Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8191

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
C/10/593726 / HA ZA 20-319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na bewijsopdracht in tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2020:12847). Partijverklaringen van directeuren leveren geen bewijs op van onverschuldigde betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/593726 / HA ZA 20-319

Vonnis van 18 augustus 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JOLANGE OPLEIDINGEN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DERMACODES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen,

advocaat mr. E.W.F.M. Hoogma te Zoetermeer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEENBERG UITZENDBUREAU B.V.,

gevestigd te Maassluis,

gedaagde,

advocaat mr. M.W. Renzen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Jolange, Dermacodes (gezamenlijk: Jolange c.s.) en Steenberg genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 december 2020 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 mei 2021;

  • -

    de conclusie na enquête van Steenberg;

  • -

    de antwoordconclusie na enquête van Jolange c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1.

In het hiervoor genoemde tussenvonnis is overwogen dat op grond van artikel 6:203 lid 1 BW samen met de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) het aan Jolange c.s. is om te bewijzen dat geen rechtsgrond bestond voor de betaling van de bedragen waarvan zij in deze procedure terugbetaling vorderen. Jolange c.s. zijn toegelaten tot het leveren van bewijs van hun stelling dat met Steenberg (stilzwijgend) is overeengekomen dat een opslagfactor van 1,6 over de uurtarieven van in te lenen personeel van Steenberg in rekening zou worden gebracht, zodat Steenberg zonder rechtsgrond een opslagfactor van 1,8 over die uurtarieven in rekening heeft gebracht.

2.2.

Jolange c.s. heeft als getuigen laten horen:

- [naam 1] , directeur van Jolange;

- [naam 2] , echtgenote van [naam 1] en directeur van Dermacodes;

- [naam 3] , directeur van Steenberg.

2.3.

Steenberg heeft geen getuigen in contra-enquête laten horen.

2.4.

De vraag die ter beoordeling voorligt is of Jolange c.s. in het leveren van bewijs waarin de rechtbank hen heeft toegelaten zijn geslaagd.

De tussen partijen gevoerde gesprekken

2.5.

Getuige [naam 3] heeft verklaard, onder meer: “ [naam 1] en ik zijn in een gesprek bij hem op kantoor een opslagfactor van 1,8 overeengekomen. Dit gesprek vond denk ik plaats rond augustus 2015. [naam 1] vroeg mij of het een mogelijkheid was om mensen te verlonen omdat zij ze zelf niet op de payroll wilden hebben. Naast mijn uitzendbureau heb ik ook een administratiekantoor. Ik heb gezegd dat ik wel een alternatief had als zij zelf de werving en selectie zouden doen. Ik heb gezegd dat de kosten 1,8 maal het bruto uurtarief zouden zijn. Als ik een opslagfactor van 1,6 zou hanteren, zou ik verlies lijden.”

2.6.

[naam 1] heeft als getuige onder andere verklaard dat hij het met [naam 3] in een gesprek van juli 2015 op zijn kantoor “nooit of te nimmer” over een opslagfactor van 1,8 heeft gehad. Aansluitend heeft hij verklaard: “Ik had ook nog nooit van een opslagfactor van 1,8 gehoord omdat wij altijd 1,6 hanteerden. Ik vertrouwde erop dat ook voor het personeel dat via Steenberg Uitzendbureau zou worden ingeleend een factor van 1,6 gehanteerd zou worden. Dit is ook logisch want als ik had geweten dat er een factor van 1,8 gehanteerd zou worden was ik nooit akkoord gegaan met het inlenen van mijn onderwijzend personeel via Steenberg Uitzendbureau.”

2.7.

Volgens [naam 2] is in een gesprek van januari 2015 tussen haarzelf, [naam 1] en [naam 3] een opslagfactor van 1,6 overeengekomen voor personeel dat zij inleende van S.S.S. Finance, en zij heeft als getuige verder verklaard: “Daarna zijn we ons personeel voor een deel via Steenberg Uitzendbureau gaan inlenen. Ik was niet bij het gesprek hierover tussen [naam 3] en [naam 1] maar ik had nooit van een opslagfactor van 1,8 gehoord.”

De whatsapp-berichten van 13 juni 2018

2.8.

Jolange c.s. hebben whatsappverkeer van 13 juni 2018 tussen [naam 1] en [naam 3] overgelegd ten behoeve van de mondelinge behandeling van 18 november 2020. Hierin schrijft [naam 3] aan [naam 1] : “Bruto uurloon 13,55”, waarop [naam 1] antwoordt: “X1,6 dan” en [naam 3] reageert met: “Dat zijn jullie kosten inderdaad per uur.”

2.9.

