Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8508

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
10/754558-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte en drie medeverdachten veroordeeld voor (verlengde) invoer van 208 kilogram cocaïne tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Tevens wordt een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaren opgelegd, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich niet op te houden op de Maasvlakte te Rotterdam en alle zeehavens in Nederland met een containerterminal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/754558-20

Datum uitspraak: 1 september 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

[postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 augustus 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. Kort gezegd komt de beschuldiging er primair op neer dat de verdachte met andere(n) opzettelijk ruim 208 kilo cocaïne Nederland heeft binnen gebracht of subsidiair daartoe voorbereidingshandelingen heeft verricht. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.J. Blotwijk heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde een locatieverbod voor de Maasvlakte te Rotterdam en alle andere zeehavens in Nederland met een containerterminal, althans de zeehavens van Amsterdam, Velsen/IJmuiden, Beverwijk, Zaanstad, Vlissingen, Terneuzen, Delfzijl en de Eemshaven.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie en van de verdediging

De officier van justitie heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde gevorderd en bewezenverklaring van het subsidiaire. De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de ten laste gelegde feiten. Voor het aangetroffen DNA bestaan alternatieve scenario’s.

4.2.

Beoordeling

Op 13 december 2020 is omstreeks 05:00 uur bij de politie een melding binnengekomen van de beveiliging van de ECT Delta Terminal op de Maasvlakte dat een onbekende man was gezien in stack 129-130. In stack 129 is vervolgens een container ( [containernummer] ) aangetroffen waarvan de deuren openstonden. Verbalisanten hebben een man uit de container zien komen die ervandoor ging toen hij werd aangeroepen. In de container bevond zich de medeverdachte [naam medeverdachte 1] .

Zo’n twee uur later werden in de nabijheid van de bovengenoemde container de verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] aangetroffen. De verdachte lag bovenop een container in stack 124 van de ECT Delta Terminal op de Maasvlakte. [naam medeverdachte 3] bevond zich in een verder lege container in stack 130 en had een betonschaar en een Samsung A20 telefoon bij zich. [naam medeverdachte 2] bevond zich tussen de containers in stack 130 en is door verbalisanten herkend als de man die uit de eerstgenoemde container kwam en ervandoor ging.

In de eerder genoemde container [containernummer] bleken na verder onderzoek door de politie 208 pakketten cocaïne te liggen met een totaalgewicht van 208,3 kilo.

Daarnaast lagen in de container vier slaapzakken, vier rugtassen, twee betonscharen, twee paar werkhandschoenen, drie stanleymessen, drie zaklampen, drie powerbanks met diverse laadkabels, vier rollen toiletpapier, een Nokia 105, een door midden gebroken Samsung A20 en diverse gebruikte en ongebruikte flesjes en blikjes frisdrank. In een rugzak zat proviand. Tevens lagen er twee jassen.

De Samsung telefoons die in de container en bij [naam medeverdachte 3] waren aangetroffen betroffen PGP (Pretty Good Privacy) telefoons. Met een dergelijke telefoon wordt door encryptie voorkomen dat politie, veiligheidsdiensten of buitenlandse overheden berichten of data kunnen onderscheppen of het toestel kunnen uitlezen.

4.2.1.

Betrokkenheid verdachten bij de container met cocaïne

Alle verdachten zijn in of in de nabijheid van de container aangetroffen op het afgesloten terrein van de containerterminal. Daarnaast is van alle verdachten DNA aangetroffen op voorwerpen die in de container aanwezig waren. Bij de verdachte, [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] , is het DNA telkens aangetroffen op blikjes/flesjes drinken in de container zonder dat daarbij een ander DNA-profiel werd aangetroffen. Bij [naam medeverdachte 3] ging het om een jas met daarop weliswaar twee of meer DNA-profielen, maar waarbij het hoofdprofiel afkomstig was van [naam medeverdachte 3] . Daar komt bij dat de in de container aangetroffen Nokia 105 slechts contact heeft gehad met vijf telefoonnummers, waarvan een nummer op naam gesteld is van de moeder van de medeverdachte [naam medeverdachte 3] . Op 12 december 2020 is met deze telefoon een bericht gestuurd met de tekst: " [naam tekst] ". [voornaam medeverdachte 3] is de voornaam van [naam medeverdachte 3] .

Verder zat in de jaszak van één van de aangetroffen jassen een sleutelbos waarvan een van de sleutels paste op de portiekdeur van het pand ( [adres] in Rotterdam) waar [naam medeverdachte 2] woont.

