Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8261

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
07-09-2021
Zaaknummer
C/10/620613 / KG ZA 21-525
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing beslagen tegen zekerheidstelling. Vordering ontheffing non-concurrentieverbod en relatiebeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/620613 / KG ZA 21-525

Vonnis in kort geding van 20 augustus 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DNZB WEB B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DNZB FRANCHISE B.V.,

beide gevestigd te Maassluis,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. M.W. Renzen te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZORG PAREL S.N. B.V.,

gevestigd te Druten,

2. [naam gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. A.W. Dolphijn te Rotterdam,

procesadvocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker te Utrecht.

Partijen worden hierna DNZB Web, DNZB Franchise, Zorg Parel en [naam gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 juni 2021, met producties 1 tot en met 6,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 4,

  • -

    de aanvullende productie 7 van DNZB Web en DNZB Franchise,

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 8 juli 2021,

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Renzen,

  • -

    de pleitnota van mr. Dolphijn.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen de voorzieningenrechter verzocht om de zaak twee weken aan te houden met het oog op een minnelijke regeling. Bij e-mail van 21 juli 2021 heeft mr. Renzen aan de voorzieningenrechter laten weten dat geen finale regeling tot stand was gekomen en verzocht om vonnis te wijzen. Bij e-mail van dezelfde dag heeft mr. Franken-Schoemaker dat verzoek eveneens gedaan.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

DNZB Franchise heeft onder de naam De Nederlandse Zorg Bemiddelaar (DNZB) een franchiseformule ontwikkeld voor de bemiddeling tussen zelfstandige zorghulpverleners en zorginstellingen. DNZB Web is een aan DNZB Franchise gelieerde vennootschap en houdt zich bezig met gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten.

2.2.

DNZB Franchise en [naam gedaagde] hebben een franchiseovereenkomst gesloten, ingaande op 1 maart 2016 en eindigend op 28 februari 2021. Daarmee heeft DNZB Franchise als franchisegever aan [naam gedaagde] als franchisenemer het recht verleend om in de vorm van een eenmanszaak voor de duur van de overeenkomst binnen de rayons Nijmegen en Noordoost-Brabant de franchiseformule te exploiteren en het bijbehorende softwareplatform ‘mijnDNZB’ te gebruiken. In artikel 15 lid 2 van de franchiseovereenkomst is bepaald dat [naam gedaagde] voor de bemiddeling een bemiddelingsfee ontvangt, waarvan de hoogte afhankelijk is van de gemaakte prijsafspraak met de zorginstelling. Verder staat in voornoemd artikel dat DNZB Franchise een vast percentage van 7,5% ontvangt over het uurtarief van de zelfstandige zorghulpverlener.

2.3.

Artikel 17 van de franchiseovereenkomst bepaalt dat zowel de franchisenemer als de franchisegever het recht heeft om de franchiseovereenkomst ten minste zes maanden voor de einddatum op te zeggen. Bij beëindiging van de franchiseovereenkomst eindigt het recht op bemiddeling conform de franchiseformule en via ‘mijnDNZB’. Verder staat in artikel 24.2 van de franchiseovereenkomst dat franchisenemer te allen tijde het recht behoudt op uitbetaling van de bemiddelingsfee die is ontstaan door bemiddeling vóór de datum van beëindiging, maar die pas na de beëindiging betaalbaar wordt gesteld.

2.4.

In artikel 21 van de franchiseovereenkomst zijn een non-concurrentieverbod en een relatiebeding opgenomen. Op de niet-naleving daarvan door [naam gedaagde] is een boete gesteld. Het non-concurrentieverbod en het relatiebeding luiden als volgt:

“21.3 Franchisenemer zal, behalve met voorafgaande schriftelijke toestemming van Franchisegever, gedurende de looptijd van de Overeenkomst en tevens gedurende een (1) jaar na beëindiging van de Overeenkomst, geen nieuwe direct concurrerende (soort)gelijke activiteiten of diensten als die van Franchisegever ontplooien en tevens geen zakelijke relatie of loondienstverband mogen onderhouden of aangaan met een keten en/of een (rechts)persoon en/of een vennootschap, die in de Zorgbemiddelingsbranche een soortgelijke Formule exploiteert.

