Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8159

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-08-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
8999289
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Zorgmedewerker stelt aangevallen te zijn door agressieve bejaarde en daar schade door te hebben geleden. Bewijsopdracht dat werknemer schade heeft geleden in uitoefening van haar werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1085
PS-Updates.nl 2021-0691
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8999289 \ CV EXPL 21-4372

uitspraak: 13 augustus 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiseres,

gedaagde in verzet,

gemachtigde: mr. H. Solstad te Capelle aan den IJssel,

tegen

de stichting

Stichting Argos Zorggroep,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde,

eiseres in verzet,

gemachtigde: mr. D.M. Gouweloos te Amsterdam,

Partijen worden hierna [persoon A] en Argos genoemd.

1. Het procesverloop

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken

  • -

    de inleidende dagvaarding met producties van 30 november 2020;

  • -

    het verstekvonnis van 22 december 2020, met zaaknummer 8912229 \
    CV EXPL 20-44338;

  • -

    het verzetexploot met producties, tevens houdende een incidentele eis van 21 januari 2021;

  • -

    de akte uitlating in het incident;

  • -

    het tussenvonnis van 29 maart 2021, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de e-mails van [persoon A] van 27 en 28 mei 2021, met producties ten behoeve van de mondelinge behandeling;

  • -

    de e-mail van [persoon A] van 4 juni 2021 met een aanvulling van een eerder toegezonden onvolledige productie.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juni 2021. [persoon A] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens Argos zijn de heer
[persoon B] (Manager Facilitair Bedrijf, ICT en Vastgoed) en de gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, waarbij Argos spreekaantekeningen heeft overgelegd. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Er wordt uitgegaan van de volgende feiten

2.1.

[persoon A] is op 17 juli 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst fase A zonder uitzendbeding, in dienst getreden bij Luba Uitzenbureau. Per uitzendbevestiging van dezelfde datum is bevestigd dat [persoon A] wordt uitgezonden naar Argos, een zorgonderneming.

2.2.

Op 19 oktober 2019 was [persoon A] werkzaam bij Argos, in het verpleeghuis [naam verpleeghuis] . In [naam verpleeghuis] wordt onder andere zorg verleend aan ouderen met dementie en gedragsproblematiek. Op de avond van die dag heeft een incident plaatsgevonden, waarbij tenminste een vrouwelijke bewoner betrokken was.

2.3.

Naar aanleiding van dit incident hebben medewerkers diezelfde avond (voor zover van belang) het volgende gerapporteerd in Caress:

“ [persoon C] , ambulant verpleegkundige:

Zuster zag vanavond, uit de verte, dat mevr. een klap kreeg in het gezicht van medebewoner, bij de bovenarmen werd gepakt en op de grond werd “gegooid”. (…)

[persoon D] , Verzorgende IG:

Mw heeft een handgemeen gehad met een medebewoner. Mw werd in haar gezicht geslagen en hard bij de l-arm vast gepakt en hard op de grond geduwd. (…)

Toen mw op de grond lag en we haar wilden helpen greep mw om zich heen. Ze pakte mijn arm en drukte haar nagels erin en kneep. Mw probeerde mij te bijten.”

2.4.

Op diezelfde avond heeft [persoon D] verder een zogenoemd formulier Melding Incidenten Cliënten (MIC) ingevuld voor de betrokken bewoonster. Zij schrijft daarin:

“Mw kreeg een handgemeen met een medebewoner. De medebewoner gaf mw een klap in haar gezicht en pakte haar beet bij de bovenarmen en duwde haar hard op de grond. Dit werd gezien door een collega.

2.5.

Diezelfde avond heeft [persoon D] ook een zogenoemde formulier Melding Incidenten Medewerkers (MIM) ingevuld, waarin zij schrijft:

“Mw lag op de grond, valincident. Mw werd boos toen ik haar wilde helpen. Mw kneep in mijn arm met haar nagels en probeerde mij te bijten.

2.6.

