Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8698

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-09-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
8609273 CV EXPL 20-21253
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige conclusie dat het door eiseres sub 2 geleverde bier ander bier is dan op het logo stond vermeld. Eiseres sub 2 mag hiervan tegenbewijs leveren. De eventuele schade zal in deze procedure worden vastgesteld. Gedaagde dient deze te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8609273 CV EXPL 20-21253

uitspraak: 3 september 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser ],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Laak B.V.,

beide gevestigd te Nijkerk,

eisers in conventie,

gedaagden in reconventie,

gemachtigde: mr. M.F.H. van Delft,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.N.R. Wijnen & Gedistilleerd B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. M.J.I. Assink.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘eisers’ (eisers gezamenlijk), ‘[eiser ]’, ‘De Laak’ (eiser 1, respectievelijk eiser 2) en ‘JNR’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het tussenvonnis van 12 februari 2021 en de daarin genoemde stukken, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  2. de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021 overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid via een beeld- en geluidverbinding met het programma Skype voor bedrijven.

De uitspraakdatum voor dit vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

In het tussenvonnis is een aantal feiten opgenomen. Vanwege de leesbaarheid worden hierna de van belang zijnde feiten – waar nodig aangevuld – opnieuw opgenomen.

2.1

De Laak is een horecabedrijf dat zelf bier schenkt aan klanten maar zij verkoopt ook fusten bier door aan derden. [eiser ] is het moederbedrijf van De Laak. De Laak en JNR doen al een aantal jaar zaken met elkaar. De Laak leverde bier aan JNR en JNR verkocht dat bier weer door aan (onder meer) horeca.

2.2

Heineken heeft (mede onder JNR) beslag gelegd op goederen van De Laak en zij is een procedure tegen haar gestart bij de handelsrechter van deze rechtbank. De rechtbank heeft in die procedure onder meer vastgesteld dat De Laak fusten bier met daarop het logo van Heineken verkocht terwijl daarin ander bier dan Heineken bier zat. De rechtbank heeft JNR veroordeeld de door Heineken geleden schade te vergoeden.

2.3

Het Openbaar Ministerie en de FIOD zijn eveneens onderzoeken gestart tegen De Laak, DSW en haar (indirect) bestuurders. De FIOD heeft daarbij onder meer de administratie van JNR in beslag genomen. De strafrechter heeft De Laak en haar (indirect) bestuurders vanwege bedrog met merkbier en valsheid in geschrifte veroordeeld tot taakstraffen en voorwaardelijke geldboetes. De strafrechter heeft bewezen verklaard dat er is gefraudeerd met bier van onder meer Heineken en Grolsch.

2.4

JNR heeft vanwege de geconstateerde fraude met merkbier door De Laak een aantal facturen van De Laak en DSW onbetaald gelaten.

3. De verdere beoordeling


De bevoegdheid van de kantonrechter

3.1

De vordering van JNR voor recht te verklaren dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de door JNR geleden schade, is van onbepaalde waarde en op dit moment bestaat er geen aanwijzing dat de schade minder zal zijn dan € 25.000,-. De kantonrechter is in beginsel daarom niet bevoegd om van de vordering kennis te nemen en daarop te beslissen.1

3.2

De vordering van JNR houdt echter zodanig verband met de vordering van De Laak en [eiser ] dat de samenhang tussen beide vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. De kantonrechter is daarom op grond van artikel 97 lid 1 Rv bevoegd van de vordering kennis te nemen en daarom te beslissen. Daarom zal geen verwijzing plaatsvinden.

De vordering van [eiser ]

3.3

JNR voert aan dat zij alleen zaken heeft gedaan met De Laak, niet met [eiser ]. Tussen partijen is niet in geschil dat JNR altijd zaken heeft gedaan met [eiser ] (de persoon). Tussen partijen is ook niet in geschil dat [eiser ] bevoegd is om zowel [eiser ] als De Laak te vertegenwoordigen. Bij de vraag wie [eiser ] heeft vertegenwoordigd, gaat het er in zo’n geval om wat partijen hebben bedoeld en wat zij over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.2 Niet doorslaggevend is dus wie volgens De Laak / [eiser ] zelf de verkopende partij was of wat zij op de facturen hebben gezet. Het gaat erom wat partijen bij het aangaan van de overeenkomsten van elkaar mochten verwachten.

