Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8206

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
C/10/619599 / JE RK 21-1499 en C/10/620870 / JE RK 21-1712
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/619599 / JE RK 21-1499 en C/10/620870 / JE RK 21-1712

datum uitspraak: 11 juni 2021

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1] 2009 te [geboorteplaats kind 1],

hierna te noemen [naam kind 1],

[naam kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2] 2017 te [geboorteplaats kind 2],

hierna te noemen [naam kind 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder], hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats moeder].

advocaat mr. D. Vurdelja, kantoorhoudende te Den Haag,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 juni 2021 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 7 juni 2021, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum;

- het verweerschrift van mr. Vurdelja, voornoemd, namens de moeder van 10 juni 2021, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum.

Op 11 juni 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Vurdelja, voornoemd,

- een vertegenwoordigster van de Raad, [naam 1],

- een vertegenwoordigster van de GI, [naam 2].

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind 1] en [naam kind 2] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind 1] en [naam kind 2] verblijven in een netwerkpleeggezin, te weten bij de tante en oom moederszijde.

Bij beschikking van 17 maart 2021 is [naam kind 1] voorlopig onder toezicht gesteld tot 17 juni 2021. De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 juni 2021 [naam kind 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 3 september 2021. Bij deze beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] binnen het netwerk, te weten bij de tante en oom moederszijde verleend voor de duur van vier weken. De beslissing op het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

Het (aangehouden) verzoek (C/10/615999)

De Raad heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] binnen het netwerk, te weten bij de tante en oom moederszijde verzocht voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

Het verzoek (C/10/620870)

De Raad heeft een ondertoezichtstelling van [naam kind 1] verzocht voor de duur van negen maanden. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind 1] binnen het netwerk, te weten bij de tante en oom moederszijde verzocht voor de duur van drie maanden.

De Raad heeft ter zitting de verzoeken gehandhaafd en als volgt toegelicht. De Raad maakt zich zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder. Het raadsonderzoek is recent afgesloten omdat de thuissituatie goed genoeg zou zijn. Binnen twee weken heeft er een incident plaatsgevonden waarin [naam kind 1] aangeeft opnieuw door de moeder te zijn geslagen. Er dient meer zicht op de opvoedsituatie te komen. Binnenkort zal Middin gaan starten met het ondersteunen van de moeder in haar ouderrol.

Het standpunt van de GI

De GI heeft ter zitting het standpunt van de Raad ondersteund een daaraan het volgende toegevoegd. Eerder is Families First (FF) ingezet met als doel het voorkomen van een uithuisplaatsing van de kinderen. Middin start binnenkort en zal samen met de moeder gaan werken aan het vasthouden van de doelen die door FF zijn opgesteld, waaronder het opgeruimd houden van de woning. Er bestaan zorgen over de opvoedsituatie wanneer er geen hulpverlening betrokken is. Als de situatie binnen een periode van drie maanden verbetert, worden de kinderen bij de moeder teruggeplaatst.

