Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8710

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
C/10/608424 / HA ZA 20-1121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervoer of expeditie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/608424 / HA ZA 20-1121

Vonnis van 8 september 2021

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. N.R. Huiskamp te Zevenbergen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LIFT FREIGHT SERVICES B.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk (gemeente Haarlemmermeer),

gedaagde,

advocaat mr. J.B. van Velzen te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Achmea en LFS genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 november 2020, met producties 1-22;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1-4;

  • -

    de brief van de rechtbank van 4 maart 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de akte overleggen producties alsmede van vermindering eis van Achmea, met producties 23-24;

  • -

    de akte overleggen productie van Achmea, met productie 25;

  • -

    de mondelinge behandeling van 23 juni 2021, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;

  • -

    de ten behoeve van de mondelinge behandeling door mr. Huiskamp overgelegde spreekaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Het bedrijf Vostermans Ventilation B.V. (hierna: Vost. NL) vervaardigt en verkoopt machines en apparaten voor industriële koeltechniek en klimaatregeling en (andere) elektrotechnische bouwinstallaties.

2.2.

Het bedrijf Vostermans Ventilation (Shanghai) Ltd. Co (hierna: Vost. China) is een aan Vost. NL gelieerde onderneming die zorgt voor wederverkoop van apparatuur en

installaties in (onder meer) China.

2.3.

LFS is een bedrijf dat logistieke diensten verricht.

2.4.

Vost. NL heeft het risico op schade tijdens transport aan de goederen waar deze zaak betrekking op heeft verzekerd bij Achmea.

2.5.

Op of omstreeks 24 juli 2019 heeft Vost. NL aan Vost. China een partij goederen verkocht voor een prijs van US$ 182.977,97.

2.6.

Nadat Vost. NL zich had gewend tot LFS voor het (doen) vervoeren naar Shanghai van één met goederen geladen container, heeft LFS op 17 juli 2019 een offerte uitgebracht aan Vost. NL. Vervolgens heeft Vost. NL LFS opgedragen de container met de goederen te (doen) vervoeren naar het adres van Vost. China in Shanghai.

2.7.

Het vervoertraject van de zending heeft uit de volgende deeltrajecten bestaan:

▪ Op 24 juli 2019 is de geladen container met de goederen opgehaald op het vestigingsadres van Vost. NL te Venlo om over de weg te worden vervoerd naar de spoorterminal te Tilburg.

▪ Vanaf Tilburg is het vervoer van de geladen container naar Chengdu (China) per spoor aangevangen (hierna: het spoordeeltraject).

▪ Vanaf Chengdu is de geladen container verder vervoerd over de weg naar Shanghai, waar de container door of namens Vost. China op of omstreeks 4 november 2019 door Vost. China is ontvangen.

2.8.

Tijdens het spoordeeltraject op 9 augustus 2019, toen de geladen container werd overgeladen op het terrein van het Alaskanhou Railway Station (China), is de geladen container uit de kraan gevallen en bovenop een andere container geland. Hierdoor is aanzienlijke schade ontstaan aan zowel de container als de daarin geladen goederen.

2.9.

In Alaskanhou is op 19 augustus 2019 een voorlopige expertise gehouden en na aankomst van de container op Chengdu Railway Port (China) een uitvoerige expertise op 14-15 oktober 2019. Van deze expertises zijn expertiserapporten opgemaakt. Blijkens het expertiserapport van 23 januari 2020 is de ladingschade US$ 36.190,43 en zijn daarnaast kosten gemaakt ter vaststelling van de schade en schadebeperking ter hoogte van het bedrag US$ 10.754,49.

2.10.

Bij e-mail van 12 augustus 2019 – aangehaald voor zover relevant – is LFS door Vost. NL aansprakelijk gesteld:

“Lift Freight Services B.V. heeft ons op de hoogte gesteld van het feit dat een container die u voor ons vervoerde aan de grens tussen Kazachstan en China uit een kraan is gevallen.

Wij stellen u hierbij aansprakelijk voor de schade die wij lijden als gevolg van ongeval met onze container [containernummer] .

Ik verzoek u vriendelijk de ontvangst van deze aansprakelijkheidsstelling namens Lift Freight Services B.V. te bevestigen.”

2.11.

Op of omstreeks 4 november 2019 heeft Vost. China de goederen in ontvangst genomen.

2.12.

Vost. China heeft de met Vost. NL overeengekomen koopprijs van
US$ 182.977,97 voldaan aan Vost. NL. Bij creditnota van 10 januari 2020 (hierna: de creditnota) is Vost. China vervolgens ter zake van deze koopprijs door Vost. NL gecrediteerd voor een bedrag van US$ 35.945,63.

3. Het geschil

3.1.

Achmea vordert na eisvermindering dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis LFS veroordeelt tot betaling aan Achmea:

1. ten titel van schadevergoeding wegens waardevermindering van de ten vervoer aangenomen zending goederen een bedrag van € 39.690,-- (US$ 46.269,63), althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen schadebedrag,

en uitsluitend voor zover de rechtbank LFS aansprakelijk acht op grond van de subsidiair aangevoerde grondslag (art. 8:63 BW):

2. tot vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.171,90, en

3. tot vergoeding van de wettelijke rente over de toegewezen vorderingen vanaf 25 juni 2019, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van de algehele betaling,

met veroordeling van IFS in de proceskosten, waaronder de nakosten van € 255,00 zonder betekening dan wel € 329,00 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, en – voor het geval voldening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Primair kwalificeert Achmea de overeenkomst tussen Vost. NL en LFS als een overeenkomst van multimodaal vervoer: LFS heeft zich jegens Vost. NL verbonden als multimodaal vervoerder. In dat verband legt Achmea aan haar vorderingen – samengevat – de volgende stellingen ten grondslag:

