Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8681

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
10-250833-20, 02-204464-20 en 10-125476-21 (ter terechtzitting gevoegd) vordering TUL: 02/223415-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld voor een beroving van een snackbar, een bedreiging en een vernieling. Aan de verdachte is 120 dagen jeugddetentie opgelegd, met aftrek van voorarrest, waarvan 40 dagen voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10-250833-20, 02-204464-20 en 10-125476-21 (ter terechtzitting gevoegd)

Parketnummer vordering TUL: 02/223415-19

Datum uitspraak: 26 augustus 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2005,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in

de Rijks Justitiële Jeugdinrichting Den Hey-Acker te Breda,

raadsman mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzittingen van 7 januari 2021 en van 12 augustus 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 113 dagen met aftrek
    van voorarrest, waarvan 30 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte dient mee te werken aan MST, dat de verdachte dient mee te werken aan andere hulpverlening indien dat na MST nodig is en dat de verdachte een zinvolle dagbesteding, waaronder onderwijs, heeft;

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zeeland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

De onder parketnummers 02-204464-20 en 10-125476-21 ten laste gelegde feiten zijn door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering 10-250833-20

4.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de betrokkenheid van de verdachte bij de overval op de snackbar onvoldoende blijkt uit het dossier. Het enige rechtstreekse bewijs voor een bewezenverklaring is onbetrouwbaar. De tante van de verdachte heeft namelijk op grond van een verklaring van haar zoon [naam 1] belastend verklaard over de verdachte. [naam 1] heeft echter verzonnen dat de verdachte degene is geweest die de snackbar heeft beroofd. Dat blijkt uit het bericht dat [naam 1] naar [naam 2] heeft gestuurd. Dat [naam 2] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zich dit bericht niet meer kan herinneren en dat [naam 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard geen [naam 2] te kennen, acht de raadsman ook niet geloofwaardig. De raadsman is van mening dat met name [naam 1] voldoende reden heeft om te liegen om zo zijn eigen betrokkenheid bij de beroving te verbergen. Gelet op het feit dat het dossier onvoldoende betrouwbaar bewijs bevat om de verdachte te veroordelen, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

4.2.2.

Beoordeling

Op 30 juli 2020 is omstreeks 22:15 uur de snackbar [naam snackbar] in [plaatsnaam] beroofd. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte degene is geweest die deze beroving heeft gepleegd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen waarin het onderzoek van de telefoon van de verdachte is geverbaliseerd. Op de telefoon van de verdachte zijn meerdere berichten aangetroffen die betrekking zouden kunnen hebben op de beroving van de snackbar. Zo is door de verdachte in de nacht na de overval het bericht verzonden met de tekst ‘laat me efe me buit ophale’ en staat er op de telefoon een chatgesprek dat ook in de nacht na de overval is gevoerd met de berichten ‘hahaha ik ren zo weg met kassa’ en ‘boys sorry voor vndg bij die snackbar’. Bij dit laatste bericht staat ook een emoji van een mes vermeld. Daarnaast is op de telefoon van de verdachte een filmpje aangetroffen. Op het einde van dit filmpje komt er een tas in beeld. In deze tas zit een groot wit/grijs object dat lijkt op de kassa die is weggenomen bij de overval op de snackbar. Ook zijn er op de telefoon van de verdachte meerdere zoekopdrachten aangetroffen naar ‘[naam snackbar]’. Deze zoekopdrachten zijn allemaal gedaan op 30 juli 2020 tussen 14:41 uur en 21:53 uur.