Gelet op bovenstaande feiten, in onderlinge samenhang bezien, zijn de verdachten kort voor hun aanhouding tezamen in de container [containernummer] geweest.

4.2.2.

Opzet medeplegen (verlengde) invoer

Van binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen is ook sprake als de verdachte handelingen verricht die zijn gericht op de verdere vervoer van verdovende middelen die Nederland al zijn binnen gebracht (artikel 1 lid 4 van de Opiumwet).

De verdachte kon zijn aanwezigheid op het ECT terrein niet verklaren. Hij heeft beweerd dat hij het ene moment in een hotel was en daar MDMA heeft gebruikt en op het andere moment wakker werd bovenop een container op de Maasvlakte. De rechtbank acht deze lezing volstrekt ongeloofwaardig.

Of de rechtbank kan bewijzen dat de verdachte willens en wetens cocaïne heeft ingevoerd, zal, nu de verklaringen van de verdachte geen inzicht geven, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van doorslaggevend belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld (vergelijk HR 25 maart 2003:AE9049 (HIV).

Uit bovenstaande feiten onder 4.2.1 blijkt dat de verdachte met drie anderen in een lege container heeft gezeten waarin 208 kilo cocaïne zat. De uiterlijke verschijningsvorm vertelt dat die cocaïne door de verdachte en zijn mededaders in die container is gebracht. Alleen al daardoor heeft hij handelingen met de cocaïne verricht die waren gericht op de verder vervoer van de cocaïne. Ook overigens is zijn aanwezigheid in die container een handeling die gerichtheid op verdere vervoer laat zien.

Daarmee is bewezen dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op het gezamenlijk verder vervoeren en daarmee binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen.

4.2.3.

Conclusie

Anders dan de officier van justitie en de verdediging komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Hij in de periode van 9 december 2020 tot en met 13 december

2020 te Maasvlakte Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer

208,3 kilogram cocaïne zijnde cocaïne

een middel genoemd in lijst I van de Opiumwet;

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf en maatregel

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de verlengde invoer van 208,3 kilogram cocaïne. De invoer van harddrugs is een ernstig feit. Harddrugs, zoals onder meer cocaïne, bevatten immers stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid, en ze zijn sterk verslavend. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. De strafbaarheid en de grote winstgevendheid ervan brengt mee dat de georganiseerde handel in cocaïne een ontwrichtende invloed heeft op de samenleving. Zo is een aanzienlijk deel van de vermogensdelicten te relateren aan de behoefte aan verdovende middelen van gebruikers. Verder zijn veel liquidaties die in het criminele circuit worden gepleegd direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot grootschalige drugshandel. Ook brengt de handel in harddrugs mee dat een zwartgeldcircuit ontstaat met alle gevolgen van dien.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 juni 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor (zij het niet soortgelijke) strafbare feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gelet op de ernst van het feit en datgene wat hierboven is overwogen is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur hier passend is. Dit heeft enerzijds als doel vergelding voor de maatschappelijke ontwrichting waar de verdachte indirect aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het als doel anderen ervan te weerhouden zich met de georganiseerde drugscriminaliteit in te laten.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De rechtbank slaat verder acht op de straffen die worden opgelegd in vergelijkbare gevallen voor overtreding van artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet.

Ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaren opgelegd, inhoudende een locatieverbod voor de Maasvlakte te Rotterdam en alle zeehavens in Nederland met een containerterminal, althans de zeehavens van Amsterdam, Velsen/IJmuiden, Beverwijk, Zaanstad, Vlissingen, Terneuzen, Delfzijl en de Eemshaven. Omdat er – gelet op het lucratieve karakter van de georganiseerde drugshandel – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt, zal de rechtbank bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 38v, 38w, 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 5 jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

zich niet op te houden op de Maasvlakte te Rotterdam en alle zeehavens in Nederland met een containerterminal, althans de containerterminals van de zeehavens van Amsterdam, Velsen/IJmuiden, Beverwijk, Zaanstad, Vlissingen, Terneuzen, Delfzijl en de Eemshaven, gedurende 5 jaren na heden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 maand, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. L. Daum en R. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Ouarssani, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Hij in of omstreeks de periode van 9 december 2020 tot en met 13 december

2020 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer

208,3 kilogram cocaïne en/of een (ander) middel genoemd in lijst I van de

Opiumwet, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

en/of een (ander) middel genoemd in lijst I van de Opiumwet, zijnde cocaïne

of een (ander) middel genoemd in lijst I van de Opiumwet, althans een

hoeveelheid van een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet;