Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8685

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
C/10/612976 / HA ZA 21-129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout advocaat. Cliënten geïnformeerd over ontbreken uitvoerbaar-bij-voorraad-verklaring in kortgedingvonnis? Kennelijke fout die zich voor herstel leent. Achterwege laten beslaglegging. Begroting schade. Hypothetische situatie zonder beroepsfout. Schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/612976 / HA ZA 21-129

Vonnis in verzet van 1 september 2021

in de zaak van

1. [naam eiseres 1],

2. [naam eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats eiseressen],

eiseressen,

gedaagden in het verzet,

advocaat mr. C.J. Dreef te Voorschoten,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

eiseres in het verzet,

advocaat mr. N.J. Glen-Boedhram te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseressen] en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaarding van 27 oktober 2020, met producties;

  • -

    het verstekvonnis van 9 december 2020;

  • -

    de verzetdagvaarding van 20 januari 2021, met producties;

  • -

    de brief van de rechtbank van 10 maart 2021 met een zittingsagenda;

  • -

    de aanvullende producties van [eiseressen];

  • -

    de aanvullende productie van [naam gedaagde];

  • -

    de behandeling van de zaak tijdens de zitting van 20 april 2021;

  • -

    de pleitaantekeningen van [eiseressen];

  • -

    de pleitaantekeningen van [naam gedaagde];

  • -

    de akte na comparitie van eiseres, met producties;

  • -

    de antwoordakte, met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam gedaagde] was werkzaam als advocaat.

2.2.

[eiseressen] zijn eigenaar van het pand gelegen aan [adres 1].

2.3.

In 2015 zijn [eiseressen] in conflict gekomen met de eigenaar van het naburige pand aan [adres 2] (PA Vastgoed B.V.) naar aanleiding van het instorten van de zijmuur van het pand van [eiseressen] aan de zijde van [adres 2].

2.4.

In het najaar van 2015 heeft PA Vastgoed [eiseressen] in kort geding betrokken. PA Vastgoed vorderde in dat kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, (subsidiair) dat [eiseressen] worden veroordeeld puinresten van de ingestorte muur te verwijderen en de ter plaatse aanwezige zeecontainers tot op een afstand van 2 meter van de muur van [adres 2] te verwijderen, een en ander op straffe van een dwangsom.

2.5.

[eiseressen] hebben in verband met dit kort geding [naam gedaagde] als hun advocaat ingeschakeld. Partijen hebben daartoe een overeenkomst van opdracht gesloten.

2.6.

Het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 17 november 2015 (hierna: het vonnis) luidt als volgt, weergegeven voor zover van belang:

Voor wat betreft de zeecontainers zij overwogen dat de plaatsing van die containers op het perceel, dicht tegen de muur van P.A. Vastgoed B.V., onrechtmatig is of kan zijn wanneer het P.A. Vastgoed B.V. daardoor onmogelijk wordt gemaakt noodzakelijk onderhoud aan haar pand te plegen. Dit onderhoud is blijkens het expertiserapport dringend nodig en de afstand tussen container en muur is veel te klein om dit onderhoud te plegen. In die omstandigheid kan [naam eiseres 2] c.s. als eigenaar worden aangesproken om de containers te verplaatsen of verwijderen.

[…]

Gelet hierop komt de voorzieningenrechter uit bij het subsidiair gevorderde. Dat komt erg dicht bij hetgeen waartoe partijen zich ter zitting bereid verklaard hebben, maar wat uiteindelijke afstuitte op de dwangsom die P.A. Vastgoed B.V. in een regeling opgenomen wenste te zien, tot welke afspraak [naam eiseres 2] c.s. zich niet wilde verbinden. De voorzieningenrechter zal het subsidiair gevorderde toewijzen op na te noemen wijze. Als dwangsom zal, nu de voorzieningenrechter vrij is zowel de hoogte als de frequentie van de dwangsom te bepalen, een bedrag ineens worden bepaald. Gelet op het gevorderde, en de inhoud van de ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst, is van belang dat de werkzaamheden tijdig zijn verricht. Daar past een eenmalige dwangsom beter bij dan een dwangsom per dag.

