Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8432

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-08-2021
Datum publicatie
02-09-2021
Zaaknummer
8710171 CV EXPL 20-28689
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening; (cumulatief) rentebeding; afwijzen gevorderde wettelijke rente over vervallen contractuele rente; schade als gevolg van te late betaling al gecompenseerd door de (vervallen) contractuele rente; Richtlijn 93/13/EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenzaken; geldschieter geen verkoper in de zin van de Richtlijn; geen onredelijk bezwarend beding via open norm artikel 6:233 sub a BW; matiging artikel 6:94 BW; beslagkosten toewijzen, niet nietig, onnodig of onrechtmatig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8710171 CV EXPL 20-28689

uitspraak: 27 augustus 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. V.T.J. van Dooren en mr. R.S.F.E. Kluft,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

gemachtigde: mr. A. van der Schee.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het exploot van dagvaarding van 16 juli 2020, met producties;

  2. de betekening van de dagvaarding;

  3. de conclusie van antwoord, met producties;

  4. de conclusie van repliek, met producties;

  5. de conclusie van dupliek, met productie;

  6. de akte overlegging producties namens [eiseres], met producties;

  7. de akte uitlaten producties namens [gedaagde].

De vaststaande feiten

1.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

1.2

[eiseres] heeft op 15 november 2018 een overeenkomst van geldlening voor een bedrag van € 10.000,- gesloten met [gedaagde] (hierna: lening 1). De overeenkomst luidt – voor zover relevant –:

“(….) Artikel 2. Rente

2.1.

Schuldenaar zal aan schuldeiser over de hoofdsom casu quo het pro resto bedrag een

rente verschuldigd zijn gelijk aan 3% procent per jaar.

2.2.

De rente moet maandelijks worden voldaan, voor het eerst op 1 december 2018.

2.3.

Indien en voor zover de rente niet wordt betaald, word zij rentedragend bijgeschreven

bij de hoofdsom.

[..]

Artikel 4. Directe opeisbaarheid en boete

[...]

4.2.

De partij die in strijd handelt met enige bepaling van deze overeenkomst, verbeurt

zonder sommatie of ingebrekestelling een direct opeisbare boete van groot € 1.000

(zegge: duizend euro) per gebeurtenis, ongeacht het recht van de wederpartij tot het

vorderen van schadevergoeding, het recht deze overeenkomst op te zeggen en het recht

nakoming van deze overeenkomst te verlangen.

4.3.

De voormelde boete wordt vermeerderd met een bedrag van groot € 500 (zegge:

vijfhonderd euro), per dag dat de overtreding of de tekortkoming voortduurt, eveneens

onverminderd het recht van de wederpartij tot het vorderen van schadevergoeding, het

recht deze overeenkomst op te zeggen en het recht nakoming van deze overeenkomst te

verlangen.(….) "

1.3

Artikel 3 van de overeenkomst bepaalt dat de lening per 1 februari 2019 in maandelijkse termijnen zal worden afgelost.

1.4

[eiseres] heeft op 25 januari 2019 een bedrag van € 5.500,- aan [gedaagde] overgemaakt (hierna: lening 2). Bij de overboeking is als omschrijving vermeld:

‘Lening aan [gedaagde], na aandeel overdracht wordt dit een lening van [eiseres] aan [naam bedrijf]’

1.5

Conform afspraak zijn er op 25 juli 2019 goederen met een waarde van € 592,97 exclusief btw uit de winkel van [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf]) aan [eiseres] geleverd. Op 16 augustus 2019 zijn er uit die winkel goederen met een waarde van € 482,76 exclusief btw geleverd aan [eiseres].

2. Het geschil

2.1

[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen:

- een bedrag van € 16.189,10 inzake lening 1, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

6 maart 2020, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening;

- een bedrag van € 4.424,37 inzake geldlening 2, te vermeerderen met de wettelijke rente

vanaf 6 maart 2020;

- een bedrag van € 981,13 aan buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

- de beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente indien deze kosten niet binnen

veertien dagen na de datum van het vonnis worden voldaan;

- de proceskosten, waaronder nakosten, met rente.

2.2

[eiseres] legt nakoming van de geldleningsovereenkomsten aan de vordering ten grondslag. Inzake lening 1 bedraagt het openstaande saldo per 1 juli 2020 € 7.165,66, de rente daarover bedraagt € 428,89, samen € 7.594,55. De boete op grond van artikel 4 lid 2 van de overeenkomst bedraagt € 1.000,- en de boete op grond van artikel 4 lid 3 wordt door [eiseres] gematigd tot een bedrag van € 7.594,55, gelijk aan het openstaande bedrag met de rente. Inzake lening 2 bedraagt de hoofdsom € 4.424,37.

