Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8274

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
10/812002-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon. Taakstraf voor de duur van 60 uren. Vordering BP gedeeltelijke (hoofdelijk) toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/812002-19

Datum uitspraak: 18 augustus 2021

Verstek

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] .

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 augustus 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. B.M.M. Zonneveld, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Feit 1 primair : bewijswaardering

De rechtbank stelt vast dat er op 6 oktober 2018 een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen een groep, waarvan de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) onderdeel uitmaakten, en twee anderen, waaronder aangever [naam slachtoffer 1] , op straat in Maassluis. Tijdens deze confrontatie heeft de verdachte aangever een kopstoot gegeven en heeft de medeverdachte aangever getrapt. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte door aldus te handelen een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging.

Partiële vrijspraak

Met de officier van justitie is de rechtbank ook van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verder ten laste gelegde geweldshandelingen zijn gepleegd jegens aangever. De rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

4.1.1.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld dat bestond uit het geven van een kopstoot en een trap.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 6 oktober 2018 te Maassluis aan de openbare weg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit:

- het geven van een kopstoot tegen die [naam slachtoffer 1] en

- het trappen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 1]

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

In de nacht van 6 oktober 2018 heeft de verdachte zich samen met de medeverdachte en onder invloed van alcohol schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte en zijn vrienden hebben op de openbare weg in Maassluis twee personen, waaronder het slachtoffer, uitgedaagd en een agressieve situatie gecreëerd. Hierop is een confrontatie ontstaan tussen de verdachte en aangever, waarbij de verdachte het slachtoffer een kopstoot heeft gegeven. Vervolgens heeft de medeverdachte het slachtoffer een trap gegeven.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij de aanstichter was van het geweld door na een woordenwisseling als eerste het slachtoffer een kopstoot te geven en daarmee, in de nacht en op de openbare weg, een verdere escalatie in gang te brengen. De verdachte heeft verklaard dat hij van zichzelf weet dat hij agressief kan worden als hij alcohol heeft gedronken. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een dergelijke ervaring kan nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid bij een slachtoffer veroorzaken. Tevens zorgen uitingen van geweld op de openbare weg doorgaans in de samenleving als geheel voor gevoelens van onrust en onveiligheid. Daarnaast liep de verdachte tijdens het plegen van het bewezenverklaarde feit in een proeftijd bij een eerdere veroordeling.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 juli 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, zij het al wat langer geleden, is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. In de periode van bijna drie jaar na het bewezen feit is de verdachte niet opnieuw in aanraking gekomen met justitie.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gelet op het aandeel van de verdachte in het openlijk geweld – het geven van een kopstoot – acht de rechtbank oplegging van een taakstraf passend en geboden. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om een gevangenisstraf op te leggen, ook gelet op het forse tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit.

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 60 uren passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [naam slachtoffer 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 1] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 714,42 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.617,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Beoordeling

Materiële schade

De benadeelde partij zal ten aanzien van de materiële schade in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank gaat er vanuit dat de materiële schade verband houdt met een geweldsmoment dat later die avond heeft plaatsgevonden tussen de benadeelde en de medeverdachte. Dat geweldsmoment is niet aan de verdachte ten laste gelegd.

Immateriële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 150,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien het bewezenverklaarde feit uitsluitend ziet op het eerste van twee geweldsmomenten die hebben plaatsgevonden en in de vordering niet wordt onderscheiden welk deel van de gevorderde immateriële schade daaruit voortvloeit. De bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering zijn dan ook thans ontoereikend. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zal hij hoofdelijk met die mededader, tot betaling worden veroordeeld.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 6 oktober 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.3.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij hoofdelijk een schadevergoeding betalen van

€ 150,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Benadeelde partij [naam slachtoffer 2]

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft de vordering tot schadevergoeding ter terechtzitting ingetrokken, aangezien de gevorderde schade niet in verband staat met het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Omtrent deze vordering hoeft de rechtbank dan ook geen beslissing te nemen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 54 (vierenvijftig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 27 (zevenentwintig) dagen;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader [naam medeverdachte] zo, dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 150,- (zegge: honderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 6 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer 1] te betalen € 150,- (zegge: honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening en bepaalt dat bij het uitblijven van (volledige) betaling gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 3 (drie) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. J.M.L. van Mulbregt en B. Vaz, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 augustus 2021.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

moment 1 d.d. 6 okt 2018

hij op of omstreeks 6 oktober 2018 te Maassluis, op of aan de openbare weg, de [plaats delict] ,

in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit:

- het geven van een kopstoot tegen die [naam slachtoffer 1] en/of

- het trappen in de richting van/tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 1]

en/of

- het slaan van die [naam slachtoffer 1] en/of

- het vastpakken, duwen en/of trekken van die [naam slachtoffer 1] ;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 oktober 2018 te Maassluis, [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 1] een kopstoot te geven en/of te slaan.