Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8764

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
C/10/621254 / JE RK 21-1783
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens : C/10/621254 / JE RK 21-1783

datum uitspraak: 23 augustus 2021

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind 1],

geboren op [geboortedatum kind 1] 2014 te [geboorteplaats kind 1], hierna te noemen [naam kind 1],

[naam kind 2] ,

geboren op [geboortedatum kind 2] 2015 te [geboorteplaats kind 2], hierna te noemen [naam kind 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder],

[naam pleegvader] en [naam pleegmoeder],

hierna te noemen de pleegouders, wonende te [woonplaats pleegouders].

De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam vader],

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader].

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 29 juni 2021, ingekomen bij de griffie op 29 juni 2021.

Op 23 augustus 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de pleegouders,

- een vertegenwoordigster van de Raad, [naam 1],

- een vertegenwoordigster van de GI, [naam 2].

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de moeder,

- de vader, opgeroepen als informant.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind 1] en [naam kind 2] wordt uitgeoefend door de moeder.

Bij beschikking van de kinderrechter van 14 november 2014 is de ondertoezichtstelling uitgesproken. Tevens zijn [naam kind 1] en [naam kind 2] per 18 augustus 2016 met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. [naam kind 1] en [naam kind 2] verblijven sinds 9 maart 2017 in het huidige perspectief biedende pleeggezin.

De pleegouders hebben zich bij brief van 18 juni 2021 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

Het verzoek

De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de pleegouders tot voogd en voogdes over [naam kind 1] en [naam kind 2] te benoemen.

De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe.

Het is van belang dat er perspectief komt voor de kinderen. De moeder kan nu niet voor de kinderen zorgen, maar ook in de toekomst niet. De moeder is niet ter zitting verschenen, maar de Raad had haar ook niet verwacht. De moeder is het eens met het verzoek. De Raad weet niet waar zij op dit moment verblijft. De relatie van de moeder is over en zij heeft ook geen telefoon meer. Het is van belang dat de kinderen onderling, [naam kind 1] en [naam kind 2] hebben nog twee halfbroertjes, contact blijven houden.

Het standpunt van de GI

De GI heeft zich ter zitting achter het verzoek van de Raad geschaard.

De standpunten van de belanghebbenden

De pleegouders hebben ingestemd met het verzochte.

De beoordeling

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

In de thuissituatie bij de moeder groeiden [naam kind 1] en [naam kind 2] op in een onveilige opvoedingssituatie, waarin zij weinig stabiliteit geboden kregen. [naam kind 1] en [naam kind 2] zijn meerdere malen getuige geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en de stiefvader. [naam kind 1] laat op sociaal-emotioneel en cognitief gebied zorgen zien en zij lijkt te kampen met een loyaliteitsconflict tussen haar moeder en haar pleegouders. Ook [naam kind 2] loopt vast op sociaal gebied.

Het staat vast dat het toekomstperspectief van [naam kind 1] en [naam kind 2] niet bij de moeder ligt, aangezien de persoonlijke situatie en de persoonlijke problematiek van de moeder sinds de uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] voor het grootste deel onveranderd is gebleven. De opvoedingsomgeving van de moeder is tot op heden niet stabiel om voldoende structuur, toezicht en veiligheid te bieden om [naam kind 1] en [naam kind 2] te voorzien in hun opvoedbehoefte. In het verleden zijn er verschillende interventies ingezet om de moeder op verschillende gebieden te ondersteunen, maar ondanks de inzet van de hulpverlening, is het tot op heden niet gelukt om de situatie ten positieve te veranderen. Er is bij de moeder sprake van een zeer belast verleden en door de problemen met betrekking tot haar financiën, huisvesting en verslaving, is zij niet in staat om de volledige zorg van de kinderen op zich te kunnen nemen. De moeder geeft zelf ook aan de kinderen geen perspectief te kunnen bieden. De moeder heeft aangegeven dat zij graag wil dat de voogdij bij de pleegouders wordt belegd.

Het contact tussen [naam kind 1] en [naam kind 2] en hun moeder is regelmatig en de moeder komt haar afspraken ook goed na. De pleegouders dragen bij om het contact tussen de moeder en de kinderen te onderhouden. De bezoeken vinden bij de pleegouders thuis plaats.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [naam kind 1] en [naam kind 2] te dragen en dat de aanvaardbare termijn, bedoeld in artikel 1: 266 BW, inmiddels is verstreken. De rechtbank zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [naam kind 1] en [naam kind 2] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hen te benoemen.

Op grond van artikel 1:276, eerste lid BW wordt de ouder van wie het gezag is beëindigd, ervan uitgaande dat de ouder het bewind voerde over het vermogen van de minderjarigen, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan de opvolger in dit bewind.

De rechtbank is van oordeel dat de voortgezette betrokkenheid van de pleegouders in het belang van [naam kind 1] en [naam kind 2] is. Er is sprake van een veilige en stabiele leefomgeving bij de pleegouders, waar er consequent wordt ingespeeld op de ontwikkelingsbehoeften van [naam kind 1] en [naam kind 2]. De pleegouders stellen zich duidelijk en betrokken op en handelen vanuit het belang van [naam kind 1] en [naam kind 2]. De pleegouders bieden [naam kind 1] en [naam kind 2] structuur, regelmaat en veiligheid. Omdat de pleegouders zich daarnaast bereid hebben verklaard de voogdij over [naam kind 1] en [naam kind 2] op zich te nemen, is de rechtbank van oordeel dat de pleegouders moeten worden belast met de voogdij.

De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder], geboren op [geboortedatum moeder] te [geboorteplaats moeder] over [naam kind 1] en [naam kind 2];

benoemt tot voogd en voogdes over genoemde minderjarigen:

- [naam pleegvader], geboren op [geboortedatum pleegvader] te [geboorteplaats pleegvader];

- [naam pleegmoeder], geboren op [geboortedatum pleegmoeder ] te [geboorteplaats pleegmoeder];

veroordeelt de moeder aan de voogd en voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [naam kind 1] en [naam kind 2] af te leggen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, in tegenwoordigheid van J.A. van Soest als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2021.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 27 augustus 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.