[gedaagde] schiet vanaf maart 2019 tekort in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomsten. Door dit verzuim is [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd geworden. Tevens was [eiseres] hierdoor genoodzaakt geweest haar vordering uit handen te geven. De kosten die daarmee gemoeid zijn dienen voor rekening van [gedaagde] te komen aldus [eiseres].

2.3

[gedaagde] betwist de vorderingen ten dele, en voert het volgende aan. [gedaagde] is geldlening 1 overeengekomen als consument. Op de hoofdsom is na het uitbrengen van de dagvaarding nog afgelost. Er staat daarom nog slechts € 6.928,16 open. Het boetebeding is vernietigbaar nu dit onredelijk bezwarend is in de zin van de Richtlijn 93/13 en daarom tevens op grond van artikel 6:233 sub a BW, subsidiair dient de boete te worden gematigd. Het gevorderde bedrag aan rente is op een verkeerde wijze berekend, daarnaast wordt er zowel boeterente als wettelijke rente gevorderd wat niet samen kan gaan.

[gedaagde] is geen partij bij geldlening 2 zodat dit deel van de vordering moet worden afgewezen. Het ging om een lening aan [naam bedrijf], in welk bedrijf [eiseres] destijds geïnteresseerd was. Voor zover [gedaagde] deze geldlening wel dient terug te betalen dienen de twee leveringen van goederen inclusief BTW verrekend te worden. Er resteert dan nog een bedrag van € 4.198,36.

[gedaagde] betwist buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten verschuldigd te zijn, deze kosten zijn nodeloos gemaakt. Voor zover [gedaagde] tot enig bedrag veroordeeld wordt dient hierop een bedrag van € 100,- aan bankkosten en de kosten van zijn gemachtigde te worden verrekend.

2.4

Op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang, wordt in het onderstaande nader ingegaan.

De beoordeling

Lening 1

3.1

Het door partijen niet betwiste bedrag van € 6.328,16 aan openstaande hoofdsom per 24 december 2020 zal worden toegewezen. Voor zover er door [gedaagde] na die datum nog is afgelost, dienen die betalingen hierop in mindering te worden gebracht.

Rente

3.2

Door [gedaagde] wordt niet betwist dat hij sinds maart 2019 de overeengekomen afbetalingsregeling niet correct nakomt en dat artikel 2 van de overeenkomst (zie 1.2) van toepassing is. Het rentebeding bepaalt dat de niet tijdig betaalde rente dient te worden opgeteld bij de openstaande hoofdsom. Door [eiseres] is gesteld dat een renteberekening op grond van artikel 2 zodanig ingewikkeld wordt dat zij in de plaats hiervan een vastgesteld bedrag van € 428,89 aan contractuele rente over de periode van maart 2019 tot en met

30 juni 2020 vordert. Bij de berekening van dit bedrag is zij over 2019 uitgegaan van een hoofdsom van € 10.000,- en over 2020 van € 7.365,66 (de op 1 januari 2020 openstaande hoofdsom), aldus [eiseres]. Volgens [gedaagde] klopt deze wijze van berekenen niet maar een inhoudelijke onderbouwing hiervoor wordt door hem niet gegeven. Zonder die onderbouwing, die dus ontbreekt, valt niet in te zien dat [eiseres] de rente verkeerd heeft berekend. Uit haar berekening blijkt overigens dat zij rente tot en met juli 2020 heeft berekend nu zij de maandtermijn x 7 hanteert. Een bedrag van € 428,89 zal dan ook aan vastgestelde contractuele rente tot en met juli 2020 worden toegewezen.

3.3

De over de periode van 6 maart 2020 tot en met 31 juli 2020 gevorderde wettelijke rente over de vervallen contractuele rente zal worden afgewezen. De (vervallen) contractuele rente is een vergoeding in verband met vertraging in de betaling. De schade als gevolg van de te late betaling is daarmee al gecompenseerd, zodat er geen grond is voor toewijzing van wettelijke rente daarover. De wettelijke rente zal wel vanaf 1 augustus 2020 worden toegewezen nu [gedaagde] in verzuim is met de tijdige terugbetaling en er vanaf die datum geen contractuele rente meer wordt berekend door [eiseres].