21.4

Het is Franchisenemer verboden om binnen een periode van twee (2) jaar na beëindiging van de overeenkomst direct of indirect, actief of passief zakelijke contacten te (blijven) onderhouden of aan te gaan, op welke wijze dan ook, met klanten en prospects zijnde Zorginstellingen, Opdrachtgevers, ZZP’ers van Franchisegever, Franchisenemer of andere franchisenemers. Het is Franchisenemer voorts verboden om direct of indirect, actief of passief deze relaties te (doen) bewerken voor het aangaan van overeenkomsten, contacten of andere zakelijke relaties of verbintenissen. Als klanten en prospects worden aangemerkt alle op het tijdstip van het einde van de Overeenkomst geregistreerde prospects of klanten in mijnDNZB.”

2.5.

Op 29 november 2018 is Zorg Parel opgericht, van welke vennootschap [naam gedaagde] – via Parel’s Holding B.V. – enig bestuurder en aandeelhouder is. [naam gedaagde] heeft haar eenmanszaak in Zorg Parel ingebracht, met instemming van DNZB Franchise.

2.6.

Op 25 maart 2020 hebben DNZB Web en Zorg Parel een overeenkomst gesloten. Daarin staat vermeld dat Zorg Parel, zoals verplicht gesteld in de franchiseovereenkomst, uitsluitend gebruik zal maken van het softwareplatform ‘mijnDNZB’. Verder zijn in de overeenkomst afspraken over het tarief en de betaling vastgelegd.

2.7.

Op 30 juni 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1], indirect bestuurder van DNZB Franchise en DNZB Web, [naam 2], algemeen directeur bij DNZB, en [naam gedaagde]. Tijdens dit gesprek hebben [naam heren] laten weten dat zij de franchiseorganisatie wilden staken en dat zij de samenwerking met [naam gedaagde] in een andere vorm wilden voortzetten. Met het oog op de daarover te voeren onderhandelingen hebben DNZB Web, DNZB Franchise en Zorg Parel een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend. Verder is namens DNZB Franchise een brief overhandigd, waarin de franchiseovereenkomst tegen 28 februari 2021 is opgezegd.

2.8.

Na 30 juni 2020 hebben [naam heren] en [naam gedaagde] met elkaar onderhandeld over een nieuwe vorm van samenwerken. Daarover hebben zij geen overeenstemming bereikt, zodat de franchiseovereenkomst op 28 februari 2021 is geëindigd.

2.9.

Bij brief van 1 maart 2021 heeft de advocaat van [naam gedaagde] en Zorg Parel zich richting de advocaat van DNZB Franchise en DNZB Web op het standpunt gesteld dat DNZB Franchise en DNZB Web de onderneming van Zorg Parel hebben voortgezet zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Daarbij is – kort gezegd – opgemerkt dat DNZB Franchise zich bij de herinrichting van de samenwerking niet als een goed franchisegever heeft opgesteld en dat DNZB Franchise en DNZB Web een vergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, goodwill/klantvergoeding verschuldigd zijn.

2.10.

Bij brief van 4 maart 2021 heeft de advocaat van DNZB Franchise en DNZB Web betwist dat DNZB Franchise zich niet als goed franchisegever heeft opgesteld. Verder heeft hij aan de advocaat van [naam gedaagde] en Zorg Parel laten weten dat DNZB Franchise de onderneming van Zorg Parel niet zal voortzetten, maar dat in de regio waarin Zorg Parel actief was een aan DNZB Franchise gelieerde onderneming wordt gestart. Daarnaast is opgemerkt dat DNZB Web geen partij is bij de franchiseovereenkomst.

2.11.