3.4

Vaststaat dat JNR al meerdere jaren handel dreef met De Laak en dat [naam] onaangekondigd en zonder voorafgaand overleg vanaf 22 februari 2017 plots is gaan factureren namens DSW Drankenhandel (wat volgens eisers een handelsnaam van [eiser ] is). Eisers voeren wel aan dat DSW in het verleden al eerder zaken heeft gedaan met JNR maar dat standpunt heeft zij in het geheel niet onderbouwd. JNR heeft op enig moment medegedeeld dat zij niet bekend is met het bedrijf “DSW Drankenhandel”, maar eisers hebben hierop niet gereageerd. Eisers vinden dat het voor JNR duidelijk moest zijn geweest dat zij met [eiser ] onder de naam “DSW Drankenhandel” handelde, omdat op de facturen immers de naam en het kvk-nummer stonden vermeld. De kantonrechter volgt eisers hier niet in. De Laak en DSW mochten er op grond van het enkel vermelden van de naam DSW Drankenhandel en een ander kvk-nummer niet van uitgaan dat JNR ermee akkoord was dat zij vanaf dat moment niet meer handelde met De Laak maar met DSW. De Laak en DSW hadden dit onder de gegeven omstandigheden expliciet moeten meedelen.

3.5

[eiser ] heeft gelet op het voorgaande geen vordering op JNR. Haar vordering zal daarom worden afgewezen. Voor niet-ontvankelijkheid bestaat geen grond, omdat [eiser ] op zich bevoegd was om een vordering in te stellen.

De vordering van JNR tegen [eiser ]

3.6

Aangezien hiervoor niet is komen vast te staan dat JNR en [eiser ] zaken met elkaar hebben gedaan, valt niet in te zien dat en waarom [eiser ] onrechtmatig zou hebben gehandeld tegenover JNR. Van vereenzelviging is geen sprake omdat (terecht) JNR niet in de veronderstelling was dat zij zaken deed met [eiser ]. De vordering van JNR tegen [eiser ] wordt daarom afgewezen.

De vordering van en tegen De Laak

3.7

Tussen partijen is niet in geschil dat De Laak de door JNR bestelde hoeveelheid bier heeft geleverd. JNR heeft de overeenkomst niet ontbonden. Zij moet daarom de koopsom voor het door haar bestelde bier op zich betalen. De vraag is echter of JNR een geslaagd beroep kan doen op opschorting en/of verrekening (zie hierna) en de factuur (nog) niet hoeft te betalen.

3.8

De Laak voert aan dat partijen niet steeds zijn overeengekomen dat Heineken of Grolsch moest worden geleverd zodat De Laak – in de gevallen dat het niet was overeengekomen - ook ander bier mocht leveren. Dat standpunt wordt echter verworpen. Uit niets blijkt dat De Laak op enig moment er op heeft gewezen dat zij zelf bier brouwde en verkocht, laat staan dat JNR dit zou hebben besteld. Het enkele feit dat op de facturen niet steeds staat beschreven welk merk is gekocht en geleverd, is hier op zich niet relevant. Uit de facturen blijkt bovendien dat steeds
€ 84.00 of € 86,00 per fust is betaald, wat overeenkomt met de prijs van Heineken bier, terwijl JNR niet heeft betwist dat haar eigen bier een veel lagere marktprijs zou hebben. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat De Laak steeds Heineken (of Grolsch) bier diende te leveren.

3.9

Het is op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv aan JNR om te stellen - en zo nodig te bewijzen - dat De Laak aan JNR ander bier dan Heineken bier heeft geleverd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft JNR ter zake voldoende gesteld, waarna De Laak het door JNR gestelde onvoldoende heeft betwist. De Laak heeft namelijk alleen er op gewezen dat niet is komen vast te staan dat ander bier is geleverd. Van De Laak mocht echter worden verwacht dat zij dit standpunt nader zou onderbouwen en opening van zaken zou geven.

3.10

Zo had van De Laak mogen worden verwacht dat zij meer zou ingaan op het vonnis van de rechtbank in de procedure tussen haar en Heineken, hetgeen zij niet heeft gedaan. In dat vonnis heeft de rechtbank immers vastgesteld dat De Laak meerdere Heinekenfusten met daarin ander bier heeft verkocht. Dit is ook hier aan de orde. De rechtbank heeft verder overwogen dat De Laak heeft erkend dat zij een aantal fusten met niet-Heineken bier als Heineken bier heeft doorverkocht. De rechtbank baseerde haar oordeel ook op het feit dat bij De Laak verschillende rollen met namaak tht-stickers zijn aangetroffen. De Laak heeft echter slechts aangevoerd dat het een procedure tussen haar en Heineken betreft en dat JNR in die procedure geen partij was. Weliswaar hebben de vaststellingen en beslissingen van de rechtbank in deze zaak geen gezag van gewijsde hebben maar het zou voor de hand hebben gelegen dat De Laak deze zou hebben betrokken in haar standpunt.

