Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8737

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
8474091
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

7:685 BW; geen aansprakelijkheid werkgeefster voor gevolgen gesteld ongeval. Geen getuigen. Huis- tuin en keukenongeval. Geen zorgplicht maatregelen te treffen ter voorkoming. Eiser was qq daartoe zonodig de eerstaangewezene ter plaatse.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0711
AR-Updates.nl 2021-1132
JA 2021/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8474091

uitspraak: 20 augustus 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

gemachtigde: mr. J.F. Schultz te Emmen

tegen:

1. de besloten vennootschap Atlas Services Group Merchant BV,

gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudend te Hoofddorp,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

gemachtigde: mr. W.M. van Dijk te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap Gareloch Support Services BV,

gevestigd te Rotterdam en kantoorhoudend te Maassluis,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

gemachtigde: mr. R.C.A. van ’t Zelfde te Rotterdam

Partijen worden hierna [eiser] , Atlas en Gareloch genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit:

- het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 15 november 2019 waarbij deze zich onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar de kantonrechter te Rotterdam in de staat waarin zij zich bevond, alsmede de aan dat vonnis ten grondslag liggende stukken;

- het exploot van betekening en oproeping van 16 april 2020, met 3 producties;

- de conclusie van antwoord van de zijde van Atlas, met 21 producties;

- de conclusie van antwoord van de zijde van Gareloch, met 24 producties;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek van de zijde van Atlas;

- de conclusie van dupliek van de zijde van Gareloch, gevolgd door een brief van haar gemachtigde waarin wordt gewezen op een verschrijving in die conclusie onder randnummer 49.

2. De vaststaande feiten

2.1

Atlas is een professionele uitlener van bemanning en scheepsofficieren.

2.2

[eiser] is op 27 mei 2015 als kapitein in dienst van Atlas getreden voor de duur van een jaar. Op 27 mei 2016 is deze arbeidsovereenkomst verlengd met zes maanden, tot

27 november 2016.

Atlas heeft [eiser] met ingang van 1 juni 2016 uitgeleend aan Gareloch om als kapitein van het schip [naam schip] . te werken. Gareloch levert onder meer schepen met bemanning en scheepsofficieren aan de 'natte' aannemerij.

De [naam schip] . voer destijds onder Nederlandse vlag.

2.3

Artikel 20 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst luidt:

“Applicable Law/Additional terms

The law of the Netherlands exclusively applies to this contract. All disputes which may arise between parties with regard to this employment contract will be exclusively settled by the competent Subdistrict Court of Rotterdam.”

2.4

De [naam schip] . is een werkschip, gebouwd in Aalst, Nederland, in 2015, onder toezicht van Klassenbureau Veritas. Veritas heeft voor dit schip een Certificate of Classification afgegeven op 20 maart 2015, met een geldigheid tot 20 maart 2020.

Gareloch liet het schip jaarlijks aan een klasseninspectie onderwerpen om het klassen-goedgekeurd te houden. Op 30 maart 2016 is de [naam schip] . door Veritas geïnspecteerd en goedgekeurd.

2.5

Artikel 3.19 van de Regeling Zeevarenden (ter uitvoering van het Maritiem Arbeidsverdrag 2006, en richtlijn 2009/13/EG) luidde in 2016:

1. Als goedgekeurde materialen en producten worden aangemerkt, materialen en producten die voldoen aan de in leidraad B3.1.1, lid 5, B3.1.5, lid 9, B3.1.7, lid 2 en lid 3, onderdeel b, en B3.1.10, lid 1, onderdeel b, van het Maritiem Arbeidsverdrag genoemde omschrijving.

2. Materialen of producten die op grond van de daarop van toepassing zijnde regelgeving, een

CE-markering hebben, worden aangemerkt als goedgekeurde materialen of producten, als bedoeld in het eerste lid.

2.6

In de doucheruimte van de [naam schip] . ligt dezelfde vloer als in de rest van het schip: een vloer met CE-markering, met als eigenschap “low risk of slip”.

