Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8398

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
16-09-2021
Zaaknummer
9252235 HA VERZ 21-62
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kwalificatievraag. Naar het oordeel van de kantonrechter is geen sprake van een gezagsverhouding zoals bedoeld in artikel 7:610 BW. Derhalve is geen sprake van een arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1177
Viditax (FutD), 22-9-2021
FutD 2021-2981
XpertHR.nl 2021-20006198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9252235 HA VERZ 21-62

uitspraak: 25 augustus 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente]

eiser,

gemachtigde: mr. W. van Wijngaarden,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.A. Visser.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en [gedaagde] .

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift, door de rechtbank ontvangen op 31 mei 2021, met producties;

  • -

    het verweerschrift, met producties;

  • -

    de aanvullende producties van verzoeker;

  • -

    tweemaal aanvullende producties van verweerder;

  • -

    de pleitaantekeningen van de gemachtigden van verzoeker en verweerder.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2021.

2. De vaststaande feiten

2.1

Als door de ene partij gesteld en door de andere partij niet weersproken staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[eiser] en [gedaagde] hebben vanaf 1 maart 2020 drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met elkaar gesloten. Met ingang van 1 januari 2021 hebben partijen een vierde overeenkomst met elkaar gesloten, die de naam ‘managementovereenkomst’ heeft gekregen.

2.3

[eiser] en [persoon A] , enig middellijk bestuurder en aandeelhouder, zijn met elkaar in gesprek geweest in verband met een mogelijke overname van [gedaagde] door [eiser] . Deze onderhandelingen zijn stukgelopen, waarna [gedaagde] het volgende aan [eiser] heeft geschreven:

Aangezien wij geen enkele reactie hebben ontvangen op onze laatste voorstellen, de door ons gestelde deadline daartoe verliep gisteren om 12:00u, gaan wij er vanuit dat het niet is gelukt om (tijdig) de benodigde financiering rond te krijgen, waardoor de overname geen doorgang zal vinden.

Zoals aangegeven in ons e-mailbericht van vrijdag 26 maart 2021 15:14u is het door ons geformuleerde voorstel dan ook definitief komen te vervallen.

Morgen eindigt ook de managementovereenkomst, en is dus jouw laatste werkdag.

[persoon B] zal morgen aanwezig zijn om de onderhanden werkzaamheden over te nemen, en auto, sleutels e.d. in ontvangst te nemen.”

2.4

Nader overleg tussen partijen in april 2021 heeft niet tot een overname van [gedaagde] door [eiser] geleid.

3. Het geschil

3.1

[eiser] verzoekt dat bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van:

I. een gefixeerde schadevergoeding van € 4.860,- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2021;

II. een transitievergoeding van € 1.890,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2021;

III. een billijke vergoeding van € 61.398,- bruto en € 6.500,- netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2021;

IV. een bedrag van 1.340,- bruto ter zake de opgebouwde, niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf 1 mei 2021;

V. een bedrag ad € 1.080,- bruto ter zake de opgebouwde vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf 1 mei 2021;

VI. de buitengerechtelijke kosten van € 1.870,27 inclusief btw;

en voorts,

VII. [gedaagde] te veroordelen om aan de heer [eiser] binnen veertien dagen na de in dezen te wijzen beschikking schriftelijke en deugdelijke bruto/netto-specificaties te verstrekken, betreffende alle door [gedaagde] aan de heer [eiser] te verrichten betalingen uit hoofde van de hiervoor gedane verzoeken welke door uw rechtbank zullen worden toegewezen en tevens over de gehele duur van het dienstverband over de periode maart 2020 tot en met maart 2021, zulks op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,-.

VIII. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten.

3.2

[eiser] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, die niet in overeenstemming met artikel 7:671BW is opgezegd. [gedaagde] is om die reden gehouden tot betaling van verschillende vergoedingen.

3.3

[gedaagde] voert verweer tegen het verzoek en legt daaraan ten grondslag dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst bestaat, maar een managementovereenkomst. Van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is daarom geen sprake. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de verzoeken.