3.11

Het voorgaande geldt ook betreffende het feit dat De Laak en haar bestuurders door de strafrechter zijn veroordeeld voor bedrog met merkbier. De rechtbank heeft daarbij bewezen verklaard dat zij in de periode van 1 mei 2016 tot 1 maart 2017 ongeveer 8.400 tht-stickers met daarop de merknaam Heineken en een aantal bierfusten met de merknaam Heineken die waren gevuld met niet-Heineken bier hebben verkocht. De rechtbank heeft ook bewezen verklaard dat zij in de periode van 1 mei 2016 tot 1 maart 2017 een aantal fusten met daarop de merknaam Grolsch hebben verkocht terwijl in die fusten geen door Grolsch gebrouwen bier zat. Ook hierop heeft De Laak slechts gereageerd door erop te wijzen dat bewijs ontbreekt dat zij dergelijk bier ook heeft verkocht aan JNR, hetgeen in het licht van het voorgaande, onvoldoende is.

3.12

De Laak heeft nog aangevoerd dat JNR “nimmer heeft gereclameerd direct na de leveringen” en dat zij de fusten bier zonder protest heeft gehouden en doorverkocht. Daargelaten dat het niet aan JNR is om aan De Laak te melden dat zij nepbier heeft geleverd, of JNR dit kon weten, heeft JNR wel degelijk op 13 maart 2017 per brief aan De Laak verzocht om bewijs dat De Laak geen nepbier levert dan wel het merkbier heeft geleverd. Hiermee heeft JNR meer dan voldaan aan haar verplichtingen.

3.13

De Laak heeft verder niets aangevoerd dat erop wijst dat zij alleen bij andere klanten heeft gefraudeerd en zonder toelichting, die ontbreekt, valt ook niet in te zien waarom zij aan JNR wel altijd merkbier zou hebben geleverd. De kantonrechter ziet op grond hiervan aanleiding om een bewijsvermoeden aan te nemen in die zin dat de door De Laak in de periode van 1 januari 2016 tot maart 2017 aan JNR verkochte en geleverde fusten bier worden vermoed ander bier te hebben bevat dan bier van Heineken en/of Grolsch. In dat kader is ook van belang dat vaststaat dat De Laak heeft gefraudeerd en dat alleen De Laak kan weten of dit ook hier het geval is. De Laak mag tegenbewijs leveren.

3.14

De vordering om alsnog het juiste bier te leveren zal ondanks het voorgaande worden afgewezen. JNR heeft op zich de door haar bestelde hoeveelheid bier ontvangen en zij heeft dat bier ook weer doorverkocht. Als JNR opnieuw Heineken bier wil hebben, dan zijn er voldoende andere leveranciers die het haar kunnen leveren en niet valt in te zien waarom JNR er belang bij heeft dat De Laak nogmaals aan haar levert. Onder deze omstandigheden mag zij in redelijkheid geen nakoming meer vorderen, maar moet zij genoegen nemen met schadevergoeding. Gelet op JNR haar vordering tot vergoeding van haar schade mag zij haar betalingsverbintenis jegens De Laak opschorten c.q. verrekenen3. Zij heeft immers een (opeisbare) vordering op De Laak die beantwoordt aan haar verbintenis jegens De Laak. Dat (de omvang van de) schade op dit moment nog niet vast staat doet hieraan niets af.

De vordering tot vergoeding van schade

3.15

JNR heeft gevorderd dat de zaak wordt verwezen naar de schadestaatprocedure maar de kantonrechter ziet aanleiding om de vordering tot schadevergoeding in deze procedure direct te behandelen. Om proces-economische redenen overweegt de kantonrechter het volgende.

3.16

Niet valt in te zien waarom JNR de door haar gestelde schade op dit moment niet zou kunnen begroten. Het is intussen immers vier jaar later en dus moet JNR over voldoende gegevens beschikken om de eventuele schade te kunnen vaststellen. Partijen hebben er daarnaast belang bij dat de vordering van JNR nu wordt afgedaan, mede omdat de vordering van De Laak niet kan worden afgehandeld zolang niet is vastgesteld dat De Laak ten minste een gelijk bedrag aan schade heeft geleden.

