Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8623

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
06-09-2021
Zaaknummer
C/10/594134 / HA ZA 20-342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Renvooiprocedure. Roteren damwand na te diep baggeren. Toestand na het baggeren levert voor eiseres geen achteruitgang op ten opzichte van toestand vóór de fout. Causaal verband. Schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/594134 / HA ZA 20-342

Vonnis van 1 september 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VATTENFALL EEMSHAVEN B.V. (VOORHEEN NUON POWER PROJECTS I B.V.),

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in renvooi,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOSKALIS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAGGERMAATSCHAPPIJ BOSKALIS B.V.,

gevestigd te Papendrecht,

verweersters in renvooi,

advocaat mr. H.C.A. van der Houven van Oordt te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Vattenfall, BKN en BMB genoemd worden. Verweersters gezamenlijk zullen Boskalis genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Op 3 december 2014 heeft Vattenfall, destijds handelend onder de naam Nuon Power Projects I B.V., een bodemprocedure tegen Boskalis aangespannen waarin zij vergoeding vorderde van door Vattenfall geleden schade in verband met door Boskalis uitgevoerde baggerwerkzaamheden (hierna: de bodemprocedure).

1.2.

Op 2 februari 2015 heeft Boskalis een verzoek tot beperking van haar aansprakelijkheid ingediend, waarop bij beschikking van 10 maart 2015 toewijzend is beslist.

1.3.

Vattenfall heeft haar vordering ter verificatie ingediend in de beperkingsprocedure. De bodemprocedure is per 31 juli 2019 geschorst (642f Rv, 225 Rv).

1.4.

Blijkens het proces-verbaal van de op 22 januari 2020 gehouden verificatievergadering heeft de rechter-commissaris Vattenfall en Boskalis naar de rolprocedure (renvooi) verwezen ter zake van de aansprakelijkheid van Boskalis voor de vordering van Vattenfall en de omvang daarvan.

1.5.

Het verloop van de onderhavige renvooiprocedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de op 22 januari 2020 gehouden verificatievergadering;

  • -

    de conclusie van eis in renvooi, met producties 1 tot en met 28;

  • -

    de conclusie van antwoord in renvooi, met producties V1 tot en met V17;

  • -

    de oproepingsbrieven van deze rechtbank van 29 oktober 2020;

  • -

    de zittingsagenda van deze rechtbank van 4 januari 2021;

  • -

    de akte overlegging productie van Boskalis met productie V18;

  • -

    de akte overlegging producties van Vattenfall, met producties 29 en 30;

  • -

    de nieuwe versie van productie 30 van Vattenfall;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 4 februari 2021, alsmede de daarin vermelde spreekaantekeningen;

  • -

    de zijdens Boskalis conform het verzoek van de rechtbank ter zitting ingestuurde leesbare versie van de risicotabel uit productie 6 bij conclusie van eis;

  • -

    de reacties van Vattenfall en Boskalis op het proces-verbaal en de daarbij behorende bijlagen, met dien verstande dat de bijlagen slechts zijn benut voor zover deze strekken tot correctie (maar niet tot separate aanvulling) van het proces-verbaal.

1.6.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

In opdracht van Vattenfall is in de Wilhelminahaven te Eemshaven een energiecentrale ontwikkeld. Ten behoeve van de bouw van deze centrale had Vattenfall een CAR-verzekering afgesloten bij FM Insurance Company Ltd. (hierna: FM Global). Hoofdaannemer bij de bouw was Mitsubishi Corporation (hierna: MC). Ballast Nedam Industriebouw B.V. (hierna: Ballast Nedam) was de onderaannemer.

2.2.

Onderdeel van de centrale is de koelwaterinlaat, waarmee koelwater uit zee wordt gezogen. Om te voorkomen dat vissen mee de centrale in worden gezogen, maakt een visretoursysteem deel uit van de koelwaterinlaat. In verband met dit visretoursysteem en de koelinstallatie is door Ballast Nedam in september 2009 een vrijstaande, onverankerde damwand gerealiseerd, in de stukken ook wel viskering genoemd.

2.3.

De damwand was ontworpen door Ballast Nedam Engineering, en door haar in een document met ontwerpberekeningen als volgt schematisch weergegeven [door de rechtbank in dit vonnis ingevoegde afbeeldingen zijn soms licht bewerkt voor een leesbaar en correct beeld]:

Figure 1: sections

As the design conditions of the side wall vary along the length a number of sections have been analyzed.

Section

Sheetpiling

Toe level (NAP)

Top (NAP)

Remark

1 /V

Caslng pile

combi-

ø1320 X 20 •

-22.0

+6.00

Free standing

wall

•••••..•X65•••••• • AZ18- S240

.........................

-11.0

-------------·-----

+6.00

--------------..........

II

AZ37-700 - S240

-20.0

+3.65

Free standing

III

AZ26 - S240

-18.0

+3.65

Free standing

IV

AZ26 - S240

-14.0

+3.65

Free standing

2.4.

De damwand is iets anders dan afgebeeld gerealiseerd. De in elkaar grijpende (genummerde) damwandprofielen zijn verticaal in de bodem geplaatst (ingetrild of geheid), maar anders dan afgebeeld bevonden zich daartussen, onder meer aan het einde van de wand, enkele buispalen. Conform bovenstaande tabel waren de damwandprofielen in sectie IV minder diep in de bodem gedrukt (namelijk tot -14 m t.o.v. NAP) dan in de naastliggende sectie III (tot -18 m t.o.v. NAP). Blijkens een luchtfoto gemaakt op 28 april 2011 zag sectie IV van de damwand er als volgt uit (stippellijn aangebracht door Boskalis):

2.5.

Voor de realisatie van de koelwaterinlaat waren baggerwerkzaamheden nodig. Vattenfall is akkoord gegaan met het voorstel van havenbeheerder Groningen Seaports N.V. (hierna: GSP) om de baggerwerkzaamheden ten behoeve van de koelwaterinlaat op te nemen in het bestek van GSP voor meeromvattende baggerwerkzaamheden in de Wilhelminahaven.

2.6.

BKN heeft dit deel van de door GSP opgedragen baggerwerkzaamheden ten behoeve van Vattenfall op of omstreeks 1 augustus 2011 uitgevoerd, althans doen uitvoeren met snijkopzuiger/cutterzuiger “ [naam vaartuig] ”, die BKN van BMB had gecharterd. De schipper van de [naam vaartuig] was in dienst van BMB.

2.7.

Bij de uitvoering van de baggerwerkzaamheden heeft de schipper van de [naam vaartuig] nabij de damwand tot grotere diepte (circa -9,50 m NAP i.p.v. -5,20 m NAP) gebaggerd dan was voorzien in het baggerbestek.

2.8.

In de ochtend van 2 augustus 2011 is geconstateerd dat de damwand ter plaatse van de op 1 augustus 2011 uitgevoerde baggerwerkzaamheden was verzakt en dat dat de kop (bovenzijde) daarvan over enkele meters lengte richting de waterzijde was geroteerd. Foto’s van 10 augustus 2011 respectievelijk 19 maart 2012 tonen de situatie als volgt:

3. Het geschil

3.1.

Vattenfall vordert, na intrekking van een deel van haar vordering ter zitting, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair en subsidiair:

( a) de vordering van Vattenfall, te weten schadevergoeding ter hoogte van € 8.606.600,-

(exclusief kosten en rente) voor het volledige bedrag erkent;

meer subsidiair:

( b) de vordering van Vattenfall, te weten schadevergoeding ter hoogte van € 8.606.600,-

(exclusief kosten en rente) voor 88 procent erkent, althans erkent voor het gedeelte dat de rechtbank geraden acht;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

( c) voor recht verklaart dat Boskalis jegens Vattenfall onrechtmatig heeft gehandeld;

( d) Boskalis veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na het te dezer zake te wijzen vonnis.

3.2.

Vattenfall heeft hieraan ten grondslag gelegd dat Boskalis onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de werkzaamheden met een cutterzuiger uit te voeren in plaats van met een backhoe en door de snijkop van de cutterzuiger te laat omhoog te halen. Als gevolg van dit onrechtmatig handelen is de damwand verzakt en heeft Vattenfall schade geleden. Vattenfall stelt zich primair op het standpunt dat Boskalis volledig aansprakelijk is voor de door haar geleden schade. Indien de schade mede het gevolg zou blijken te zijn van een ontwerpfout in de damwand, dan is volgens Vattenfall sprake van pluraliteit van schuldenaren en zouden zowel Boskalis als Ballast Nedam hoofdelijk aansprakelijk zijn. Meest subsidair stelt Vattenfall zich op het standpunt dat, indien geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid, Boskalis in ieder geval voor 88% aansprakelijk is voor de door Vattenfall geleden schade.

3.3.

Boskalis voert verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van Vattenfall in haar vorderingen in renvooi, althans tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van Vattenfall in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Boskalis heeft hiertoe aangevoerd dat:

  • -

    Vattenfall onvoldoende heeft onderbouwd wat zij precies tegen BKN en/of BMB ten grondslag legt aan haar vordering;

  • -

    de vorderingen tegen Boskalis zijn verjaard;

  • -

    Vattenfall niet vorderingsgerechtigd is, nu onduidelijk is of zij niet al haar schade al uitgekeerd heeft gekregen van haar verzekeraars;

  • -

    BKN noch BMB onrechtmatig heeft gehandeld door het gebruik van de cutterzuiger, aangezien van meet af aan vaststond dat met de cutterzuiger zou worden gewerkt en dat dit ook geschikt materieel was voor het werk;

  • -

    er geen causaal verband bestaat tussen de baggerwerkzaamheden en het bezwijken van de viskering/damwand, aangezien de damwand ook zonder het baggeren geotechnisch zou zijn bezweken;

  • -

    de schade onvoldoende is onderbouwd;

  • -

    er geen verband bestaat tussen het baggeren en een vertraging in de bouw van de energiecentrale;

  • -

    de schade, voor zover die bestaat en Boskalis ervoor aansprakelijk is, op grond van een derdenbeding voor rekening van Vattenfall komt;

  • -

    er geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid van Boskalis en Ballast Nedam, omdat er geen samenloop van schadeoorzaken is;

  • -

    van proportionele aansprakelijkheid geen sprake kan zijn, gelet op de omstandigheden van het geval;

  • -

    Vattenfall haar schadebeperkingsplicht heeft geschonden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

de door Vattenfall aan Boskalis gemaakte verwijten

4.1.

Vattenfall verwijt Boskalis ten eerste dat er met een cutterzuiger is gebaggerd, in plaats van met een backhoe. Ten tweede verwijt Vattenfall Boskalis dat de schipper van de [naam vaartuig] onrechtmatig heeft gehandeld door de snijkop van de cutterzuiger te laat omhoog te halen. Vattenfall houdt BKN, die de [naam vaartuig] had gecharterd, als opdrachtgever aansprakelijk ingevolge artikel 6:171 BW en zij houdt BMB aansprakelijk als uitvoerder van de werkzaamheden ingevolge 6:170 BW en als geregistreerd eigenaresse van de [naam vaartuig] uit hoofde van schadevaring.