- Het vorderingsrecht tot schadevergoeding van ladingschade tijdens spoorvervoer

berust bij de geadresseerde vanaf het moment van ontvangst van de goederen, en

dat is Vost. China (art. 8:1590 BW). Het vorderingsrecht berust derhalve in beginsel bij Vost China. Vost. NL en Vost. China hebben hun vorderingsrechten bij cessie overgedragen aan Achmea. Door uitkering van de schade tot een bedrag van € 38.149,51 (verzekerd schadebedrag ad € 42.649,51 onder aftrek van het eigen risico ad € 4.500,00) subrogeert Achmea op grond van artikel 7:962 lid 1 BW in de vorderingsrechten van Vost. NL;

  • -

    De rechtsverhouding tussen Vost. NL en LFS wordt uitsluitend beheerst door Nederlands intern recht, dus niet mede door (dwingend) verdragsrecht;

  • -

    Voor deze schade is LFS aansprakelijk op grond van het volgende. Artikel 8:41 BW bepaalt dat bij een overeenkomst van gecombineerd (multimodaal) goederenvervoer de rechtsregels moeten worden toegepast die gelden op ieder deel van het vervoer. Dat betekent dat ten aanzien van de aansprakelijkheid voor de schade die ontstond tijdens het vervoer per spoor de rechtsregels moeten worden toegepast die op dat spoorvervoer van toepassing zijn. De overeenkomst voor vervoer van goederen betrof (onder meer) vervoer per spoor van Tilburg naar Chengdu. Er is in deze zaak geen sprake van een verdrag dat rechtstreeks van toepassing is of waarvoor een rechtskeuze is uitgebracht. Daarom dient de aansprakelijkheid van LFS voor de schade tijdens spoorvervoer te worden bepaald aan de hand van Nederlands recht. De schade is ontstaan tijdens het vervoer per spoor en voor die schade is LFS als (contractueel) vervoerder aansprakelijk op grond van de regeling van de artikelen 8:1550-1596 BW. LFS is op grond van artikel 8:1580 lid 1 BW gehouden de schade te vergoeden overeenkomstig de waardevermindering van de goederen. Die waardevermindering komt derhalve neer op de factuurwaarde van het afgekeurde deel van de zending, te vermeerderen met de kosten om dat deel van het te redden deel van de zending af te scheiden.

Subsidiair kwalificeert Achmea de overeenkomst tussen Vost. NL en LFS als een overeenkomst van doen vervoeren (een overeenkomst van expeditie in enge zin): LFS heeft zich jegens Vost. NL verbonden als expediteur in de zin van artikel 8:60 e.v. BW. In dat verband legt Achmea aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag:

  • -

    Ten aanzien van de subsidiaire grondslag rust het vorderingsrecht tot schadevergoeding op de voet van artikel 8:63 BW primair bij de contractuele wederpartij, Vost. NL, jegens wie LFS tekortschiet in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen. Vost NL en Vost. China hebben hun vorderingsrechten bij cessie overgedragen aan Achmea. Door uitkering van de schade tot een bedrag van € 38.149,51 (verzekerd schadebedrag ad
    € 42.649,51 onder aftrek van het eigen risico ad € 4.500,00) subrogeert Achmea op grond van artikel 7:962 lid 1 BW in de vorderingsrechten van Vost. NL;

  • -

    Betoogd zou kunnen worden dat (ook) Vost. China een (afgeleid) vorderingsrecht heeft op LFS vanwege de fictie dat LFS als vervoerder is te beschouwen, en dat ook Vost China op grond van artikel 8:1590 BW een vorderingsrecht heeft;

  • -

    Indien en voor zover de rechtbank zou oordelen dat de tussen Vost. NL en LFS gesloten overeenkomst kwalificeert als een opdracht tot doen vervoeren (ofwel: expeditie), is LFS aansprakelijk voor de schade op grond van art. 8:63 BW jo. art 14 FENEX-condities 2018;

  • -

    De kern van een expeditie-opdracht is dat de expediteur adequate vervoerovereenkomsten sluit, teneinde de goederen tijdig op de juiste plaats te krijgen. Daarnaast is LFS verplicht om bij schade tijdens het vervoer onverwijld aan haar opdrachtgever 1) alle relevante informatie en documenten te verschaffen waaruit blijkt welke (vervoer)overeenkomsten LFS sloot ter uitvoering van de aan LFS gegeven opdracht, teneinde haar opdrachtgever in staat te stellen haar schade te verhalen, en 2) een expediteursverklaring met een zodanige inhoud en strekking dat de opdrachtgever daarmee in rechte kan optreden tegen de vervoerder(s). Die wettelijke plichten zijn neergelegd in artikel 8:63 leden 2 en 3 BW;

  • -

    LFS heeft deze beide plichten geschonden. Op de voet van artikel 8:63 BW moet LFS dan ook de schade vergoeden alsof zij zelf vervoerder was. Daarbij maakt het niet uit of zij al dan niet uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt de opdracht als een expeditieopdracht te aanvaarden;

  • -

    Artikel 8:63 lid 3 BW bepaalt dat de expediteur naast de schadevergoeding die hij als vervoerder verschuldigd is, ook overige schade dient te vergoeden. Dat geeft de wettelijke grondslag voor het vorderen van buitengerechtelijke incassokosten en expertisekosten.

3.3.

LFS voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Achmea bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van LFS wordt hierna bij de beoordeling, voor zover zij daarvoor van belang zijn, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Deze rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Achmea, (onder meer) omdat LFS de bevoegdheid van deze rechtbank niet heeft betwist (stilzwijgende forumkeuze).

Toepasselijk recht

4.2.