Uit het verhandelde ter zitting leidt de voorzieningenrechter af dat het mogelijk moet zijn om op termijn van enkele dagen de zeecontainers verwijderd of verplaatst - een en ander naar keuze van [naam eiseres 2] c.s. - te krijgen. Het tijdstip waarop dit uiterlijk moet zijn gebeurd zal worden bepaald op maandag 23 november 2015 om 13.00 uur.

[…]

4. De beslissing (bij vervroeging)

De voorzieningenrechter

Veroordeelt [naam eiseres 2] c.s. hoofdelijk, des dat de een nakomend de ander zal zijn

bevrijd, om uiterlijk 23 november 2015 te 13.00 uur alle zich tegen de muur van het pand

van P.A. Vastgoed B.V. gelegen aan de [adres 2], bevindende puinresten, ook

die welke in de spouw liggen, te verwijderen en voorts de zich aldaar bevindende

zeecontainers, naar keuze, te verwijderen of tot op een afstand van 2 meter van de muur van

P.A. Vastgoed B.V. ([adres 2]) verplaatst te hebben en te houden, onder verbeurte van een

eenmalige dwangsom van € 25.000,00, […];

Veroordeelt [naam eiseres 2] c.s. in de kosten van deze procedure aan de zijde van P A

Vastgoed B.V. gevallen en begroot op € 1.510,10;

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Het vonnis is (dus) niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.7.

[eiseressen] hebben tijdig aan het vonnis voldaan. Zij hebben de zeecontainers laten verwijderen door een derde. [eiseressen] hebben daarvoor kosten moeten maken.

2.8.

In opdracht van [eiseressen] heeft [naam gedaagde] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. [eiseressen] en PA Vastgoed hebben ter zitting bij het Hof Den Haag van 22 maart 2016 afspraken gemaakt om hun geschil te beëindigen. Het proces-verbaal van die zitting luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. [eiseressen] verlenen aan PA Vastgoed toegang tot hun perceel aan De [adres 1] om de muur van het pand aan [adres 3] waterdicht te stucen en de restanten van de muur van De [adres 1] te voorzien van zink- en loodslabben zodanig dat er geen water meer tussen beide muren kan binnendringen. De onderzijde van de muur van het pand aan De [adres 2] zal recht worden af gewerkt, zodanig dat de delen van de bakstenen die over de erfgrens steken worden verwijderd. De restanten van de muur van De [adres 1] worden niet verwijderd. […] De werkzaamheden zullen uiterlijk 16 mei 2016 zijn voltooid. […] [eiseressen] hebben na uitvoering van de werkzaamheden het recht de zeecontainers weer terug te plaatsen op hun perceel.

2.9.

Het vervolgens door PA Vastgoed op de zijmuur van [adres 2] aangebracht stucwerk bevindt zich deels tegen en deels boven de (restanten van de) muur van [adres 1].

2.10.

[eiseressen] hebben [naam gedaagde] verzocht hiertegen in actie te komen. [naam gedaagde] heeft dit toegezegd en aangekondigd op 11 mei 2016 hierover een brief aan het Hof te zullen schrijven. Ook heeft [naam gedaagde] gemeld conservatoir beslag ten laste van PA Vastgoed op haar pand te zullen leggen. Na herhaaldelijk rappel van [eiseressen] heeft [naam gedaagde] op 8 augustus 2016 gemeld dat zij een brief aan het Hof heeft gestuurd en heeft zij ook een concept-beslagrekest aan [eiseressen] gestuurd. Vervolgens heeft [naam gedaagde] op 16 augustus 2016 aan [eiseressen] laten weten het beslagrekest bij de balie van de rechtbank te hebben afgegeven, heeft zij op 2 september 2016 laten weten die dag bij de rechtbank langs te gaan en heeft zij op 16 september 2016 bericht dat de toestemming is verleend en dat de deurwaarder tot beslaglegging zal overgaan.