Boete

3.4

Door [gedaagde] is een beroep gedaan op Richtlijn 93/13/EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenzaken (hierna: de Richtlijn). Door [eiseres] is (onder andere) gesteld dat zij geen verkoper is in de zin van de Richtlijn, zodat deze niet van toepassing is. Hierover wordt het volgende overwogen.

In de Richtlijn wordt het begrip ‘verkoper’ gedefinieerd als ‘iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit’ terwijl ‘iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen’ als ‘consument’ wordt aangemerkt. Aan het begrip verkoper wordt zo een brede draagwijdte gegeven. Uit het gebruik van de term ‘iedere’ in de begripsbepaling wordt afgeleid dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon als een verkoper in de zin van de richtlijn moet worden beschouwd zodra hij een beroepsactiviteit uitoefent. Anders dan door [gedaagde] is aangevoerd betekent dat overigens niet automatisch dat daardoor alle overeenkomsten met een consument onder de richtlijn vallen. Nagegaan moet worden of de contractuele verhouding deel uitmaakt van de activiteiten die een verkoper beroeps- of bedrijfsmatig verricht en dat is hier niet het geval. [eiseres] is een schildersbedrijf met als enig aandeelhouder en bestuurder [naam]. Niet gebleken is dat [eiseres] naast het beroepsmatig uitvoeren van schilderwerkzaamheden het verstrekken van geldleningen als activiteit verricht. Dat in de geldleningsovereenkomst ‘professionele’ termen zijn opgenomen, zoals door [gedaagde] is aangevoerd, maakt dit niet anders. Tegenwoordig zijn immers diverse modellen van geldleningsovereenkomsten voor eenieder via het internet beschikbaar. [eiseres] is dan ook geen verkoper in de zin van de Richtlijn, zodat deze niet van toepassing is.

3.5

Voorgaande neemt niet weg dat op grond van de open norm van artikel 6:233 sub a BW een beding in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend kan worden bevonden, daarbij in aanmerking nemend dat tussen [eiseres] en [gedaagde] blijkbaar niet in geschil is dat artikelen 2 en 4 van de overeenkomst moeten worden aangemerkt als een “beding in algemene voorwaarden” als bedoeld in artikel 6:233 BW.

Volgens artikel 6:233 sub a BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de algemene voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Daarbij komt het aan op de beoordeling van de eventuele onredelijk bezwarende gevolgen waaraan het beding, bij gebondenheid daaraan, de wederpartij van aanvang af blootstelt en dus niet slechts van die voor de wederpartij nadelige gevolgen die zich zouden kunnen verwezenlijken.

3.6

Zowel [eiseres] als [gedaagde], tussen wie geen zakelijke relatie bestaat, hadden destijds

-kennelijk- onafhankelijk van elkaar interesse in deelname in het bedrijf [naam bedrijf], waarbij dus, anders dan door [gedaagde] aangevoerd, geldt dat [eiseres] geen professionele partij is op de financiële dienstverleningsmarkt. [gedaagde] zocht om die reden een investeerder en vond die in [eiseres]. Zoals hiervoor overwogen betreft de geldleningsovereenkomst een standaard document over welke inhoud niet is onderhandeld, althans daar is niet van gebleken. Dat [gedaagde] bedenktijd heeft gekregen, zoals door [eiseres] is gesteld, maakt nog niet dat het beding onderhandelbaar was. Partijen zijn wel overeengekomen dat de eerste vier maanden de lening niet afgelost hoefde te worden en dat rente vanaf het begin van de looptijd is verschuldigd. Dit betreft een rente van 3% per jaar, de gangbare wettelijke rente. Daarnaast is een boete overeengekomen in het geval niet correct wordt nagekomen van

€ 1.000,- per gebeurtenis verhoogd met € 500,- per dag dat de tekortkoming voortduurt zodat in beginsel ervan moet worden uitgegaan dat [gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst van geldlening wist of behoorde te weten welke verplichtingen hij aanging en welke financiële gevolgen daaraan verbonden waren nu het boetebeding duidelijk omschreven staat in de geldleningsovereenkomst. [gedaagde] wist dus of behoorde te weten dat hij een boete verschuldigd zou raken als hij niet aan zijn verplichtingen voldeed. Daarnaast is het niet ongebruikelijk dat een dergelijke boeteclausule wordt opgenomen in een overeenkomst van geldlening. Al deze omstandigheden maken dat het boetebeding niet onredelijk bezwarend wordt geacht.

