de vraag of verhuurder beschikt over geldige titel voor ontruiming. Grondslag ontruiming onrechtmatig. Executierechter.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 6 september 2021

[verzoeker] ,

wonende te van [adres]

[woonplaats],

hierna: verzoeker.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 6 september 2021 een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid Faillissementswet (Fw) ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en Stichting Woningstichting Samenwerking Vlaardingen, gevestigd te Vlaardingen (hierna: verhuurder) te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 augustus 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

3. De beoordeling

Krachtens artikel 287b Fw kan een schuldenaar voorafgaand aan de behandeling van een verzoek ex artikel 287a Fw een voorlopige voorziening vragen indien sprake is van een bedreigende situatie, zoals een gedwongen woningontruiming. Het gaat er daarbij om dat de rechtbank een voorlopige voorziening treft om de schuldenaar in staat te stellen het minnelijk traject af te ronden, al dan niet met toepassing van artikel 287a Fw.

In het onderhavige geval heeft verzoeker het minnelijk traject reeds (succesvol) doorlopen. Verzoeker heeft op 8 juli 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Fw ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen bij vonnis van 5 augustus 2021. De rechtbank heeft daarbij de verhuurder, vertegenwoordigd door Van Houwelingen & Partners (hierna: de deurwaarder) bevolen om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen, omdat verzoeker door de toewijzing van het primaire verzoek niet langer verkeerde in de toestand dat hij is opgehouden te betalen.


Dat betekent dat het thans ingediende verzoek niet-ontvankelijk is. Er is immers reeds een minnelijke regeling tot stand gekomen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens de aanzegging tot de ontruiming van 2 september 2021 wordt de ontruiming gegrond op het vonnis van de kantonrechter van 10 augustus 2018. Het is aannemelijk dat de schuld die ten grondslag lag aan dat vonnis, en ook de eventuele schuld die daarna is ontstaan, onderdeel is van de minnelijke regeling, ten aanzien waarvan de verhuurder is gedwongen hieraan mee te werken. Het is gelet daarop zeer de vraag of de verhuurder thans nog beschikt over een geldige titel voor de geplande ontruiming – en dus, of een ontruiming op deze grondslag bij deze stand van zaken niet onrechtmatig is. Uit de aanzegging tot de ontruiming blijkt in dit verband niets; er wordt niet eens melding gemaakt van het vonnis van 5 augustus 2021, of er hoger beroep is ingesteld en/of waarom ondanks dat vonnis de verhuurder gerechtigd zou zijn de woning van verzoeker te ontruimen.

Voor zover de verhuurder de executie echter ondanks het voorgaande door wil zetten zal verzoeker zich tot de executierechter moeten wenden.

4. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 287b, eerste lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, en in aanwezigheid van

B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 september 2021.