Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8772

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
C/10/590064 / FA RK 20-376
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlening vervangende toestemming erkenning die slechts voor de duur van één jaar van kracht is. Verzochte gezamenlijk gezag en omgangsregeling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/590064 / FA RK 20-376

Beschikking van 3 september 2021 betreffende vervangende toestemming voor erkenning, het ouderlijk gezag, de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht en de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw]

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.W.F. Jansen te Rotterdam.

In deze zaak is belanghebbende:

[naam man] ,

wonende te [woonplaats man],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J. Nederlof te Tilburg.

In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:

mr. G.E. van der Pols, advocaat te Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen ter griffie op 22 januari 2020;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 20 maart 2021;

  • -

    het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 25 juni 2020;

  • -

    de beschikking van deze rechtbank van 18 november 2020, waarbij mr. G.E. van der Pols is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;

  • -

    het bericht van de bijzondere curator van 10 december 2020;

  • -

    het bericht met bijlagen van de zijde van de vrouw van 24 juni 2021;

  • -

    het bericht met bijlagen van de zijde van de man van 7 juli 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 juli 2021. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de advocaat van de man;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam].

De bijzondere curator is telefonisch gehoord.

1.3.

Na de mondelinge behandeling hebben de advocaat van de man (bij bericht van 15 juli 2021) en de advocaat van de vrouw (bij bericht van 20 juli 2021) zich, zoals afgesproken tijdens de mondelinge behandeling, uitgelaten over de mogelijkheid van het verbinden van een termijn aan het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning.

2. De vaststaande feiten

2.1.

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.

2.2.

Op [geboortedatum kind] 2016 is te Rotterdam uit de vrouw geboren: [naam kind], hierna te noemen de minderjarige.

2.3.

De minderjarige is niet erkend.

2.4.

De vrouw onthoudt de man toestemming tot erkenning van de minderjarige.

2.5.

De vrouw heeft zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. De man heeft de Turkse nationaliteit.

3. De beoordeling

3.1.

Vervangende toestemming

3.1.1.

Het verzoek strekt tot het aan de man verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige.

3.1.2.

De vrouw verzoekt primair het verzoek van de man af te wijzen. Zij verzoekt subsidiair bij toewijzing van het verzoek een termijn hieraan te verbinden waarbinnen de man moet overgaan tot erkenning van de minderjarige.

3.1.3.

De bijzondere curator heeft aangegeven dat de vrouw niet staat achter een erkenning door de man van de minderjarige in verband met de negatieve opstelling van de man en het ontlopen van zijn verantwoordelijkheid. De vrouw heeft echter geen contra-indicaties kunnen aangeven voor het verlenen van de vervangende toestemming. Omdat partijen het er over eens zijn dat de man de verwekker is van de minderjarige dient de feitelijke situatie in overeenstemming te worden gebracht met de juridische situatie. Het verzoek dient, naar Turks recht dan wel naar Nederlands recht, te worden toegewezen.

3.1.4.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd het verzoek toe te wijzen ondanks het zorgelijke beeld dat de vrouw van de man heeft geschetst.

3.1.5.

De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv rechtsmacht, omdat de vrouw, de man en de minderjarige hun woonplaats in Nederland hebben.

3.1.6.

Ingevolge artikel 10:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit – derhalve Turks recht – van toepassing op de vraag of de man bevoegd is tot erkenning van de minderjarige, alsmede op de voorwaarden voor erkenning. Artikel 295 van het Turkse Burgerlijk Wetboek regelt de erkenning. De bevoegdheid tot erkenning komt toe aan een meerderjarige en niet handelingsonbekwame vader en daarnaast mag het kind niet verwant zijn aan een andere man. Aan deze voorwaarden is voldaan. Dit betekent dat de man naar Turks recht bevoegd is de minderjarige te erkennen.

3.1.7.

Op grond van artikel 10:95 lid 3 BW is op de toestemming van de moeder tot de erkenning het Nederlandse recht van toepassing, omdat de moeder in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezit. Op grond van het Nederlandse recht kan bij gebreke van toestemming, de toestemming worden vervangen door een rechterlijke beslissing.

3.1.8.

Vervangende toestemming kan worden verleend, tenzij de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige schaadt of door de erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komt, mits de man de verwekker is van de minderjarige.

De rechtbank moet daarbij de belangen van de minderjarige, de man en de vrouw wegen. De vrouw heeft met name belang bij het in stand houden van een ongestoorde verhouding met de minderjarige. De man heeft belang bij het ontstaan van een familierechtelijke betrekking tussen hem en de minderjarige. De belangen van de minderjarige kunnen zowel zijn gelegen bij een ongestoorde verhouding met de vrouw als bij het ontstaan van een familierechtelijke betrekking met de man.