Het standpunt van belanghebbende

Door en namens de moeder is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzochte. Kort geleden heeft de Raad het onderzoek met een uitgebreide rapportage afgesloten. Door de moeder wordt erkend dat zij lastige situaties in de opvoeding van de kinderen ervaart. Zij werkt aan de hulpverlening mee en met de inzet hiervan bestaan er geen zorgen over de thuissituatie. Er heeft zich vervolgens een incident tussen de moeder en [naam kind 1] voorgedaan. [naam kind 1] was teleurgesteld dat zij van de moeder niet langer mocht buitenspelen en heeft een heel ander verhaal verteld over wat er is gebeurd. Er wordt enkel op haar verhaal afgegaan waarin zij aangeeft door de moeder te zijn geslagen. Het lijkt erop dat het verhaal kracht wordt bijgezet door bijvoorbeeld het bedplassen van [naam kind 1] te noemen, wat een medische oorzaak kent. Ten aanzien van [naam kind 2] is niet duidelijk van welke ernstige situatie er sprake zou zijn. Slechts op school wordt gezien dat hij agressief naar anderen kan reageren. Nu er van een gedegen onderzoek geen sprake is, wordt ten aanzien van [naam kind 1] en [naam kind 2] verzocht om afwijzing van de verzoeken. Een uithuisplaatsing is niet noodzakelijk omdat nader onderzoek ook binnen de thuissituatie kan plaatsvinden. Indien hiertoe niet wordt overgegaan, wordt verzocht de duur van de ondertoezichtstelling van [naam kind 1] in duur te beperken tot drie maanden.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat tijdens het raadsonderzoek dat in mei 2021 heeft plaatsgevonden de thuissituatie bij de moeder voldoende veilig voor de kinderen is geweest, waarna het (raads-)onderzoek is afgesloten met verwijzing naar het vrijwillige kader. Kort hierna heeft zich een incident tussen [naam kind 1] en de moeder voorgedaan. Beiden vertellen hierover een ander verhaal. [naam kind 1] heeft verteld dat zij door de moeder is geslagen. Of hier nu wel of niet sprake van is (geweest), de zorgen over de opvoedsituatie blijven onverminderd aanwezig. Vanaf het moment dat FF de hulpverlening binnen de thuissituatie van de moeder heeft beƫindigd, zijn er opnieuw zorgen geuit. Naast het incident van mei 2021 zijn er opnieuw signalen over een vervuilde woning. Het lijkt dat het de moeder onvoldoende lukt om de aanwijzingen die zij van de hulpverlening heeft gehad blijvend toe te passen. Vast is komen te staan dat de inzet van hulpverlening zeker nodig is.

De vraag is echter of de zorgen dermate ernstig zijn dat dit een uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] rechtvaardigt. Eerder is namelijk gebleken dat met behulp van de hulpverlening de zorgen in de opvoedsituatie bij de moeder dusdanig zijn verminderd, dat niet alleen een uithuisplaatsing van de kinderen niet noodzakelijk is geweest, maar ook een ondertoezichtstelling niet nodig was. Nu hulpverlening via Middin binnenkort zal worden opgestart, is de kinderrechter van oordeel dat een uithuisplaatsing van de kinderen voor de verzochte duur niet passend is. Met behulp van Middin kan er de komende periode van vijf weken (tot aan de zomervakantie) worden gewerkt aan een terugplaatsing van de kinderen, zodat de moeder en de kinderen kunnen profiteren van de hulpverlening die door Middin zal worden geboden. De kinderrechter is van oordeel dat de uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW. De kinderrechter zal daarom [naam kind 1] onder toezicht stellen, echter niet langer dan voor een periode van drie maanden. Deze periode kan worden benut om stevig in te zetten op ondersteuning en begeleiding van de moeder. Bezien kan dan worden hoe het een en ander verloopt en of betrokkenheid van de GI daarna nog nodig zal zijn. De beslissing op het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zittingsdatum. De Raad wordt verzocht uiterlijk twee weken voor de zitting te rapporteren over de stand van zaken op dat moment.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [naam kind 1] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 11 juni 2021 tot 11 september 2021;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] binnen het netwerk, te weten bij de tante en oom moederszijde, tot 16 juli 2021;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

En alvorens verder te beslissen:

houdt de behandeling van de zaak ten aanzien van [naam kind 1] aan en bepaalt dat het verhoor van de Raad, de GI, mr. D. Vurdelja en de belanghebbende in deze zaak zal plaatsvinden op

31 augustus 2021 om 14:15 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI,

mr. D. Vurdelja en de belanghebbende;

de zaak zal op laatstgenoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter;

verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de kinderrechter te rapporteren (met afschrift aan de belanghebbenden en mr. D. Vurdelja) over de laatste stand van zaken en daarbij aan te geven of het resterende gedeelte van het verzoek wordt gehandhaafd.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door

mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 25 juni 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.