4. De beoordeling

4.1

Partijen zijn het erover eens dat tussen hen drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd hebben bestaan en dat zij daarna nog een vierde overeenkomst zijn aangegaan. Partijen zijn in geschil over de vraag of deze ‘managementovereenkomst’ van 1 januari 2021 kwalificeert als een arbeidsovereenkomst.

4.2

Partijen zijn het er in grote lijnen over eens dat het gegaan is zoals volgt. Op 17 december1 is aan [eiser] medegedeeld dat geen nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand zal komen tussen partijen. Waar in de eerdere arbeidsovereenkomsten is opgenomen dat het de bedoeling is ‘t.z.t. aandelen over te nemen’, is alvorens de managementovereenkomst is aangegaan om die reden eerst op 23 december 2021 een intentieovereenkomst2 gesloten over de overname. De managementovereenkomst is gesloten voor de duur van het overnametraject: drie maanden.

4.3

In de tussengelegen periode wenste [eiser] betrokken te blijven bij [gedaagde] . Partijen corresponderen hierbij over het inrichten van de fase tot de overname. [eiser] stelt hierbij voor om voor zijn financiële tegenprestatie te factureren vanuit zijn reeds bestaande ‘sales-marketing bedrijfje’. Gedurende januari, februari en maart 2021 onderhandelen partijen over de voorwaarden waaronder overname kan plaatsvinden.3

4.4

[eiser] werkt in deze overgangsperiode ook bij [gedaagde] op kantoor. [eiser] houdt zich inmiddels ook bezig met de arbeidsvoorwaarden van de werknemers, zoals onder andere blijkt uit de e-mail4 van [eiser] aan [persoon C] van 16 februari 2021. Ook voor wat betreft een aflopende arbeidsovereenkomst nam [eiser] het initiatief.5

4.5

Bij de vraag of de laatste tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, is niet van belang of partijen dat beoogden. Eerst moet volgens de haviltexmaatstaf worden vastgesteld wat partijen over en weer zijn overeengekomen, dus welke verplichtingen er over en weer golden, en pas daarna kan worden beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in de wet.6 Op grond van artikel 7:610 BW is sprake van een arbeidsovereenkomst als de werknemer arbeid verricht, loon ontvangt en er sprake is van een gezagsverhouding.

4.6

Dat [eiser] arbeid verricht is tussen partijen niet in discussie. De arbeid omvat volgens [eiser] dezelfde managementwerkzaamheden die hij ook in zijn functie van Sales Director tijdens de eerdere arbeidsovereenkomsten vervulde. Voor deze arbeid ontving [eiser] ook een financiële tegenprestatie. Aan het vereiste van het ontvangen van loon is dus ook voldaan.

4.7

Naar het oordeel van de kantonrechter is echter geen sprake van een gezagsverhouding zoals bedoeld in artikel 7:610 BW. Partijen verhouden zich op gelijke voet tot elkaar. Daarom kan niet worden gesproken van een overeenkomst waarbij de werker gezien zijn afhankelijke positie bescherming verdient ten opzichte van de werkgever.

4.8

Met name is van belang dat ten opzichte van de drie eerdere overeenkomsten de verhouding tussen partijen is veranderd. Een gezagsverhouding tussen partijen ontbreekt. Nadat duidelijk was dat [gedaagde] niet verder wilde met [eiser] als Sales Director, zijn partijen in overleg getreden over overname van [gedaagde] door [eiser] . Partijen hebben hierbij concreet een periode van drie maanden voor ogen gehad waarbinnen dit moest worden geregeld. Het doel van partijen was dan ook niet om samen te blijven werken. In de tussengelegen periode was [eiser] weliswaar werkzaam voor [gedaagde] , maar [eiser] gaat eraan voorbij dat dit ook in zijn eigen belang en op zijn eigen verzoek is geweest. [eiser] zou immers ook de financiële en economische consequenties ervaren indien [gedaagde] slechter presteert. [eiser] heeft dan ook zelf als onderdeel van het overleg een overeenkomst afgedwongen die ondersteunt dat hij zijn positie binnen [gedaagde] gedurende het traject kan handhaven.