Op 20 oktober 2019 heeft [persoon D] ook een MIC-formulier ingevuld voor de betrokken mannelijke bewoner, waarin zij schrijft:

“Collega zag dat dhr mw een klap in haar gezicht gaf, hard bij haar arm pakte en mw hard duwde, waardoor mw op de grond viel.”

2.7.

[persoon A] heeft zich per 21 oktober 2019 ziekgemeld, hetgeen heeft geleid tot verbreking van de uitzendovereenkomst met Luba. Sindsdien heeft [persoon A] niet meer bij Argos gewerkt.

2.8.

Op 24 oktober 2019 heeft [persoon A] een bezoek gebracht aan de huisarts. Naar aanleiding van dit bezoek heeft de huisarts (voor zover van belang) het volgende gerapporteerd:

“Werkt als bijbaan op een PG-afdeling. Moest 4 dagen geleden ruziende clienten uit elkaar halen en is toen gevallen. Zou ook zijn gebeten door patient. Is hierna weggerend. Heeft sindsdien veel last van li heup, zowel in rust als bij bewegen.”

2.9.

Op 23 december 2019 heeft [persoon A] opnieuw een bezoek gebracht aan haar huisarts. Naar aanleiding van dit bezoek heeft de huisarts (voor zover van belang) het volgende gerapporteerd:

“Voornaamste probleem zijn angstklachten, zich uitend in ernstig vermijdingsgedrag. Door gebeurtenis op werk nu grote angst voor oudere mannen. Is op PG afdeling tussen twee vechtende bewoners gekomen en werd gebeten, geduwd en tegen de grond gegooid. Dit gebeurde in haar eerste avonddienst en zij was alleen op de afdeling. Heupklachten en litteken op arm door beet. Heeft oudere man zien veranderen van aardig en rustig persoon in een monster. Kan dit niet bevatten. Nachtmerrsies gehad. Vaak zwetend wakker worden met flashbacks. Praat en gilt in haar slaap volgens moeder, die inwoont. Eenzaamheid en zich niet gehoord voelen zijn terugkerende thema’s in de dromen. Hierdoor vaak om 2 uur wakker en niet meer kunnen slapen. Staat dan op. Overdag zeer vermoeid. Contract is niet verlengd. Nu in ZW. Zit thuis, durft niet naar buiten. Gaat niet naar sociale gelegenheden. Voorheen bestaande angstklachten verergerd door traumatische gebeurtenis op werk. Mirgraineklachten ook toegenomen (…)”

2.10.

Bij brief van 15 januari 2020 heeft de (voormalige) gemachtigde van [persoon A] Argos aansprakelijk gesteld voor schade die volgens [persoon A] is ontstaan naar aanleiding van het geweldsincident. In die brief schrijft hij onder meer:

“Mijn cliënte moest ingrijpen toen zij zag dat een patiënt op de gang een vrouwelijke medepatiënt, klein van postuur, met geweld vastgreep. Er werd geslagen. De vrouw dreigde gewurgd te worden. Mijn cliënte zag zich genoodzaakt, zeker in het belang van de vrouwelijke patiënt, in te grijpen. Vervolgens richtte de agressie van de mannelijke patiënt zich op mijn cliënte. Zij werd met kracht op de grond gegooid. Pas op dat moment kwam een collega te hulp. Bij het helpen van de vrouw die op grond lag werd mijn cliënte vervolgens door deze vrouw in de arm gebeten.”

2.11.

Argos heeft in eerste instantie verwezen naar Luba, als formele werkgever. Op
10 februari 2020 heeft zij echter haar aansprakelijkheidsverzekeraar Nationale Nederlanden ingeschakeld.

2.12.