Ter terechtzitting op 7 januari 2021 heeft de verdachte erkend dat hij het filmpje heeft gemaakt en dat daarop de kassa te zien is. Hij heeft echter ontkend dat hij de snackbar heeft beroofd. Namens en door de verdachte is het alternatieve scenario geschetst dat zijn neef [naam 1] de snackbar heeft beroofd. De verdachte heeft verklaard dat hij door zijn oom en tante die nacht met de kassa het huis uit is gezet. Ter onderbouwing zijn namens de verdachte ter terechtzitting op 7 januari 2021 afdrukken van screenshots van een WhatsApp gesprek overgelegd. Dit gesprek is volgens de verdachte tussen zijn neef [naam 1] en een persoon met de naam [naam 2] gevoerd. In dit gesprek zegt [naam 1], volgens de verdachte, dat hij tegenover zijn moeder het smoesje heeft verzonnen dat de verdachte de overval zou hebben gepleegd. Vervolgens heeft de moeder van [naam 1] de verdachte aangegeven bij de politie. Op basis van alleen de screenshots van het gesprek kan echter niet zonder meer worden aangenomen dat dit gesprek ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, nu dergelijke screenshots eenvoudig na te maken zijn. Dat het gesprek heeft plaatsgevonden, moet dan ook worden ondersteund door andere feiten of omstandigheden. Niet gebleken is dat de verdachte deze screenshots ook daadwerkelijk van [naam 2] heeft ontvangen. Voorts hebben de personen die het gesprek gevoerd zouden hebben ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat dit gesprek niet heeft plaatsgevonden dan wel daar geen herinnering aan te hebben. Hierdoor kan daarmee niet worden vastgesteld dat dit gesprek heeft plaatsgevonden en bieden de screenshots geen steun aan de verklaring van de verdachte.

Zowel over de zoekgeschiedenis op zijn telefoon als over de chatgesprekken die daarop zijn aangetroffen, heeft de verdachte verklaard dat [naam 1] zijn telefoon heeft gebruikt en dat hij degene is geweest die de zoekopdrachten heeft gedaan en de gesprekken heeft gevoerd. Het dossier biedt geen ondersteuning voor deze verklaring van de verdachte.

Gelet op hetgeen hierboven overwogen en vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, dat niet de verdachte maar [naam 1] de snackbar heeft beroofd, niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank is op grond van de berichten, de zoekgeschiedenis en het filmpje op de telefoon van de verdachte en op basis van zijn eigen verklaring dat hij het filmpje heeft gemaakt in de nacht van de overval van oordeel dat de verdachte degene is geweest die de snackbar [naam snackbar] op 30 juli 2020 heeft beroofd.

4.2.3.

Conclusie

Het ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde met het parketnummer 10-250833-20 heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde met het parketnummer 02-204464-20 en het ten laste gelegde met het parketnummer 10-125476-21 heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

10-250833-20

hij op 30 juli 2020 te Rotterdam uit snackbar [naam snackbar] gevestigd aan de [adres] een kassa (inhoudende onder meer een geldbedrag van 265 euro), , dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door

- een capuchon, te dragen, en een mes, aan die [naam slachtoffer 1] voor te houden, en

- die [naam slachtoffer 1] toe te voegen: "Geld, kassa", ;

02-204464-20

hij op 8 maart 2020 te Terneuzen, , [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht ,

door voornoemde [naam slachtoffer 2] via (een privébericht op) Instagram,

een filmpje te sturen waarin hij, verdachte, een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp toont en daarbij de tekst "Bel

de tiplijn maar' in beeld zichtbaar is;

10-125476-21

hij op 20 april 2021 te Terneuzen opzettelijk en wederrechtelijk een camera, die aan [naam slachtoffer 3], toebehoorde heeft vernield.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

10-250833-20

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

02-204464-20

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

10-125476-21

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op 30 juli 2020 schuldig gemaakt aan een beroving van een snackbar. De verdachte is met een mes in zijn hand en een capuchon over zijn hoofd de snackbar [naam snackbar] binnen gegaan. De verdachte kon door met het mes te dreigen de kassa uit de snackbar mee nemen.

Dit soort gebeurtenissen hebben begrijpelijkerwijs grote impact op de slachtoffers en omstanders en veroorzaken in de samenleving sterke gevoelens van onrust en onveiligheid. Hiermee heeft de verdachte geen rekening gehouden.

De verdachte heeft zich daarnaast ook schuldig gemaakt aan een bedreiging en een vernieling. De verdachte lijkt niet te beseffen wat zijn gedrag bij anderen teweeg brengt. Bovendien heeft de verdachte laten zien weinig respect te hebben voor andermans eigendommen.