Ook de douchebak, van het merk Villeroy&Boch, is voorzien van een CE-markering.

In de douchecabine zijn twee handgrepen aan de wand bevestigd, waaraan men zich kan vasthouden. De douchecabine bevindt zich in een kleine doucheruimte, die uitkomt op een gang. In die gang zijn relingen aan de wand bevestigd. Ook bevinden zich daar op de vloer

4 stroeve aluminium strips.

2.7

Gareloch verstrekt aan alle bemanningsleden en scheepsofficieren die zij aan boord van haar schepen laat werken zogenaamde PMB’s, persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals veiligheidsschoenen met antislipprofiel en geeft hun voorlichting over veiligheid.

2.8

Artikel 5 van de “Workboat Skipper Responsibilities”, door Gareloch aan alle kapiteins verstrekt en aanwezig op alle schepen van Gareloch, bepaalt, voor zover hier van belang:

“Skippers are responsible for

All operations of the vessel and Health and Safety”, the Environment and the Welfare of all Persons on board the vessel.

(…)

Protecting the interests of the company.

(…)

Reporting any deficiencies to the Marine Superintendant”.

2.9

[eiser] , geboren in 1979, heeft aanvankelijk bij Defensie gewerkt en heeft daarna een opleiding tot kapitein gevolgd voor schepen als de [naam schip] . Hij heeft vanaf medio 2006 ruime maritieme ervaring opgedaan.

Hij heeft drie eerdere perioden als kapitein aan boord van de [naam schip] . gewerkt: van

21 februari tot en met 3 maart 2016, van 10 tot en met 24 maart 2016 en van 6 april tot en met 5 mei 2016.

2.10

Een brief van Atlas aan [eiser] van 30 mei 2016 luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

Furthermore, we hereby request you to take part in the safety instructions / familiarization on board as soon as possible after arriving on board of the vessel. Please also read the safety Instructions on board carefully. You also should bring and carry 'the basic personal protective equipment.(…)”

Een kopie van deze brief is door [eiser] op 31 mei 2016 ondertekend.

2.11

De [naam schip] . lag in de periode vanaf 1 juni 2016 gedurende 24 uur per etmaal met een dag- en een nachtploeg stand by in de haven van Rosyth, ten noorden van Edinburgh (Schotland), om op afroep werkzaamheden te verrichten die verband hielden met de bouw van een brug aldaar.

2.12

Op 5 juni 2016 had [eiser] dagdienst. Omstreeks 13.15 uur heeft hij aan de bemanning van de dagdienst laten weten dat er een oproep was om rond 14.00 uur met het schip te vertrekken. Rond 13.15 uur heeft hij aan boord van de [naam schip] . een douche genomen.

Rond 14.00 uur is [eiser] , naar aanleiding van zijn hulpgeroep, door collega’s liggend aangetroffen op de vloer buiten de douchecabine, gekleed, met zijn nek op de rand van de douchecabine en zijn benen in de gang die aansluit op de doucheruimte.

2.13

[eiser] is per ambulance naar het ziekenhuis in Edinburgh vervoerd (Accident & Emergency Department) en diezelfde dag ontslagen.

Het rapport van de arts vermeldt:

“The above patient attended the A&E Department on 05/06/2016 at 16.35. I outline below

some information regarding this attendance.

Presenting complaint: Neck Injury

Diagnosis: Soft Tissue Injury

Investigations: X-ray

Computerised Tomography (CT)

Treatments: CO-CODAMOL 30/500 1-2 QDS

IBUPROFEN 400 MG TDS

Discharge type: DISCHARGED -NO FOLLOW UP

Referred to: Not Appliccable

Discharge Destination: PRIVATE RESIDENCE-USUAL PLACE OF RESIDENCE

Additional notes (for GP)

Slipped backwards whilst in coming out of shower.

Struck back of neck and head. Hyperextended neck over shower ledge. Possible loss of

consciousness for up to 40mins. No vomit.