Partijen zijn beide van mening dat hun geschilpunten in deze zaak beoordeeld dienen te worden naar Nederlands intern recht. Daar sluit de rechtbank zich bij aan. Deze geschilpunten zullen daarom allemaal naar Nederlands intern recht worden beoordeeld.

Vorderingsgerechtigdheid

4.3.

Dat Vost. NL en Vost. China, voor zover zij vorderingsrechten hebben jegens LFS, deze hebben gecedeerd aan Achmea, is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat Achmea aan Vost. NL, haar verzekerde, een uitkering heeft gedaan van € 38.149,51, welk bedrag de som is van het verzekerde schadebedrag van € 42.649,51 minus het eigen risico van
€ 4.500,00. Net zoals Achmea gaat de rechtbank ervan uit dat Achmea ter hoogte van genoemd uitgekeerd bedrag van € 38.149,51 gesubrogeerd is in de (mogelijke) vorderingsrechten van Vost. NL jegens LFS. Voor zover Vost. NL een vorderingsrecht heeft jegens LFS ter hoogte van genoemd eigen-risico-bedrag van € 4.500,00, is krachtens genoemde cessie, die volgt uit de door Achmea als productie 21 in het geding gebrachte bescheiden, ook dat vorderingsrecht van Vost. NL overgegaan op Achmea.

4.4.

In geschil is echter of sprake is geweest van (mogelijke) vorderingsrechten van Vost. NL jegens LFS voor zover deze zien op de ladingschade ad US$ 36.190,43. Achmea meent van wel, LFS meent van niet. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

4.5.

Zoals hierboven onder 2.12 is weergegeven, heeft Vost. China de met Vost. NL overeengekomen koopprijs van US$ 182.977,97 voldaan aan Vost. NL maar heeft Vost. NL Vost. China ter zake van deze koopprijs vervolgens voor een bedrag van US$ 35.945,63 gecrediteerd. Die creditering had als reden het onderhavige schadevoorval, zo is niet in geschil. Achmea is van mening dat dit gecrediteerde bedrag de ladingschade vertegenwoordigt die Vost. NL als gevolg van het onderhavige schadevoorval heeft geleden. LFS betwist dit. Volgens LFS heeft Vost. NL niet te gelden als de partij die deze schade heeft geleden, omdat Vost. NL niet gehouden was Vost. China te crediteren en Vost. NL deze creditering dus geheel op vrijwillige basis heeft uitgevoerd.

4.6.

Tussen de partijen in deze zaak, Achmea en LFS, is niet in geschil dat op de koopovereenkomst tussen Vost. NL, de verkoper, en Vost. China, de koper, de incoterm (2010) CFR Shanghai van toepassing is. De incoterm CFR is een leveringsvoorwaarde die alleen wordt gebruikt, althans alleen is bedoeld, voor het vervoer per schip. Ondanks dat de onderhavige container is vervoerd over de weg, over het spoor en vervolgens weer over de weg, dus niet per schip, hebben Vost. NL en Vost. China kennelijk toch de afspraak gemaakt dat ook wat deze beide vervoertrajecten betreft de incoterm CFR op hun koopovereenkomst van toepassing is. Als zakelijk opererende contractspartijen stond het Vost. NL en Vost. China vrij om deze – wellicht wat ongebruikelijke – afspraak met elkaar te maken. Dat is voor de rechtbank voldoende reden om ervan uit te gaan dat de incoterm CFR deel uitmaakt van de koopovereenkomst tussen Vost. NL en Vost. China. Bij de incoterm CFR draagt de verkoper het risico van verlies of schade aan de goederen tot het moment dat hij de goederen aflevert aan boord van het schip in de afgesproken verschepingshaven, in het onderhavige geval: in of nabij de vrachtwagen op de afgesproken ophaalplaats dan wel in of nabij de trein op het afgesproken spoorwegstation. Ten tijde van het onderhavige schadevoorval was het risico over de goederen in de container dus al overgegaan van Vost. NL op Vost. China. Vost. NL was dus op basis van de koopovereenkomst die zij voorafgaand aan dit schadevoorval met Vost. China had gesloten niet gehouden Vost. China schadeloos te stellen. Niettemin mag worden aangenomen dat Vost. NL pas tot creditering van Vost. China is overgegaan nadat zij met Vost. China daarover afspraken had gemaakt. Met die afspraken tot creditering van Vost. China door Vost. NL zijn deze partijen afgeweken van de aanvankelijk overeengekomen incoterm CFR, welke incoterm, als gezegd, het risico van het onderhavige schadevoorval bij Vost. China legde. Ook voor deze afspraken geldt dat het Vost. NL en Vost. China als zakelijk opererende contractspartijen vrijstond ze te maken. Op basis van het bovenstaande stelt de rechtbank dan ook vast dat Vost. NL de partij is die in haar vermogen is geschaad. Vost. NL heeft immers producten aan Vost. China geleverd maar daarvoor niet de volledige koopprijs gekregen. Hieraan kan niet afdoen dat bovengenoemde afspraken tussen Vost. NL en Vost. China waarmee zij zijn afgeweken van de op hun koopovereenkomst toepasselijke incoterm CFR pas zijn gemaakt nadat volgens die incoterm het risico over de goederen in de container al was overgegaan op Vost. China. Immers, Vost. NL heeft zich uiteindelijk – als het ware – verplicht tot het schadeloos stellen van Vost. China en daarmee de schade op zich genomen die Vost. China aanvankelijk zelf moest dragen.

De door Achmea gevorderde schade bestaat naast de ladingschade uit een bedrag van US$ 10.754,49 ter zake van kosten die zijn gemaakt ter vaststelling van de schade en schadebeperking. Als onvoldoende gemotiveerd bestreden door LFS gaat de rechtbank ervan uit dat deze kosten ook voor rekening zijn gekomen van Vost. NL. Ook ter zake van deze kosten heeft Vost. NL dus een (mogelijk) vorderingsrecht op LFS, in welke rechten Achmea is gesubrogeerd.

