Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8634

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
C/10/584309 / HA ZA 19-973
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing vof. Verdeling gemeenschappelijke bestandsdelen vof. Waardering exploitatie strandpaviljoen. Eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2020:7648).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/584309 / HA ZA 19-973

Vonnis van 25 augustus 2021

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. L. Hennink te Rotterdam,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A. Vreugdenhil te Naaldwijk.

Partijen zullen hierna ‘de man’ en ‘de vrouw’ genoemd worden.

1. De (verdere) procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 augustus 2020 en de daarin genoemde stukken,

  • -

    het deskundigenbericht d.d. 20 december 2020 van [naam 1],

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van de man,

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De (verdere) beoordeling

Het deskundigenrapport

2.1.

In het tussenvonnis van 26 augustus 2020 is [naam 1], horecamakelaar en registertaxateur, benoemd tot deskundige teneinde de marktwaarde van alle vermogensbestanddelen van de vof, inclusief het strandpaviljoen, vast te stellen.

2.2.

[naam 1] heeft als volgt gerapporteerd:

(…)

1.4.

Conclusies

In dit rapport is de marktwaarde van “[naam paviljoen]” aan het [adres] vastgesteld. Vanwege de huur van het perceel grond waarop het strandpaviljoen is gebouwd zullen de opstallen en de onderneming als roerende zaak worden gewaardeerd.

De waarde(n) zijn berekend aan de hand van diverse berekeningsmethodieken. [naam 1] Horecamakelaars BV vindt het belangrijk om te kijken naar de aanwezige exploitatie(mogelijkheden) en rekening te houden met de mogelijk- en onmogelijkheden die de bedrijfsruimte en het bedrijf hebben. De te verwachten geldstromen spelen hierbij een belangrijke rol. Wij hechten eraan op te merken dat de waarde van een exploitatie-gebonden onderneming daardoor sterk kan fluctueren. In een dalende economie, waarbij omzetten onder druk staan en de kosten niet of ten dele beheersbaar zijn, kaan de waarde sterke dalingen laten zien. Omgekeerd is dit ook het geval. de door ons vastgestelde waarde is derhalve een momentopname, welke is gerelateerd aan de op dit moment van toepassing zijnde marktomstandigheden en het daarbij behorende model van vraag en aanbod.

Uitdrukkelijk wordt hierbij verwezen naar de onder schattingsonzekerheden genoemde toelichting over het Corona virus (Covid-19). Zoals hierboven weergegeven is exploitatie gebonden onderneming extra gevoelig voor conjuncturele invloeden. Met name doordat zij (mede) worden gewaardeerd op het handelspotentieel. Voor deze objecten kan er direct een risico zijn voor de winstgevendheid en mogelijk dus de getaxeerde waarde. Wij verzoeken de gehanteerde uitgangspunten, bij een eventuele transactie, goed te controleren. De bedrijfseconomische omstandigheden hebben invloed op de waarde.

Gezien de huidige onzekerheden als gevolg van Corona (Covid-19) raden wij opdrachtgever aan om de waardering regelmatig te herzien en om specifiek marktadvies te verkrijgen bij een voorgenomen transactie.

Covid-19

In deze taxatie is rekening gehouden met de consequenties van het coronavirus (COVID-19). Er is rekening gehouden met een inschatting van een hoger risico (vanuit het perspectief van een potentiële koper). Met een dalende omzet, als gevolg van COVID-19, is in de berekeningen nog geen rekening gehouden. De overheid heeft op 1 september 2020 nieuwe maatregelen afgekondigd. Hoe de maatregelingen zich in de toekomst zullen ontwikkelen is onbekend.

Publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en juridische beperkingen

In dit rapport is rekening gehouden met bovengenoemde beperkingen mede vanwege de beperkte en onzekere looptijd van de huurovereenkomst van de grond en de wens van de Gemeente Goeree-Overflakkee om het eigendom van het gehele recreatieterrein (waar de gehuurde grond onderdeel van is) af te staan, cq te verkopen.

Courantheid

Het betreft een beperkt courant object. Alternatieve aanwendbaarheid is nauwelijks aanwezig (als iets anders dan horeca) wegens de indeling en de ligging.

Kengetallen

Er is inzage geweest in omzetten en kosten van 2017. Er zal gebruik worden gemaakt van deze gegevens die door opdrachtgever en zijn accountant zijn opgesteld, ze worden daar waar nodig aangepast op basis van inschatting, ervaring en kengetallen.

1.5.