Bij dagvaarding van 1 april 2021 hebben [naam gedaagde] en Zorg Parel bij deze rechtbank een bodemprocedure (met zaak- en rolnummer C/10/616646 / HAZA 21-329) tegen DNZB Franchise en DNZB Web aanhangig gemaakt. Daarin is, naast een uitvoerbaarverklaring bij voorraad en een vergoeding van (proces)kosten, gevorderd:

“I. Een verklaring voor recht dat DNZB Franchise B.V. tekortgeschoten is, althans onrechtmatig gehandeld heeft, ter zake;

a. Het gedragen als goed franchisegever ten aanzien van de afspraken tot voortzetting van de herinrichting van de samenwerking;

b. Het schenden van de informatieplicht ten aanzien van de afspraken tot voortzetting van de herinrichting van de samenwerking;

c. Het niet nakomen van de afspraak/toezegging alternatieve zekerheid te stellen, in plaats van de aangezegde conservatoire maatregelen.

II. Een verklaring voor recht dat [naam gedaagde] recht heeft op een vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking, voor goodwill, schade en/of (klant)vergoeding van DNZB Web B.V. en/of DNZB Franchise B.V. zo mogelijk hoofdelijk;

III. Een verklaring voor recht dat DNZB Franchise B.V. en/of DNZB Web B.V. vergoedingsplichtig is/zijn (op grond van hetgeen bepaald is onder I en II of anderszins), nader op te maken bij staat;

IV. DNZB Franchise B.V. en/of DNZB Web B.V. zo veel mogelijk hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 800.000,-, althans een bedrag door U E.A. te bepalen;

V. Het concurrentieverbod en relatiebeding te vernietigen, de betreffende bedingen buiten werking te stellen, althans [naam gedaagde] daarvan (zo veel mogelijk) te ontheffen, althans de werking van de betreffende bepalingen te beperken;

(…)”

2.12.

Bij verzoekschrift van 27 mei 2021 hebben [naam gedaagde] en Zorg Parel de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van DNZB Franchise en DNZB Web. Daaraan hebben zij onder meer ten grondslag gelegd dat DNZB Franchise en DNZB Web tegenover Zorg Parel tekort schieten in de nakoming van de verplichtingen uit de franchiseovereenkomst en dat zij in groepsverband onrechtmatig jegens [naam gedaagde] handelen en hebben gehandeld. Na een nadere toelichting is het verlof op 28 mei 2021 verleend. Daarbij is de vordering met inbegrip van rente en kosten – conform het verzoek – begroot op € 99.000,00.

2.13.

Op 3 juni 2021 hebben [naam gedaagde] en Zorg Parel conservatoir beslag doen leggen onder ABN AMRO Bank N.V. en de Ontvanger der Rijksbelastingen.

2.14.

Op 23 juni 2021 hebben DNZB Franchise en DNZB Web in de bodemzaak een conclusie van antwoord genomen en in reconventie opheffing van de beslagen gevorderd. Op dezelfde datum hebben [naam gedaagde] en Zorg Parel een akte houdende eiswijziging ingediend. Daarin zijn de vorderingen uitgebreid met – kort gezegd – een vordering tot nakoming door DNZB Franchise van de betaling van (doorlopende) bemiddelingsfee. Daarnaast is opgemerkt dat daar waar in het lichaam en het petitum van de dagvaarding [naam gedaagde] staat [naam gedaagde] en/of Zorg Parel moet worden begrepen.

2.15.

Bij brief van 2 juli 2021 heeft mr. Renzen namens DNZB Franchise en DNZB Web bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging voor zover deze betrekking heeft op vorderingen die mede namens Zorg Parel of alleen namens haar zijn ingediend.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

DNZB Franchise en DNZB Web vorderen – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  • -

    primair: alle op 3 juni 2021 gelegde beslagen opheft,

  • -

    subsidiair: alle op 3 juni 2021 gelegde beslagen opheft, binnen twee dagen nadat door DNZB Franchise een bankgarantie is gesteld of een depot op een derdenrekening van een stichting beheer derdengelden plaats heeft gevonden, tot een bedrag van € 99.000,00, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat na betekening van het vonnis en na voldoening aan de gestelde voorwaarde geen opheffing heeft plaatsgevonden,

  • -

    uiterst subsidiair: in goede justitie een voorlopige voorziening bepaalt.

3.2.