3.17

De gevorderde vergoeding voor zover die betrekking heeft op geleden vermogensschade komt, gelet op de stellingen van JNR, pas aan de orde indien De Laak niet slaagt in bovenvermelde bewijsopdracht. Volgens De Laak heeft JNR geen vermogensschade geleden omdat JNR het bier zelf ook weer heeft doorverkocht alsof het Heineken bier was. Op voorhand kan niet worden geconcludeerd dat dit het geval is. Bij de begroting van schade moeten met elkaar worden vergeleken de werkelijke situatie zoals die zich heeft voorgedaan en de hypothetische situatie waarin JNR zou zitten als De Laak niet tekort was gekomen. De Laak was verplicht om Heineken bier te leveren. Door de eventuele levering van goedkoper bier zou JNR op het moment van de levering vermogensschade kunnen hebben geleden. Als De Laak haar verplichtingen wel was nagekomen dan had zij immers duurder bier in eigendom gehad dan zij daadwerkelijk had. Haar vermogen was op dat moment dus lager dan in de hypothetische situatie waarin De Laak wel het juiste bier had geleverd. Dat JNR zich daarvan niet bewust was en dat zij het bier als Heineken bier weer heeft doorverkocht doet daar niet aan af. Er bestaat gelet op de aard van de tekortkoming ook geen aanleiding om hiervan te abstraheren in die zin dat niet het moment van levering maar het moment van doorverkoop als uitgangspunt moet worden genomen. Daarbij is betrokken dat JNR heeft gesteld dat haar leveranciers fusten heeft geretourneerd. Van ongerechtvaardigde verrijking kan dan ook op voorhand geen sprake zijn.
Het voorgaande brengt verder mee dat eventuele vermogensschade per fust kan worden begroot door het verschil te nemen tussen de waarde van een fust Heineken bier en de waarde van het geleverde bier. Partijen lijken het erover eens dat de waarde van een Heineken fust € 84,00 is terwijl het geleverde bier een waarde van € 42,50 per fust vertegenwoordigt. Dat betekent dat JNR per fust € 41,50 schade heeft geleden. Daarbij is het aan JNR om te stellen en te onderbouwen hoeveel fusten bier zij heeft besteld.

3.18

De Laak heeft het retourneren van fusten door klanten echter betwist en JNR heeft tot op heden onvoldoende onderbouwd dat dit (meer dan een enkele keer) is voorgekomen. JNR zal dit deel van de gestelde schade dan ook meer moeten onderbouwen. Dit geldt ook voor haar stelling dat zij door het leveren van het van De Laak gekochte bier klanten is kwijtgeraakt. Als zij inderdaad klanten is kwijtgeraakt dan bestaat de schade van JNR uit gederfde winst.

3.19

JNR zal ook nader moeten onderbouwen waar de andere reputatieschade die zij stelt te hebben geleden uit bestaat.

3.20

Tussen partijen is niet in geschil dat JNR een dag gesloten is geweest vanwege de inval van de FIOD en evenmin is in geschil dat zij een half jaar geen beschikking over haar administratie had. JNR moet echter ook op dit punt nader toelichten op welke wijze zij hierdoor schade heeft geleden.

3.21

Van vertragingsschade is gelet op wat hiervoor is overwogen geen sprake. JNR heeft ook niet gesteld welke schade zij zou hebben geleden door het misbruik van identiteitsverschil, nog los van het feit dat daarvan geen sprake lijkt.

3.22

Tot slot vordert JNR schade als gevolg van gemaakte en te maken juridische kosten. JNR heeft echter niet gesteld welke kosten hieronder vallen en vordert separaat de proceskosten. Het is de kantonrechter hierdoor niet duidelijk welke schade JNR vordert. JNR moet daarom ook op dit punt nader toelichten welke schade zij hiermee heeft geleden.

Samenvattend

3.23

De vorderingen van [eiser ] en tegen [eiser ] worden afgewezen. De vordering van De Laak kan niet worden toegewezen omdat JNR een geslaagd beroep kan doen op opschorting en verrekening.

3.24

De Laak is tegenover JNR tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en zij moet de eventueel door JNR geleden schade vergoeden. Voorlopig wordt ervan uitgegaan dat de door De Laak geleverde fusten bier ander bier bevatten dan op het logo stond vermeld. De Laak mag hiervan tegenbewijs leveren. De eventuele schade zal in deze procedure worden vastgesteld en JNR dient die eventuele schade daarom nader te onderbouwen.

3.25

JNR wordt in de gelegenheid gesteld de gestelde schade op hieronder vermelde rolzitting nader te onderbouwen. De Laak dient op dezelfde rolzitting nadere bewijsstukken in te dienen dan wel de getuigen te noemen die zij wil horen.

4. De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 5 oktober 2021 om 13:30 uur voor het nemen van een akte door De Laak zoals vermeld in punten 3.13 en 3.24 en voor het nemen van een akte door JNR zoals vermeld in punten 3.17 tot en met 3.20 en 3.24;

houdt iedere verdere beslissing in dit stadium van het geding aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44236

1 Artikel 93 onder b Rv

2 HR 16 januari 2020, ECLI:NL:HR:1977:AC1877

3 Artikel 6:53 BW; Artikel 6:127 BW; Hoge Raad 27 maart 1992, NJ 1992,378 Arel/Van de Stolpe.