3.7

Door [gedaagde] is bij gebondenheid aan het boetebeding een beroep op matiging gedaan. De in artikel 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging van een contractuele boete slechts grond kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat pas van een bevoegdheid tot matiging gebruik gemaakt mag worden als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt.

Het boetebeding in de geldleningsovereenkomst met [gedaagde] is opgenomen als prikkel tot nakoming van de betalingsverplichting zoals dat gebruikelijk is bij leningen. Echter het betreft hier een, in meerdere opzichten, ‘dubbel’ boetebeding namelijk zowel zodra een termijn te laat wordt betaald en daarnaast zolang die termijn niet wordt voldaan. En voor elke volgende niet tijdig betaalde termijn worden de boetes opnieuw verschuldigd. Dergelijke (ongemaximeerde) boetes lopen ongewoon hoog op, zeker afgezet tegen het hier geleende bedrag van € 10.000,- zodat het de vraag is of [gedaagde] dit zich heeft gerealiseerd bij het sluiten van de lening. Ook is de vraag of [eiseres] zich dit heeft gerealiseerd op dat moment. Volgens haar zou per 23 december 2020 de boete zelfs € 331.500,- bedragen terwijl de intentie van het boetebeding slechts was een stok achter de deur te hebben zodat [eiseres] het geleende bedrag daadwerkelijk zou terugkrijgen. [eiseres] heeft zelf al ingezien dat een strikte naleving van het boetebeding een buitensporig hoog bedrag aan boete oplevert en heeft het boetebedrag gematigd tot € 7.594,55. Ondanks deze matiging staat de gevorderde boete naar het oordeel van de kantonrechter niet in reële verhouding tot de veronderstelde werkelijke schade voor [eiseres]. Toepassing van het boetebeding leidt dan ook onder voornoemde omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. De boete zal daarom worden gematigd tot een bedrag van € 2.500,-. Dat banken tegenwoordig een negatieve rente berekenen zodat er eigenlijk geen sprake is van gemist rendement, zoals door [gedaagde] is aangevoerd, doet er niet toe. [eiseres] heeft het uitgeleende en niet tijdig terugbetaalde bedrag niet kunnen aanwenden zoals zij dat zou willen, waarbij ook helemaal niet vast staat of zij dit bedrag op een bankrekening zou zetten.

Lening 2

3.8

Door [gedaagde] wordt betwist dat hij partij is bij deze lening. Volgens hem is lening 2 aangegaan door [naam bedrijf]. Door [gedaagde] is in dit verband aangevoerd dat hij slechts lening 1 in november 2018 is aangegaan om te kunnen deelnemen in [naam bedrijf]. Op

25 januari 2019 heeft [eiseres] een bedrag van € 5.500,-, aan [gedaagde] overgemaakt wat hij (na enkele inhoudingen) heeft doorgestort aan [naam bedrijf], aldus [gedaagde].

Uit de stukken blijkt dat het bedrag van € 5.500,- naar de privébankrekening van [gedaagde] is overgemaakt met de omschrijving ‘Lening aan [gedaagde], na aandeel overdracht wordt dit een lening van [eiseres] aan [naam bedrijf]’ (zie 1.4), dezelfde rekening als waarop eerder het geleende bedrag van € 10.000,- is gestort. Door [gedaagde] is destijds niet geprotesteerd tegen de storting op zijn privébankrekening dan wel tegen genoemde omschrijving, althans daar is in deze procedure niets van gebleken. Uit deze omstandigheden kan niets anders worden afgeleid dan dat [eiseres] de lening aan [gedaagde] zelf heeft verstrekt. Aangezien partijen het erover eens zijn dat er geen overdracht van aandelen van [naam bedrijf] heeft plaatsgevonden aan [gedaagde] en/of [eiseres] is de lening ook niet in een later stadium overgegaan op [naam bedrijf]. Dat er enige aflossingen op lening 2 hebben plaatsgevonden middels goederen uit de winkel van [naam bedrijf] maakt dit oordeel niet anders. Uit de overgelegde correspondentie blijkt immers overigens dat [naam bedrijf] ook inzake geldlening 1 aflossingen heeft verricht voor, dan wel namens, [gedaagde] terwijl [naam bedrijf] bij die lening (ook) geen partij is.