4.7.

LFS heeft als productie 23 een uit één pagina bestaand stuk in het geding dat een passage uit het expertiserapport betreft aangaande de beschadigde items. Door middel van de creditnota is Vost. China door Vost. NL ter zake van al deze beschadigde items gecrediteerd met uitzondering van tien items met artikelnummer [nummer], waarvan de stuksprijs US$ 24,48 bedraagt en de totaalprijs derhalve US$ 244,80. Dit laatstgenoemde bedrag levert derhalve geen schadepost op voor Vost. NL maar voor Vost. China. Wat dit bedrag betreft heeft Vost. China door middel van bovengenoemde cessie haar (mogelijke) vorderingsrecht op LFS aan Achmea overgedragen, die derhalve ook wat dit bedrag betreft vorderingsgerechtigd is.

Vervoer of expeditie?

4.8.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de contractuele rechtsverhouding in deze zaak tussen Vost. NL en LFS een vervoerovereenkomst is of een expeditie-overeenkomst. Achmea stelt zich primair op het standpunt dat LFS is opgetreden als vervoerder van Vost. NL. LFS is van mening dat zij is opgetreden als expediteur in de zin van artikel 8:60 e.v. BW, derhalve als partij die gehouden is tot het doen vervoeren van goederen (zgn. ‘expeditie in enge zin’).

4.9.

De vraag die hier uiteindelijk aan de orde is, is of de overeenkomst tussen Vost. NL en LFS moet worden gekwalificeerd als een vervoerovereenkomst of een expeditie-overeenkomst.

4.10.

Op Achmea rust de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een vervoerovereenkomst.

4.11.

Bij de beoordeling van de vraag of Vost. NL en LFS vervoer dan wel expeditie zijn overeengekomen komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voor zover bij deze beoordeling ook nog de uitleg van de overeenkomst van belang is die Vost. NL en LFS zijn aangegaan, moet die uitleg plaatsvinden aan de hand van de Haviltex-maatstaf.

4.12.

Voor haar standpunt dat LFS in dit geval als vervoerder heeft gecontracteerd met Vost. NL heeft Achmea het volgende aangevoerd:

  • -

    i) Uit de inschrijving van LFS in het handelsregister volgt dat het talloze logistieke diensten verricht, waaronder het vervoer van goederen: “Activiteiten SBI-code: 4941 - Goederenvervoer over de weg (geen verhuizingen) Logistiek dienstverlening en expeditie”.

  • -

    ii) In de communicatie tussen Vost. NL en LFS heeft laatstgenoemde geen enkele keer kenbaar gemaakt hoe zij de opdracht van Vost. NL aanvaardde.

  • -

    iii) In haar e-mail van 18 juni 2019, toen nog werd uitgegaan van vervoer per zeeschip, schrijft LFS: “zoals afgesproken komen we 10/07 10:20 uur laden”, hetgeen erop duidt dat LFS zelf zal vervoeren, in ieder geval het eerste deel over de weg.

  • -

    iv) Op de website van LFS staat onder meer te lezen: “Our own fleets of vehicles usually stay in The Netherlands and Germany, ready to be at your service there”. Dit laat er geen onduidelijkheid over bestaan dat LFS zich (ook) als feitelijk vervoerder presenteert.

  • -

    v) Uit de tekst van de handtekening onder e-mails van LFS (prod. 19 Achmea) volgt dat zij diverse logistieke diensten verleent, waaronder goederenvervoer.

  • -

    vi) In de offerte van 17 juli 2019 staat geen informatie over de hoedanigheid van LFS, of welke diensten zij in het kader van de eventueel te geven opdracht zal leveren, of dat zij de opdracht uitsluitend aanvaardt als expeditie-opdracht.

  • -

    vii) LFS factureert voor het uitgevoerde vervoer een lumpsum, vermeerderd met meerkosten. Zie voor deze factuur productie 8 van Achmea. Dat is een duidelijke en in de jurisprudentie erkende indicatie dat de overeenkomst ziet op vervoer en niet op expeditie. Indien er sprake zou zijn van expeditie, dan had het voor de hand gelegen dat LFS naast door te belasten vracht een fee in rekening zou brengen voor haar bemoeienissen als expediteur.

4.13.

Voor zover in deze opsomming omstandigheden voorkomen die van feitelijke aard zijn, zijn deze omstandigheden door LFS niet betwist, zodat zij zijn komen vast te staan. LFS betwist echter dat deze omstandigheden moeten leiden tot kwalificatie van haar overeenkomst met Vost. NL als een vervoerovereenkomst.

4.14.

Achmea heeft niet gemotiveerd bestreden dat LFS zelf geen vrachtwagens heeft, zodat dit vaststaat. Voor het hierboven onder 2.7 genoemde eerste deeltraject, dat over de weg ging, heeft LFS dus een ander bedrijf ingeschakeld, dat wél beschikte over een vrachtwagen, welk bedrijf voor de daadwerkelijke belading en het vervoer van de goederen zorgde. De uitdrukking “we komen laden”,zo is ter zitting toegelicht door LFS, is een gebruikelijke vorm voor LFS om uit te drukken dat de goederen opgehaald gaan worden bij de opdrachtgever, maar betekent niet dat LFS zelf voor dit vervoer heeft gezorgd. De rechtbank gaat in deze uitleg mee, gelet ook op het feit dat het vervoer door een door LFS ingeschakelde vervoerder is uitgevoerd. Aan de woorden “we komen laden” kan dan ook niet de betekenis worden verbonden, die Achmea daaraan geeft.

4.15.