De rechtbank neemt deze feiten de verdachte zeer kwalijk.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

4 augustus 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het rapport van de GZ-psycholoog mw. drs. R.C. Norp onder supervisie van mw. drs. A.M.I. Peelen, GZ-psycholoog, gedateerd 3 december 2020. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

De zelfbepalende houding, impulsieve aanleg en de neiging tot riskant gedrag van de verdachte in combinatie met zijn beperkte copingvaardigheden, geringe mentaliserend vermogen en zorgelijke gewetensontwikkeling dragen bij aan een verhoging van het risico op toekomstig (gewelddadig) delinquent gedrag. Zorgelijk is dat de verdachte de neiging heeft toe te trekken naar delinquente leeftijdsgenoten. Binnen het opvoedingsklimaat wordt gezien dat de moeder betrokken bij hem is, maar onvoldoende overwicht heeft op de verdachte en moeite heeft hem aan te sturen. Het recidiverisico wordt alles overziend als matig-hoog ingeschat.
Individuele ambulante (forensische) behandeling gericht op inzicht krijgen in zijn eigen gedragspatronen en denkbeelden en in zijn emoties en de regulatie ervan wordt van belang geacht om de kans op acting-out en recidive te verminderen. Ook het versterken van zijn copingvaardigheden en morele ontwikkeling wordt als behandeldoel meegegeven. Van belang is dat de moeder hierbij betrokken wordt in de vorm van systeemtherapie. Gedacht wordt aan de Waag, Emergis of een soortgelijke (forensische) instelling. Voortzetting van het jeugdreclasseringstraject en betrokkenheid vanuit de coach worden tevens als belangrijk gezien, zodat toegewerkt kan worden naar een positieve schoolgang, realisatie van een positief ingevulde dagbesteding en voldoende toezicht buitenshuis. De behandeling en begeleiding kunnen worden opgenomen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 5 januari 2021. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

De deskundige [naam 3], werkzaam als jeugdreclasseerder bij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zeeland, heeft ter zitting naar voren gebracht dat het advies vanuit de Pro Justitia rapportage gevolgd moet worden. Het is belangrijk dat de verdachte inzicht gaat geven in zijn emoties en dat hij moet leren wat de consequenties van zijn gedrag zijn. De deskundige verzoekt om als bijzondere voorwaarden op te leggen dat de verdachte moet meewerken aan MST (multisysteem therapie) en ook aan eventuele aanvullende individuele hulpverlening, indien dat nodig is, en dat hij naar school moet gaan of een andere vorm van zinvolle dagbesteding moet hebben.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie, omdat het in het belang van de verdachte wordt geacht dat hem behandeling wordt geboden en dat hij (verdere) ondersteuning en begeleiding krijgt. De rechtbank zal daarom een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 6 maart 2020 van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant is de verdachte ter zake van bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen, handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en verduistering veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 21 maart 2020.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging wordt toegewezen. De verdachte heeft zich opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De verdachte zal daarom de voorwaardelijk opgelegde taakstraf moeten uitvoeren.

8.3.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter zitting geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging.

8.4.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit met de parketnummer 10-250833-20 is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen,

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 40 (veertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zeeland te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zijn medewerking zal verlenen aan MST en de daaruit voortvloeiende afspraken;

- zijn medewerking zal verlenen aan individuele hulpverlening bij Forensische Zorg Zeeland of een soortgelijke instelling, indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen;

- zijn medewerking zal verlenen aan het verkrijgen en behouden van (aanvullende) zinvolle dagbesteding en/of vrije tijdsbesteding, indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zeeland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant in de zaak met parketnummer 02-223415-19.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. W.J. Loorbach en C.C. Peterse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 augustus 2021.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

10-250833-20

hij op of omstreeks 30 juli 2020 te Rotterdam

in/uit snackbar [naam snackbar] gevestigd aan de [adres] een kassa (inhoudende onder meer een geldbedrag van 265 euro, althans een geldbedrag), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- een masker/capuchon, althans gezichtsbedekkende kleding, te dragen, en/of een mes, althans een op een mes gelijkend scherp/puntig voorwerp, aan die [naam slachtoffer 1] te tonen/voor te houden, en/of

- die [naam slachtoffer 1] toe te voegen: "Geld, kassa", althans woorden van gelijke strekking;

02-204464-20

hij op of omstreeks 08 maart 2020 te Terneuzen, althans in Nederland,

[naam slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door voornoemde [naam slachtoffer 2] via (een privébericht op) Instagram, althans via internet,

een filmpje te sturen waarin hij, verdachte, een op vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp toont en/of voorhoudt en/of daarbij de tekst "Bel

de tiplijn maar' in beeld zichtbaar is;

10-125476-21

hij op of omstreeks 20 april 2021 te Terneuzen

opzettelijk en wederrechtelijk een camera, in elk geval enig goed, dat/die geheel of

ten dele aan [naam slachtoffer 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield,

beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;