GCS 15. Tender C2/3 and T10- L5.

Xrays of C-spine/ T-spine/ L-spine: no fractures seen.

CT head - no acute abnormality.

Discharged with analgesia and head injury advice sheet.

(…)”

2.14

[naam 1] van Gareloch heeft op 6 juni 2016 een ongevalsformulier ingevuld. Daarin staat, in reactie op de gestelde vragen, voor zover hier van belang, vermeld:

“Brief Details of Accident/Incident:

[eiser] had taken a shower on board the [naam schip] . and when finished he had dressed and went to leave the shower area but sometime between getting dressed and leaving the area [eiser] ended up on the floor hitting his head off the shower floor and injuring his neck on the raised door rail

This resulted in [eiser] calling for help and describing blurred vision and a lot of pain

[eiser] was taken to hospital in a spinal board and later released after investigations with X ray and Cat Scans, Doctors reported nothing found but released [eiser] and administered pain relief

Next day [eiser] woked to pain and decided to go home.

(…)

Any defects present?

None although [naam 2] and Master Klass described a discussion on the shower being slippery (…).

(…)

SAFETY INSPECTIONS

Has the workplace been subject to safety inspections?

If yes, date of last inspection ( [eiser] and Klass discussed the issue of the shower being slippery

on the 02/06/016 and agreed to address the issue by getting shower mats the next time they

were ashore) Only discussed between the masters no written evidence or record available.

This information came from both masters during a post incident discussion.

Details of unresolved deficiencies (…)

No shower mats in place

Hazard reports

Have hazards relating to the task/workplace been reported:

(…)

If yes, details….Both masters did discuss the issue of the shower being slippery but not the issue of the area outside the shower being slippery

(…)

On discussing the incident with [eiser] he describes the incident as a slip as to when he turned to get his toothbrush from the shower cubical this may account for the unusual position that he was found in.

It was put to [eiser] that the paramedics thought he had fainted but he insists that this incident was due to a slip, he was asked also if there could have been any other factors that could have made him faint or black out but maintained that it was a slip.

It was noted there was no evidence of safety-meetings on-board and when put to [eiser] he stated it wasn’t required as part of the NL Flag.

(…)”

2.15

Gareloch heeft op 6 juni 2016 een ongevalsmelding gedaan via de website van de inspectie SZW. SZW heeft Gareloch bericht geen onderzoek te zullen instellen.

2.16

[eiser] heeft zich op 6 juni 2016 ziekgemeld. Zijn arbeidsongeschiktheid heeft tot het einde van de arbeidsovereenkomst voortgeduurd.

2.17

Een op 6 juni 2016 door [eiser] handgeschreven verklaring luidt:

05-06-2016 13.20 hrs I went in to the shower for aprox 10 min. After showering I dried myself and put my clothes on I went bear feet out of the shower and turned back for my tooth brush and paste.

I slipt my legs slipt away on the polished floor and my neck hit a sharp edge on the shower tub and (onleesbaar) at very sharp angle. Then the lights went out.

This was backed up by report of doctor how they found me with hyperextended neck and possible loss of consciousness for up to 40 mins. I was discharged from hospital with analgesia and head injury advice sheet.

This statement is writtin by me 19 hrs after the accident

and under the invloence of pain relievers and a lot of pain

06-06-2016 09:10”

2.18

Een schriftelijke verklaring van mede-kapitein [naam 3] , kennelijk abusievelijk gedateerd 5 mei 2016, luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

This afternoon while I was sleeping in my cabin I woke up by 14.00 hours due to the fact that [naam 4] shouted for help. When I came out of my cabin he told me [eiser] had fallen down in/in front of the shower. I went to have a look and saw [eiser] lying on his back with his neck on the edge of the shower basin. A I did not know what actually happened I decide to inform the Marine controller immediately in order to request for an ambulance immediately. [eiser] was

conscious all the time but complained about pain and a blurry sight therefore I decided to try and

support his head and cover him with a blanket in order to reduce the pressure on his neck and keep

his body from cooling down until the paramedics had arrived.