4.2.

Boskalis heeft gemotiveerd betwist dat ten onrechte gebruik is gemaakt van een cutterzuiger.

Nu Vattenfall heeft verklaard dat zij door het gebruik van de cutterzuiger in plaats van een backhoe niet meer of andere schade heeft geleden dan door het te diepe baggeren, kan de vraag of de inzet van de cutterzuiger onrechtmatig was, onbeantwoord blijven.

4.3.

Boskalis heeft erkend dat er te diep is gebaggerd, waarschijnlijk als gevolg van kortstondige onoplettendheid van de schipper.

Tegen het licht van de vaststaande feiten (zie 2.7) dat het baggeren nabij de damwand plaatsvond en daarbij in aanzienlijke mate de in het bestek aangegeven diepte werd overschreden, is de onrechtmatigheid van het handelen van de schipper in dit geval gegeven. Het verweer van Boskalis dat alle nodige maatregelen, waaronder de inzet van het Cutter Monitoring System, waren genomen om schade te voorkomen, doet niets toe of af aan de onzorgvuldige gedraging van de schipper.

4.4.

Ten aanzien van de fout van de schipper wordt aan BKN noch BMB een eigen fout verweten. Vattenfall spreekt hen immers aan in hun hoedanigheid van opdrachtgever respectievelijk reder en/of werkgever.

Boskalis betoogt dat Vattenfall onvoldoende heeft gesteld wat zij BKN en BMB precies verwijt. De rechtbank volgt Boskalis niet in dit betoog. Hoewel Vattenfall summiere stellingen heeft ingenomen, is duidelijk dat zij van mening is dat de schipper onrechtmatig heeft gehandeld door de snijkop te laat omhoog te halen. Daarbij heeft zij toegelicht dat zij BKN aanspreekt als opdrachtgever ingevolge artikel 6:171 BW, terwijl zij BMB als werkgever van de schipper op grond van artikel 6:170 BW, althans als eigenaresse van de [naam vaartuig] op grond van schadevaring aansprakelijk houdt. In het licht van de feiten begrijpt de rechtbank dat Vattenfall BKN als opdrachtgever van BMB aansprakelijk houdt voor de fouten van de schipper waarvoor BMB als werkgever van de schipper aansprakelijk is. Uit de uitlatingen zijdens Boskalis ter zitting leidt de rechtbank af dat Boskalis dit niet anders heeft begrepen.

Boskalis heeft niet betwist dat BKN als opdrachtgever, en BMB als eigenaresse van de [naam vaartuig] althans werkgever van de schipper (kwalitatief) aansprakelijk kan zijn voor schade veroorzaakt door fouten van de schipper.

causaal verband - inleiding

4.5.

De rechtbank bespreekt eerst de vraag naar het causaal verband, waarop het partijdebat zich vooral toespitst.

Het standpunt van Vattenfall komt erop neer dat het te diep baggeren door Boskalis het bezwijken van de damwand heeft veroorzaakt, en dat zij daardoor schade heeft geleden omdat zij onder meer de damwand heeft moeten vervangen en de bouw van de energiecentrale grote vertraging heeft opgelopen.

Het standpunt van Boskalis komt erop neer dat de damwand niet deugdelijk is ontworpen, onvoldoende was berekend op de daarop uit te oefenen krachten, is verzwakt doordat deze ten behoeve van Vattenfall tijdelijk als loswal is gebruikt, en zo instabiel was dat deze ook zou zijn bezweken indien was gebaggerd conform het baggerbestek. Boskalis betwist op deze gronden dat Vattenfall schade heeft geleden als gevolg van de fout van de schipper en betwist ook dat de bouw van de energiecentrale daardoor is vertraagd.

4.6.

Partijen onderbouwen hun standpunten met uitgebreide technische rapportages. Daaruit komt als algemeen beeld het volgende naar voren. Een damwand behoort te worden ontworpen en gerealiseerd op een wijze die bestand is tegen de ter plaatse te verwachten omstandigheden. Hierbij zijn grondmassa aan weerszijden van de wand, de eigenschappen van de bodem, de hoogte van het snijpunt waarop het talud de damwand kruist, en de (in dit geval fluctuerende) waterbelasting aan weerszijden van groot belang. De stevigheid van een vrijstaande damwand neemt toe naarmate hij dieper in de bodem steekt, en de stijfheid van de constructie neemt toe indien een damwand wordt ingeklemd tussen (dieper stekende) buispalen. Vergroting van de grond- en/of waterbelasting aan de actieve zijde (hier: de walzijde, vanwaar het talud afliep waarin de damwand stak) en verkleining van tegendruk aan de passieve zijde (hier: de havenzijde) maken de wand minder stabiel. Zo leidt ook baggeren nabij de passieve zijde van de damwand tot verminderde tegenkrachten/weerstand aan die zijde. Baggeren zal in een zachte bodem ook vloeiing veroorzaken. Indien de krachten aan de actieve zijde de maximale weerstand van wand en passieve zijde overtreffen, dan zal de kop van de damwand evenwijdig aan de lengterichting in de richting van het water roteren zoals hier is gebeurd. Voor ontwerp en bouw van damwanden bestaan verschillende veiligheidsklassen, waaronder CUR-klassen. Deskundigen kunnen via doorrekening van vele scenario’s met variërende elementen bepalen in hoeverre een damwand in verschillende scenario’s bestand is tegen de daarop uit te oefenen krachten.

4.7.

Uit de rapporten komt het onderscheid naar voren tussen de positie van de damwand zoals ontworpen (‘as designed’ of ‘de theoretische positie’), de positie zoals deze is gerealiseerd (‘as built’) en de op enig later moment vastgestelde positie. Verschillen tussen de ‘as designed’ en de ‘as built’ posities (ook wel ‘heiafwijking’ of ‘plaatsingsafwijking’ genoemd) zijn niet van belang voor de vraag of de feitelijke positie van de damwand is veranderd. Alleen verschillen in positie ten opzichte van de positie ‘as built’ of een later vastgestelde positie zijn daadwerkelijk een verplaatsing. Partijen zijn het erover eens dat een zijwaarts wijken van de damwand evenwijdig aan de lengteas tot 10 cm valt binnen de ontwerptolerantie.

4.8.

Bij de hierna te bespreken rapporten en visies geldt als uitgangspunt dat het aan Vattenfall als eiseres is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij schade heeft geleden en dat zij deze schade heeft geleden als gevolg van de aan BKN en BMB verweten fout van de schipper bij het baggeren.

de onderbouwing door Vattenfall voorafgaand aan het oordeel van de gerechtsdeskundigen

4.9.

Vattenfall heeft haar standpunt over de causaliteit voorafgaand aan het oordeel van de gerechtsdeskundigen onderbouwd met rapporten van Stichting Deltares (hierna: Deltares), Lengkeek Expertises (hierna: Lengkeek) en Fugro GeoServices B.V. (hierna: Fugro).

4.9.1.

Volgens het deskundigenrapport van Deltares van 8 december 2011, opgesteld in opdracht van Ballast Nedam, is het te diepe baggeren de oorzaak van het verzakken van de damwand (pagina’s 5 en 6):

“In case of the fish return wall, about 5-meter soil on the passive side of the sheet pile wall was removed. This disturbed the present balance causing the sheet pile to displace. About 50% of the soil on the passive side of the sheet pile wall was removed. The wall lost an important part of the support on the passive side. To compensate this loss of support the wall mobilised more passive resistance from the layers below NAP -9 m. Mobilisation of this resistance leads to large displacements of the wall. Therefore, it can be concluded that the measured displacement of 4,3m is caused by the removal of the soil on the passive side.”

4.9.2.

Het rapport van Lengkeek van 4 juni 2012 in opdracht van FM Global (hierna: het rapport van Lengkeek) bevestigt dit beeld. Het rapport van Lengkeek vermeldt onder meer (pagina 3):

“CAUSE

(…) Prior to the start of the dredging works a relaxation trench was excavated between the wall and the work platform in order to reduce the pressure on the wall. (…) the wall was not designed to function as a retaining wall. We understand that the wall was only designed to withstand the dynamic pressure of water/waves.

After installation in 2009 the position of the sheet-pile wall reportedly deviated some 10-15 cm outward from the designed position. Later, possibly after forming the sand work-platform, the deviation increased to 20 - 25 cm from the designed position. The design tolerance we understand was 10 cm maximum and accordingly the deviation from installation remained with the design tolerance and the wall was ready to be finished.

On August lst, 2011 the scour plateau was erroneously dredged by Boskalis to a depth of 10 m1 right from the sheet pile wall rather than forming a 1 : 4 slope from 4 to 8 m1 depth to the first level plateau. As a result the sheet pile wall partly collapsed and seriously deformed. We are advised that GSP and Boskalis received the correct profile and design drawings, but that Boskalis erroneously dredged too deep.

NATURE AND EXTENT OF DAMAGE

As a result of the overdredging of the dike-slope immediately in front of the wall, the wall probably deformed and gave way. Subsequently the sand body of the work-platform behind the wall built up pressure on the wall and caused it to collapse over the overdredged length.”

4.9.3.

Ook uit het rapport van Fugro van 5 februari 2014 in opdracht van Vattenfall, volgt dat de damwand is verzakt door te diep baggeren. Fugro schrijft onder meer (pagina 9 e.v.):

Bezwijkmechanisme

Uit de damwandanalyse volgt dat de damwand in sectie IV is bezweken op grondbreuk.

Met grondbreuk wordt bedoeld het overschrijden van de weerstand van de ondergrond.

Grondbreuk kan vooraf worden voorkomen enerzijds door de kerende hoogte te reduceren (aandrijvende kracht) en anderzijds door de damwanden op een dieper niveau te installeren, waardoor de passieve weerstand wordt vergroot. Het feit dat de planken recht uit de grond zijn gekomen, zonder significante blijvende vervormingen is mede een bewijs voor te weinig passieve grondweerstand, dus grondbreuk.

(…)

Begrenzing bezweken deel

In Figuur 8 is te zien hoeveel de damwand op respectievelijk het niveau van NAP +3,65 m en NAP +0,25 m is verplaatst ten opzichte van de oorspronkelijke lijn. Wat hieraan opvalt is dat de verplaatsing zich beperkt tot net voorbij de stalen buispaal (linker deel van sectie IV) en rechts ter plaatse van overgang sectie IV naar sectie III. De stalen buispaal staat op een inbeddingsniveau van NAP -25,0 m en de damwanden van sectie III staan op NAP -18,0 m, zie Tabel 2. Dit is een aanzienlijk dieper niveau dan de damwand ter plaatse van het bezweken deel, welke op NAP -14,0 m staat. Het op een dieper niveau staan van de stalen buispaal en damwand (sectie III) in relatie met de kennis dat het rechter deel van sectie IV is bezweken op grondbreuk (overschrijden draagkracht) is de verklaring voor de begrenzing. Een grotere inbeddingsdiepte leidt namelijk tot een grotere passieve weestand en een stijvere inklemming. Overigens blijkt uit de uitgevoerde analyses (combinatie 2) dat de inbeddingsdiepte van NAP-14,0 m voldoende zou zijn in combinatie met het juiste (theoretische) bodemprofiel van de haven.