Voor de kwalificatie van de werkzaamheden van LFS in deze zaak is ook niet van belang dat LFS in de standaardtekst onderaan haar correspondentie – door Achmea wordt deze standaardtekst ook wel aangeduid als “handtekening” – onder meer verwijst naar algemene voorwaarden die van toepassing zijn op vervoer. Immers, zoals LFS terecht aanvoert, deze standaardtekst begint met de volgende zinsnede, waaruit volgt dat de toepasselijkheid van een bepaalde set algemene voorwaarden afhankelijk is van de hoedanigheid waarin LFS is opgetreden:

“The following general conditions, latest versions, are exclusively applicable to all our activities and services, depending on the type of services and activities performed:”.

4.16.

Ter zake van het argument van Achmea dat LFS een lumpsum voor het vervoer in rekening brengt, overweegt de rechtbank als volgt.

In de factuur van LFS aan Vost. NL (prod. 8 Achmea) zijn de volgende bedragen in rekening gebracht:

“container(s):

Stuks verpakking Goederenomschrijving Gewicht

1 x 40 ft High Cube ventilation equipment

1 Packages 2.500 kg

RAIL EX 3.890,00 EUR

Afhandelingskosten – ivm uithalen Rotterdam EX 200,00 EUR

EX Transport naar een niet-EU-land, vrijgesteld van btw.”

Het bedrag van € 3.890,00 bestaat enerzijds uit vracht die door de (feitelijke) spoorwegvervoerder bij LFS in rekening is gebracht en die LFS door middel van deze factuur dus heeft doorbelast aan Vost. NL en anderzijds uit een vergoeding die LFS bij Vost. NL in rekening heeft gebracht voor haar eigen dienstverlening, zo is niet in geschil.

LFS heeft er dus kennelijk voor gekozen om deze twee posten bij Vost. NL in rekening te brengen in de vorm van één en hetzelfde factuurbedrag. In zoverre heeft LFS dus wél voldaan aan het door Achmea geopperde uitgangspunt voor expeditie dat naast de doorbelaste vracht een fee in rekening wordt gebracht voor de bemoeienissen als expediteur.

Weliswaar was bovengenoemd bedrag van € 3.890,00 in de offerte van 17 juli 2019, die aan factuur vooraf is gegaan, nog voorzien van de aanduiding

“Rail charges - all-in, per ctnr.”,

terwijl in de factuur als aanduiding bij dit bedrag slechts is overgebleven het woord “RAIL”, dat neemt niet weg dat niet in geschil is dat met de aanduiding “RAIL” in de factuur hetzelfde is bedoeld als met de aanduiding “Rail charges - all-in” in de offerte.

Gesteld noch gebleken is dat op enig moment voorafgaande aan de totstandkoming van de offerte dan wel de factuur door LFS met Vost. NL specifiek is besproken welke kosten vallen onder genoemde aanduiding “Rail charges - all-in”.

De omstandigheid dat in een factuur één (all-in) bedrag in rekening is gebracht, kan er op duiden dat vervoer is overeengekomen, omdat de slechts als tussenpersoon bij vervoer fungerende expediteur zijn rekening aan de opdrachtgever normaliter zal splitsen in expediteurscommissie en variabele verschotten (waaronder vracht). De rechtbank is echter van oordeel dat de enkele omstandigheid dat LFS een lumpsum prijs in rekening heeft gebracht niet voldoende is om tot het oordeel te komen dat LFS als vervoerder is opgetreden.. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.17.

LFS heeft bovengenoemde schriftelijke offerte van 17 juli 2019 uitgebracht nadat Vost. NL haar een mondelinge opdracht had verstrekt, zo is niet in geschil. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de bewoordingen van deze offerte geen aanwijzing opleveren of LFS is opgetreden als expediteur dan wel als vervoerder, temeer omdat in deze offerte door LFS op geen enkele wijze gerefereerd wordt aan een verzoek of opdracht van Vost. NL dat/die aan deze offerte vooraf is gegaan. Zie bijvoorbeeld de geheel neutraal geformuleerde volzin waarmee LFS deze offerte inleidt:

“Hierbij ontvangt u onze offerte voor de zending zoals hieronder gespecificeerd.”

4.18.

Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij (ook) in de onderhavige zaak is opgetreden als expediteur verwijst LFS naar correspondentie die zij heeft gevoerd met Vost. NL inzake eerdere door haar voor Vostermans verzorgde zendingen. Anders dan Achmea van mening lijkt te zijn, valt niet in te zien waarom correspondentie tussen partijen inzake eerdere zendingen geen rol zou mogen spelen bij de beantwoording van de vraag in welke hoedanigheid een partij is opgetreden bij een latere zending waar die correspondentie geen betrekking op heeft. Uiteraard is het wél zo dat eerst moet worden nagegaan of er relevante informatie, bijvoorbeeld correspondentie, bestaat die specifiek betrekking heeft op de zending waar het geschil over gaat. Daaruit zou namelijk kunnen blijken dat partijen inzake een latere zending afgeweken zijn van handelspraktijken die zij erop nahielden bij eerdere zendingen. In dat verband voert Achmea aan dat de zending waar de onderhavige zaak over gaat de eerste zending is die vervoerd is per spoor. De rechtbank kan Achmea niet volgen in die gedachtegang. Het mag dan wel zo zijn dat alle eerdere zendingen die LFS voor Vostermans heeft verzorgd feitelijk zijn vervoerd via een andere vervoersmodaliteit dan per spoor, dat gegeven hoeft echter nog niet te betekenen dat LFS bij die latere zending in een andere hoedanigheid is opgetreden dan bij die eerdere zendingen. De hoofdverbintenis van de expediteur is het regelen van het vervoer ten behoeve van zijn opdrachtgever, meer concreet: het tot stand brengen van een vervoerovereenkomst met een derde partij ten behoeve van de opdrachtgever. Zie artikel 8:60 BW. De expediteur hoeft dus zelf geen verbintenis aan te gaan waarbij hij zich verbindt tot het vervoeren van de zending (via een bepaalde vervoermodaliteit). Het is dus heel wel mogelijk dat een expediteur voor een zending van zijn opdrachtgever op een gegeven moment een andere vervoermodaliteit regelt dan de vervoermodaliteit(en) die hij had geregeld voor het vervoer van eerdere zendingen van zijn opdrachtgever. Reeds om die reden volgt de rechtbank Achmea niet in haar standpunt dat er louter naar de wijze van handelen van Vost. NL en LFS moet worden gekeken ten aanzien van de onderhavige zending en niet tevens acht mag worden geslagen op afspraken die deze partijen met elkaar hebben gemaakt bij eerdere zendingen en hoe zij bij eerdere zendingen met elkaar zijn omgegaan. Daarnaast is ook onbestreden ter zitting gesteld dat ten aanzien van de onderhavige zending Vost. NL en LFS oorspronkelijk zeevervoer waren overeengekomen – vandaar het gebruik van de incoterm CFR – maar dat wegens de verwachte duur van deze vervoermodaliteit uiteindelijk is gekozen voor vervoer van de zending per spoor.