Apparently [eiser] went down to the sleeping quarters by 13.15 to take a shower as they

(dayshift) had to go out for a job by two o'clock. When I saw him lying down on the floor he had his

clothes on. And his towel felt wet. So I think he had been under the shower and fell down for a

reason I don't know in / in front of the shower.

(…)

2.19

Een handgeschreven verklaring van [eiser] collega [naam 4] , kennelijk abusievelijk gedateerd 5 mei 2016, luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

At around 1400 I heard calls for help

I went to investigate and found [eiser] lying with his head on the runner on the base of the shower. and his legs in the passage way. (…)”

2.20

Een handgeschreven verklaring van [eiser] collega [naam 5] , kennelijk abusievelijk gedateerd 5 mei 2016, luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

At around 1400 hours on the 5/5/16 [naam 4] woke me up to help because [eiser] had fallen in the shower.

I went to check and his head was in the shower, his neck on the runner and his body in the passage way. [naam 3] came out his cabin and called marine control.

(…)”

2.21

Een handgeschreven verklaring van [eiser] collega [naam 6] van 6 juni 2016 luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

At around 13.55 [naam 4] appeared at the mess room door and alerted us that [eiser] had had an accident and required assistance. We quickly took our boots and overalls off and went downstairs to find [eiser] lying on his back in the passage way with his head inside the shower basin and his neck accross the rail for the shower sliding door.”

2.22

Een op 3 maart 2017 door [eiser] ingevuld en ondertekend zogenaamd “personal accident and illness claim form” vermeldt, voor zover hier van belang:

“(…)

On the day of 5-6-2016 approx 13.15 hrs I went for a shower because I wanted to be fresh and clear my mind for doing the next job assist with bridge sections on fast tidal streams. After I showered put my clothes on and went back inside the shower cabin for taking my toothbrush. I slipped and woke up 40 mins later and could not move anything my neck was laying on top of the slide rails of the slide doors. My head hyperextended in the shower tub. At the time there were no safety slip mats or paint or tiles installed. Only polished polyester shower tub. (…)”

2.23

[eiser] heeft na het einde van de arbeidsovereenkomst met Atlas een ziektewetuitkering ontvangen tot 4 juni 2018. De verzekeraar van Atlas heeft aan [eiser] een uitkering gedaan in verband met blijvende arbeidsongeschiktheid van € 225.000,- bruto.

2.24

Tussen partijen is een deelgeschilprocedure gevoerd. [eiser] heeft in die procedure verzocht voor recht te verklaren dat Atlas en Gareloch hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het gestelde ongeval op 5 juni 2016.

De kantonrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 november 2017 het verzoek van [eiser] afgewezen.

3. De vordering in de hoofdzaak

3.1

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. zal verklaren voor recht dat Atlas en Gareloch hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval op 5 juni 2016;

2 Atlas en Gareloch zal veroordelen aan hem te vergoeden alle door hem geleden en nog te lijden schade ten gevolge van dit ongeval, kosten en interesten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de regelen der wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, subsidiair vanaf de dag van dagvaarding tot die van algehele voldoening;

3 Atlas en Gareloch te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en, voor het geval die voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf deze termijn voor voldoening.

3.2

[eiser] baseert zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

Er is sprake van een bedrijfsongeval. Dat is hem overkomen in de doucheruimte van het schip. In die ruimte bevond zich een aparte douchecabine met een verhoogde vloer. Op de vloer van de doucheruimte lag een soort linoleum. Hij is direct na het douchen uitgegleden op de vochtige en gladde vloer en met zijn nek op de rand van de douchecabine terechtgekomen. Ter plaatse was geen reling waaraan hij zich kon vasthouden, die was er pas “om de hoek”, in de gang. Hij is bij zijn val ernstig gewond geraakt en is volledig arbeidsongeschikt. Hij lijdt daardoor aanzienlijke schade, althans enige schade, en in elk geval is de mogelijkheid van schade reëel.