Vastgestelde waarden

[naam paviljoen]”

Marktwaarde

€ 50.000

Zegge: VIJFTIGDUIZEND EURO

1.6

Uitgangspunten

Deze waardering kwam tot stand op basis van de gegevens, toelichtingen en overwegingen zoals in de bijlagen aangegeven, vergelijking en plaatsopname, alsmede:

a. prijspeil 29 oktober 2020;

b. zonder mogelijke rechten van derden uit enige overeenkomst, anders dan vermeld;

c. exclusief eventueel verschuldigde omzetbelasting;

d. exclusief huurdersbelangen of andere immateriële activa die door natrekking zijn verbonden aan de onroerende zaak;

e. ervan uitgaande dat de onderneming voldoet aan alle (vergunnings-)eisen met betrekking tot exploiteren van een horecabedrijf en/of milieu (hiernaar is geen onderzoek verricht);

f. de gegevens zoals deze zijn verstrekt, alsmede door uit te gaan van gegevens die bekend zijn van soortgelijke exploitaties en kengetallen die jaarlijks door HorecaDNA en andere bronnen worden gepubliceerd.

(…)

2.3.

Nu de rechtbank [naam 1] tot deskundige heeft benoemd, heeft het door deze deskundige uitgebrachte rapport in beginsel als uitgangspunt te gelden voor de verdere beoordeling in deze zaak. Een partij kan slechts dan niet worden gehouden aan de uitkomsten van een rapport dat is opgesteld door een door de rechtbank benoemde deskundige, indien sprake is van zwaarwegende bezwaren ten aanzien van de wijze waarop de deskundige zijn werkzaamheden heeft verricht, (inmiddels) gerede twijfel bestaat over de deskundigheid of de inhoud van het rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica.

2.4.

De vrouw stelt dat de man ten behoeve van de taxatie de aangiftes van de inkomstenbelasting tot en met het vierde kwartaal van 2020 had moeten overleggen. Deze gegevens zijn volgens de vrouw relevant, omdat daarmee aangetoond kan worden dat het strandpaviljoen in de jaren 2018-2020 slechts enkele dagen open is geweest en dat de man zich dus onvoldoende heeft ingespannen voor de exploitatie van het strandpaviljoen, hetgeen mee dient te wegen bij het bepalen van de goodwill. De vrouw verwijt de deskundige in dit verband - zowel in haar reactie op het conceptrapport als in de akte na deskundigenbericht - dat hij bij de man niet heeft (door)gevraagd naar deze stukken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deskundige op dit verwijt adequaat gereageerd door hierover in zijn eindrapport alsook in latere e-mailcorrespondentie met de rechtbank (met partijen in cc) op te merken dat, daar komt het op neer, de stukken zoals die hem ter beschikking waren gesteld voldoende waren om de vof te kunnen waarderen. De rechtbank volgt de deskundige in dezen.

2.5.

Verder verwijt de vrouw de deskundige een gebrek aan transparantie omdat zij geen inzage zou hebben gehad in stukken die de man aan de deskundige heeft verstrekt. Dit verwijt wordt door [naam 2] ook in haar e-mail van 16 december 2020 gemaakt, welke e-mail zij aan de deskundige heeft gestuurd als reactie op het uitgebrachte conceptrapport. Naar de rechtbank begrijpt, heeft de deskundige in zijn definitieve rapport op dit verwijt als volgt gereageerd:

(…) Nadat [naam gedaagde], haar advocaat en fiscalist stukken hebben overhandigd (zoals vermeld in het rapport onder hoofdstuk 13.1) en toelichting hebben, kreeg [naam eiser] en zijn advocaat gelegenheid om hun verhaal te doen en/of te reageren op de ingebrachte stukken door/namens [naam gedaagde], hieruit bleken geen nieuwe of gewijzigde inzichten anders die al vermeld of bekend waren tijdens de opname. (…)

De stukken van hoofdstuk 13.1 waar de deskundige naar verwijst, betreffen de processtukken van onderhavige procedure tot en met het tussenvonnis van 26 augustus 2020. Uit de reactie van de deskundige valt af te leiden dat de man slechts in de gelegenheid is gesteld om te reageren op deze door de vrouw aan de deskundige overhandigde processtukken. Dat de man bij het geven van een reactie daarbij nog stukken aan de deskundige heeft verstrekt waarvan de vrouw geen kennis heeft genomen althans geen inzage heeft verkregen, blijkt niet uit de reactie van de deskundige. De vrouw heeft in haar conclusie na deskundigenbericht ook niet geconcretiseerd om welke stukken het zou gaan. Het op dit punt door de vrouw aan de deskundige gemaakte verwijt wordt dan ook als niet onderbouwd verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de deskundige niet dan wel onvoldoende transparant is geweest in zijn werkwijze of anderszins steken heeft laten vallen in de wijze waarop hij zijn werkzaamheden heeft verricht.

2.6.