[naam gedaagde] en Zorg Parel voeren verweer en concluderen – samengevat – tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, zoveel mogelijk hoofdelijk, van DNZB Franchise en DNZB Web tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en, indien DNZB Franchise en DNZB Web niet binnen veertien dagen na sommatie aan het vonnis voldoen, de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van de vordering(en) tot de dag van algehele voldoening.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

in reconventie

3.4.

[naam eiseres] en Zorg Parel vorderen – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. [naam eiseres] en Zorg Parel ontheft van het non-concurrentieverbod en het relatiebeding, althans de werking van de betreffende bepalingen beperkt,

  2. DNZB Franchise en [naam eiseres] veroordeelt, zoveel mogelijk hoofdelijk, tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en, indien DNZB Franchise en DNZB Web niet binnen veertien dagen na sommatie aan het vonnis voldoen, de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van de vordering(en) tot de dag van algehele voldoening.

3.5.

DNZB Web en DNZB Franchise voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1.

Partijen verschillen van mening over de vraag of DNZB Franchise en DNZB Web een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Aan die discussie wordt door de voorzieningenrechter voorbijgegaan. Nog afgezien van het feit dat een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag naar zijn aard spoedeisend is, vereist artikel 705 lid 1 Rv geen spoedeisend belang. Dat artikel biedt de beslagschuldenaar, die in beginsel niet wordt gehoord en die geen rechtsmiddel tegen een verleend verlof kan aanwenden, de mogelijkheid om in kort geding opheffing van beslagen te vorderen.

4.2.

Opheffing van een beslag kan onder meer, maar niet uitsluitend, plaatsvinden als een van de in artikel 705 lid 2 Rv genoemde gronden aanwezig is en een belangenafweging niet tot een ander oordeel leidt, en op grond van een, zelfstandige, belangenafweging.

4.3.

DNZB Franchise en DNZB Web stellen in de eerste plaats dat de door [naam gedaagde] gelegde beslagen moeten worden opgeheven, omdat [naam gedaagde] in geen enkele rechtsverhouding tot DNZB Franchise en DNZB Web staat. Volgens eiseressen in conventie heeft Zorg Parel de eenmanszaak van [naam gedaagde] voortgezet en daarmee de rol en positie van [naam gedaagde] als franchisenemer overgenomen. DNZB Franchise en DNZB Web menen dat sprake is van contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW, waaraan DNZB Franchise als franchisegever haar medewerking heeft verleend.

Volgens [naam gedaagde] en Zorg Parel is het een franchisenemer op grond van de franchiseovereenkomst niet toegestaan om zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming haar rechtsverhouding tot de franchisegever aan een derde over te dragen. Zij menen dat van deze bepaling afstand had moeten worden gedaan en dat dit niet is gebeurd. Daarnaast stellen zij dat er geen akte is opgemaakt als bedoeld in artikel 6:159 BW.

Hoewel een voor contractsoverneming vereiste akte niet is overgelegd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat [naam gedaagde] haar rechtsverhouding tot DNZB Franchise aan Zorg Parel heeft overgedragen. In het beslagrekest (onder 2.2.) staat immers vermeld dat [naam gedaagde] haar eenmanszaak om fiscale redenen in Zorg Parel heeft ingebracht en dat DNZB Franchise daarmee heeft ingestemd. Daarmee is tevens voldaan aan de in de franchiseovereenkomst vereiste toestemming. Uit de gegeven omstandigheden volgt dat de betrokkenen Zorg Parel nadien ook als franchisenemer zijn gaan beschouwen. Zo zijn de overeenkomst van 25 maart 2020 en de geheimhoudingsovereenkomst door Zorg Parel gesloten en is ook de opzeggingsbrief aan haar gericht. Anders dan [naam gedaagde] en Zorg Parel stellen, is daarmee niet aannemelijk dat onduidelijkheid bestond over wie DNZB Franchise en DNZB Web als franchisenemer aanmerkten.

4.4.