De vloer ter plaatse voldeed niet aan de certificeringseisen en was in elk geval ongeschikt voor een “natte cel”-gedeelte. Het is een feit van algemene bekendheid dat zeil op een vloer in een badkamer gevaarlijk glad is vanwege de combinatie met vocht.

Daags na zijn val zijn er maatregelen genomen tegen de gladheid van de vloer bij de douchecabine door ter plaatse antislipmatten neer te leggen.

Atlas en Gareloch zijn hoofdelijk aansprakelijk voor zijn schade, Atlas op grond van artikel 7:658 lid 1 en Gareloch op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. Op hen rust de bewijslast dat zij hebben voldaan aan hun zorgplicht, nu vaststaat dat hij ten tijde van zijn werkzaamheden schade heeft geleden.

Bewijslevering door gedaagden is tot op heden uitgebleven.

4. Het verweer in de hoofdzaak

Atlas en Gareloch hebben de vordering gemotiveerd weersproken en concluderen tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover wanneer die kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis zijn betaald.

Op de verweren van Atlas en Gareloch gaat de kantonrechter hierna, waar nodig, in.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

5.1

Niet in geschil is dat op deze zaak Nederlands recht moet worden toegepast.

5.2

De arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Atlas was een zee-arbeidsovereenkomst, zodat ingevolge artikel 7:696 BW op deze arbeidsovereenkomst de afdelingen 1 tot en met 9 en 11 van titel 10 van boek 7 BW van toepassing zijn, waaronder artikel 7:658 BW.

5.3

Atlas en Gareloch betwisten primair dat [eiser] is uitgegleden en daardoor ten val is gekomen. Van het gestelde ongeval is niemand getuige geweest.

Als [eiser] al is gevallen, dan is volgens hen niet bekend wat daarvan de oorzaak is geweest.

Zij wijzen erop dat [eiser] stelling in de dagvaarding – dat hij onmiddellijk na het douchen buiten de douchecabine is gevallen – afwijkt van zijn eigen schriftelijke verklaring van

3 maart 2017 en van die van de collega’s [naam 3] en [naam 4] van 5 juni en [naam 6] van

6 juni 2016, van zijn stelling bij conclusie van repliek dat hij in of nabij de douche is uitgegleden en van zijn stelling in de deelgeschilprocedure die erop neerkomt dat hij buiten de doucheruimte is uitgegleden.

Een mogelijke oorzaak van de gestelde val van [eiser] is volgens hen de voetafwijking, die [eiser] heeft opgelopen in de periode dat hij als beroepsmilitair uitgezonden is geweest. Een andere mogelijke oorzaak is dat hij is flauwgevallen of onwel is geworden.

Ook betwisten zij dat hij door de val de door hem gestelde schade heeft geleden. Bij onderzoek in het ziekenhuis in Edinburgh zijn geen afwijkingen gevonden en ook geen zichtbare verwondingen aan achterhoofd of nek. Bewusteloosheid is niet vastgesteld en [eiser] had niet gebraakt (“no vomit”), zodat niets wijst op een hersenschudding. Ook bij later neurologisch onderzoek in Nederland zijn geen afwijkingen gevonden. Bij neuropsychologisch onderzoek werd een forse psychische component gerapporteerd.

[eiser] is in 2017 een eenmanszaak begonnen in ongediertebestrijding en dat strookt niet met zijn stelling dat hij volledig arbeidsongeschikt is.

Van een bedrijfsongeval, zo voeren zij verder aan, is geen sprake. Het gaat veeleer om een zogenaamd “huis-tuin- en keukenongeval”, alledaagse situaties waarbij de normale voorzichtigheid in acht moet worden genomen. Hen valt geen verwijt te maken van het door [eiser] gestelde uitglijden. Zij verwijzen naar de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is bevestigd dat de werknemer een eigen verantwoordelijkheid heeft ter voorkoming van ongevallen, wat volgens hen temeer geldt voor een kapitein, die immers verantwoordelijk is voor de veiligheid aan boord van een schip.