Nationale Nederlanden heeft aan CED Forensic (hierna: CED) opdracht gegeven voor het uitvoeren van een zogenoemd toedrachtonderzoek, om helder te krijgen wat de toedracht van het incident van 19 oktober 2019 is. CED heeft daartoe op 2 maart 2020 een gesprek gevoerd met drie medewerkers van [naam verpleeghuis] , te weten mevrouw [persoon E] (manager), mevrouw [persoon F] (teamleider) en mevrouw [persoon D] (verzorgende). Daarnaast heeft CED op 30 maart 2020 een gesprek gevoerd met [persoon A] . In het onderzoeksrapport dat CED naar aanleiding daarvan per 8 mei 2020 heeft uitgebracht is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

Gesprek verzekerde

(…)

U vraagt mij of de Argos Zorggroep, locatie “ [naam verpleeghuis] ”, specifiek is ingericht voor de zorg van agressieve patiënten. Ik kan u vertellen dat agressie voorkomt. De bewoners die hier verblijven hebben vaak last van dementie en/of gedragsproblematiek. Dus agressie past wel bij het ziektebeeld van de bewoners. Er zit een multidisciplinair team op de bewoners die bekend zijn met agressie of dat kunnen worden. Wekelijks worden de bewoners door het disciplinaire team besproken. Daarin wordt ook besproken hoe om te gaan met de bewoners en wordt een benaderwijze voorgeschreven zodat de verzorgde weet hoe te moeten handelen. Hiervoor wordt een benaderingswijze omschreven zodat een ieder weet hoe om te gaan met die bewoner.

(…)

Kunt u meer vertellen over de functie van mevrouw [persoon A] ?

(…) Zij is zorg assistent helpende, niveau 2, en hield zich bezig met toezichthouden op de woonkamer. Indien zich moeilijker zaken voordeden moest zij een niveau 3 medewerker oproepen. (…) [persoon A] mocht geen transfers doen. Dat betekent dat zij niet met behulp van tilliften transfers mag doen. Dit maakt dat zij alleen mobiele bewoners mag verzorgen. En omdat het haar eerste dag was, en zij ook van buitenaf kwam, heb ik haar heel de dag op sleeptouw genomen. Zij heeft daarvoor niet veel alleen gewerkt. (…)

Wat kunnen jullie vertellen over het incident van 19 oktober 2019?

(…) [persoon D] : Die dag liep [persoon A] met mij mee, maar was zij toch even alleen. Maar ik was altijd bij haar in de buurt. Op een gegeven moment werd ik door [persoon A] opgeroepen omdat er een bewoonster zou zijn gevallen. (…) Naar mijn weten is de bewoonster door eigen toedoen gevallen. De gevallen bewoonster was bekend met onrust. Ik gaf dat aan [persoon A] aan en vertelde dat de bewoonster agressief kan worden en daardoor kan gaan bijten of krabbelen. Ik zag dat [persoon A] hierop een aantal stappen naar achteren deed. [persoon A] heeft dan ook nooit direct contact gehad met de bewoonster. De gevallen bewoonster heeft mij wel in mijn arm geknepen en geprobeerd te bijten.

De advocaat heeft in zijn brief aangegeven dat een mannelijke bewoner een vrouwelijke bewoner heeft aangevallen. Kunt u uitleggen hoe dat zit?

[persoon D] : Ik weet alleen dat ik werd opgeroepen omdat de gevallen bewoonster op de grond lag. Toen ik met de gevallen mevrouw bezig was kwam er wel een mannelijke bewoner, de heer Van V., uit zijn kamer, maar hij was heel rustig. Dus voor zover ik weet is [persoon A] nooit alleen geweest in deze situatie.

Uiteindelijk heb ik de gevallen bewoonster overeind geholpen en vervolgde zij haar weg. Iedereen ging weer door waar zij mee bezig waren. Ik ook. Ik had niet echt last van het krabbelen. Ik heb na dit incident nog met [persoon A] gesproken, maar ook toen heeft zij mij niet aangegeven dat zij was aangevallen door een bewoner. [persoon A] had interesse om op deze afdeling te blijven werken. Dus ik vroeg nog aan [persoon A] hoe zij het op deze afdeling vond. [persoon A] gaf mij aan dat zij het heel leuk vond met hele leuke mensen.