3.9

Door [eiseres] is het verweer van [gedaagde] dat de lening middels de levering van goederen afgelost mag worden inclusief btw onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele stelling dat zij de btw zakelijk gezien niet kan verrekenen is daartoe immers onvoldoende. In mindering had dan dienen te strekken € 717,50 en € 584,14 in plaats van € 592,97 en

€ 482,76, zodat aan hoofdsom een bedrag van € 4.198,46 wordt toegewezen.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding omdat voor toewijzing vanaf een eerdere datum geen deugdelijke grondslag is gesteld.

3.10

Door [gedaagde] is aangevoerd dat hij (nog steeds) het verschuldigde wenst af te betalen middels een betalingsregeling. Gelet op het bepaalde in artikel 6:29 BW is de kantonrechter niet gerechtigd om een betalingsregeling vast te stellen zonder toestemming van [eiseres]. Die toestemming is in deze procedure niet gegeven. Voor het treffen van een betalingsregeling wordt [gedaagde] verwezen naar de gemachtigde van [eiseres].

Buitengerechtelijke incassokosten

3.11

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Die vordering moet beoordeeld worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten voor zover het betreft dat deel van de hoofdsom, waarvan het verzuim is ingetreden na 1 juli 2012. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu de door [eiseres] aan [gedaagde] verzonden aanmaningen niet voldoen aan de in artikel 6:96, zesde lid BW gestelde eis om de bij niet tijdige betaling van de hoofdsom verschuldigde kosten uit te drukken in een concreet bedrag.

Beslagkosten

3.12

Ingevolge artikel 706 Rv komen de beslagkosten ten laste van [gedaagde] als beslagene, tenzij hij kan aantonen dat de beslagen nietig, onnodig of onrechtmatig waren. Niet gesteld en/of gebleken is dat de beslagen nietig zijn. De door [gedaagde] gestelde en door [eiseres] gemotiveerd betwiste onnodigheid of onrechtmatigheid van de beslagen is evenmin komen vast te staan. Zoals hiervoor is geoordeeld wordt de onderliggende vordering toegewezen. [eiseres] was daarom in beginsel gerechtigd deze beslagen te (laten) leggen. [eiseres] heeft per verzoekschrift van 29 juni 2020 verzocht conservatoir beslag te mogen leggen op de bankrekening van [gedaagde] en op zijn loon. Het verlof met betrekking tot de bankrekening is verleend, met betrekking tot het loonbeslag is een zitting in Amsterdam gehouden, waarna dat verzoek is afgewezen. Het bankbeslag heeft niets opgeleverd, zodat niet valt in te zien dat het daaropvolgende verzoek beslag te mogen leggen op de woning van [gedaagde] onnodig was. Dit verlof is verleend op 13 augustus 2020, en op 14 augustus 2020 is het beslag gelegd. Door [gedaagde] is nadien ook niet om opheffing van het beslag gevraagd, althans zulks is niet gebleken. Geconcludeerd moet worden dat een en ander rechtmatig is verlopen.

Evenmin kan het verweer van [gedaagde] dat hij een nieuwe afbetalingsregeling wilde treffen, dat [eiseres] op de hoogte was van zijn financiële positie en dat er een hoge hypotheek die op het onroerend goed ligt, niet tot de conclusie leiden dat de gelegde conservatoir beslagen daarom onnodig zijn geweest. [gedaagde] was immers de afbetalingsregeling niet of onvoldoende nagekomen. [eiseres] wilde het verhaal van zijn vordering via de beslagen meer zeker stellen. [gedaagde] is dan ook de beslagkosten verschuldigd, behalve de kosten van de overbetekening van het bankbeslag, nu geen kopie van het overbetekeningsexploot in het geding is gebracht. Het bovenstaande brengt mee dat de door [gedaagde] gevorderde bank- en advocaatkosten worden afgewezen.

Proceskosten

3.13

[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 83,38 aan dagvaardingskosten, € 340,- aan vast recht, € 1.494,- aan salaris voor de gemachtigde

(3 punten) en € 1.161,52 aan beslagkosten (€ 174,76 + € 85,41 + € 245,35 + € 656,- griffierecht), genoemde bedragen te vermeerderen met de verschuldigde rente vanaf 14 dagen na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der voldoening.

De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 9.257,05 (lening 1; hoofdsom, overeengekomen rente en boete), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 6.328,16 vanaf 1 augustus 2020 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 4.198,46 (lening 2), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 1.584,90 aan verschotten en € 1.494,- aan salaris voor de gemachtigde, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening en, indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een bedrag van € 124,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [gedaagde] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over laatstgenoemde bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

745