Bovendien had [eiser] , die immers enkele dagen tevoren met mede-kapitein [naam 3] had gesproken over gladheid in de douchecabine, gebruik moeten maken van de aanwezige handgrepen. Dat klemt temeer nu hij slecht ter been is.

In elk geval was het zijn verantwoordelijkheid de door hem geconstateerde “deficiencies” te melden bij de Marine Superintendant. Ook had hij, als voorzieningen al noodzakelijk waren, zelf maatregelen kunnen en moeten nemen in de vorm van aanschaf ter plaatse van antislipmatten.

[eiser] , die voetklachten heeft en voetafwijkingen, en die is gaan douchen in een omgeving die hij kort tevoren als onveilig heeft bestempeld, moet zich bewust zijn geweest van het gevaarlijke, roekeloze van die gedraging, zodat de gestelde schade in belangrijke mate het gevolg is van bewuste roekeloosheid aan zijn zijde, aldus Atlas en Gareloch.

5.4

[eiser] heeft bij conclusie van repliek gesteld dat vaststaat dat er sprake is geweest van een bedrijfsongeval en van schade. Volgens hem hebben Atlas en Gareloch dat in hun processtukken erkend. Atlas en Gareloch bestrijden dat gemotiveerd.

5.5

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Voor zover [eiser] doelt op de conclusies van antwoord in deze procedure is zijn stelling niet juist: zowel Atlas als Gareloch bestrijden daarin primair dat [eiser] is gevallen en, als hij al is gevallen, dat hij daardoor de door hem gestelde schade heeft geleden.

Voor zover [eiser] doelt op de deelgeschilprocedure geldt het volgende.

Artikel 154 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) luidt:

“Een gerechtelijke erkentenis is het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij.”

Zelfs wanneer Atlas en Gareloch in de deelgeschilprocedure zouden hebben erkend dat sprake is geweest van een bedrijfsongeval en daardoor veroorzaakte schade – Atlas en Gareloch bestreden dat in die procedure, waarbij Atlas er op wees dat de uitkering door haar verzekeraar los staat van de vraag naar oorzaak en aansprakelijkheid – dan nog zou dat niet aan te merken zijn als een gerechtelijke erkentenis. Een erkenning valt slechts onder de reikwijdte van artikel 154 Rv als zij onderdeel is van een proceshandeling van een partij in een lopende zaak. Het door [eiser] in het geding brengen van de processtukken van de deelgeschilprocedure heeft niet tot gevolg dat Atlas en Gareloch in de onderhavige procedure zouden kunnen worden geacht de stellingen van [eiser] te hebben erkend.

5.6

Artikel 7:658 BW bepaalt, voor zover hier van belang:

“1 De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

2 De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

(…)

4 Hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De kantonrechter is bevoegd kennis te nemen van vorderingen op grond van de eerste zin van dit lid.”

5.7

Artikel 7:658 BW vestigt naar vaste jurisprudentie een schuldaansprakelijkheid. Deze bepaling geeft geen absolute waarborg voor de bescherming van de werknemer.

Zij heeft tot strekking een zorgplicht in het leven te roepen en verplicht de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Welke maatregelen en aanwijzingen redelijkerwijs van de werkgever mogen worden verwacht hangt af van alle omstandigheden van het geval.

De werknemer heeft door het tweede lid van dit artikel een in beginsel gunstige bewijspositie. Hij zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden en dat er causaal verband is met de uitoefening van zijn werkzaamheden, waarna de werkgever in beginsel aansprakelijk is voor die schade.

Daarbij geldt dat niet van de werknemer kan worden verlangd dat hij ook aantoont wat de precieze toedracht of de oorzaak van het ongeval is geweest. De toedracht hoeft dus voor de vraag of de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden niet exact vast te staan, maar kan daarbij uiteraard wel een rol spelen. De toedracht kan vervolgens ook een rol spelen bij de vraag of, en zo ja, in hoeverre, de werkgever de op hem rustende zorgplicht in voldoende mate heeft nageleefd.