Tijdstip van bezwijken

Het tijdstip (in de nacht van 1 op 2 augustus 2011), waarop de damwand is bezweken is te verklaren door de baggerwerkzaamheden die direct voorafgaand aan het bezwijken in de haven waren uitgevoerd. Waarschijnlijk is de damwand in de betreffende nacht bezweken tijdens laag water.

Invloed eerder fases

Door de opdrachtgever is aangegeven dat uit project-bezoeken is gebleken dat het in fase B aan te brengen platform dichter bij de damwand was aangebracht, dan theoretisch was gepland. Op foto SAM 3048 d.d. 23 mei 2011 is dit te zien. Door de opdrachtgever is eveneens aangegeven dat het aannemelijk is dat de op foto weergegeven ontlastsleuf altijd aanwezig is geweest.

Uit de gevoeligheidsanalyse is gebleken dat het aanbrengen van het grotere platform in fase B heeft geleid tot extra vervormingen dan vooraf theoretisch was berekend. De in deze fase aangebrachte aanvulling heeft er echter niet toe geleid dat in een latere fase de damwandconstructie op grondbreuk is bezweken en heeft dit ook niet versneld. Voor bezwijken is de actuele belastingsituatie namelijk van belang. Omdat een belangrijk deel van het platform inmiddels was ontgraven was de belasting tegen de damwand inmiddels voldoende gereduceerd.

Invloed ontgraving haven (combinatie 1)

Op de door de opdrachtgever verstrekte inmeting (tekeningen en dwarsprofielen, zie bijlage 2) is te zien dat de bodem aan de havenzijde nabij de bezweken damwand meer dan 4,0 m te diep is ontgraven (circa NAP -9,50 m i.p.v. NAP -5,20 m), zie bijlage 2. Uit de berekeningsresultaten (combinatie 1) volgt dat ongeacht het niveau van de zandaanvulling (actieve zijde) het baggeren moet hebben geleid tot het bezwijken van de grond aan de passieve zijde van de damwand. Dat de damwand toch is blijven staan (maar wel scheef) is te danken aan het feit dat de inbeddingsdiepte van de naastliggende delen aanzienlijk groter was. Door de extreme verplaatsing van de damwand reduceerde bovendien de aandrijvende kracht.

Invloed zandaanvulling (combinatie 2)

Uit de berekeningsresultaten van combinatie 2 is te concluderen dat op basis van de foto gemaakt op 27 juli 2011 en rekening houdend met een (lichte) afwijking van het ontwerpprofiel de zandaanvulling geen invloed heeft gehad op het bezwijken van de damwandconstructie. De doorgerekende combinatie 2 met een licht verhoogd maaiveld aan de landzijde en het theoretisch profiel aan de waterzijde blijft wel staan.

Invloed hoogteverschil in waterpeil (combinatie 3)

Uit de berekeningsresultaten volgt dat een verhoogde waterstand (combinatie 3) kan leiden tot bezwijken door overschrijding van het maximaal toelaatbaar (elastische)moment van de damwand, hetgeen zichtbaar zou zijn door blijvende (plastische) vervormingen van de damwand. Echter op basis van de door Lengkeek Expertises verstrekte foto’s en het inspectierapport van 3 december 2013 (zie bijlage 8) zijn er geen blijvende (plastische) vervormingen van de damwandplanken geconstateerd. Op basis van deze informatie is te concluderen dat een verschil in waterpeil bij een theoretisch bodemprofiel geen verklaring kan zijn voor de opgetreden extreme verplaatsing van de damwand.

6. Conclusie

Het ontoelaatbaar vervormen van sectie IV van de damwand is op basis van de verstrekte gegevens en de uitgevoerde analyses volledig toe te schrijven aan het te diep wegbaggeren van de steunberm.”

het verweer van Boskalis voorafgaand aan het oordeel van de gerechtsdeskundigen

4.10.

Boskalis heeft ter onderbouwing van haar betwisting van het causaal verband de door Vattenfall ingeroepen rapporten bestreden en een beroep gedaan op een expertiserapport van B.V. Ingenieursbureau M.U.C. (hierna: M.U.C.)

4.10.1.

Volgens Boskalis wordt in de rapporten van Deltares, Fugro en Lengkeek, waarop Vattenfall zich baseert, onder meer uitgegaan van een onjuiste geotechnische schematisering, een onjuist geometrisch profiel waaronder baggerdiepte inclusief baggertoleranties bij de viskering alsook een onjuiste grond- en waterbelasting. Zo volgt uit het bestek bijvoorbeeld een ontwerpdiepte bij de viskering van -5,89 m NAP, zodat de maximale baggerdiepte op 6,04 m NAP komt. Dat is significant meer dan waar de rapporteurs van Vattenfall zich op baseren. Daarnaast is voor een als onverankerde vrijstaande damwand bedachte viskering de grond- en waterbelasting van cruciaal belang voor de optredende kopverplaatsing zoals gemeten op 13 juli 2011. Als deze belastingen worden weggelaten of niet volledig worden meegenomen, zijn de rekenresultaten niet meer van waarde.

4.10.2.

Boskalis verwijst voorts naar een expertiserapport van M.U.C. van 29 juni 2015, opgesteld door onder meer ir. [persoon A] , waarin het ontwerp van de damwand van Ballast Nedam Engineering wordt geanalyseerd en de rapporten van Deltares, Lengkeek en Fugro van commentaar worden voorzien. Het M.U.C.-rapport vermeldt over het ontwerp van de damwand van Ballast Nedam en over de oorzaak van de kopverplaatsing onder meer (pagina 19 e.v. respectievelijk pagina’s 41-42):

3.2.1 Algemeen

Door Orr & Farrell (1999) is helder uiteengezet dat een geotechnisch ontwerp dient te bestaan uit vier hoofdcomponenten die enerzijds met elkaar in balans moeten zijn en anderzijds door middel van iteraties de essentiële en maatgevende situaties gedurende de bouw- en eindfase moeten representeren.

De vier hoofdcomponenten zijn:

• Geologische en geotechnische grondkarakterisering;

• Berekening van de maatgevende grenstoestanden voor het gehanteerde ontwerpmodel

• Geometrische en belastingtechnische randvoorwaarden en uitgangspunten

• Veiligheidsfilosofie en de gehanteerde norm

Als een strenge veiligheidsfilosofie wordt gehanteerd, dan dienen alle andere componenten behorende bij het geotechnische ontwerp naar eenzelfde niveau te worden gebracht. Als voorbeeld kan worden gesteld dat een hoge veiligheidseis in combinatie met beperkte geotechnische gegevens, beperkte interpretatie en een simpel rekenmodel resulteert in een inadequaat ontwerp.

(…)

3.2.2

Ontwerp Ballast Nedam Engineering (Van Apeldoorn, 2010)

In het ontwerp van Ballast Nedam Engineering (Van Apeldoorn, 2010) wordt de ontwerpfilosofie conform CUR 166 (2005) gehanteerd. (...).

Voor bouwfasen wordt voor de viskerende wand een veiligheidsklasse II (βconstr. ≈ 3,4) en voor de eindfase een veiligheidsklasse III (βconstr. ≈ 4,2) gehanteerd. (…)

De onderbouwing voor deze veiligheidsfilosofie is niet aangetroffen in het beschikbaar gemaakte dossier, noch is de onderbouwing van de processtappen gedurende ontwerp-, uitvoerings- en onderhoudsfase aangeleverd.

De aangeleverde documentatie is gangbaar voor een constructie met veiligheidsklasse II (GC-2), zodat geconcludeerd moet worden dat de viskering in het ontwerp, de bouwfase en de gebruiksfase op papier al niet voldoet.

3.3

Geologische en geotechnische grondkarakterisering

(…)

Concluderend kan worden gesteld dat het Ballast Nedam Engineering ontwerp (Van Apeldoorn, 2010) is gebaseerd op een te positieve grondkarakterisering, terwijl op basis van de beschikbare sonderingen en historische gegevens minimaal had moeten worden besloten tot het uitvoeren van aanvullende sonderingen waarbij niet voorgeboord wordt. Navraag bij GSP en/ of Fugro of overige gebiedsinformatie voorhanden was had overigens reeds de benodigde minimale gegevens opgeleverd.

(…)

In de meest rechter grafiek in Figuur 18 is het resultaat van de karakteristieke waarde (2 sigma waarde) van de effectieve hoek van inwendige wrijving van 19 graden op de zogenaamde evenwichtshelling van een talud weergegeven. Er is een talud van 1:6,5 nodig indien het talud gebaggerd wordt met een cutterzuiger om met een 5% betrouwbaarheidsinterval dit talud onder eigen gewicht te laten staan zonder additionele veiligheidsfactor. Dit is een factor 1,63 flauwer dan het 1:4 talud wat Ballast Nedam Engineering (Van Apeldoorn, 2010) aanhoudt in haar berekeningen, waardoor de faalkans van de minimale 5% bezwijkkans tot circa gemiddelde waarden wordt gereduceerd met 50% overschrijdingskans.

(…)

Toepassen van een 1:4 talud in combinatie met de bijna zekerheid van het voorkomen van een verstorende bron gedurende de levensduur, zoals baggeren; een plotselinge waterstandsverlaging; aardbeving etc., zorgt voor circa 50% kans op een instabiliteit of significante verplaatsing (veiligheidsfactor bij karakteristieke waarden is dan circa 1.0). Voor geen enkele veiligheidsklasse is een overschrijdingskans van circa 50% acceptabel.

3.3.2

Ontwerp Ballast Nedam Engineering (Van Apeldoorn, 2010)

In Tabel 3 zijn de karakteristieke waarden van de geologische laagopbouw en de geotechnische parameters weergegeven. Vooral de geologische laagscheiding en de keuze van de parameters van de losgepakte zandlaag laten hier te wensen over.

De sondeergegevens van een locatie op de dijk (no. 314) zijn gebruikt voor het ontwerp van de viskering, waarbij geen rekening is gehouden met de wezenlijk andere in-situ spanningen en variabiliteit van geologie (laagopbouw en pakkingsdichtheid) en dito parameters.

(...)

Er lijkt geen rekening te zijn gehouden met de door GSP verstrekte gegevens met duidelijke duiding van gevoeligheid voor zettingsvloeiing en grote variabiliteit van geologie en geotechnische parameters.

(...)

6. Samenvattende conclusies

(...)