Steenberg heeft de stelling van Jolange c.s. dat uit deze whatsapps volgt dat partijen een opslagfactor van 1,6 (en dus niet van 1,8) zijn overeengekomen, betwist. [naam 3] heeft verklaard dat de specifieke whatsapps over een administratief medewerker handelden die zou worden aangenomen. “Dit is uiteindelijk [naam 4] geworden. […] Ik bevestig in dit gesprek dat de factor 1,6 is overeengekomen omdat hij via SSS en niet via Steenberg Uitzendbureau verloond zou worden.”

2.10.

[naam 1] heeft verklaard: “Het whatsappgesprek van 15 juni 2018 ging in mijn herinnering niet over een administratief personeelslid maar over een schoonheidsspecialist, een nagelstylist of iets dergelijks. Als mijn vrouw iemand wil aannemen vraagt zij hoeveel die moet gaan verdienen.”

De waardering van het bewijs

2.11.

[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] zijn allen partijgetuige omdat zij bestuurder zijn van een rechtspersoon die partij is in deze procedure (artikel 164 lid 1 Rv). De verklaring van een partijgetuige heeft in beginsel - zoals andere getuigenverklaringen - vrije bewijskracht. Dit geldt hier voor de verklaring van [naam 3] . De bewijskracht van de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] worden op grond van artikel 164 lid 2 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) beperkt geacht, omdat zij zijn gehoord omtrent door Jolange c.s. te bewijzen feiten. De verklaringen van [naam 1] en [naam 2] kunnen volgens deze wetsbepaling alleen bewijs in hun voordeel opleveren wanneer aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het hun verklaringen voldoende geloofwaardig maakt.

2.12.

Een verklaring van een partijgetuige kan geen begin van bewijs kan opleveren dat als aanvullend bewijsmiddel kan dienen bij de verklaring van een andere partijgetuige. Dit volgt niet alleen uit de tekst van artikel 164 lid 2 Rv, maar ook uit de ratio van die bepaling: het zou te ver gaan als het aan de rechter vrijstond ondanks tegenspraak van de tegenpartij de juistheid van de stellingen van een partij te aanvaarden, uitsluitend op grond van de verklaring van de belanghebbende partij. Deze ratio geldt onverminderd in het geval van twee elkaar ondersteunende partijgetuigenverklaringen, zoals hier het geval.

2.13.

Er zijn geen verklaringen van andere getuigen voorhanden die de partijgetuigenverklaringen van [naam 1] en [naam 2] aanvullen. De verklaring van [naam 3] weerspreekt, als het gaat om de tussen partijen overeengekomen opslagfactor, het standpunt van Jolange c.s. In het tussenvonnis is overwogen dat Jolange c.s. het bewijs van hun stellingen met de door hen overgelegde e-mails en whatsapp-berichten niet hebben geleverd. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door Jolange c.s. overgelegde whatsapp-berichten van 13 juni 2018, bezien tegen de achtergrond van hetgeen de getuigen hierover hebben verklaard, ook niet zodanig sterk aanvullend bewijs op dat zij de partijverklaringen van [naam 1] en [naam 2] ondersteunen. Weliswaar heeft [naam 1] verklaard dat die berichten in zijn herinnering geen betrekking hadden op een administratief personeelslid (op wiens brutoloon een opslagfactor van 1,6 werd toegepast), maar [naam 3] heeft dit nadrukkelijk tegengesproken en zowel tijdens de mondelinge behandeling als bij het getuigenverhoor verklaard dat de berichten gingen over een personeelslid dat Jolange c.s. via Steenberg zou inlenen. Dit in aanmerking nemende, is niet komen vast te staan dat de whatsappberichten van 13 juni 2018 een door Jolange c.s. via Steenberg ingeleende kracht betroffen.

Conclusie

2.14.

De rechtbank bereikt de volgende slotsom. Niet is vast komen te staan dat Jolange c.s. met Steenberg een opslagfactor van 1,6 in plaats van 1,8 voor het inlenen van personeel zijn overeengekomen. Jolange c.s. is dus niet geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs. Hieruit volgt de vorderingen van Jolange c.s. niet toewijsbaar zijn. De vorderingen van Jolange c.s. zullen worden afgewezen.

2.15.

Jolange c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van Steenberg worden veroordeeld, tot op heden begroot op:

griffierecht € 2.042,00

salaris advocaat € 2.163,00 (3,0 punten × tarief III 721,00) +

totaal € 4.205,00.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst het gevorderde af;

3.2.

veroordeelt Jolange c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Steenberg tot op heden begroot op € 4.205,00;

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar. Het is ondertekend door de rolrechter en op 18 augustus 2021 uitgesproken in het openbaar.

[3152/3351]