4.19.

LFS heeft als productie 3 bij conclusie van antwoord e-mailcorrespondentie in het geding gebracht tussen enerzijds medewerkers van LFS en anderzijds [naam] ( [naam] ), Coordinator Forwarding Office van Vost. NL. Deze e-mailcorrespondentie dateert van de periode 14 maart-11 september 2018 en betreft een aantal zendingen, ongeveer drie à vijf. Deze door LFS in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie bestaat bijna geheel uit e-mailberichten die door verschillende medewerkers van LFS verzonden zijn aan [naam] . [naam] , zo leidt de rechtbank af uit de stellingen van partijen en uit de in het geding gebrachte producties in deze zaak, is de enige althans voornaamste medewerker binnen Vost. NL op het gebied van logistieke activiteiten. In deze e-mailberichten wordt gecorrespondeerd over zendingen van Vost. NL die vervoerd moeten worden. Uit deze e-mailberichten volgt dat LFS, nadat door Vost. NL bij LFS een nieuwe zending is aangeboden, op zoek gaat naar een geschikte reis voor de zending en vervolgens overgaat tot boeking van de door deze door LFS ‘gevonden’ reis, indien van de zijde van Vost. NL met de condities van deze reis is ingestemd, zoals de prijs die de vervoerder voor deze reis rekent en het tijdstip en de duur daarvan. In deze e-mailberichten, die overigens allemaal betrekking lijken te hebben op reizen per vliegtuig, wordt de (belangrijkste) activiteit van LFS met betrekking tot de zendingen van Vost. NL aangeduid als “boeken”. Deze term wordt in deze e-mailcorrespondentie niet alleen gebruikt door de medewerkers van LFS maar ook door [naam] , dus eigenlijk door Vost. NL.

LFS merkt ten aanzien van deze door haar in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie, waarmee zij wil aantonen dat zij ook in het geval van de onderhavige zending is opgetreden als expediteur, op dat het gaat om “[z]omaar een willekeurige greep uit de correspondentie” (randnr. 11 conclusie van antwoord). Het mag dan wel zo zijn dat Achmea, anders dan LFS, deze e-mailcorrespondentie niet van belang acht voor de vraag of LFS ten aanzien van de onderhavige zending is opgetreden als expediteur, dat neemt niet weg dat Achmea bovengenoemde typering door LFS van deze e-mailcorrespondentie onbetwist heeft gelaten, waarmee LFS ontegenzeggelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat deze e-mailcorrespondentie representatief is voor het soort activiteiten dat LFS verricht voor Vost. NL.

4.20.

Uit deze e-mailcorrespondentie lijkt een bestendige zakelijke relatie te kunnen worden afgeleid tussen Vost. NL en LFS waarbij de activiteiten van LFS zich beperken tot het regelen/doen vervoeren van goederen, derhalve expeditie-in-enge-zin. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen dat bij de onderhavige zending LFS en Vost. NL opeens zijn afgeweken van deze bestendige zakelijke relatie. Zie in dat verband hetgeen hierboven in r.o. 4.17 en 4.16 is overwogen over de neutrale bewoordingen van de offerte respectievelijk over de wijze waarop LFS haar activiteiten voor deze zending bij Vost. NL heeft gefactureerd. Niet alleen bij de onderhavige zending maar ook bij de eerdere zendingen waarop bovengenoemde e-mailcorrespondentie betrekking heeft, lijkt het verzoek van Vost. NL aan LFS om te zorgen voor het vervoer van een zending uitsluitend mondeling te zijn gedaan. Het lijkt er dan ook sterk op dat LFS, iedere keer wanneer zulk mondeling verzoek van Vost. NL binnenkomt, ‘aan een half woord genoeg heeft’ omdat LFS heeft ervaren dat het voor Vost. NL steeds voldoende is dat LFS gewoon op zoek gaat naar geschikt vervoer voor de door Vost. NL aangeboden zending. Indien verzoeken van Vost. NL aan LFS niet steeds zo eenduidig van aard waren, zou het naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand hebben gelegen dat LFS steeds genoegen neemt met een mondeling verzoek. Dat ook bij de onderhavige zending sprake is geweest van slechts een mondeling verzoek van Vost. NL bevestigt dan ook dat de gang van zaken bij deze zending past in het patroon van bovengenoemde bestendige zakelijke relatie tussen Vost. NL en LFS.

4.21.

LFS heeft dus gecontracteerd met Vost. NL als expediteur, niet als vervoerder.