2.11.

In de in 2.10 genoemde periode heeft PA Vastgoed het appartementsrecht [adres 3] verkocht aan een derde. De levering aan die derde heeft op 20 september 2016 plaatsgevonden. Er lag toen geen beslag op het appartementsrecht.

2.12.

Op 3 juni 2019 heeft de Raad van Discipline in het ressort Den Haag een klacht van eiseres 1 tegen [naam gedaagde] gegrond verklaard en de maatregel van schrapping opgelegd. Hieraan heeft de Raad onder andere de in 2.10 beschreven gang van zaken ten grondslag gelegd. Deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd.

3. Het geschil

3.1.

[eiseressen] hebben in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal vaststellen dat [naam gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd en onrechtmatig heeft gehandeld en om die reden aansprakelijk is voor de [eiseressen] geleden schade, [naam gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 43.388,32 en [naam gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van [eiseressen] toegewezen en is [naam gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiseressen] tot de dag van de uitspraak, begroot op in totaal € 2.116,09, vermeerderd met de nakosten.

3.3.

[naam gedaagde] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [eiseressen] alsnog worden afgewezen, met veroordeling van [eiseressen] in de proceskosten.

4. De beoordeling

4.1.

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [naam gedaagde] in haar verzet kan worden ontvangen.

4.2.

Aan hun vordering leggen [eiseressen] het standpunt ten grondslag dat [naam gedaagde] in de nakoming van de opdrachtovereenkomst toerekenbaar is tekort geschoten. Volgens [eiseressen] heeft [naam gedaagde] op twee punten een beroepsfout gemaakt. In de eerste plaats heeft [naam gedaagde] hen er niet op gewezen dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard. Als redelijk handelend advocaat had [naam gedaagde] hen hieromtrent wel moeten informeren. [eiseressen] menen hierdoor schade te hebben geleden, bestaande uit de hoge kosten die zij hebben moeten maken om tijdig aan de veroordeling te voldoen en daardoor de dwangsom niet te verbeuren. In de tweede plaats heeft [naam gedaagde] volgens [eiseressen] een beroepsfout gepleegd door niet – laat staan met de vereiste voortvarendheid – conservatoir beslag te doen leggen ten laste van PA Vastgoed na het tot stand komen van de regeling bij het Hof. Door dit niet te doen, wetende dat PA Vastgoed het appartementsrecht inmiddels had verkocht, is [eiseressen] een belangrijk drukmiddel ontnomen om tot een aanvullende regeling met PA Vastgoed te komen. Die regeling is volgens [eiseressen] pas na lange tijd en tegen veel hogere kosten tot stand kunnen komen.

4.3.

[naam gedaagde] heeft aangevoerd dat zij [eiseressen] wel deugdelijk heeft geïnformeerd. Ten aanzien van beide vermeende beroepsfouten stelt [naam gedaagde] zich verder op het standpunt dat [eiseressen] hoe dan ook geen schade hebben geleden.

4.4.

Bij de beoordeling van het standpunt van [eiseressen] geldt als uitgangspunt dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Wanneer een advocaat een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, brengt deze zorgvuldigheidsplicht mee dat de advocaat de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn (HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406).

Het vonnis van 17 november 2015

4.5.

Een kortgedingvonnis wordt in het algemeen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In de aard van een kortgedingprocedure ligt immers besloten dat de getroffen voorziening spoedeisend is (artikel 254 Rv). Waar een dergelijke “onmiddellijke voorziening bij voorraad” vereist is, ligt niet voor de hand dat het instellen van een rechtsmiddel die voorziening vervolgens schorst. Hierbij past dat de voorzieningenrechter zijn vonnis ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren (artikel 258 Rv). Een niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding is dus een uitzondering op de normale praktijk, die een redelijk handelend advocaat behoort op te vallen. Voor een cliënt zonder bijzondere juridische expertise geldt dit niet. Een redelijk handelend advocaat behoort zijn cliënt daarom op een en ander te wijzen, bij gebreke waarvan hij in zoverre tekort schiet in de nakoming van zijn verplichtingen.