Die afweging mag niet leiden tot schade aan de belangen van de minderjarige of de vrouw. Van schade aan de belangen van de minderjarige is sprake indien ten gevolge van de erkenning voor de minderjarige een reëel risico ontstaat dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling.

3.1.9.

De vrouw staat niet achter een erkenning van de minderjarige door de man vanwege zijn negatieve opstelling en het ontlopen van zijn verantwoordelijkheid. Pas nadat zij een procedure tot bepaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) was gestart, heeft de man vervangende toestemming tot erkenning verzocht. De man heeft al jaren niets voor de minderjarige gedaan. Hij zegt dat zij geen goede moeder is voor de minderjarige. De man vertoont onverantwoordelijk gedrag door, zo zag de vrouw op social media, zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs zich op de snelweg te begeven onder invloed van lachgas. Hij zou zijn vorige vriendin met een mes hebben bedreigd. In april 2021 heeft de man twee keer omgang gehad met de minderjarige waarna hij niets meer van zich heeft laten horen. Hoewel de man de biologische vader van de minderjarige is, gedraagt hij zich daar volgens de vrouw niet naar.

3.1.10.

De rechtbank merkt op dat het gestelde onverantwoordelijke gedrag van de man niet zonder meer meebrengt dat is voldaan aan de criteria voor afwijzing van het verzoek. Daarvoor moet vaststaan dat de minderjarige door de erkenning wordt belemmerd in haar evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling dan wel dat het belang van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige wordt geschaad. Hiervan is de rechtbank niet dan wel onvoldoende gebleken. Daarom wordt aan de man vervangende toestemming verleend.

3.1.11.

De vrouw vermoedt dat de man, gelet op zijn houding, geen haast zal maken met de erkenning van de minderjarige. Dit kan inhouden dat zowel zij als de minderjarige in onzekerheid zullen leven over wanneer de man tot erkenning zal overgaan. Zij heeft daarom verzocht een termijn te verbinden aan de erkenning door de man, waarbij zij denkt aan de termijn van een half jaar. De man stelt dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor bepaling van een termijn waarbinnen de erkenning geregeld moet zijn. De vrouw stelt daartegenover dat het niet zo kan zijn dat een vervangende toestemming maar eindeloos in de lucht kan blijven hangen waardoor de vrouw en de minderjarige in het onzekere blijven tot mogelijk in lengte van jaren.

3.1.12.

De rechtbank constateert dat in de wet niet staat dat de rechter de mogelijkheid heeft te bepalen dat de vervangende toestemming slechts binnen een bepaalde periode door de verzoeker kan worden gebruikt. Maar de wettelijke bepalingen sluiten dit ook niet uitdrukkelijk uit. De rechtbank neemt in dit specifieke geval tot uitgangspunt dat waar het meerdere (vervangende toestemming zonder meer) kan worden toegewezen, ook het mindere (vervangende toestemming geldig voor een bepaalde periode) toewijsbaar is. De rechtbank acht de vrees van de vrouw dat de man niet binnen afzienbare termijn zal zorgdragen voor erkenning begrijpelijk. Daarbij speelt mede een rol dat de man tijdens de mondelinge behandeling zonder duidelijke reden afwezig was. Met de advocaat van de vrouw acht de rechtbank het in het belang van de vrouw en de minderjarige dat op enig moment duidelijkheid is of de man de minderjarige wel of niet gaan erkennen. Van de man mag worden verwacht dat hij die duidelijkheid geeft. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vervangende toestemming geldig is voor de duur van een jaar en daarna haar kracht verliest.

3.1.13.

Het verzoek van de man de beslissing inzake de vervangende toestemming voor erkenning uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal worden afgewezen, omdat de persoon aan wie de vervangende toestemming tot erkenning is verleend, pas kan erkennen op het moment dat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

3.2.

Ouderlijk gezag en de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht

3.2.1.

De man verzoekt tezamen met de vrouw te worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige en regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) te bepalen.

De man stelt dat hij zich zorgen maakt om het wel en wee van de minderjarige. Hij weet niets van haar. De vrouw informeert hem niet. Vanwege deze zorgen is het van belang dat hij met het gezamenlijk gezag wordt belast zodat hij de vrouw ook kan ondersteunen bij het nemen van beslissingen die toezien op de opvoedings- en verzorgingstaken. Hij erkent dat partijen in het verleden moeilijkheden hebben gehad met de onderlinge communicatie, maar hij verwacht dat zij samen in staat zullen zijn beslissingen van enig belang gezamenlijk te kunnen nemen. De situatie waarin de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders doet zich niet voor. Hij verwacht dat partijen als ouders in staat zijn vooraf zodanige afspraken te maken over situaties die zich rond minderjarige kunnen voordoen. Het is voor hem van groot belang dat hij inspraak heeft in belangrijke beslissingen omtrent de minderjarige. Een gezamenlijk gezag is ook in het belang van de minderjarige omdat dan de beste beslissingen worden genomen.