Het voorlopig oordeel dat [naam gedaagde] niet als franchisenemer kwalificeert, leidt er niet toe dat de door [naam gedaagde] gelegde beslagen moeten worden opgeheven. Anders dan DNZB Franchise en DNZB Web stellen, heeft [naam gedaagde] het door haar ingeroepen recht in voldoende mate gemotiveerd. Zo verwijt [naam gedaagde] DNZB Franchise en DNZB Web dat zij onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld door in groepsverband, tezamen met andere groepsmaatschappijen, te bewerkstelligen dat haar onderneming is ontnomen en dat deze binnen de groep van DNZB is voortgezet. Op grond daarvan stelt [naam gedaagde] dat zij recht heeft op goodwill, een schade en/of (klant)vergoeding dan wel een vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking. Hoewel DNZB Franchise en DNZB Web de stellingen van [naam gedaagde] en Zorg Parel uitvoerig hebben weersproken, kan in dit kort geding niet summierlijk worden vastgesteld dat het door [naam gedaagde] ingeroepen recht daarom ondeugdelijk is. Daarvoor is nader onderzoek door de bodemrechter vereist.

4.5.

DNZB Franchise en DNZB Web stellen in de tweede plaats dat Zorg Parel geen eis in de hoofdzaak heeft ingesteld, zodat de door Zorg Parel gelegde beslagen zijn komen te vervallen. Volgens DNZB Franchise en DNZB Web blijkt uit de dagvaarding in de bodemprocedure dat Zorg Parel geen vorderingen heeft ingesteld, zodat daarmee formeel geen sprake is van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv.

[naam gedaagde] en Zorg Parel weerspreken dat Zorg Parel geen eis in de hoofdzaak heeft ingesteld. Volgens [naam gedaagde] en Zorg Parel bevat de dagvaarding een kennelijke verschrijving en is die verschrijving in de akte houdende eiswijziging rechtgezet.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Zorg Parel (tijdig) een eis in de hoofdzaak ingesteld. In het exploot van dagvaarding wordt Zorg Parel als eisende partij genoemd. Daarnaast blijkt uit het petitum dat ook zij vorderingen heeft ingesteld. Daarmee betreft het exploot een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv. Het bezwaar tegen de eiswijziging kan gelet op het vorenstaande onbesproken worden gelaten.

4.6.

Nu Zorg Parel (tijdig) een eis in de hoofdzaak heeft ingesteld, zijn de door haar gelegde beslagen niet komen te vervallen. Anders dan DNZB Franchise en DNZB Web stellen, kan ook ten aanzien van Zorg Parel niet summierlijk worden vastgesteld dat het door haar ingeroepen recht ondeugdelijk is. Hoewel DNZB Web naar voorlopig oordeel niet als franchisegever kan worden aangemerkt, stelt ook Zorg Parel dat zowel DNZB Franchise als DNZB Web onrechtmatig gehandeld heeft door in groepsverband, tezamen met andere groepsmaatschappijen, te bewerkstelligen dat haar onderneming is ontnomen en dat deze binnen de groep van DNZB is voortgezet. Daarnaast stelt Zorg Parel dat DNZB Franchise niet als goed franchisegever heeft gehandeld en de doorlopende franchisefee ten onrechte niet aan haar is betaald. Voor het kunnen beoordelen van de stellingen van partijen is, zoals hiervoor reeds overwogen in 4.4., nader onderzoek door de bodemrechter vereist.

4.7.

Op voorhand is overigens niet onaannemelijk dat er in het kader van de beëindiging van de franchiserelatie een zekere vergoeding aan Zorg Parel en/of [naam gedaagde] verschuldigd is. Dat realiseren DNZB Franchise en DNZB Web zich kennelijk ook wel, nu in het overleg voorafgaand aan deze procedure blijkens de overgelegde correspondentie aanzienlijke bedragen zijn aangeboden.

4.8.

Op grond van het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het opheffen van de beslagen. Ook een afweging van de belangen leidt niet tot een ander oordeel. Uit de subsidiaire vordering van DNZB Franchise en DNZB Web begrijpt de voorzieningenrechter echter dat zij ook opheffing van de beslagen door [naam gedaagde] en Zorg Parel vorderen tegen het stellen van voldoende zekerheid. Nu het stellen van voldoende zekerheid een grond voor opheffing vormt zoals bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv en [naam gedaagde] en Zorg Parel te kennen hebben gegeven tot opheffing over te zullen gaan bij gebleken deugdelijke alternatieve zekerheid, wordt de subsidiaire vordering toegewezen op de hierna te vermelden wijze. Daarbij wordt aan de opheffing als voorwaarde verbonden dat DNZB Franchise ten gunste van [naam gedaagde] en Zorg Parel een bankgarantie stelt voor een bedrag van € 99.000,00.