4.6.

[eiseressen] stellen dat [naam gedaagde] hen niet heeft gewezen op het ontbreken van een uitvoerbaar-bij-voorraad-verklaring in het vonnis. Tijdens de zitting heeft [naam gedaagde] dit betwist. Of [naam gedaagde] [eiseressen] op dit punt nu wel of niet heeft geïnformeerd kan echter in het midden blijven, omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [eiseressen] – in het geval [naam gedaagde] hen niet deugdelijk heeft geïnformeerd – als gevolg daarvan schade hebben geleden. De rechtbank licht dit als volgt toe.

4.7.

[eiseressen] hebben gesteld dat zij, onder druk van de korte termijn gesteld in het vonnis en uit angst om de dwangsom te verbeuren, hogere kosten hebben moeten maken om de zeecontainers te verwijderen dan nodig zou zijn geweest als zij meer tijd hadden gehad. Die extra tijd hadden zij kunnen creëren door hoger beroep in te stellen. Omdat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, zou dit appel schorsende werking hebben gehad. [eiseressen] stellen dat zij in totaal € 11.485,78 aan kosten hebben moeten maken om aan het vonnis binnen de daarin gestelde (korte) termijn te voldoen. Zouden zij meer tijd hebben gehad, dan zouden de kosten volgens [eiseressen] beperkt hebben kunnen blijven tot ongeveer € 500.

4.8.

Om de schade te kunnen begroten moet een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan (hier veronderstellenderwijs aangenomen: de situatie waarin [naam gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt door [eiseressen] niet deugdelijk te informeren) en de hypothetische situatie waarin die gebeurtenis wordt weggedacht (hier: de situatie waarin [naam gedaagde] [eiseressen] heeft geïnformeerd over het ontbreken van de uitvoerbaar-bij-voorraad-verklaring). [eiseressen] hebben onvoldoende inzicht gegeven in die hypothetische situatie. Zij konden niet volstaan met alleen een opgave van de kosten die zij in dat geval gemaakt zouden hebben voor de verwijdering van de containers. In het geval [eiseressen] – na het instellen van (spoed)appel en met een beroep op de schorsende werking van dat appel – geen uitvoering zouden hebben gegeven aan het vonnis, dan is namelijk niet zonder meer aannemelijk dat PA Vastgoed daarmee genoegen zou hebben genomen en de verdere behandeling van het appel rustig zou hebben afgewacht. Veel aannemelijker is dat, zoals [naam gedaagde] tijdens de zitting heeft betoogd, PA Vastgoed zou hebben verzocht het vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, bijvoorbeeld met een beroep op artikel 31 Rv. De rechtbank wijst erop dat in het vonnis niet wordt toegelicht om welke reden dit niet uitvoerbaar bij voorraad zou moeten worden verklaard. Gelet op het overwogene in 4.5, ligt daarom zeer voor de hand dat het achterwege laten daarvan berust op een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. [eiseressen] zouden dan alsnog op stel en sprong in actie hebben moeten komen. Aannemelijk is dat daarmee ook de nodige kosten gemoeid zouden zijn geweest. [eiseressen] hebben onvoldoende gesteld om de conclusie te kunnen trekken dat zij in deze hypothetische situatie per saldo minder kosten zouden hebben gemaakt dan in de (veronderstellenderwijs aangenomen) situatie waarin [naam gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt.

4.9.

De gevorderde schadevergoeding in dit verband is dus niet toewijsbaar. Omdat niet gebleken is van schade, hebben [eiseressen] onvoldoende belang bij een verklaring voor recht op dit punt.

Het achterwege laten van beslaglegging

4.10.