De man stelt dat hij al geruime tijd geen contact meer heeft gehad met de minderjarige. Er is geen sprake van dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke en of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarige dan wel anderszins met haar zwaarwegende belangen in strijd zou zijn.

3.2.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat het gezamenlijk gezag een flinke brug te ver is voor haar. De man heeft destijds alle contacten verbroken met haar en de minderjarige. Hij heeft haar geblokkeerd en geen enkel contact meer gezocht. Zijn verzoeken komen voort uit de procedure die zij is gestart met betrekking tot de kinderbijdrage. Omdat de man zich niet verantwoordelijk heeft gevoeld voor de minderjarige in de afgelopen periode is zij van mening dat dit in de toekomst niet anders zal zijn. Partijen hebben nimmer contact met elkaar en ook nooit overleg gevoerd over de minderjarige. Zij vreest dat noodzakelijk overleg ook in de toekomst niet mogelijk is. De minderjarige zal klem en verloren raken tussen haar ouders bij een gezamenlijk gezag en binnen afzienbare tijd zal daar onvoldoende verbetering in komen. Ook anderszins is een gezamenlijk gezag niet in het belang van de minderjarige. Dit verzoek van de man dient te worden afgewezen.

De vrouw is van mening dat, gelet op het feit dat de man geen moeite heeft gedaan om de minderjarige te zien na de laatste contactmomenten in april 2021 en zijn onverantwoordelijk gedrag, omgang niet in het belang van de minderjarige is. Ook dit verzoek dient te worden afgewezen.

3.2.3.

Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige en op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.

3.2.4.

Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.

Indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen indien (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.2.5.

Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkelingen van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.2.6.

De rechtbank overweegt als volgt.

De man had op het moment van de mondelinge behandeling al langere tijd geen contact meer met zijn advocaat gehad. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man in april 2021 twee keer omgang met de minderjarige heeft gehad en dat hij daarna niets meer van zich heeft laten horen. De man is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, hoewel hij hiervan wel op de hoogte was. De rechtbank ziet gelet hierop geen basis voor gezamenlijk gezag en voor een omgangsregeling. De verzoeken van de man worden daarom afgewezen.

3.3.

Onderhoudsbijdrage

3.3.1.

De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man aan haar te betalen kinderbijdrage van, zoals uiteindelijk tijdens de mondelinge behandeling verzocht, € 50,- per maand met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend, zijnde 22 januari 2020.

3.3.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.3.3.

Omdat de minderjarige in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage.

3.3.4.

Op het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

3.3.5.

Op grond van de artikelen 1:404 en 1:406 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.

Komt een ouder die verplichting niet of niet behoorlijk na, dan kan de andere ouder de rechtbank verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van de minderjarige zal moeten voldoen.

3.3.6.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij brief van 10 november 2020 van Combiwel, maatschappelijke dienstverlening & de geldcoach, te Amsterdam, is de man toegelaten tot de vrijwillige schuldhulpverlening. De man heeft echter geen gegevens overgelegd over de hoogte van zijn inkomen en de hoogte van zijn schuldenlast. Bovendien heeft de man niet duidelijk gemaakt of in het vrij te laten bedrag een bedrag voor kinderbijdrage is opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de man hiermee niet heeft aangetoond dat hij niet in staat is de door de vrouw verzochte kinderbijdrage te betalen. Het verzoek wordt daarom toegewezen.

3.4.

Proceskosten

3.4.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verleent [naam man], geboren op [geboortedatum man] te [geboorteplaats man], vervangende toestemming voor erkenning van:

[naam kind], geboren op [geboortedatum kind] 2016 te [geboorteplaats kind];

4.2.

bepaalt dat de in 4.1 bedoelde vervangende toestemming slechts van kracht is tot en met 3 september 2022 en daarna niet meer door de man kan worden gebruikt voor de erkenning van de minderjarige.

4.3.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 22 januari 2020 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen, steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 50,- per maand;

4.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de vervangende toestemming voor erkenning;

4.5.

wijst het meer of anders verzochte af;

4.6.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Wieman-Bart, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.J.P.M. Hulsman op

3 september 2021.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.