Op basis van de feitelijke brongegevens zoals gepresenteerd in hoofdstuk 2, de verificatie van het ontwerp van Ballast Nedam Engineering in hoofdstuk 3 en de nadere analyse van het ontwerp van de viskering en rekenresultaten daarvan in hoofdstuk 4 komen wij tot de navolgende meest plausibele oorzaak voor de grote kopverplaatsing van de viskering.

(…)

Zoals op de luchtfoto in Figuur 4 in Bijlage 2-5 valt waar te nemen was reeds eind 2010 de door BNE (2010) ontworpen eindsituatie bereikt, doch zijn hierna diverse bouwfaseringen toegevoegd die waarschijnlijk nooit zijn doorgerekend. De gevoeligheid in afwijkingen van grondkarakterisering wordt veel groter indien grond¬ en waterbelasting aanwezig zijn, hetgeen duidelijk valt waar te nemen in de gemobiliseerde passieve weerstand (zie Figuur 27). De relatieve gevoeligheid voor dieper baggeren bij realistische inschatting van grondparameters is verder marginaal.

Verder zijn onjuiste uitgangspunten gehanteerd (te hoog niveau snijpunt talud met damwandprofiel) is geen rekening gehouden met zettingsvloeiingsgevoeligheid en is in het ontwerp geen rekening gehouden met aanbrengen taludbekleding en daarbij horende toleranties. Verder is er onvoldoende veiligheidsmarge behorende bij klasse III constructies en zijn er geen aanwijzingen voor een juiste kwaliteitsborging.

De door Ballast Nedam Engineering gehanteerde bouwfasering met hogere grond- en waterdrukken aan walzijde tot gevolg zorgde voor een grotere verschilbelasting op de viskering dan waar in het ontwerp (Van Apeldoorn, 2010) rekening is gehouden.

Deze waarneembare kopverplaatsing van de viskering zou ook zijn opgetreden indien exact conform contract zou zijn gebaggerd.

Door de positieve schematisering van belastingen, geologie- en grondkarakterisering is verder de gevoeligheid van het ontwerp onderbelicht gebleven waardoor de veiligheidsmarge te klein was. Illustratief hiervoor is het uitsluiten van de vervloeiingsgevoeligheid.

het oordeel van de gerechtsdeskundigen

4.11.

Op 29 juli 2015 is in de bodemprocedure een tussenvonnis gewezen waarin de rechtbank heeft overwogen een deskundigenonderzoek noodzakelijk te achten ter beantwoording van de vraag in hoeverre er een c.s.q.n.-verband bestaat tussen de fout bij de baggerwerkzaamheden en het bezwijken van de damwand. Als gerechtsdeskundigen zijn benoemd dr. ir. [persoon B] , prof. ir. drs. [persoon C] en prof. ir. [persoon D] .

4.12.

Nadat partijen op een conceptrapport van 20 juni 2016 hadden gereageerd, hebben de gerechtsdeskundigen hun definitieve rapport van 30 augustus 2016 afgegeven (hierna: WAD43-rapport). Zij rapporteren voor zover relevant als volgt:

Vraag 1.

In hoeverre bestaat er een verband tussen het dieper baggeren door BKN dan in het bestek was opgenomen en de verzakking van de damwand.

Antwoord.

Door een opstapeling van een eenvoudige schematisering, te gunstige aannamen voor grondniveaus en beperkingen ten aanzien van aangenomen belastingen was de damwand minder stabiel dan in de gegeven situatie had mogen worden verwacht (zie ook de beantwoording bij vraag 3).

Daarnaast heeft de cutterzuiger, normaal draaiend rond zijn spudpaal, een te diepe cirkelvormige snede gemaakt juist voor de damwand. Door de minimale stabiliteit EN de te diepe snede is de damwand sterk voorovergaan hellen.

Vraag 2.

Zou de damwand ook verzakt zijn wanneer BKN wel conform de in het bestek beschreven diepte had gebaggerd? Zo ja, kunt u aangeven waarom en op welke termijn dat gebeurd zou zijn.

Antwoord.

Indien de cutterzuiger volgens bestek zou hebben ontgraven is niet met stelligheid te zeggen of de damwand ook zou hebben gefaald. Hoogst waarschijnlijk zou de damwand ook dan grote verplaatsingen hebben getoond; verplaatsingen aanmerkelijk groter dan op basis van de eenvoudige ontwerp berekeningen mocht worden verwacht. Hoogstwaarschijnlijk binnen dagen of weken nadat het baggerwerk was uitgevoerd.

Vraag 3.

Indien de verzakking volgens u niet voor 100% te wijten is [aan] het te diep baggeren door BKN, kunt u [dan] aangeven welke factoren tot de verzakking hebben bijgedragen, en in welke mate? Wilt u daarbij in ieder geval de volgende factoren betrekken:

a. De mate waarin het ontwerp en de uitvoering van de damwand voldeed aan de daaraan te

stellen eisen

b. De aanwezigheid van het grondlichaam aan de walzijde

c. Een mogelijk waterstandsverschil aan beide zijden van de damwand;

d. Het karakteristieken van de grond waarin de damwand was geplaatst.

Antwoord.

De constructie die op 1 augustus 2011 is gefaald betreft een vrijstaande damwand, die zijn stabiliteit alleen kan ontlenen aan inklemming in de bodem; er is geen tweede draagweg. In zo'n geval dient ten aanzien van de stabiliteit extra aandacht te worden besteed aan 1) een zorgvuldige keuze van het rekenmodel en de schematisering en 2) de bepaling van de weerstand van de ondergrond rond de inklemming en 3) de belasting(en) zoals de waterstand en de hoogte van het grondmassief aan walzijde.

Ad a.) Voor wat betreft de mate waarin het ontwerp en de uitvoering van de damwand voldeed aan de daaraan te stellen eisen;

1. Rekenmethode

Er is sprake van een damwand in een talud; waarbij de damwand voor het vinden van evenwicht aan de waterzijde slechts weerstand kan ontlenen aan de ondergrond, die vanwege het onderwatertalud snel afloopt in de diepte. In vergelijking met een horizontale bodem geeft dit een belangrijke vermindering van de grondweerstand. Dit gegeven zou in belangrijke mate van invloed moeten zijn op de keuze van een rekenmodel en de schematisering

De voor het ontwerp hier toegepaste eenvoudige rekenmethode, van een liggermodel met verende bedding, is op zich een gebruikelijke en geaccepteerde methode. Alleen in de voorliggende situatie met het onderwatertalud geeft deze methode gemakkelijk te gunstige uitkomsten en dient deze met zorgvuldigheid te worden toegepast en of dient bij de schematisering en parameterbepaling met dit aspect rekening te worden gehouden. Voor situaties als deze zijn meer geavanceerde modellen zoals op basis van de Eindige Elementen methode, e.g. Plaxis accurater.

2. Ten aanzien van de geometrie aan de waterzijde

Bij de ontwerp berekeningen in eerste aanleg zijn de verdiepingen die nodig zijn voor het aanbrengen van een steenbestorting niet meegenomen. Deze verdiepingen zijn bij de herhaalde berekeningen in tweede termijn zoals gerapporteerd op 5 oktober 2011 wel meegenomen.

Ad b.) De aanwezigheid van het grondlichaam aan de wa!zijde.

Ten aanzien van de geometrieën. (hoogte en precieze ligging van de grond aan de landzijde van de damwand); bij de oorspronkelijke ontwerpberekeningen zijn waarden gebruikt waarvan bij de uitvoering, de bouw en het gebruik van de damwand in ongunstige zin is afgeweken. Er zijn ongunstiger werkplateaus aan walzijde aangebracht. Dat is de oorzaak van de in het rapport van Lengkeek productie 4 gerapporteerde toename van de afwijkingen t.o.v. de theoretische positie van de top van de damwand en waarschijnlijk ook de aanleiding geweest voor het herhalen van de ontwerpberekening door BN.

Ad c.) Ten aanzien van mogelijke waterstand verschillen over de damwand.

Bij de oorspronkelijke ontwerp berekeningen en later ook bij de herontwerp berekeningen van BN zoals gerapporteerd op 5 oktober 2011 is geen rekening gehouden met waterstand verschillen over de damwand. Verschillen die veroorzaakt zouden kunnen worden door de aanleg van de dwarsdam achter de damwand die de werkplateaus met de damwand verbind. Deze dwarsdam was daar aangelegd om uitschuring door in en uitstromend water als gevolg van getijde wisselingen te voorkomen. NUON/BN is van mening dat er geen waterstandsverschil was; en voert daarbij argumentatie aan op basis van luchtfoto's; er waren geen peilwaarnemingen gedaan. Wij vinden de argumenten van BN op dit punt niet overtuigend.

De dwarsdam heeft als doel om uitschuring door stroming tijdens getijdewisselingen te voorkomen. Stroming wordt veroorzaakt door een verhang, een verval. Een dwarsdam zal bijdragen tot een verdere vertraging van de aanpassing in de tijd en leiden tot een faseverschuiving en daarmee tot een verval. De exacte grootte van het verval is moeilijk voorspelbaar maar dat de waterstanden gelijk waren achten wij onwaarschijnlijk en daarmee is de aanname van BN te gunstig.

Op 13 juli 2011 zijn metingen uitgevoerd naar de positie van de top van de damwand die een aanzienlijke afwijking tonen t.o.v. de theoretische positie. Dit wijst er waarschijnlijk op dat de damwand reeds tijdens de uitvoering en in de periode erna een aanzienlijke verplaatsing heeft ondergaan.

De verplaatsingen, die tijdens de bouw werden waargenomen zijn niet teruggekoppeld naar het herontwerp. Deze herhaalde ontwerpberekening gaat nog steeds uit van beperkte verplaatsingen. De verplaatsingen die tijdens de bouw waren overschreden; nog voor het baggerwerk werd uitgevoerd, tonen dat de veiligheid beperkt is. Het was vrij zeker dat de verplaatsingen door het baggerwerk nog aanmerkelijk zouden toenemen, ook als regulier gebaggerd zou zijn.

Ad d.) Karakteristieken van de grond waarin de damwand is geplaatst

In het rapport van M.U.C. wordt aangevoerd dat bij het oorspronkelijk ontwerp ten onrechte geen rekening was gehouden met de zettingsvloeiingsgevoeligheid van de grond. Naar ons oordeel is de door NUON/BN toegepaste werkwijze voor grondkarakterisering en parameter bepaling de gebruikelijke voor het berekenen van grondkerende constructie. Op grond van onze inschatting van de grond op basis van de sonderingen zien wij geen directe aanleiding om deze grond anders te karakteriseren en anders parameters te bepalen dan nu door NUON/BN is gedaan.