[naam gedaagde] heeft erkend dat zij een beroepsfout heeft gemaakt door niet met de vereiste voortvarendheid conservatoir beslag te leggen ten laste van PA Vastgoed. Niet ter discussie staat dat deze fout toerekenbaar is. [naam gedaagde] is dus aansprakelijk voor de als gevolg van die fout door [eiseressen] geleden schade.

4.11.

Voor een goed begrip van het debat over de eventuele schade is de volgende achtergrond van belang. Na het tot stand komen van de minnelijke regeling bij het Hof, meenden [eiseressen] dat PA Vastgoed tekort schoot in de nakoming van haar verplichtingen uit die overeenkomst. Deze tekortkoming had concreet betrekking op de omstandigheid dat de door PA Vastgoed aangebrachte stuclaag op de buitenmuur van [adres 2] deels boven de restanten van de zijmuur van [adres 1] en daarmee erfgrensoverschrijdend was aangebracht. Het was daardoor niet mogelijk de zijmuur van [adres 1] op dezelfde plaats weer op te bouwen. Weliswaar hadden [eiseressen] en PA Vastgoed blijkens de minnelijke regeling afgesproken dat laatstgenoemde de buitenmuur van [adres 2] zou stuccen, maar die afspraak impliceerde volgens [eiseressen] niet dat die stuclaag over de erfgrens zou mogen komen. [eiseressen] hebben de bijstand van [naam gedaagde] ingeroepen om hiertegen actie te ondernemen. De (door [naam gedaagde] aanvaarde) opdracht om ten laste van PA Vastgoed beslag te leggen op haar pand maakte hiervan deel uit. Uiteindelijk zijn [eiseressen] er pas in 2020 in geslaagd tot afspraken te komen met de nieuwe eigenaren van het appartementsrecht en met PA Vastgoed. Uit de door [eiseressen] overgelegde mailwisseling leidt de rechtbank af dat die afspraken, voor zover hier van belang, inhouden dat de stuclaag zal worden verwijderd indien en voor zover dat nodig is om de muur van [adres 1] weer op te bouwen.

4.12.

[eiseressen] stellen dat zij veel kosten hebben moeten maken om tot deze afspraken te komen. Dit is volgens [eiseressen] het gevolg van het onjuiste handelen van [naam gedaagde]. Zou zij tijdig beslag hebben laten leggen, dan zou er aanzienlijke druk op PA Vastgoed zijn gecreëerd om snel tot een regeling te komen. PA Vastgoed had het appartementsrecht immers verkocht en beslag zou aan levering van het appartementsrecht in de weg staan. Nu beslaglegging achterwege is gebleven, hadden [eiseressen] dit drukmiddel niet in handen. Zij verkeerden daardoor in een veel ongunstiger positie om tot afspraken met de nieuwe eigenaar en met PA Vastgoed te komen. Onder andere hebben [eiseressen] verschillende procedures moeten voeren, voordat uiteindelijk afspraken tot stand zijn gekomen. De daarmee gemoeide kosten belopen € 31.902,54. Dat is volgens [eiseressen] de schade die het gevolg is van de fout van [naam gedaagde].

4.13.

Ook hier geldt dat [eiseressen] niet kunnen worden gevolgd in hun opvatting dat de schade gelijk is aan de kosten die zij hebben moeten maken. Die opvatting miskent immers dat in het geval [naam gedaagde] wel deugdelijk had gehandeld – en dus het beslag tijdig had doen leggen – ook kosten gemaakt zouden zijn. In de eerste plaats valt te denken aan de kosten van de beslaglegging als zodanig, gevolgd door de kosten van het aanhangig maken van de bodemprocedure kort na de beslaglegging. Verder ligt voor de hand dat naar aanleiding van de beslaglegging overleg met PA Vastgoed van de grond zou komen, al dan niet gepaard aan een kort geding tot opheffing van het beslag. Evident is dat hiermee ook de nodige kosten gemoeid zouden zijn geweest.

4.14.

