Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8505

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
31-08-2021
Zaaknummer
FT EA 21/647 en FT EA 21/648
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toewijzing verzoek dwangakkoord, afwijzing verzoek toelating tot schuldsaneringsregeling

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287
Faillissementswet 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]

uitspraakdatum: 12 augustus 2021

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats] ,

verzoeker.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 28 mei 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten Gemeente Rotterdam Serviceorganisatie, afdeling Werk & Inkomen (hierna: de gemeente Rotterdam), die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

De gemeente Rotterdam heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 1 juli 2021zijn telefonisch gehoord conform TARIC (de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbank vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis):

  • -

    verzoeker;

  • -

    de heer [naam persoon] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    mevrouw L.A. van Dijk, werkzaam bij Van den Bosse Bewindvoering (hierna: beschermingsbewindvoerder).

De gemeente Rotterdam heeft in haar verweerschrift kenbaar gemaakt niet ter zitting te zullen verschijnen.

Per e-mail van 13 juli 2021 heeft de beschermingsbewindvoerder het door de uitkerende instantie aangevraagde arbeidsmedisch advies van 12 juli 2021 over verzoeker aan de rechtbank toegezonden.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeventien schuldeisers, waarvan één preferente schuldeiser (met negen vorderingen) en zestien concurrente schuldeisers (met tweeëntwintig vorderingen). Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 56.606,99 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 28 december 2020 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 4,64% aan de preferente schuldeisers en 2,32% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.

De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering. Verzoeker is ziek en kan niet werken. Hij is vrijgesteld van zijn arbeidsverplichting.

Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.

Voorafgaand aan de zitting heeft de beschermingsbewindvoerder de rechtbank laten weten dat de ontheffing van de arbeidsverplichting door de uitkeringsinstantie van verzoeker tot 19 augustus 2020 liep. Er is daarna een nieuwe ontheffing aangevraagd. Echter, er is vanwege de coronapandemie vertraging opgetreden in de afspraak voor een medische keuring die aan die ontheffing voorafgaat.

Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij middels een WMO-arrangement hulp krijgt van de Parnassia Groep. Schuldhulpverlening heeft, ter onderbouwing van de keuze voor een saneringskrediet, verklaard dat uit de sociale rapportage ̶ behorende tot het WMO-arrangement ̶ van verzoeker blijkt dat de kans op terugkeer van verzoeker op de arbeidsmarkt zeer klein is.

Verzoeker heeft verder ter zitting verklaard dat hij inmiddels is gekeurd. Het door de beschermingsbewindvoerder – na afloop van de zitting – nagezonden arbeidsmedisch advies heeft de strekking dat verzoeker niet meer dan twee uur per dag arbeid kan verrichten, tot een maximum van tien uur per week, en dat er meerdere belemmeringen zijn in het soort werk dat verzoeker kan verrichten.

Zestien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. De gemeente Rotterdam stemt hier voor vier van haar negen preferente vorderingen niet mee in. Deze vorderingen op verzoeker vertegenwoordigen tezamen een bedrag van € 10.491,27 en belopen 18,5% van de totale schuldenlast.

3. Het verweer

In haar verweerschrift heeft de gemeente Rotterdam te kennen gegeven dat zij bij vorderingen die na 1 januari 2013 zijn ontstaan, niet meewerkt aan de schuldregeling tegen finale kwijting voor zover die vorderingen niet te goeder trouw zijn ontstaan. Op deze vorderingen is artikel 60c Participatiewet van toepassing. Verzoeker is zijn inlichtingenplicht niet volledig nagekomen, waarvoor aan hem een bestuurlijke boete is opgelegd.

4. De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de gemeente Rotterdam bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of de gemeente Rotterdam in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zestien van de zeventien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht.

Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk en dat hij, gegeven de bevindingen als verwoord in het recente arbeidsmedisch advies en in de sociale rapportage, slechts zeer beperkt in staat is tot het verrichten van betaald werk. Gezien het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht.

Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.

Ten aanzien van het standpunt van de gemeente Rotterdam dat zij geen finale kwijting kan verlenen nu zij de imperatieve bepaling van artikel 60c Pw moet volgen, overweegt de rechtbank dat voornoemde bepaling de rechtbank niet beperkt in de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a lid 5 Fw.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van de gemeente Rotterdam, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om de gemeente Rotterdam te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

De gemeente Rotterdam zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- beveelt de gemeente Rotterdam om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt de gemeente Rotterdam in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2021. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.