5.8

In dit geval staat niet vast dat [eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Atlas en Gareloch betwisten immers de gestelde val, de gestelde schade en het gestelde oorzakelijk verband daartussen gemotiveerd en zijn bovendien van mening dat [eiser] ter zake onvoldoende (medische) informatie heeft verstrekt en aldus niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.

5.9

Zou de kantonrechter er niettemin, veronderstellenderwijs, vanuitgaan dat dat wél het geval is, dat [eiser] dus schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, in de door hem gestelde omstandigheden, dan zou aansprakelijkheid van Atlas en Gareloch ingevolge het tweede lid van artikel 7:658 BW in beginsel vaststaan. Dat zou echter weer anders zijn wanneer het om een algemeen bekend en zogenaamd “huis-, tuin- en keukengevaar” gaat. Daarvan is volgens Atlas en Gareloch sprake.

5.10

[eiser] bestrijdt dat laatste. Wanneer een gevaar algemeen bekend of voorzienbaar is, dan kenden Atlas en Gareloch dat ook, althans behoorden zij dat te kennen. Daarom hadden zij maatregelen moeten nemen, wat ook eenvoudig mogelijk was geweest, en daarbij rekening houden met de wat onvoorzichtige werknemer, zo stelt hij.

5.11

De kantonrechter oordeelt als volgt.

De zorgplicht van de werkgever gaat niet zover dat hij de werknemer moet waarschuwen voor algemeen bekende risico’s die als zodanig bij de werknemer bekend mogen worden verondersteld, die alledaags van aard zijn en ook in de huiselijke sfeer voorkomen, en waarvan niet kan worden gezegd dat ze specifiek werkgerelateerd zijn, zoals in dit geval het algemeen bekende risico van uitglijden, verbonden aan het lopen met blote voeten over een natte ondergrond. Ook gaat die zorgplicht niet zover dat de werkgever veiligheidsmaatregelen moet treffen ter voorkoming van de verwezenlijking van die risico’s.

Van een werknemer mag redelijkerwijs worden verwacht dat hij de normale oplettendheid en voorzichtigheid in acht neemt. De omstandigheid dat een werknemer zich wel eens minder voorzichtig of oplettend kan gedragen doet hieraan niets af: voor min of meer dagelijks voorkomende situaties die een beperkt risico inhouden mag een minimale voorzichtigheid van de werknemer worden verlangd (onder andere HR 7 december 2007, LJN BB5625),

HR 4 oktober 2002, LJN AE4090, HR 12 september 2003, LJN AF8254 en Hof Den Haag 20 mei 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1661).

Wanneer de kantonrechter, nog steeds veronderstellenderwijs, uitgaat van [eiser] laatste stelling (randnummer 5 bij conclusie van repliek) dat hij is uitgegleden in of nabij de douche, dan gaat het in dit geval dus om het blootvoets lopen door [eiser] in de net gebruikte en dus nog vochtige douchecabine, ofwel in de kleine doucheruimte waarin die cabine is opgesteld, ofwel in het stukje van de gang waarop deze doucheruimte uitkomt. Die situatie is niet specifiek gerelateerd aan [eiser] werkzaamheden. Van hem mocht in die omstandigheden de normale voorzichtigheid worden verwacht temeer omdat hij de situatie ter plekke goed kende van eerdere werkzaamheden op het schip en van algemene bekendheid is dat bij het lopen met blote voeten op een vochtige of natte ondergrond het risico van uitglijden bestaat.

De kantonrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling dat het in die omstandigheden aan Atlas en Gareloch was geweest om maatregelen te treffen tegen het risico van uitglijden.

Tussen de beide kapiteins, [eiser] en [naam 3] , was, zoals [eiser] stelt, enkele dagen eerder gesproken over gladheid van de douchecabine, en gesteld noch gebleken is dat [eiser] of [naam 3] daarvan melding heeft gemaakt, zoals was voorgeschreven (zie hiervoor onder 2.8) of zelf maatregelen heeft genomen, zoals beider verantwoordelijkheid als gezagvoerder op de [naam schip] . was.

[eiser] heeft in zijn verzoekschrift in de deelgeschilprocedure, door hem in de onderhavige procedure overgelegd, gesteld dat het in dit geval, bij een gladde badkamervloer, volstrekt helder was dat er maatregelen genomen hadden moeten worden reeds voor het hem overkomen ongeval, omdat het voorzienbaar was en de maatregelen niet bezwaarlijk waren. Als dat voor hem zó evident was had juist hij, als gezagvoerder, in de gegeven omstandigheden de door hem noodzakelijk geachte maatregelen moeten nemen.

Dat was, naar onweersproken is, eenvoudig mogelijk geweest door onmiddellijk na die constatering antislipmatten aan te schaffen in Rosyth, de plaats waar de [naam schip] . toen lag, en die matten in en nabij de douchecabine te plaatsen. Eveneens zou het mogelijk en geïndiceerd zijn geweest om in de tijd tussen de door de kapiteins gedane constatering en de te verwachten plaatsing van antislipmatten een noodmaatregel te treffen zoals bijvoorbeeld het leggen van handdoeken in de doucheruimte, en in elk geval de bemanning te waarschuwen en/of te instrueren om in en nabij de douchecabine badslippers, sokken of veiligheidsschoenen te dragen en die ook zonodig te verstrekken.

Zo te zien verwijt [eiser] Atlas en Gareloch dat zij niet de maatregelen hebben getroffen waartoe hij zelf, in zijn hoedanigheid van kapitein, in de gegeven omstandigheden de mogelijkheid had, de eerstaangewezene ter plaatse was, en dus ook redelijkerwijs gehouden was.

De kapitein vertegenwoordigt aan boord ingevolge artikel 7:703 BW de werkgever in de uitvoering van de zee-arbeidsovereenkomsten met de zeevarenden, die in dienst zijn aan boord van het door hem gevoerde zeeschip. Opdracht geven voor de aanschaf van antislipmatten was dus zonder meer mogelijk en kennelijk geboden. Zou [eiser] Atlas en Gareloch bovendien op de hoogte hebben gesteld van zijn constateringen en van de door hem gestelde urgentie, dan hadden ook zij actie kunnen (laten) ondernemen.

In dit verband is mede van belang dat, naar als onweersproken vaststaat, noch op de [naam schip] ., noch op een door Gareloch geëxploiteerd schip sinds haar oprichting in 2011 een ongeval als door [eiser] gesteld is voorgekomen.

5.12

De conclusie is dan ook dat Atlas noch Gareloch in de gegeven omstandigheden gehouden was tot waarschuwen en dat, als er een verplichting zou zijn geweest tot het treffen van maatregelen, het in die omstandigheden aan [eiser] was om dat te doen. Atlas en Gareloch zijn dan ook niet tekortgeschoten in hun zorgplicht.

Aansprakelijkheid van Atlas op grond van artikel 7:258 lid 2 BW en van Gareloch op grond van het vierde lid van dat artikel kan dan ook niet worden aangenomen.

De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.

5.13

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

De kantonrechter begroot die kosten aan de zijde van Atlas op € 1.496,-

(2 punten à € 748,-) aan salaris voor de gemachtigde en op eenzelfde bedrag aan salaris voor de gemachtigde van Gareloch. De nakosten bedragen in beide gevallen € 124,- zonder betekening en € 209,- in geval van betekening.

De beslissing

De kantonrechter

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Atlas en van Gareloch begroot op telkens € 1.496,- aan salaris voor de gemachtigde, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en in de nakosten van telkens € 124,-, in geval van betekening te verhogen tot telkens € 209,-;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

37878