Pas de volgende dag hoorde ik van een collega dat [persoon A] hier niet meer wilde werken omdat zij was gebeten. Dit verbaasde mij zeer. De gevallen bewoonster is wel bekend met bijt neigingen. Maar dan moet je haar wel heel lang vasthouden. Dit is niet gebeurd in mijn bijzijn.

Het incident dat zich met de mannelijke bewoner, de heer Van V., zou hebben afgespeeld is mij niet bekend. Ik zag hem uit zijn kamer komen toen ik mij al over de gevallen vrouw ontfermde. Ik zag dat hij op een afstandje bleef staan kijken.

(…)

Het verhaal dat in de MIC en MIM formulieren is vastgelegd is anders dan uw verhaal van zojuist. Kunt u dat verklaren?

[persoon D] : Ja, dat kan ik. Omdat [persoon A] zelf geen “MIC” en “MIM” formulieren kan opmaken heb ik dat voor haar op mijn naam gedaan. Ik heb in de formulieren dan ook haar versie van het verhaal beschreven. Dat komt inderdaad niet overeen met elkaar. Wat ook gebeurd zou kunnen zijn is dat de heer Van V. agressief is geweest tegen de andere bewoner en haar op de grond gooit, vervolgens teruggaat naar zijn kamer. Op dat moment komt [persoon A] aan en ziet mevrouw liggen. Maar de veronderstelde wurging die de heer Van V. zou hebben gedaan bij [persoon A] past totaal niet bij hem.

[persoon F] : Het lijkt wel of [persoon A] wat zij gezien en gehoord heeft die avond op zichzelf projecteert. Uiteindelijk is [persoon D] degene die is gekrabd, maar [persoon A] projecteert dat op zichzelf. Ook ik hoorde de volgende dag pas dat zij zou zijn gebeten.

(…)

Hoe ervaren was [persoon A] in haar werkzaamheden?

[persoon E] : Dat is ons niet bekend. Het was haar eerste dag bij ons. Wij kregen van Luba mee dat zij niet opstartende was en voornamelijk gastvrouw functies had vervuld. (…)

[persoon D] : Op de dag van het incident heb ik [persoon A] instructies gegeven. Dit zijn voornamelijk mondelinge instructies geweest. Wel zijn er lijsten met eet en drink tijden voor de bewoners.

[persoon E] : Per bewoner zijn er ook mappen met de specifieke omgangsvormen. Ook staat in die mappen benoemd of een bewoner bekend is met agressie en andere bijzonderheden en wat de benaderingswijze is. (…)

[persoon D] : Dat klopt. Ik heb ook aan [persoon A] aangegeven waar die mappen staan en dat zij ze kan doornemen. Dat heeft zij ook gedaan. Omdat [persoon A] die dag met mij mee liep, heb ik ook toezicht gehouden op haar werkzaamheden en haar veiligheid. Ook heeft [persoon A] de makkelijke bewoners gekregen. Ik heb ook nog per bewoner een mondelinge toelichting gegeven. De gevallen mevrouw behoorde tot de complexere gevallen en was dan ook niet aan [persoon A] toebedeeld. Uiteraard moest [persoon A] wel op alle bewoners toezicht houden.

Is de politie gebeld na het incident?

[persoon D] : Nee, absoluut niet. Op agressie wordt altijd heel beladen gereageerd. Ik ken de heer Van V en hij heeft helemaal niet genoeg kracht om iemand op de grond te gooien. In het ergste geval zwaait hij met zijn armen of krabbelt hij. Maar dat is nooit bewust om iemand letsel toe te brengen. (…)

Is [persoon A] nog specifiek geïnstrueerd over het omgaan met agressie?