De verdieping van bodemligging voor de damwand is veroorzaakt door het te diep baggeren. Het restprofiel van de grond tegen de damwand na het falen toont een vrij steile helling. Bij een zettingsvloeiing zou echter het zand-watermengsel als een dikke vloeistof wegstromen en onder een flauwe helling (1:15) blijven staan. De steile helling van de grond na het falen is dus in tegenspraak met de door BKN veronderstelde zettingsvloeiing.

In het bijzonder op basis van de punten zoals benoemd onder: a, b en c, zijn wij van mening dat daarmee de gekozen schematisering in combinatie met de behandeling van randvoorwaarden en uitgangspunten op het gebied van geometrie en belastingen tekort schiet en heeft geleid tot een ontwerp dat minder stabiel was dan op basis van de beoogde veiligheidsklasse mocht worden verwacht. Daardoor was de damwand niet met zekerheid bestand tegen afwijkingen in het verval en het grondniveau aan walzijde

Vraag 4.

Zou u de antwoorden op de bovenstaande vragen uitgebreid willen motiveren? Daarbij is in het bijzonder van belang dat u aangeeft waarom op bepaalde conclusies uit de rapporten van Deltares, Lengkeek Expertises, Fugro Geoservices en/of M.U.C. niet deelt.

Antwoord.

4.1

Ten aanzien van de conclusies in het rapport van Deltares;

Het onderzoek van Deltares heeft een beperkte diepgang; Deltares heeft alleen een bureau studie gedaan en niet zelfde damwand nagerekend.

  • -

    Deltares beschouwt de bouwfasering zonder dieper in te gaan op de gehanteerde belasting of de wijze waarop het maaiveld is geschematiseerd en of de uitwendige belastingen en mogelijke waterstandsverschillen

  • -

    De conclusie van Deltares is alleen gericht op de schematisering van het grondprofiel en de daarbij gehanteerde grondparameters en legt de oorzaak primair bij het te diep baggeren zonder in te gaan op de vraag of de wand wel voldeed aan de vereiste betrouwbaarheid in het licht van de afwijkingen in verval en grondniveau aan walzijde

4.2

Ten aanzien van het rapport van Lengkeek productie 4

Het rapport van Lengkeek merkt op dat:

(...)

6) Dat de verstoring van de ondergrond leidt tot het moeten verzwaren en verlengen van de damwand.

(...)

Ten aanzien van conclusie 1 t/m 5 en 7 zien wij geen tegenspraak met de feiten en onze inzichten.

Ten aanzien van conclusie 6, zie ook de beantwoording bij vraag 5

4.3

Ten aanzien van de conclusies in de rapportage van Fugro;

Fugro vindt dat een verhoogde waterstand achter de damwand kan leiden tot bezwijken van de damwand door overschrijden van het plastische moment. Voor die situatie berekent Fugro ook grote verplaatsingen van de kop van de damwand. Fugro berekent voor een waterstandsverschil van 1.90 m een maximaal moment van 695 kNm terwijl het plastische moment van de wand A2-26 S240 beperkt zou zijn tot ca 614 kNm en concludeert daaruit dat dit waterstand verschil over de damwand niet kan zijn opgetreden omdat dit zou moeten hebben leiden tot blijvende vervorming van de damwand. In het rapport van Lengkeek, wordt gerapporteerd dat de damwanden “recht” uit de grond zijn gekomen. De berekende sterkte, het Plastisch moment, in dit geval 614 kNm is daarbij echter een door de leverancier gegarandeerd minimum. In de praktijk worden planken met een aanmerkelijk hogere staalkwaliteit en dus sterkte geleverd, dan werd besteld. In dit geval is het verschil tussen het minimale gegarandeerde plastische moment en het berekende optredende moment niet groot en mag daaruit niet de conclusie worden getrokken dat geen verschil in waterpeil is opgetreden1.

Daar komt bij dat Fugro een bodemligglng aan de waterzijde van NAP - 5.20 m verondersteld, terwijl niet zeker is dat dit, gezien de discussie over de juiste positie van de damwand in het talud, baggertoleranties en aan te houden roerdiepte een voldoende diep niveau is voor het beoordelen van de stabiliteit. Het kan goed dat de damwand al voor het bereiken van het veronderstelde waterstandsverschil op grondbreuk was bezweken. Het bezwijken en meegeven van de damwand leidt vervolgens direct tot een verlaging van de waterstand achter de wand, als gevolg van lekkage van de hulpdam door de grote vervormingen. Fugro geeft daarmee een verklaring waarom het plastische moment in de damwand niet is overschreden.

Wij onderschrijven de mening van Fugro dat het bezwijken van de damwand alleen is toe te schrijven aan het te diep wegbaggeren, niet.

4.4

Ten aanzien van de conclusies in de rapportage van M.U.C.

M.U.C. beargumenteert dat voor wat betreft het bodemniveau aan de waterzijde in de ontwerpsituatie door BN een ontwerpfout is gemaakt; Op basis van het digitaal terrein model van Groningen Seaport, (GSP) heeft BN een diepte afgeleid voorde damwand, mede rekening houdende met de dikte van de steenbestorting van NAP - 6.04 m. Waar BN in haar model uitgaat van een maximale diepgang van NAP - 5.20 m.

Wij, deskundigen, hebben dit geverifieerd en komen tot de conclusie dat objectief is vast te stellen dat de diepte van NAP - 5.20, in ieder geval, onvoldoende rekening houdt met de taludhelling, de dikte van de nog aan te brengen steenbestorting en de (bouw)toleranties. Wij menen dat een aanmerkelijk dieper niveau had moeten worden aangehouden; Tijdens het overleg van 23 april 2016, waar wij partijen hebben bevraagd (zie bijlage E) is na enige discussie vastgesteld dat de positie van de damwand waarschijnlijk om en nabij coördinaat x = -12.5 zou staan op tekening line Nr. 670 van bijlage 2 bij het rapport van Fugro (productie 5); Nuon gaf toe dat een positionering op X=0 waarschijnlijk niet correct was en gaf aan dat het misschien toch x = -12.5 zou kunnen zijn.

Deze positionering zou uitgaande van een diepte van 9.20 op coördinaat x^ -25, en een taludhelling van 1; 4, een diepte voor de damwand van NAP -9.20 + (26-12,5)/4 = NAP = - 5,82S m impliceren. Wij hebben uiteindelijk niet zelf kunnen vaststellen wat de correcte positionering was en in welke mate de aan gehouden diepte tekortschiet omdat de overlegde tekeningen voor het baggerwerk, tekening BK610-SD-2B01-C, onvoldoende informatie geven voor een absolute positionering. De discussie van 22 april lijkt het argument van de zijde van M.U.C. te bevestigen ofschoon de aarzeling aan de kant van NUON/BN over de correcte positie een voorbehoud impliceert2. Wel is het aannemelijk dat de diepte die voor het ontwerp aangehouden had moeten worden, groter had moeten zijn dan NUON/BN in haar ontwerpberekeningen heeft aangehouden.

Ten aanzien van de zettingsvloeiing gevoeligheid; M.U.C. beargumenteert dat voor het voorliggende ontwerp gerekend had moeten worden met verder gereduceerde waarden voor de grondwrijving dan nu door BN en Fugro zijn aangehouden. Bekijken we echter het restprofiel zoals zichtbaar in de verschillende doorsneden na peiling dan zien wij niet de flauwe hellingen (1:15) die wijzen op een zettingsvloeiing, maar een steil resttalud.

Voor wat betreft de aan te houden bouwfasering met hogere grond- (tgv werkplatforms) en waterdrukken aan de walzijde zijn wij het in belangrijke mate met M.U.C. eens.

Wij zijn het met M.U.C. eens dat de veiligheidsmarge voor deze wand te klein was gezien de aan de wand toegeschreven betrouwbaarheidsklasse3.”

De deskundigen gaan uitgebreid in op het van partijen ontvangen commentaar op hun conceptrapport maar zien daarin geen aanleiding hun antwoorden op de gestelde vragen te wijzigen.

aanvullend standpunt Vattenfall na het gerechtsdeskundigenrapport

4.12.1.

Volgens Vattenfall zijn de conclusies van de gerechtsdeskundigen in hun conceptrapport, inhoudende dat de damwand zou zijn verzakt als gevolg van zowel instabiliteit van de damwand als het te diepe baggeren, door Deltares in een memo van 15 augustus 2016 (het eerste Deltares-memo) weerlegd en blijkt uit dit memo dat de gerechtsdeskundigen zijn uitgegaan van onjuiste gegevens en aannames. Onduidelijk is volgens Vattenfall waarom in het definitieve rapport van 30 augustus 2016 niets met de conclusies van Deltares is gedaan en de deskundigen hun visie hebben gehandhaafd.

4.12.2.

Deltares heeft in een tweede memo, gedateerd 8 april 2018, op het definitieve WAD43-rapport gereageerd, en daarin ook de vermeende instabiliteit van de damwand en de invloed van waterstanden, werkplateaus en rekenmodellen geanalyseerd. In het tweede memo schrijft Deltares onder meer:

“Deskundigen baseren vervolgens een groot deel van hun conclusies in het rapport op de aanname dat de damwand vóór het baggeren aanzienlijk was verplaatst en weinig stabiel was. Zij hebben niet uitgezocht of er metingen zijn die de uitspraken van Lengkeek en NUON bevestigen, terwijl NUON duidelijk aangaf dat zij geen metingen kende. Er is dus gerede twijfel over het bestaan van deze metingen.

(…)

Uit de tabel en bijlage blijkt dat er in alle secties afwijkingen van 1 tot enkele decimeters zijn. Deze afwijkingen kunnen een gevolg zijn van heiafwijkingen en/of verplaatsingen van de wand. De deskundigen zeggen eerst dat het waarschijnlijk een verplaatsing is (pagina 3 deskundigenrapport), maar later vertalen ze dit naar een zekerheid (bijvoorbeeld pagina 4). (…) Uiteindelijk hebben de deskundigen wel aangenomen dat er vóór het baggeren damwandverplaatsingen van 0,25 m waren (pagina 11 deskundigenrapport).

Het deskundigenrapport geeft volgens Deltares aan dat deskundigen niet zeker zijn of de damwand verplaatst is. Omdat dit aanzienlijke gevolgen voor de conclusies van het deskundigenrapport moet worden onderbouwd dat de damwand zoveel is verplaatst.

Uit de tabel 2 en bijlage 1 blijkt dat de damwanden in sectie III en II net zoveel of zelfs grotere afwijkingen vertonen dan de damwand in sectie IV. Dit toont aan dat de afwijkingen niet veroorzaakt zijn door een verplaatsing van de wand. De wanden in sectie III en II zijn langer en dus stabieler. Als de afwijking een gevolg zijn van een verplaatsing van de wand dan zouden de afwijkingen in sectie III en II veel kleiner moeten zijn dan in sectie IV. Hiermee is aangetoond dat de afwijkingen een gevolg zijn van heiafwijking.