Aansprakelijkheid LFS

4.22.

Aan de orde is vervolgens de vraag of LFS tekort is geschoten in haar expediteursverplichtingen jegens Vost. NL, zoals Achmea stelt en LFS betwist.

4.23.

De overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen, de overeenkomst tot de zogenaamde ‘expeditie in enge zin’, is geregeld in Afdeling 3 van Titel 2 van Boek 8 BW (artt. 8:60-73).

4.24.

De hoofdverbintenis van de expediteur onder een expeditieovereenkomst is, als gezegd, het tot stand brengen van een vervoerovereenkomst met een derde partij ten behoeve van de opdrachtgever, in dit geval Vost. NL. (art. 8:60 BW). Aan die kernverplichting van een expediteur lijkt LFS zich in de onderhavige zaak wel te hebben gehouden. Bovengenoemde wettelijke regeling bevat daarnaast echter nog een aantal andere verplichtingen van de expediteur. Gewezen zij in dat verband op artikel 8:63 BW:

Artikel 8:63 BW

  1. Indien de zaken niet zonder vertraging ter bestemming worden afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking zijn gesteld, is de expediteur voor zover hij de vervoerovereenkomst, welke hij met een ander zou sluiten, niet zelf uitvoerde, verplicht de opdrachtgever onverwijld te doen weten welke vervoerovereenkomsten hij ter uitvoering van zijn verbintenis aanging. Hij is tevens verplicht de opdrachtgever alle documenten en gegevens ter beschikking te stellen, waarover hij beschikt of die hij redelijkerwijs kan verschaffen, voor zover deze althans kunnen dienen tot verhaal van opgekomen schade.

  2. De opdrachtgever verkrijgt jegens degeen, met wie de expediteur heeft gehandeld, van het ogenblik af, waarop hij de expediteur duidelijk kenbaar maakt, dat hij hen wil uitoefenen, de rechten en bevoegdheden, die hem zouden zijn toegekomen, wanneer hij zelf als afzender de overeenkomst zou hebben gesloten. Hij kan ter zake in rechte optreden, wanneer hij overlegt een door de expediteur - of in geval van diens faillissement door diens curator - af te geven verklaring, dat tussen hem en de expediteur ten aanzien van de zaken een overeenkomst tot het doen vervoeren daarvan werd gesloten. Indien ten aanzien van de expediteur de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, geeft de bewindvoerder de verklaring af, tenzij de overeenkomst tot het doen vervoeren tot stand is gekomen na de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

  3. Komt de expediteur een verplichting als in het eerste lid bedoeld niet na, dan is hij, naast vergoeding van de schade die de opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan de schadevergoeding die de opdrachtgever van hem had kunnen verkrijgen, wanneer hij de overeenkomst die hij sloot, zelf had uitgevoerd, verminderd met de schadevergoeding die de opdrachtgever mogelijkerwijs van de vervoerder verkreeg.

  4. Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt afgeweken.

4.25.

Volgens Achmea heeft LFS niet voldaan aan de in lid 1 van artikel 8:63 BW neergelegde verplichting om onverwijld aan haar opdrachtgever, Vost. NL, alle relevante informatie en documenten te verschaffen waaruit blijkt welke (vervoer)overeenkomsten LFS sloot ter uitvoering van de aan LFS gegeven opdracht, teneinde haar opdrachtgever in staat te stellen haar schade te verhalen. Achmea wijst er voorts op dat LFS ook niet heeft voldaan aan de in 8:63 lid 2 BW neergelegde verplichting om haar, danwel Vost. NL een expediteursverklaring te verschaffen met een zodanige inhoud en strekking dat Vost. NL daarmee in rechte kan optreden tegen de vervoerder(s).

4.26.

LFS vindt dat zij aan haar verplichtingen artikel 8:63 lid 1 BW heeft voldaan door overhandiging aan Vost. NL van een aansprakelijkstelling waarbij LFS het bedrijf Fr. Meyer’s Sohn (hierna: FMS) aansprakelijk heeft gesteld, welk bedrijf volgens LFS het bedrijf is dat zij als vervoerder heeft ingeschakeld. Deze aansprakelijkstelling van FMS door LFS is neergelegd in een schrijven van LFS aan FMS van 8 oktober 2019 met het opschrift “Claim - LIFT FREIGHT SERVICES CLAIMS NOTIFICATION AGAINST CARRIER / FREIGHT FORWARDER” (prod. 17 Achmea).

4.27.

Met Achmea is de rechtbank van oordeel dat LFS met het verstrekken aan Vost. NL van deze aansprakelijkstelling niet heeft voldaan aan de verplichtingen van een expediteur ex lid 1 van artikel 8:63 BW. LFS had Vost. NL stukken moeten verschaffen waaruit blijkt met wie LFS welke overeenkomsten heeft gesloten (en de daarmee verband houdende vorderingsrechten moeten overdragen). Met uitsluitend een aansprakelijkstelling die haar expediteur, LFS, heeft doen uitgaan naar de partij van wie LFS beweert dat die door LFS is ingeschakeld als vervoerder is, welke partij volgens Achmea betwist dat dat het geval is geweest, beschikt Vost. NL niet over stukken als bedoeld in lid 1 van artikel 8:63 BW die een basis kunnen vormen voor het verhalen van schade die deze vervoerder heeft veroorzaakt. Deze aansprakelijkstelling zegt immers niets over de inhoud van de onderliggende overeenkomst tussen LFS en FMS. Het enige andere document dat LFS nog heeft overgelegd aan Achmea betreft een rail way bill (productie 12, Achmea) die als afzender Belintertrans Germany GmbH en Eurotrans als vervoerder vermeldt. Volgens Achmea bevat deze rail way bill evenmin informatie die tot verhaal van de geleden schade kan dienen, als bedoeld in artikel 8:63 lid 1 BW. LFS heeft in dit kader niet betwist dat Eurotrans de goederen niet heeft vervoerd vanaf Tilburg, dan wel dat Eurotrans de goederen ten tijde van het schade-incident nog onder zich had.