Dit laat onverlet dat [eiseressen] naar het oordeel van de rechtbank als gevolg van de fout van [naam gedaagde] in een aanzienlijk slechtere positie terecht zijn gekomen dan het geval zou zijn geweest als [naam gedaagde] de fout niet zou hebben gemaakt. Het ontbreken van beslag maakte dat PA Vastgoed het appartementsrecht ongehinderd kon leveren aan de koper. Daarmee werd [eiseressen] het drukmiddel bij uitstek uit handen geslagen om PA Vastgoed tot het spoedig maken van afspraken te bewegen. Vanzelfsprekend bestaat op dat punt geen zekerheid. Gelet echter op het belang van PA Vastgoed om het appartementsrecht vrij van beslagen te kunnen leveren en ook op het feit dat zij in 2020 (alsnog) tot het maken van afspraken bereid is gebleken, moet de kans daarop als reëel worden beschouwd. Ook overigens zijn [eiseressen] door de fout van [naam gedaagde] in een slechtere positie terecht gekomen. Voorafgaande aan de levering van het appartementsrecht aan een derde hadden [eiseressen] uitsluitend met PA Vastgoed van doen. Na de levering hadden zij niet alleen met PA Vastgoed, maar ook met de nieuwe eigenaar (en met de VvE van [adres 2]) te maken, met alle juridische complicaties van dien. De uitspraken in de door [eiseressen] vanaf 2017 gevoerde procedures maken dit inzichtelijk. Mogelijk hebben zij in dit verband zelf steken laten vallen, door niet steeds alle betrokkenen in rechte te betrekken, maar genoegzaam kan worden aangenomen dat die (mogelijke) fouten niet zouden zijn gemaakt als het debat hierover naar aanleiding van de beslaglegging en dus vóór de levering aan een derde zou zijn gevoerd.

4.15.

Aannemelijk is dus dat de fout van [naam gedaagde] ertoe heeft geleid dat [eiseressen] meer kosten hebben moeten maken om tot afspraken omtrent de zijmuur te komen dan wanneer [naam gedaagde] tijdig beslag zou hebben doen leggen. Een exacte berekening van die meerkosten kan niet worden gemaakt, omdat de gang van zaken in de hypothetische situatie zonder beroepsfout zich niet met voldoende precisie laat reconstrueren. De rechtbank zal de door [naam gedaagde] te vergoeden schade daarom met toepassing van artikel 6:97 BW schatten, en wel op een bedrag van € 10.000. Tot betaling van dit bedrag zal [naam gedaagde] worden veroordeeld. Bij een afzonderlijke verklaring voor recht ter zake van de hier bedoelde beroepsfout hebben [eiseressen] onvoldoende belang.

Overige punten

4.16.

In de dagvaarding wordt, behalve van wanprestatie, ook gesproken van onrechtmatig handelen door [naam gedaagde]. Uit de processtukken en uit de bespreking van de zaak tijdens de zitting volgt echter dat van onrechtmatig handelen los van de contractuele relatie tussen partijen geen sprake is. De grondslag van onrechtmatige daad kan dus niet tot toewijzing van enig deel van de vordering leiden.

4.17.

[naam gedaagde] moet als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Zij zal worden veroordeeld in de proceskosten van [eiseressen] Deze worden begroot op € 937 aan griffierecht, € 210,18 aan explootkosten en € 1.407,50 aan salaris advocaat. De nakosten zullen worden toegewezen zoals in het dictum omschreven.

4.18.

De slotsom van al het voorgaande moet zijn dat het verstekvonnis zal worden vernietigd en dat beslist zal worden als omschreven in het dictum.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

vernietigt het door deze rechtbank op 9 december 2020 onder zaaknummer / rolnummer 607372 / HA ZA 20-1063 gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] tot betaling aan [eiseressen] van € 10.000,00,

5.3.

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseressen] begroot op € 2.554,68,

5.4.

veroordeelt [naam gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2021.

1980/2054