(…)

Het te diep baggeren is dus de oorzaak van het bezwijken. De invloeden van geometrie en waterdrukverschil zijn beperkt. Pas bij een extreem, niet realistisch waterdrukverschil, komt de veiligheid van de wand in gevaar (uitgaande van goed baggeren).”

4.12.3.

Volgens Vattenfall is inmiddels gebleken dat het vermoeden ten aanzien van de onjuiste aannames over de verplaatsing van de damwand, juist was. Zij stelt dat uit een ‘nulmeting’ uit 2009 van Ballast Nedam, overgelegd als productie 17 door Vattenfall, (hierna: de nulmeting) blijkt dat er in 2009 een verplaatsing van de damwand was van zo’n 10 cm, aanzienlijk minder dan de 25 cm waarop de gerechtsdeskundigen het WAD43-rapport hebben gebaseerd. Aangezien de gerechtsdeskundigen tijdens een mondelinge behandeling van de bodemzaak hebben toegelicht dat zij niet met zekerheid konden zeggen dat de damwand ook zonder het baggeren zou zijn verzakt, is het verweer van Boskalis op dit punt weerlegd, aldus Vattenfall.

4.12.4.

In een derde memo - gedateerd 29 april 2020 - gaat Deltares onder meer in op de verdeling van het aandeel in de schade tussen de vermeende fout in de constructie van de damwand en het baggeren. Deltares concludeert dat de schade voor (tenminste) 88% toe te schrijven is aan de baggerwerkzaamheden.

4.12.5.

Voorts heeft Vattenfall Deltares een rapport - gedateerd 7 mei 2020 - laten opstellen op basis van het door de gerechtsdeskundigen aanbevolen (complexere) Eindige Elementen Model aan de hand van Plaxis-software (hierna ook: het Plaxis-model) om discussies over het gehanteerde model te beëindigen. Deltares had eerder het verenmodel gebruikt. De resultaten van de berekeningen op basis van het Plaxis-model wijken vrijwel niet af van de conclusies die Deltares eerder op basis van het verenmodel had getrokken, aldus Vattenfall.

4.12.6.

Vattenfall heeft in reactie op de opmerkingen zijdens Boskalis op de aanvankelijke rapporten van Deltares, Fugro en Lengkeek een nieuw expertiserapport van Deltares van 21 januari 2021 overgelegd. Daarin wordt gewezen op een misverstand dat is ontstaan over de verplaatsing van de damwand voorafgaand aan de baggerwerkzaamheden. Veel aannames zijn gebaseerd op een tekening van Ballast Nedam met een meting van de positie van de damwand op 13 juli 2011, dus kort voor het baggeren. In het rapport van Lengkeek is nog opgenomen dat de damwand een plaatsingsafwijking had van zo’n 10 à 15 cm van de theoretische positie, en dat deze afwijking tot in totaal zo’n 20 à 25 cm is toegenomen door het tijdelijk gebruik van de damwand als loswal. Deltares schrijft (pagina 2):

“Ten aanzien van de tekening van Ballast Nedam van 13 juli 2011 [6] geldt het volgende. Op deze tekening staan 2 posities: een zwarte positie en een rode positie. Bij de zwarte positie is de tekst “As-built” vermeld. Deze tekst is echter niet juist. De zwarte positie is namelijk van 13 juli 2011, en dus van ruim 1,5 jaar na installatie van de damwand in 2009. De rode positie (de theoretische positie) is de positie waar de damwand geïnstalleerd had moeten worden volgens de tekeningen. Wat in de tekening van Ballast Nedam ontbreekt, is de daadwerkelijke “As-Built” positie; dat wil zeggen de positie waar de wand daadwerkelijk is geplaatst. Die positie week als gezegd 10 à 15 cm af van de theoretische positie.

De volgende twee afbeeldingen geven dit helder weer:

Met hei-afwijking wordt de afwijking van de positie van de wand bij plaatsing ten opzichte van de theoretische positie bedoeld. (…) Het gaat hierbij om een niet relevante, onschadelijke afwijking.

(…)

De afwijking ten opzichte van de theoretische positie ter plaatse waar de wand later is bezweken, bedroeg op 13 juli 2011 0,20 à 0,25 m. Lengkeek geeft in haar rapport [4] aan dat de damwand in 2009 na installatie al 0,10 à 0,15 m van de theoretische positie stond (…).

De hei-afwijking was dus 10 à 15 cm. Deltares concludeert hieruit dat de wand dus (0,20 à 0,25 m) – (0,1 à 0,15 m) = 0,05 à 0,15 m (gemiddeld circa 0,1 m) is verplaatst.

(…)

Boskalis is volledig voorbijgegaan aan de rapportage van Lengkeek. In het memo van MUC [10] worden de 13 juli 2011 gemeten afwijkingen volledig geïnterpreteerd als (latere) verplaatsingen van de wand en niet als een afwijking ten opzichte van de theoretische positie bij plaatsing (inclusief de heiafwijking). Met andere woorden, ging Boskalis ervan uit dat de hei-afwijking 0 zou zijn. Deltares heeft geconstateerd dat wel sprake is van een hei-afwijking. Overigens hebben ook de door de rechtbank genoemde deskundigen geconcludeerd dat er sprake was van een hei-afwijking ten opzichte van de theoretische positie (…).

Voor de renvooiprocedure heeft Deltares bij Lengkeek en Ballast Nedam aanvullende informatie opgevraagd. Hierbij zijn drie metingen aan de damwand uit 2009 verstrekt [5]. (…)

Uit de 1ste meting van 30 september 2009 blijkt inderdaad, zoals Lengkeek eerder al rapporteerde, dat de damwand na haar installatie in 2009 al een afwijking ten opzichte van de theoretische positie vertoonde. In de richting loodrecht op de wand, dus richting de Eemshaven, is dit voor het gedeelte waar de wand later bezweek, inderdaad circa 0,10 à 0,15 m. Bij de 2e en 3e meting uit 2009 was de damwand door werkzaamheden in de omgeving van de wand verplaatst.

(…)

Conclusie

(…)

Dit punt is van groot belang omdat uit de meting van 2009 blijkt dat de wand toen al een afwijking had en de (latere) verplaatsing maar circa 0,1 m is geweest. Dit is in lijn met de resultaten van onze EEM berekeningen en duidt op voldoende stabiliteit van de damwand. Boskalis beschrijft de damwand als “total loss” (voordat gebaggerd werd). Dat is een foute conclusie gebaseerd op een foute analyse en ontkenning van de gemeten feiten.

Onze analyse uit 2018 [9] is gebaseerd op de juiste analyse van de metingen. De door ons uitgevoerde EEM berekeningen blijken resultaten op te leveren die goed overeenkomen met de metingen. Uit deze berekeningen volgt dat bij het baggeren volgens het theoretisch baggerprofiel bij een groot waterdrukverschil de verplaatsing volgens de berekening met het programma PLAXIS op had kunnen lopen tot 0,42 m. De damwand was bij een verplaatsing van 42 cm niet bezweken.”

4.12.7.

Hieruit volgt volgens Vattenfall dat het onjuist is dat de damwand al in 2009 buiten de tolerantiemarges scheef stond en voorts dat de damwand tijdens regulier baggeren zou zijn blijven staan.

aanvullend standpunt Boskalis na het gerechtsdeskundigenrapport

4.13.

Boskalis onderschrijft de bevinding in het WAD43-rapport dat het te diepe baggeren niet, althans niet uitsluitend, de oorzaak was van het scheefvallen van de viskering. Boskalis wijst erop dat de gerechtsdeskundigen niet met stelligheid konden zeggen of de damwand ook bij regulier baggeren zou hebben gefaald, maar dat zij hoogst waarschijnlijk achtten dat de damwand in dat geval binnen dagen of weken na het baggerwerk grote verplaatsingen zou hebben vertoond, aanmerkelijk grotere verplaatsingen dan op basis van de eenvoudige ontwerpberekeningen mochten worden verwacht. Boskalis onderschrijft ook dat de damwand op 13 juli 2011 al, voorafgaand aan het baggeren, een kopverplaatsing liet zien tot zo’n 30 tot 40 cm, waardoor de limiet al voorafgaand aan het baggeren was overschreden.

4.13.1.

Ook Boskalis heeft berekeningen doen uitvoeren op basis van (geavanceerdere) Eindige Elementen Modellering. Hierover heeft Boskalis een technisch memo van ir. [persoon A] van 30 mei 2018 overgelegd. In dit memo schrijft ir. [persoon A] onder meer:

Bovenstaande grafiek is feitelijk een samenvatting op zich. Op de horizontale as staat de kopverplaatsing en op de verticale as staat de mobilisatiefactor.

De onverankerde damwand zou volgens het Ballast Nedam ontwerp (Van Apeldoorn, 2010) maximaal een horizontale verplaatsing van 125mm ondergaan (zoals weergegeven op de oranje verticale stippellijn) en valt volgens het ontwerp onder de hoogste veiligheidsklasse, waarmee het dient te voldoen aan de eisen voor gevolgklasse 3 (onderste horizontale stippellijn). De punten in de grafiek geven de verplaatsingen en gemobiliseerde sterkte aan gedurende de verschillende bouwfasen. De berekende kopverplaatsingen [na gebruik loswal] en [voor baggeren, 13 juli 2011] zijn enigszins verschillend ten gevolge van het gebruikte materiaalmodel, doch zijn in werkelijkheid praktisch gelijk. Zowel de gemiddelde metingen als de voorspelling met beste expert schatting van de parameters en gebruik van het eindig elementen model geven dezelfde orde van grootte aan (0,3m) en kunnen als betrouwbaar worden bestempeld.

Conclusie 1: Toen de onverankerde damwand als loswal werd gebruikt voldeed deze niet meer aan de vervormings- en stabiliteitseis. De afwijking van het ontwerp was bekend bij Ballast Nedam door de eigen metingen (BN, 2011), doch hier is GEEN gevolg aan gegeven.

Er is een directe relatie tussen grote vervormingen en gemobiliseerde sterkte, zoals blijkt uit Figuur 1, waarbij een grote vervorming resulteert in een grote gemobiliseerde sterkte en daarmee een lagere resterende veiligheid. Het overschrijden van de ontwerpkopverplaatsing van 125mm valt in Figuur 1 vrijwel samen met het overschrijden van de toelaatbare gemobiliseerde sterkte van 61% volgens gevolgklasse 3.

(…)

Conclusie 2: De aannemer van NUON, Ballast Nedam, heeft een ontwerp gemaakt (Van Apeldoorn, 2010) waarin de verschilbelastingen, uit grond- en waterdruk, werkend op de onverankerde damwand helemaal NIET zijn gemodelleerd. De verschildruk resulterend uit grond- en waterdruk als gevolg van de constructie van de loswal en zanddam, aansluitend op de 2e buispaal, is enerzijds niet meegenomen in de ontwerpfase en in de uitvoeringsfase (bij de positiemeting van de onverankerde damwand op 13 juli 2011). Anderzijds is zelfs GEEN verschilbelasting als gevolg van getijdegolfvoortplanting in de haven meegenomen conform eenvoudige analytische vergelijkingen (Goda, 2000). Het ontwerp van Ballast Nedam (Van Apeldoorn, 2010) is dus volstrekt onvoldoende.

