Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8595

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
C/10/612163 / HA ZA 21-90
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijwaringsincident. Artikel 210 lid 1 Rv. Toewijzing. Voldoende is dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/612163 / HA ZA 21-90

Vonnis in incident van 25 augustus 2021

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. W.I. Wisman te Den Haag,

tegen

1. [persoon A] , TEVENS H.O.D.N. [bedrijf A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

2. [persoon B],

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. A.T. Tilburg te Spijkenisse,

3. [persoon C],

wonende te [woonplaats C] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. V.M. Weski te Rotterdam,

4. [persoon D],

wonende te [woonplaats D] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. M.S. van Dijk te Rotterdam,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf E] ,

gevestigd te [vestigingsplaats E] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. I.P. van Rossen te Amsterdam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf E1] ,

gevestigd te [woonplaats E1] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. I.P. van Rossen te Amsterdam,

7. [persoon E],

wonende te [woonplaats E] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. I.P. van Rossen te Amsterdam,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf F] ,

gevestigd te [vestigingsplaats F] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. S.J. Bruins Slot te Zaltbommel,

9. [persoon F],

wonende te [woonplaats F] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. S.J. Bruins Slot te Zaltbommel,

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf G] ,

gevestigd te [vestigingsplaats G] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in het incident,

advocaat mr. V. van Dijken te Harderwijk,

11. [persoon G],

wonende te [woonplaats G] ,

gedaagde in conventie,

eiser in het incident,

advocaat mr. V. van Dijken te Harderwijk.

Eiseres zal hierna de Gemeente Rotterdam genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk gedaagde 1 tot en met 11 genoemd worden en gezamenlijk gedaagden. Gedaagde sub 10 zal aangeduid worden met [bedrijf G] , en gedaagde sub 11 als [persoon G] .

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 december 2020, met producties 1 tot en met 299;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens de conclusie van eis in reconventie van gedaagde sub 3, met producties 1 tot en met 11;

  • -

    de conclusie van antwoord van gedaagde sub 2, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van gedaagden [bedrijf G] en [persoon G] , met producties 1 tot en met 10;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord namens de Gemeente Rotterdam.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vordering in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak vordert de Gemeente Rotterdam om bij vonnis:

1. Gedaagden - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen tot betaling van de navolgende bedragen en op de hierna uiteengezette wijze:

' [persoon A] '

[persoon A] (gedaagde sub 1): tot betaling van een bedrag ad

€ 1.811.959,86, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

Hoofdelijk met:

[bedrijf E] (gedaagde sub 5): voor een bedrag ad € 905.490,71, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

[persoon E] (gedaagde sub 7): tot betaling van een bedrag ad € 905.490,71, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

[persoon F] (gedaagde sub 8): tot betaling van een bedrag ad € 1.107.439,50, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

[bedrijf F] (gedaagde sub 9): tot betaling van een bedrag ad € 1.107.439,50, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

[bedrijf G] (gedaagde sub 10): tot betaling van een bedrag ad € 776.014,79, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

[persoon G] (gedaagde sub 11): tot betaling van een bedrag ad € 776.014,79, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

' [persoon B] '

[persoon B] (gedaagde sub 2): tot betaling van een bedrag ad € 665.316, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

Hoofdelijk met:

[bedrijf E] (gedaagde sub 5): voor een bedrag ad € 665.316, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

[bedrijf E1] (gedaagde sub 6): voor een bedrag ad € 665.316,42, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

[persoon E] (gedaagde sub 7): voor een bedrag ad € 665.316,42, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

' [persoon C] '

[persoon C] (gedaagde sub 3): tot betaling van een bedrag ad € 17.959,29, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

Hoofdelijk met:

[bedrijf E] (gedaagde sub 5) voor een bedrag ad € 17.959,29, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW; [persoon E] (gedaagde sub 7) voor een bedrag ad € 17.959,29, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

' [persoon D] '

[persoon D] (gedaagde sub 4): tot betaling van een bedrag ad € 211.960,11, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

Hoofdelijk met:

[bedrijf E] (gedaagde sub 5): voor een bedrag ad € 211.960,11, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

[persoon E] (gedaagde sub 7): voor een bedrag ad € 211.960,11, te vermeerderen met wettelijke rente ex art. 6:83 aanhef en onder b BW jo. 6:119 BW;

2. Gedaagden - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten inbegrepen, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis;

3. Gedaagden sub 1, 2 en 5 tot en met 9 - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen tot betaling van de beslagkosten.

2.2.

De Gemeente Rotterdam legt aan haar vorderingen kort gezegd ten grondslag het onrechtmatig handelen door gedaagden jegens de Gemeente Rotterdam, door hun betrokkenheid bij omkoping, oplichting en valsheid in geschrifte ten nadele van de Gemeente Rotterdam.