4.9

Dat tegenover het recht om betrokken te blijven ook de verplichting staat om op kantoor te verschijnen is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de gezondheid van [persoon A] en de korte termijn voor overname. Dat [persoon A] nog bijgepraat wenste te worden zolang de overname onzeker was doet ook niet af aan de positie van [eiser] aangezien hij wel de ruimte kreeg en nam om zich bezig te houden met de zakelijke aspecten van [gedaagde] .

4.10

Bijvoorbeeld uit de aanpak van [eiser] van de personeelszaken binnen [gedaagde] blijkt dat [eiser] gedurende de onderhandelingen ook al de ruimte voelt om zich te mengen in beslissingen omtrent personele zaken. Bovendien is [eiser] door [persoon A] ook betrokken bij het aannemen van een nieuw personeelslid. [eiser] voert aan dat hij niet betrokken is geweest bij de werving, maar nog slechts een tweede gesprek mocht voeren met de nieuw aan te nemen collega. Dit neemt echter niet weg dat, gelet op de aanstaande overname door [eiser] , hij inspraak heeft gekregen in het personeelsbeleid. [eiser] had de kandidaat dan ook kunnen afwijzen indien hij met deze persoon niet wenste samen te werken in zijn onderneming. Dit is wezenlijk anders dan het aandragen van kandidaten bij [persoon A] die hij kent vanuit zijn eigen netwerk. Dit kan immers iedere werknemer doen.

4.11

[eiser] voert ook aan geen zelfstandige beslissingen te hebben mogen nemen over de aankopen van de onderneming, bijvoorbeeld op het gebied van marketingdoeleinden. [eiser] heeft echter niet gesteld dat hij volledig buitenspel werd gezet voor wat betreft de aankopen en overeenkomsten van de onderneming en dat [gedaagde] de intentieovereenkomst niet is nagekomen. Hierin is immers in artikel 67 opgenomen dat partijen tijdens de duur van de intentieovereenkomst zich onthouden van besluiten, transacties en beleidswijzigingen zonder daarover met de andere partij te overleggen. [eiser] voert weliswaar aan dat hij het gevoel had niet vrij te zijn om zelfstandig beslissingen te nemen, maar dit is wezenlijk anders dan geen enkele inspraak hebben bij te nemen beslissingen. Gelet op de onzekerheid over de overname van [gedaagde] is het niet onbegrijpelijk om dergelijke besluiten in overleg te nemen. Juist deze wederzijdse verplichting tot overleg duidt op een gelijkwaardige positie tussen [persoon A] en [eiser] ten aanzien van beslissingen die gevolgen hebben voor de onderneming.

4.12

Gelet op al deze omstandigheden is er in ieder geval ten tijde van de managementovereenkomst geen sprake van een gezagsverhouding tussen partijen. Aan de vereisten van artikel 7:610 BW is dan ook niet voldaan, zodat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De verzoeken die verband houden met de gestelde onregelmatige opzegging worden afgewezen.

4.13

De verzochte transitievergoeding zal worden afgewezen nu – zoals [gedaagde] terecht aanvoert – de vervaltermijn hiervoor reeds is verstreken.

4.14

[gedaagde] dient wel [eiser] van zijn loonstroken te voorzien over de periode dat hij wel werkzaam was op grond van een arbeidsovereenkomst, te weten maart 2020 tot en met juni 2020. De overige loonstroken heeft [gedaagde] reeds overgelegd als productie 52a bij verweerschrift. Dit verzoek zal worden toegewezen op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-.

4.15

[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter,

veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] de loonstroken over maart 2020 tot en met juni 2020 te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag zolang zij daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.496,- aan salaris gemachtigde;

verklaart bovengenoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.R. Roukema en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

41645

1 Productie 7 bij verzoekschrift.

2 Productie 9 bij verweerschrift.

3 Producties 16 t/m 32 bij verweerschrift.

4 Productie 45 bij verweerschrift.

5 Productie 48 bij verweerschrift.

6 HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746.

7 Productie 9 bij verweerschrift.