(…)

Conclusie 5: (…) De extra informatie uit het eindige elementen model ten opzichte van het verenmodel is tweeërlei. Enerzijds volgt uit de rekenresultaten dat de situatie na regulier baggeren een labiele toestand was zonder enige reservecapaciteit en dat grote kopverplaatsingen zouden zijn opgetreden. Anderzijds volgt dat de situatie na te diep baggeren weliswaar rekenkundig in grotere kopverplaatsingen resulteert, maar dat deze evengoed bij regulier baggeren hadden kunnen worden voorspeld bij kleine belastingvariaties en/of variaties in modellering van bijvoorbeeld de sterk variabele Wadafzetting. De relatieve bijdrage van het lokaal te diep baggeren aan de opgetreden kopverplaatsing van de reeds labiele onverankerde damwand is praktisch verwaarloosbaar.

4.13.2.

Daarnaast heeft Boskalis een technisch memo van ir. [persoon A] overgelegd van 1 september 2020. Hierin worden de door Vattenfall aangehaalde positiegegevens van de relevante (genummerde) damwandplanken, zoals op verschillende momenten gemeten, in een grafiek (figuur 26) gevisualiseerd, de grafiek is hieronder ingevoegd.

Ir. [persoon A] schrijft over de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van de metingen van de kopverplaatsing van de damwand onder meer het volgende (pagina 36 e.v.):

  • -

    dat er geen inmeting van de damwand is geweest,

  • -

    dat de door Vattenfall als productie 17 aangereikte gegevens, gedateerd 23 oktober 2009, (de nulmeting, rb.) een afwijking tonen die door Ballast Nedam in verband zijn gebracht met de constructie van een stenen dam en zandaanvulling, maar dat luchtfoto’s aantonen dat die dam en zandaanvulling er op 28 april 2011 nog niet waren, en dat deze bestonden in juni/juli 2011 zodat de op de meetgegevens gestelde paraaf gedateerd 20 juli 2011 een juister datering wordt geacht,

  • -

    dat op een luchtfoto van 28 april 2011 (zie onder 2.4 hierboven, rb.) te zien is dat op dat moment de wand nog recht staat met een afwijking ten opzichte van de theoretische positie kleiner of gelijk aan 12,2 mm,

  • -

    dat op 13 juli 2011 de positie van de damwand is ingemeten,

  • -

    dat er na het incident van 1 augustus 2011 geen formele meting van de kopverplaatsing is gedaan omdat er geen inmeting was,

  • -

    dat uit NEN-EN 12063 (1999) volgt dat de toelaatbare plaatsingsafwijking tijdens installatie 100 mm bedraagt,

  • -

    dat wanneer deze 100 mm conservatief in mindering wordt gebracht op de op 13 juli 2011 gemeten kopverplaatsingen, dan nog kopverplaatsingen van 200-300 mm zijn geconstateerd,

  • -

    dat hij als hypothese A heeft onderzocht dat de meetgegevens gedateerd 23 oktober 2009 de inmetingen van de damwand kunnen zijn,

  • -

    dat hij in Figuur 26 met de blauwe lijn de installatiepositionering volgens Ballast Nedam weergeeft, en dat – nu installatie binnen enkele centimeters van de beoogde positie mogelijk moet zijn – het ondenkbaar is dat deze lijn het installatieresultaat van een ervaren heier zou opleveren,

  • -

    dat de door Ballast Nedam gerapporteerde afwijkingen zo groot zijn dat deze op foto’s eenvoudig waarneembaar moeten zijn, maar dat van zodanige afwijkingen op geen van de foto’s van destijds blijkt,

  • -

    dat de kwaliteitsgerichte bedrijfscultuur binnen MC ondenkbaar maakt dat deze metingen door haar zou zijn geaccepteerd,

  • -

    dat volgens Ballast Nedam de rode lijn de vervorming van de damwand zou tonen als gevolg van het tijdelijk gebruik als loswal, maar dat deze lijn dan in strijd met fysisch realistisch verwachtingen en ervaring suggereert dat een onbelast deel meer vervormt dan de zwakste sectie IV en een onverankerde damwand bij gebruik als loswal naar de kraan toe zou vervormen,

  • -

    dat op grond van het bovenstaande hypothese A met overtuiging moet worden verworpen,

  • -

    dat hij als hypothese B heeft onderzocht dat de metingen van 13 juli 2011 de hoogte en positie van de viskering weergeven,

  • -

    dat de groene lijn de vervorming van de damwand weergeeft ten opzichte van een perfecte installatie, waarop mogelijk conform NEN-EN 12063 (1999) maximaal 100 mm moet worden afgetrokken,

  • -

    dat zowel de richting van de verplaatsingen als de locaties waar deze toenemen volstrekt logisch zijn ,

  • -

    dat de hoge resolutie luchtfoto van 28 april 2011 toont dat de installatie-afwijking kleiner was dan 12,2 mm (de dikte van een damwandprofiel);

  • -

    dat op 13 juli 2011 de loswal waarschijnlijk nog aanwezig was,

  • -

    dat op 26 juli 2011 Ballast Nedam met een kraan de damwand ontlastte,

  • -

    dat Ballast Nedam in productie 17 van Vattenfall aangeeft dat het ontlasten van de damwand deze niet wezenlijk doet terugveren,

  • -

    dat er geen feiten of bevindingen zijn die hypothese B kunnen doen verwerpen, zodat meer dan aannemelijk is dat de metingen van Ballast Nedam van 13 juli 2011 minus 12,2 mm de vervormingen van de damwand weergeven.

Figuur 26 staat hieronder.

Figuur 26 Vectorverplaatsing per planknummer volgens verschillende metingen Ballast Nedam.

4.13.3.

Boskalis heeft voorts een memo van prof. dr. ir. [persoon E] van 2 september 2020 overgelegd, waarin de rapporten en memo’s van Vattenfall worden becommentarieerd.

Ook prof. [persoon E] is van mening (pagina 9 e.v.):

- dat het onmogelijk is dat productie 17 van Vattenfall metingen van voor de constructie van de loswal behelst,

- dat ook op basis van de mechanica onmogelijk is dat de damwand later dan bij constructie negatieve kopuitwijkingen vertoont,

- dat naar een juiste datering van productie 17 slechts kan worden gegist,

- dat ten tijde van het onderzoek van de gerechtsdeskundigen Ballast Nedam geen initiële meetresultaten kon vinden, en dat deze er kennelijk nog steeds niet zijn,

- dat gelet op de tolerantie van 10 cm de initiële kopafwijking niet groter dan 10 cm is geweest.

4.13.4.

Mede bezien in verband met de verdere door Boskalis ingeroepen stukken heeft Boskalis hieruit geconcludeerd dat het te diepe baggeren niet tot meer of andere schade heeft geleid dan wanneer overeenkomstig het bestek zou zijn gebaggerd. Na het gebruik van de damwand als tijdelijke loswal in juni en juli 2011 overschreed de viskering volgens Boskalis al de grenzen van de verschillende veiligheidsklasses, zoals blijkt uit figuur 1 in r.o. 4.13.1.

Boskalis heeft voorts betwist dat er een verband bestaat tussen het scheefvallen van de damwand en een vertraging in de bouw van de centrale. Vattenfall heeft niet aangetoond dat het baggeren in de haven verband houdt met de (voortgang van de) bouw van de centrale, aldus Boskalis.

causaliteit – de beoordeling

4.14.

Dat de damwand is verzakt kort na het te diepe baggeren, betekent niet zonder meer dat de damwand door (alleen of in overwegende mate) de baggerfout is bezweken. Evenmin volgt uit het verzakken van de damwand zonder meer dat Vattenfall dientengevolge schade heeft geleden, omdat – zoals Boskalis uitvoerig betoogt – mogelijk is dat de damwand reeds voorafgaand aan het te diepe baggeren als (geotechnisch) waardeloos moest worden beschouwd. Zoals in r.o. 4.8 is overwogen, rusten stelplicht en bewijslast ter zake van causaliteit en schade op Vattenfall.

4.15.

Bij de beoordeling van het causaal verband komt groot gewicht toe aan het oordeel van de in de bodemprocedure benoemde gerechtsdeskundigen. De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen, die zij overtuigend en goed gemotiveerd acht, in deze renvooiprocedure in beginsel over en zij maakt deze in zoverre tot de hare, behoudens voor zover het nadere partijdebat hierover de rechtbank tot andere inzichten dwingt.

Op de vraag in hoeverre er een verband bestaat tussen het dieper baggeren door BKN dan in het bestek was opgenomen en de verzakking van de damwand, hebben de gerechtsdeskundigen geantwoord dat de damwand sterk voorover is gaan hellen door zowel de minimale stabiliteit van de damwand als de te diepe snede van het baggeren. Op de vraag of de damwand ook zou zijn verzakt indien conform het bestek zou zijn gebaggerd, antwoordden de gerechtsdeskundigen dat dit niet met stelligheid te zeggen is, maar dat dit hoogstwaarschijnlijk wel het geval is.

Uit het rapport van de gerechtsdeskundigen kan derhalve niet zonder meer worden afgeleid dat het scheefvallen van de damwand in voldoende causaal verband staat tot het te diepe baggeren, nu zij concluderen dat de damwand hoogstwaarschijnlijk ook bij baggeren conform het baggerbestek scheef zou zijn gevallen. Zoals Boskalis bij herhaling heeft aangevoerd en Vattenfall niet heeft weersproken, heeft een van de deskundigen tijdens een mondelinge behandeling de instabiele toestand van de damwand vergeleken met die van een glas water dat zover op de rand van de tafel staat dat deze ieder moment kan vallen. Dit roept het beeld op van een zo instabiele situatie dat in wezen iedere trigger, hoe gering of willekeurig ook, voldoende kan zijn om de limiet te overschrijden, de spreekwoordelijke druppel die de emmer doet overlopen.

De vraag is in hoeverre hetgeen partijen nadien nog hebben aangevoerd tot andere inzichten noopt.

4.16.

Vattenfall heeft de conclusies van de gerechtsdeskundigen bestreden op de grond dat zij zich op verkeerde aannames ten aanzien van de oorspronkelijke positie van de damwand hebben gebaseerd. Volgens Vattenfall was hetgeen de deskundigen als ‘as built’ positie beschouwden, in werkelijkheid de ‘as designed’, de theoretische positie. De hei-afwijking bedroeg na plaatsing reeds 10 tot 15 cm, zo volgt uit de nulmeting gedaan in 2009, het jaar van realisatie van de damwand. Deze louter ‘papieren’ verplaatsing is door de deskundigen steevast bij de feitelijke verplaatsing meegerekend, waardoor zij de damwand als veel instabieler hebben beoordeeld dan deze in werkelijkheid was, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van Vattenfall. Wanneer deze heiafwijking wordt gecorrigeerd, volgt uit de gecorrigeerde berekeningen dat de damwand bij baggeren conform bestek maximaal 42 cm zou zijn verplaatst en dus zou zijn blijven staan, aldus Vattenfall.