3. Het geschil in het incident

3.1.

[bedrijf G] en [persoon G] vorderen dat hun wordt toegestaan de heer [persoon A] (gedaagde sub 1, hierna: [persoon A] ), de besloten vennootschap [bedrijf F] (gedaagde sub 8, hierna: [bedrijf F] ), de heer [persoon F] (gedaagde sub 9, hierna: [bedrijf F] ) en de heer [persoon H] (t.h.o.d.n. [bedrijf H] ) in vrijwaring op te roepen.

3.2.

[bedrijf G] en haar algemeen directeur en aandeelhouder [persoon G] (hierna gezamenlijk: [bedrijf G] c.s.) stellen daartoe kort gezegd het volgende.

3.3.

In de periode 2009 tot en met januari 2019 heeft [bedrijf G] meerdere raambestekken gesloten met de Gemeente Rotterdam als opdrachtgever. De werkzaamheden van [bedrijf G] bestonden uit markeringswerkzaamheden aan wegen. In het raambestek werd het werkgebied bepaald en werden de eenheidsprijzen voor het markeringswerk afgesproken die gedurende de looptijd golden. Het raambestek voorzag ook in bijkomende werkzaamheden, maar daarvoor werden geen eenheidsprijzen gerekend. Alle bijkomende werkzaamheden, zoals stratenmakerswerk en het plaatsen van verkeersborden en fietsenrekken, die naast of ten behoeve van het markeringswerk nodig waren, leverde [bedrijf G] niet, maar werden ingekocht of ingehuurd bij derden en door die derden uitgevoerd.

3.4.

[persoon A] was in dienst van de Gemeente Rotterdam als directievoerder bij de afdeling Onderhoud Wegen. De Gemeente Rotterdam stelt in de dagvaarding onder meer dat door [persoon A] is gefraudeerd, waardoor [persoon A] een onrechtmatig voordeel zou hebben genoten van € 603.986,62, en de Gemeente Rotterdam een veel groter nadeel.

3.5.

[persoon A] was door de Gemeente Rotterdam aangesteld om op het werk van [bedrijf G] aanwezig te zijn en namens de Gemeente Rotterdam opdrachten te geven voor de uitvoering. Voor de werkzaamheden die volgens [persoon A] noodzakelijk waren in een bepaald gebied, werd door [persoon A] namens de Gemeente Rotterdam steeds een projectovereenkomst (POK) afgesloten met [bedrijf G] en - vóór 2012 - met een derde voor de bijkomende werkzaamheden. Op grond van het raambestek was [bedrijf G] verplicht om de orders en aanwijzingen van [persoon A] op te volgen, en [bedrijf G] mocht op de juistheid daarvan vertrouwen. Controle en goedkeuring van de juistheid van de administratieve verwerking van de uitgevoerde werkzaamheden vond plaats door [persoon A] tezamen met de projectleider namens de Gemeente Rotterdam, de heer [persoon I] . Daartoe moest een administratieve vertaalslag worden gemaakt van de dagstaten in het Project Registratie Systeem naar zogenoemde PV’s (Productie Verantwoordingen). Betaling door de Gemeente Rotterdam vond plaats na die goedkeuring. Voor wat de markeringswerkzaamheden door [bedrijf G] betreft, controleerde [bedrijf G] de aansluiting van de dagstaten naar de PV’s één op één, en dit klopte vrijwel altijd, en anders had [persoon A] daar een goede verklaring voor.

3.6.

De heer [bedrijf F] is de directeur van [bedrijf F] . Tussen [bedrijf G] en [bedrijf F] bestaat sinds 2012 een overeenkomst van onderaanneming voor de uitvoering van de bijkomende werkzaamheden in het kader van het raambestek.

Vóór 2012 werkte [bedrijf F] ook wel voor [bedrijf G] uit hoofde van het raambestek, maar dan op basis van losse opdrachten. De Gemeente Rotterdam stelde in 2012 twee aanvullende voorwaarden in het kader van het raambestek: [bedrijf G] diende ervoor te zorgen dat een uitvoerder dagelijks op het werk aanwezig was, en [bedrijf G] moest voortaan als hoofdaannemer ook de bijkomende werkzaamheden (en niet meer alleen haar eigen markeringswerkzaamheden) factureren aan de Gemeente Rotterdam. Tegen die achtergrond werd in 2012 de overeenkomst van onderaanneming gesloten met [bedrijf F] , werd [bedrijf F] de uitvoerder van óók het werk van [bedrijf G] , die dagelijks op het werk aanwezig was, voerde [bedrijf F] sinds 2012 vrijwel alle bijkomende werkzaamheden van het raambestek uit, factureerde [bedrijf F] die bijkomende werkzaamheden vanaf 2012 aan [bedrijf G] en belastte [bedrijf G] deze werkzaamheden door aan de Gemeente Rotterdam, vermeerderd met 10% (risico)opslag voor [bedrijf G] .