4.9.

Hoewel [naam gedaagde] en Zorg Parel hebben laten weten bij voldoende zekerheid vrijwillig tot opheffing van de beslagen over te gaan, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden. [naam gedaagde] en Zorg Parel hebben immers niet toegelicht wat zij onder voldoende zekerheid verstaan, terwijl zij bij een correcte nakoming van de veroordeling geen hinder van de dwangsom zullen ondervinden. De dwangsom wordt daarom toegewezen als gevorderd, met een maximum tot € 99.000,00.

4.10.

Nu elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, worden de proceskosten gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

in reconventie

4.11.

[naam eiseres] en Zorg Parel vorderen ontheffing van het non-concurrentieverbod en relatiebeding. Daarmee verlangen zij, gelijk aan wat DNZB Franchise en DNZB Web stellen, een constitutieve uitspraak. Een kort geding leent zich daar echter niet voor. De vordering van [naam eiseres] en Zorg Parel wordt daarom in zoverre afgewezen.

4.12.

Hoewel [naam eiseres] en Zorg Parel tevens de beperking van de werking van de betreffende bedingen vorderen, ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. [naam eiseres] en Zorg Parel hebben gesteld dat de franchiseorganisatie is afgebouwd en dus niet meer bestaat. DNZB Franchise en DNZB Web hebben daar echter tegenover gesteld dat de franchiseorganisatie nog steeds actief is en eerst met ingang van 1 oktober 2022 eindigt. Dat hebben [naam eiseres] en Zorg Parel niet betwist. Aannemelijk is dan ook dat DNZB Franchise op dit moment belang heeft bij het handhaven van het non-concurrentieverbod en relatiebeding. Daar komt bij dat, anders dan [naam eiseres] en Zorg Parel stellen, het non-concurrentieverbod en relatiebeding naar voorlopig oordeel niet in strijd zijn met artikel 7:920 lid 2 BW. Dit artikel wordt op grond van het overgangsrecht twee jaar na inwerkingtreding van de Wet franchise (op 1 januari 2021) op lopende franchiseovereenkomsten van toepassing. De bedingen, in het bijzonder het relatiebeding, kunnen dus nog niet aan het artikel worden getoetst. Ook overigens ziet de voorzieningenrechter niet waarom DNZB Franchise en DNZB Web het non-concurrentieverbod en relatiebeding thans niet mogen handhaven.

4.13.

De voorzieningenrechter overweegt tenslotte dat het hem ambtshalve bekend is dat de mondelinge behandeling in de bodemprocedure op 28 september 2021 plaatsvindt. Nu de werking en strekking van het non-concurrentieverbod en relatiebeding ook in die procedure aan de orde zijn gesteld (zie de hiervoor in 2.11. weergegeven vordering onder V.), wordt alsnog binnen afzienbare tijd beslist over een eventuele ontheffing.

4.14.

[naam eiseres] en Zorg Parel worden in reconventie als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van DNZB Web en DNZB Franchise worden begroot op € 1.016,00 aan salaris advocaat.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde] en Zorg Parel om binnen twee dagen nadat DNZB Franchise ten gunste van [naam gedaagde] en Zorg Parel een bankgarantie stelt voor een bedrag van
€ 99.000,00 alle op 3 juni 2021 ten laste van DNZB Web en DNZB Franchise onder ABN AMRO Bank N.V. en de Ontvanger der Rijksbelastingen gelegde beslagen op te heffen,

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] en Zorg Parel om aan DNZB Web en/of DNZB Franchise een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 5.1. voldoen, tot een maximum van € 99.000,00 is bereikt,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt [naam eiseres] en Zorg Parel in de proceskosten, aan de zijde van DNZB Web en DNZB Franchise tot op heden begroot op € 1.016,00,

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2021.

[2971/676]