[persoon E] : Er zijn wel instructies hoe om te gaan met agressie. Maar die zijn niet specifiek aan [persoon A] uitgelegd, ook omdat zij hier niet vast werkt. (…)

Ontvangen stukken

(…) Ondanks meerdere verzoeken heb ik geen veiligheidsprotocol met betrekking tot agressie en/of andere protocollen ten aanzien van de veiligheid binnen het verpleeghuis ontvangen van de Argos Zorggroep.

Gesprek wederpartij

(…) Nadat mijn dienst in de middag aanving, ik weet niet meer precies hoe laat dat was, heb ik geen instructies ontvangen van het personeel van Argos. Niemand heeft mij verteld dat er op de afdeling waar ik zou gaan werken patiënten met zwaar psychische problemen zouden zijn. Naar mijn indruk waren de patiënten PG Plus, dat betekent dat dit een hele zware afdeling was. Als ik van tevoren had geweten dat ik op zo een afdeling zou moeten werken dan had ik dat geweigerd.

Ik heb ook geen instructies ontvangen hoe ik om moet gaan met bepaalde patiënten op de afdeling. De instructies die ik heb ontvangen ging over het eten. (…)

U zegt mij dat een medewerker van de Argos Zorggroep mij heeft verteld dat er mappen zijn met instructies en dat ik deze heb doorgelezen aan het begin van mijn dienst. Dat klopt niet. Die mappen zijn mij niet getoond of over verteld. (…) Er was die dag sprake van een flinke onderbezetting en er waren maar twee vaste medewerkers van de Argos Zorggroep aanwezig voor de in totaal vier vleugels. Ik kreeg de verantwoordelijkheid over één vleugel met volgens zeven of acht patiënten per vleugel. (…)

Kunt u meer vertellen over het incident van 19 oktober 2019?

Ik kan u alleen vertellen wat ik mij nog herinner. Het was die dag de eerste keer dat ik op die afdeling werkte. (…) Totdat ik op een gegeven moment iets vreemds hoorde. Ik ging op het geluid af en zag dat een vrouwelijke patiënt op de grond lag en door een mannelijke patiënt werd gewurgd. Ik zag dat dat de vrouw op de grond paars en blauw aanliep en besloot de twee personen uit elkaar te halen. Tegelijkertijd schreeuwde ik om hulp van andere collega’s, maar kennelijk hoorde niemand mij want er kwam geen hulp van collega’s. Toen ik de patiënten uit elkaar wilde halen werd ik door de man aan mijn haren getrokken en op de grond gegooid. Daarna werd ik door de vrouw in mijn linker onderarm gebeten. Het duurde heel lang voordat er hulp naar mij toe kwam.

U vraag mij hoe bekend ik was met de mogelijke agressie binnen mijn werk. Het is mij bekend dat er sprake kan zijn van agressie door patiënten.

Maar daarom heb ik ook bij Luba Uitzendbureau aangegeven dat ik niet op afdelingen wil werken waarbij agressie voor kan komen. (…)

Ik weet niet meer of ik een telefoon heb gekregen met een noodknop erop. Maar in deze situatie zou ik ook niet de telefoon hebben kunnen gebruiken. (…)

Ik weet niet hoe lang de hele situatie heeft geduurd en voordat er hulp van collega’s kwam. Maar ik denk langer dan een minuut. Want de man heeft de tijd gehad eerst de vrouw te pakken en daarna mij en mij op de grond te gooien. Vervolgens werd ik door de vrouw gebeten. Uiteindelijk kwamen de collega’s naar mij toe. Ik denk dat zij afkwamen op mijn gegil. (…)

Volgens een medewerker van de Argos Zorggroep heeft u die avond niets gemeld over het incident en het feit dat u was aangevallen. Kunt u dat uitleggen?

Dat komt omdat ik een uitzendkracht ben. Ik heb het de avond of de volgende werkdag bij Luba Uitzendbureau gemeld. Ik weet wel dat de vaste medewerkers van Argos Zorggroep mij hebben verteld dat ik de wond moest ontsmetten en zij hebben mij daarbij geholpen. Ook een vaste medewerker van de Argos Zorggroep is aangevallen en gekrabd die avond door de vrouwelijke patiënt. Samen hebben wij onze wonden schoongemaakt met alcohol.