Het vorengaande leidt dan ook tot de conclusie dat LFS geen informatie heeft gedeeld met Achmea die voldoet aan artikel 8:63 lid 1 BW. Tussen partijen is niet in geschil dat LFS evenmin de door Achmea gevraagde expediteursverklaring, als bedoeld in artikel 8:63 lid 2 BW heeft afgegeven aan Achmea, danwel Vost. NL.

4.28.

Indien de expediteur, zoals in dit geval, niet voldoet aan de in artikel 8:63 lid 1 BW neergelegde verplichting onverwijld opgave te doen van en documenten en gegevens ter beschikking te stellen inzake de vervoerovereenkomsten die hij ter uitvoering van zijn verplichtingen is aangegaan, verbindt het derde lid van dat artikel daaraan de sanctie dat de expediteur naast vergoeding van de schade die de opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een schadeloosstelling verschuldigd is gelijk aan de schadevergoeding die de opdrachtgever van hem had kunnen verkrijgen wanneer hij de overeenkomst die hij sloot, zelf had uitgevoerd, te verminderen met de schadevergoeding die de opdrachtgever mogelijkerwijs van de vervoerder verkreeg. De omstandigheid dat de expediteur aldus een schadeloosstelling zal moeten betalen die wordt berekend op basis van de fictie dat hij (bij wege van ‘Selbsteintritt’) als vervoerder is opgetreden, brengt niet mee dat hij de hoedanigheid van vervoerder verkrijgt. Zie Hoge Raad 25 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2657, NJ 2008/518 (GMS/Peeterson).

4.29.

Op grond van artikel 8:63 lid 3 BW is LFS aan schadevergoeding verschuldigd wegens de waardevermindering van de zending. LFS heeft niet (gemotiveerd) betwist dat deze schadevergoeding (omgerekend) neerkomt op het bedrag van € 39.690,--, zodat de rechtbank van de juistheid van dit bedrag zal uitgaan. Dit bedrag is toewijsbaar aan Achmea behoudens het niet in de creditnota opgenomen bedrag van US$ 244,80 (€ 206,30), welk bedrag aan ladingschade voor rekening is gebleven bij Vost. China. Nu LFS niet als vervoerder maar als expediteur is opgetreden, valt de grondslag weg van dit gestelde vorderingsrecht van Vost. China. Artikel 8:63 BW kan evenmin als grondslag dienen voor de schade van Vost. China. . De hierboven onder 3.1 vermelde vordering 1 zal derhalve worden toegewezen voor het bedrag van € 39.483,70.

Gevorderde buitengerechtelijke incassokosten

4.30.

Aan de hierboven onder 3.1 genoemde vordering tot vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.171,90 is de voorwaarde verbonden dat LFS aansprakelijk is op grond van artikel 8:63 BW. Aan die voorwaarde is voldaan.

4.31.

In artikel 8:63 lid 3 BW is bepaald dat de expediteur naast de schadevergoeding die hij als vervoerder verschuldigd is, ook overige schade dient te vergoeden. Op die wettelijke grondslag baseert Achmea haar vordering tot vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.

4.32.

LFS heeft de verschuldigdheid van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet betwist met het oog op het zich hier voordoende geval waarin vaststaat dat Achmea (Vost. NL/Vost. China) schade heeft geleden wegens LFS’ toerekenbare tekortkomingen in haar expediteursverbintenissen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.170,90 zullen dan ook worden toegewezen.

Gevorderde wettelijke rente over de toegewezen vorderingen

4.33.

Aan de hierboven onder 3.1 genoemde vordering tot vergoeding van de wettelijke rente over de toegewezen vorderingen vanaf 25 juni 2019 is de voorwaarde verbonden dat LFS aansprakelijk is op grond van artikel 8:63 BW. Aan die voorwaarde is voldaan.

4.34.

Uit de formulering van deze wettelijke-rentevordering volgt dat LFS zowel rente vordert over het gevorderde bedrag aan schadevergoeding wegens vermindering van de zending als over de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Dit zijn beide schadeposten, zodat hierover geen wettelijke handelsrente maar wettelijke rente ex artikel 6:119 BW is verschuldigd. De rente gaat lopen vanaf het moment dat de betreffende schade is geleden. Nu de schade nog niet was geleden op 25 juni 2019, het moment vanaf wanneer de wettelijke rente over de hoofdsom is gevorderd, zal de rechtbank de wettelijke rente daarover niet vanaf die datum laten ingaan maar vanaf 6 november 2020 (datum dagvaarding), zoals subsidiair gevorderd. Vanaf deze laatstgenoemde datum zal ook de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten worden toegewezen.

Proceskosten

4.35.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal LFS in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van Achmea worden tot aan deze uitspraak begroot op:

  • -

    dagvaardingskosten € 100,89

  • -

    griffierecht € 2.042,00

  • -

    salaris advocaat € 2.228,00 (twee punten in liquidatietarief IV)

  • -

    totaal € 4.370,89.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis.

4.36.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt LFS tot betaling aan Achmea van € 39.483,70;

5.2.

veroordeelt LFS tot betaling aan Achmea van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.170,90;

5.3.

veroordeelt LFS tot betaling aan Achmea van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over schadevergoeding van in totaal € 40.654,60 vanaf 6 november 2020 (de dag van dagvaarding) tot de dag van de algehele betaling.

5.4.

veroordeelt LFS in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 4.370,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.5.

veroordeelt LFS in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat LFS niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.6.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Witkamp. Het is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 8 september 2021.

901/2054