4.17.

Naar de rechtbank het standpunt van Boskalis begrijpt, betwist zij niet dat de deskundigen in hun oordeel zijn uitgegaan van een verplaatsing vanaf de theoretische positie. Ook de rechtbank zal er daarom van uitgaan dat de kopverplaatsing die door de deskundigen aan hun oordeel ten grondslag is gelegd, in zoverre niet klopt dat daarin de niet-relevante heiafwijking is meegenomen.

Voor het antwoord op de vraag hoe groot deze heiafwijking feitelijk was, zijn echter geen harde feitelijke aanknopingspunten voorhanden. Partijen zijn het er over eens dat er geen ‘as built’ tekeningen of opnamen bestaan waaruit de positiegegevens na installatie blijken. Dat de nulmeting (productie 17 Vattenfall) een waarheidsgetrouw beeld geeft van de plaatsing van de damwand in 2009 acht de rechtbank zeer onwaarschijnlijk in het licht van de onder 2.4 opgenomen luchtfoto van 28 april 2011 bezien in verband met het uitvoerige en overtuigende verweer van Boskalis op dit punt (vgl. r.o. 4.13.1 - 4.13.4). De experts van Vattenfall hebben ter zitting ook erkend dat de nulmeting inderdaad een kopuitwijking laat zien nabij plank 30 en dat deze kopuitwijking onverklaarbaar afwijkt van de luchtfoto’s van de damwand genomen in april 2011.

De conclusie is dat de nulmeting niet als uitgangspunt kan dienen voor de initiële heiafwijking. Dit betekent echter ook niet zonder meer dat ofwel de heiafwijking 12,2 mm bedroeg, zoals Boskalis afleidt uit bedoelde luchtfoto’s, ofwel de heiafwijking gelijk kan worden gesteld aan de plaatsingstolerantie van 10 cm. De enig juiste gevolgtrekking is dat de heiafwijking een onbekende variabele blijft, met een vermoede waarde ergens tussen 12,2 mm en 10 cm.

4.18.

Tussen partijen staat vast dat de damwand tijdelijk – naar de rechtbank begrijpt, in de zomer van 2011 – als loswal is gebruikt, en dat dit een onvoorziene en niet tevoren doorgerekende druk op de constructie heeft uitgeoefend die de stabiliteit ervan in negatieve zin kan hebben beïnvloed. Vattenfall heeft, naar de rechtbank begrijpt, betoogd dat deze stabiliteitseffecten na verwijdering van de loswal niet meer van invloed kunnen zijn geweest op de damwand. Boskalis betoogt echter het tegendeel, en vindt hiervoor steun in een mededeling van Ballast Nedam in productie 17 van Vattenfall.

Evenals Boskalis ziet de rechtbank ook in de meetgegevens van 13 juli 2011 een verplaatsing van de damwand terug die, bezien in samenhang met de luchtfoto van 28 april 2011, alleen in verband lijkt te kunnen staan met het gebruik van de damwand als loswal in de zomer van 2011. Ter zitting heeft ir. [persoon F] , expert voor Vattenfall, erop gewezen dat ook andere secties van de damwand een verplaatsing vertonen, en dat er alleen bij sectie IV een loswal was. Hij heeft ook verklaard dat tijdens het baggeren nog de lage loswal of het lage werkplatform aanwezig was en dat Boskalis dit over het hoofd ziet. Volgens ir. [persoon F] is dit essentieel omdat er minder verplaatsing zou zijn opgetreden als dat platform er niet zou zijn geweest.

Hoe dit ook zij, dat er verplaatsingen zijn geconstateerd na april maar voor augustus 2011 betekent naar het oordeel van de rechtbank minst genomen dat de damwand kort voor het incident op 1 augustus 2011 niet stabiel en immobiel was. Het komt de rechtbank niet aannemelijk voor dat het tijdelijk gebruik als loswal – ondanks de daaruit volgende verplaatsing – in augustus 2011 uit het stabiliteitsbeeld mag worden weggedacht. Uit de verklaring van ir. [persoon F] volgt juist dat de aanwezigheid van de loswal de damwandverplaatsing heeft bevorderd of vergroot en dat deze invloed nog bestond tijdens het baggeren op 1 augustus 2011.

4.19.

Boskalis bestrijdt de conclusie van Vattenfall dat de damwand zonder de baggerfout zou zijn blijven staan. Zij wijst in dit verband op de gebrekkigheid van het ontwerpproces en op de ondeugdelijkheid van het ontwerp van de damwand, en bestrijdt elementen in en het resultaat van de berekeningen waarop Vattenfall haar standpunt grondt. Boskalis voert – samengevat – aan dat het bezwijken van de damwand een ‘accident waiting to happen’ was, zelfs indien deze tijdens het baggeren nog zou zijn blijven staan.

Boskalis betoogt dat de kopverplaatsing van de damwand weliswaar een indicator is, maar dat de veiligheidsfactor van een constructie maatgevend en wettelijk verankerd is door een vereist minimumbetrouwbaarheidsniveau voor een constructie. De veiligheidsfactor kan feitelijk uitgedrukt worden als de mate waarin de maximaal aanwezige sterkte gemobiliseerd moet worden om de constructie niet te laten bezwijken. Uit de hiervoor weergegeven (r.o. 4.13.1) grafiek van figuur 1 blijkt volgens Boskalis dat al voordat de baggerwerkzaamheden aanvingen zo’n 85% van de sterkte van de damwand was aangesproken. Daarmee is zelfs de laagste veiligheidsklasse (destijds CUR I) fors overschreden terwijl de hoogste veiligheidsklasse was voorgeschreven. De damwand was functioneel al als verloren te beschouwen voordat de baggerwerkzaamheden zouden beginnen, aldus Boskalis.

4.20.

Ter zitting is door ir. [persoon F] verklaard dat Ballast Nedam de damwand had ontworpen op CUR-klasse II. In zijn toelichting op de grafiek schreef ir. [persoon A] (zie r.o. 4.13.1) dat in de bouwfase veiligheidsklasse II en voor de eindfase klasse III werd gehanteerd. Dat de damwand noch aan de veiligheidseisen van CUR-II noch aan die van CUR-III voldeed, komt uit het oordeel van de gerechtsdeskundigen en de uitgebreide stukken over en weer afdoende naar voren. Vattenfall heeft de berekeningen in figuur 1 ook niet gemotiveerd betwist en evenmin de daarin opgenomen grenzen van de veiligheidsklassen I, II en III, zodat de rechtbank ook van de juistheid van figuur 1 uitgaat. De onzekerheid ten aanzien van de precieze heiafwijking (binnen de marge 12,1 mm tot 10 cm, vgl. r.o. 4.17) lijkt voor de aan de grafiek te verbinden conclusies geen relevant verschil te kunnen maken. Dit leidt tot de vaststellingen (i) dat op 13 juli 2011 tijdens de loswalfase de sterkte van de damwand reeds tot op 85 procent was gemobiliseerd, (ii) dat door regulier baggeren op een haar na de maximale mobilisatie zou zijn bereikt, en (iii) dat de baggerfout deze latente instabiliteit weliswaar aan het licht bracht, maar dat de damwand onvoldoende stabiel en veilig was om regulier baggeren te kunnen verdragen zonder – spontaan of als gevolg van een geringe krachtsinwerking van eender welke aard – te verzakken. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat de damwand als gevolg van de baggerfout is bezweken.

Figuur 1 stemt dus overeen met de conclusie van de gerechtsdeskundigen dat de damwand hoogstwaarschijnlijk ook zou zijn verzakt indien wel conform het bestek zou zijn gebaggerd.

4.21.

Hetgeen de experts over en weer ter zitting hebben verklaard over de voor Vattenfall gehanteerde waterbelasting in de hoge en lage loswalfase, wanneer de lage loswal was verwijderd, en alle overige aspecten van het technisch debat behoeven verder geen bespreking.

4.22.

De grafiek van Figuur 1 en de daaraan ten grondslag liggende gegevens leiden dus tot de conclusie dat de baggerfout slechts fractioneel kan hebben bijgedragen aan het verzakken van de damwand. Volgens de grafiek betreft dat niet meer dan 1 procent. De vraag is of daaraan consequenties moeten worden verbonden. Zou de baggerfout voor 1 procent als rechtens relevante schadeoorzaak worden aangemerkt, dan heeft Vattenfall het recht om te worden gebracht in de situatie alsof zij de beschikking had over de damwand in de toestand waarin deze zich na regulier baggeren zou hebben bevonden. Gelet op hetgeen in r.o. 4.20 is geoordeeld, heeft Vattenfall dan recht op vergoeding van de waarde van de damwand in de toestand waarin deze spontaan of als gevolg van een geringe krachtsinwerking van eender welke aard zou kunnen verzakken. Bij deze stand van zaken constateert de rechtbank dat Boskalis weliswaar aansprakelijk is voor de fout van de schipper, maar dat Vattenfall ten gevolge van die fout geen vermogensschade heeft geleden.

In beginsel dient schadevergoeding de benadeelde immers zoveel mogelijk in de toestand te brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven, hetgeen meebrengt dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Als die vergelijking echter aan het licht brengt dat de nieuwe toestand voor de partij die schadevergoeding verlangt geen achteruitgang inhoudt ten opzichte van de oude, en die partij er geen rechtens te respecteren belang bij heeft dat de oude toestand wordt hersteld, kan de rechter zonder enige rechtsregel te schenden tot het oordeel komen dat er geen vermogensschade is geleden en op die grond de vordering tot vergoeding van de kosten van herstel in de oude toestand afwijzen (zie bijv. Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9830 r.o. 3.5).

Dat en waarom Vattenfall overigens schade zou hebben geleden doordat de baggerfout tot vertraging in de bouw van de energiecentrale heeft geleid, is overigens ondanks uitdrukkelijk verweer op dit punt niet toegelicht en onderbouwd.

conclusie

4.23.

Op het voorgaande stranden alle vorderingen van Vattenfall. Deze worden dan ook afgewezen.

4.24.

Vattenfall zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Boskalis worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 7.998,00 (2 punten × tarief € 3.999,00)

Totaal € 8.654,00.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van Vattenfall af,

5.2.

veroordeelt Vattenfall in de proceskosten, aan de zijde van Boskalis tot op heden begroot op € 8.654,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema, mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en mr. M. Witkamp, bijgestaan door mr. M.E. van de Poel, griffier. Het is door de rolrechter op 1 september 2021 ondertekend en uitgesproken in het openbaar.

3178/2054/1885/32