[bedrijf G] ’s kennis omtrent de juistheid van de door [persoon A] en [bedrijf F] ingediende en geaccordeerde PV’s betreffende de bijkomende werkzaamheden was niet meer of anders dan wat haar door hen werd voorgehouden, hetgeen eveneens zal hebben gegolden voor de kennis van projectleider Versteeg die namens de Gemeente Rotterdam ook de PV’s moest accorderen alvorens deze gefactureerd werden.

3.7.

Het juist administreren en afrekenen van het werk en het daadwerkelijk leveren wat in rekening wordt gebracht is evident een verplichting uit het raambestek die valt onder de vrijwaringsverplichting opgenomen in de overeenkomst van onderaanneming. Artikel 2.3 van de overeenkomst van onderaanneming bepaalt: [bedrijf F] vrijwaart [bedrijf G] van alle mogelijke aanspraken van de Gemeente Rotterdam die voortvloeien uit de door haar ( [bedrijf F] ) verrichte werkzaamheden en die voortvloeien uit de niet-nakoming van de in het bestek vastgelegde voorwaarden en verplichtingen. Indien dus [bedrijf F] , zoals de Gemeente Rotterdam stelt, ten onrechte bijkomende werkzaamheden heeft gefactureerd aan [bedrijf G] , die door [bedrijf G] met 10% opslag zijn doorbelast aan de Gemeente Rotterdam, en die inclusief die opslag door de Gemeente Rotterdam zijn betaald, waardoor de Gemeente Rotterdam schade heeft geleden, geldt, dat reeds op grond van de overeenkomst van onderaanneming [bedrijf F] gehouden is tot vrijwaring van [bedrijf G] c.s. indien [bedrijf G] c.s. worden aangesproken door de Gemeente Rotterdam in verband met die schade.

3.8.

De heer [persoon H] drijft als eenmanszaak een fietsendetailhandel onder de naam [bedrijf H] . [bedrijf G] heeft in de periode 2009 tot 2012 met [persoon A] een sponsorafspraak gehad voor een wielerteam dat sponsorgelden wilde inzamelen voor het Alpe d’Huzes evenement. De sponsorfacturen werden conform mededeling van [persoon A] door [bedrijf H] gefactureerd. Indien vast komt te staan dat de door [bedrijf G] aan [persoon H] / [bedrijf H] betaalde bedragen niet zijn gebruikt ten behoeve van de sponsorovereenkomst, dan geldt dat de sponsorovereenkomst en de daarmee samenhangende rechtshandelingen nietig dan wel vernietigbaar zullen zijn, dan wel dat [bedrijf G] de sponsorovereenkomst kan vernietigen wegens dwaling. In dat geval is [persoon H] met de door [bedrijf G] c.s. betaalde bedragen ongerechtvaardigd verrijkt, dan wel is door [bedrijf G] c.s. onverschuldigd betaald aan [persoon H] , uit welke hoofde [bedrijf G] c.s. de door haar betaalde bedragen kan terugvorderen.

3.9.

De Gemeente Rotterdam refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

4. De beoordeling in het incident

4.1.

De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór alle weren genomen. Ingevolge artikel 210 lid 1 Rv kan de gedaagde iemand in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt, dat tussen hem en de derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.

4.2.

[bedrijf G] c.s. heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat tussen [bedrijf G] c.s enerzijds en anderzijds [persoon A] , [bedrijf F] , [bedrijf F] en de heer [persoon H] , een rechtsverhouding bestaat die mogelijk tot vrijwaring door (een of meer van) hen verplicht, zodat aan de vereisten voor oproeping in vrijwaring is voldaan. Nu de Gemeente Rotterdam zich daarnaast heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zal de incidentele vordering worden toegewezen.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

staat toe dat door [bedrijf G] c.s. worden gedagvaard tegen de terechtzitting van 6 oktober 2021:

  • -

    de heer [persoon A] ,

  • -

    de besloten vennootschap [bedrijf F] .,

  • -

    de heer [persoon F] ,

  • -

    de heer [persoon H] (t.h.o.d.n. [bedrijf H] ),

5.2.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 oktober 2021 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus. Het is ondertekend door de rolrechter en op 25 augustus 2021uitgesproken in het openbaar.

3304/638