De deskundige heeft er in zijn rapport blijk van gegeven dat hij, anders dan de vrouw meent, over meer dan voldoende financiële kennis beschikt om de vof van partijen te waarderen. Daarbij heeft de deskundige kennis genomen van alle beschikbare stukken en heeft hij waar nodig extra informatie opgevraagd bij overheidsinstanties en daar op transparante wijze verslag van gedaan. Op basis hiervan heeft hij zijn eigen oordeel gevormd en heeft hij de taxatie van de vof van een (financiële) onderbouwing voorzien. Anders dan de vrouw meent, heeft de deskundige adequaat gereageerd op de reacties van partijen naar aanleiding van het hen toegezonden conceptrapport.

2.7.

De vrouw heeft nog betwist dat er in 2020 sprake is geweest van een omzetverlies van 40% ten opzichte van 2019 en zij heeft verder bezwaar gemaakt tegen de waardering door de deskundige van de samenwerkingsovereenkomst van het windmolenpark, het (voort)bestaan van de erfpachtovereenkomst alsmede van de opstal, inventaris en goodwill. Ook de man heeft bezwaar gemaakt tegen de waardering van de goodwill. De rechtbank ziet echter geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de deskundige op al deze punten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deskundige zich bij de waardering ook voldoende rekenschap gegeven van de onzekerheden die de Corona-crisis met zich brengt.

2.8.

Uit het voorgaande volgt dat de deskundige een gedegen onderzoek heeft verricht. Daarom wordt geen aanleiding gezien om, zoals door de vrouw bepleit, nog een andere deskundige te benoemen. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige dan ook over en maakt deze tot de hare.

De ontbinding en verdeling

2.9.

In de tussenvonnissen van 1 april 2020 en 26 augustus 2020 is reeds beslist en/of overwogen:

­ dat de ontbinding van de vof zal worden uitgesproken per datum van het te wijzen eindvonnis,

­ dat het strandpaviljoen aan de man zal worden toebedeeld,

­ dat de man daarmee zal zijn overbedeeld in de zin van artikel 3:185 lid 2 aanhef en onder b BW en dat hij daarom de overwaarde van het strandpaviljoen alsmede de overwaarde van de overige bestandsdelen van de vof (de vof is immers gericht op de exploitatie van het strandpaviljoen) aan de vrouw dient te vergoeden,

­ dat de waarde van de vof zal worden bepaald naar het moment waarop de deskundige zijn taxatie zal uitbrengen.

2.10.

Overeenkomstig het op 22 december 2020 uitgebrachte taxatierapport van de deskundige stelt de rechtbank de waarde van de vof per die datum vast op € 50.000,00. Dit betekent dat de man voor de helft van dit bedrag is overbedeeld en dat hij daarom een bedrag van € 25.000,- aan de vrouw dient te vergoeden.

2.11.

In het tussenvonnis van 26 augustus 2020 is overwogen dat de vrouw recht heeft op een winstaandeel over de jaren na 2015 en dat het aan de deskundige is om dit aspect te waarderen, maar de deskundige heeft daar in zijn rapport geen afzonderlijke paragraaf aan gewijd. De rechtbank begrijpt echter uit de financiële analyse op bladzijde 14 en 15 van het rapport, de conclusies op bladzijde 30, de reactie van de deskundige op de namens de vrouw geuite kritiek op het conceptrapport en zijn nadere e-mail aan de rechtbank van 8 januari 2021 (met de advocaten van partijen in cc) dat het aspect van het winstaandeel wel is meegenomen bij de waardering van de onderneming als geheel, maar dat er simpelweg na 2015 geen winsten zijn geboekt en er daarin dus ook geen aandeel van de vrouw in valt vast te stellen. Het gestelde winstaandeel zal daarom niet in de verdere verdeling van de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen van de vof worden betrokken.

2.12.

Met betrekking tot in het verleden gedane schenkingen van de ouders van de man is in het tussenvonnis van 26 augustus 2020 reeds overwogen dat de man in de eindbalans van 31 december 2017 ten onrechte een correctieboeking van € 17.500,- heeft aangebracht. Dit bedrag is de man dus nog aan de vrouw verschuldigd.

2.13.

Het voorgaande betekent dat in het kader van de afwikkeling van de verdeling van de vof de man zal worden veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 25.000,00 + € 17.500,00 = € 42.500,00.

2.14.

Gelet op de aard van het geschil wordt zowel in conventie als in reconventie aanleiding gezien om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank

In conventie en in reconventie:

3.1.

ontbindt de vennootschap onder firma “[naam bedrijf]” (KvK-nummer [KvK-nummer]), gevestigd aan het [adres],

3.2.

deelt aan de man toe het [naam paviljoen]”, gelegen aan het [adres],

3.3.

veroordeelt de man om aan de vrouw een bedrag van € 42.500,00 te betalen,

3.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2021.

2438/1515