Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8652

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-08-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
10/203720-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Op basis van het dossier en de mondelinge bespreking daarvan ter terechtzitting is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van de hem ten laste gelegde brandstichting, dan wel vernieling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/203720-20

Datum uitspraak: 13 augustus 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte],

raadsvrouw mr. J. van Wingerden, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 juli 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen voor het primair ten laste gelegde feit, te weten opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het rapport van de forensische opsporing volgt dat de brand is ontstaan in de kamer van de verdachte, naar alle waarschijnlijkheid laag bij de vloer, tussen de wasmand en de tussendeur van de leefruimte. Een technische oorzaak wordt in het rapport uitgesloten. Er zijn geen aanwijzingen dat anderen dan de verdachte kort voor het uitbreken de brand toegang hebben gehad tot zijn kamer. De verdachte ontkent opzettelijk brand te hebben gesticht, maar heeft wel verklaard dat hij rookt; in zijn kamer zijn sigaretten aangetroffen. De verdachte heeft kort na de brand tegen een begeleidster gezegd dat hij met lucifers had gespeeld. Bij de politie heeft hij verklaard niet te weten hoe de brand is ontstaan.

Uitgaand van de verklaring van de verdachte ter zitting, namelijk dat het zo zou kunnen zijn dat hij een sigaret niet goed heeft uitgemaakt en dat hij deze sigaret in de wasmand tussen zijn kleding heeft neergelegd om op een later moment op te roken, is in elk geval sprake van voorwaardelijk opzet op brandstichting. Het is immers algemeen bekend dat als men een sigaret die net uitgemaakt is op kleding of plastic neerlegt, er brand kan ontstaan. Men neemt bij dergelijk handelen dus een groot risico. Door de brand was sprake van gemeen gevaar voor goederen, aangezien uit het rapport van de forensische opsporing volgt dat er voldoende brandbaar materiaal aanwezig was om de brand voort te zetten. Daarnaast was sprake van levensgevaar voor personen. De naastgelegen kamer was namelijk bewoond en door de rookontwikkeling bestond gevaar voor rookintoxicatie voor andere bewoners van de instelling.

Beoordeling

Vast staat dat op 8 augustus 2020 brand is ontstaan in de kamer van de verdachte bij de instelling van GGZ Delfland aan de [adres]. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte de veroorzaker is geweest van deze brand en of hij, in geval van een bevestigend antwoord, daarbij opzettelijk heeft gehandeld.

Uit het rapport van de forensische opsporing volgt dat de brand is ontstaan in de kamer van de verdachte en dat deze brand geen technische oorzaak had. Op de plek van de brandhaard stond een wasmand, met daarnaast een vuilniszak die aan de handgreep van een kast was vastgebonden. Bij het onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen. Verder staat vast dat naast de verdachte zelf alleen het personeel van de instelling beschikte over een sleutel van zijn kamer. De verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting verklaard dat hij voorafgaand aan de brand, tot aan het moment dat hij vertrok om boodschappen te doen, alleen op zijn kamer was. Het dossier geeft geen aanwijzingen dat personeelsleden daarna, tot het moment dat de brand werd ontdekt, de kamer zijn binnengegaan.

Op basis van deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat enig handelen of nalaten van de verdachte moet hebben bijgedragen aan het ontstaan van de brand. Op basis van het onderzoek en de verklaringen hierbij van de verdachte, is echter niet duidelijk welk handelen of nalaten dit is geweest. De rechtbank kan daarmee niet met de wettelijk vereiste mate van zekerheid beoordelen of het handelen van de verdachte - naar zijn uiterlijke verschijningsvorm en zoals gesteld door de officier van justitie - uitgelegd kan worden als (voorwaardelijk) opzet op het stichten van brand. De verklaring van de verdachte tegenover een begeleidster over het spelen met lucifers acht de rechtbank onvoldoende om deze conclusie te kunnen dragen. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat de verdachte, zoals hij ter zitting heeft opgemerkt, enkel over het spelen met lucifers heeft gesproken omdat hij zich door de situatie en de boze reactie van de begeleidster overvallen voelde en een verklaring zocht voor de brand. Ook zijn verklaring ter zitting dat hij mogelijk een niet volledig gedoofde sigaret in de wasmand heeft verborgen, lijkt op basis van de verdere bevraging vooral ingegeven door speculatie en niet gebaseerd op feitelijke herinneringen van de verdachte.

De rechtbank betrekt in haar oordeel ook de bevindingen uit het psychiatrisch rapport van 27 november 2020, opgemaakt door drs. S. Tirband Dastgerdi, psychiater in opleiding, onder supervisie van drs. T.A. Wouters, psychiater. In dit rapport wordt geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis, die onder meer tot uiting komt in een gebrekkige sociale interactie, in het rigide vasthouden aan routines en in een ernstig beperkt vermogen tot plannen en organiseren; onder invloed van stress kan daarbij ook sprake zijn van psychotische overschrijdingen. Het onderzoek geeft geen aanwijzingen dat bij de verdachte sprake zou zijn van een (al dan niet pathologisch bepaalde) fascinatie met vuur. Ook worden in de voorgeschiedenis geen concrete aanknopingspunten gevonden voor (agressieve) impulsdoorbraken. De verdachte heeft een blanco strafblad en is zeer gehecht aan zijn spullen, zoals onder meer blijkt uit zijn blije reactie tegenover de rapporteurs op het teruggeven van zijn eigendommen uit zijn voormalige woning.

De rechtbank acht op basis van het dossier en de mondelinge bespreking daarvan ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van de hem ten laste gelegde brandstichting, dan wel vernieling, zodat de verdachte - conform ook het pleidooi van de raadsvrouw - hiervan dient te worden vrijgesproken. Of anderszins, bijvoorbeeld in culpoze zin, mogelijk sprake is van strafbaar handelen blijft verder onbesproken, nu de rechtbank daarmee buiten de grenzen van de tenlastelegging zou treden, zoals deze door de officier van justitie is opgesteld.

Conclusie

Het primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5. Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

6. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. J.M.L. van Mulbregt en J.L. Luiten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Sengezken, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 augustus 2021.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 8 augustus 2020 te Rotterdam, althans in Nederland,

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning/pand, gelegen aan de [adres]

(kamernummer [nummer]),

immers heeft hij toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met

(een) (plastic) wasmand en/of de inhoud van die wasmand,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of (een of meer voorwerpen in) die/dat

woning/pand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer in die woning, althans dat pand

en/of in een of meer belendend(e) perce(e)l(en)/woning(en) aanwezige goed(eren),

in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een of meer in

die/dat woning/pand en/of in een of meer belendend(e) perce(e)l(en)/woning(en)

aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen te

duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 augustus 2020 te Rotterdam, althans in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een (afval)emmer en/of een (kleding)mand en/of

vloeren en/of deuren en/of muren van/in een gebouw aan de [adres],

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een instelling, te weten

de GGZ Delfland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;