Contact LUBA uitzendbureau

(…) Mevrouw [persoon A] is op 17 juli 2019 bij Luba begonnen en haar contract werd wekelijks verlengd. Op 24 oktober 2019 heeft [persoon A] aangegeven dat er zich agressie heeft voorgedaan op 19 oktober 2019. Echter heeft zij niet verteld dat de agressie zich tegen haar gericht zou hebben. Ook heeft zij geen melding gedaan van lichamelijk letsel/schade, maar alleen van psychische schade naar aanleiding van het incident bij Argos. Er is dan ook geen lichamelijke letsel/schade vastgelegd op foto’s of dergelijke.

Na het incident bij Argos van 19 oktober 2019 heeft mevrouw [persoon A] in week 44 nog één dag (31/10/2019) voor Luba gewerkt. (…) Na week 44 heeft (28-10-2019 – 03-11-2019) heeft [persoon A] niet meer gewerkt en zich op 7 november 2019 met terugwerkende kracht per 21 oktober 2019 ziekgemeld. (…)

[persoon A] heeft bij Luba aangegeven alleen gastvrouwendiensten te willen werken, dit kan te maken hebben met de wens van [persoon A] om agressiesituaties zoveel mogelijk uit de weg te gaan. (…)”

2.13.

Aan de rapportage van CED is (als bijlage 7) een verklaring van [persoon D] gehecht, die is opgemaakt na de aansprakelijkstelling door [persoon A] . [persoon D] verklaart daar als volgt:

“Er was een bewoonster(mw v R.) gevallen en de ambulant was bij de bewoonster met nog een collega en mw van Luba. Ze probeerden mw v R. op de grond te laten liggen voor controle, maar mw v R. wilde op staan. Daar ze mw v R steeds weer terug naar de grond drukten werd mw v R. onrustiger en begon om zich heen te slaan, want ze wilde opstaan. Ik heb aangegeven dat ze mw v R. beter op konden laten staan, daar mw wel eens agressief zou kunnen reageren en dat het bekend was dat mw kon bijten. Met de ambulant wilde ik mw helpen op te staan. Mw snapte er niets meer van en greep mijn arm en krabde mij.

Ik zag dat de mw van Luba geschrokken was van de situatie. Ik heb haar uitgelegd dat sommige mensen op [naam afdeling] een eigen benaderingswijze hebben vanwege het gedrag, en ze wel eens agressief kunnen zijn en dat dit met het ziektebeeld te maken heeft.

We hebben verder zonder problemen gewerkt en aan het eind van de dienst vroeg ik hoe ze de dienst ervaren had en ze zei dat ze het leuk vond.

De volgende dag kreeg ik te horen van collega's dat ze gezegd had dat ze nooit meer op [naam afdeling] wilde werken omdat ze het te zwaar vond en dat ze gebeten zou zijn. Ik heb gelijk tegen de collega's gezegd dat dit niet klopte, want ze was niet gebeten en ik heb er de dag ervoor niets over gehoord en de bijt wonden ook niet gezien. Ik zou daar dan toch wel van op de hoogte zijn geweest. Ik was bij de situatie aanwezig en had het dan toch ook wel gezien moeten hebben.

Tijdens het voorval liepen ook nog andere bewoners om ons heen. Een van de bewoners snapte niet wat er aan de hand was en wilde de gevallen bewoonster helpen, omdat hij hoorde dat ze boos op ons was. We hebben hem uitgelegd dat we haar wilde helpen en dat het goed was. De bewoner is van een afstand blijven kijken, maar was verder rustig aanwezig.”

2.14.

Bij e-mail van 31 juli 2020 heeft Nationale Nederlanden zich op het standpunt gesteld dat Argos niet aansprakelijk is, omdat niet vast staat dat [persoon A] schade heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden, en dat Argos bovendien heeft voldaan aan haar zorgplicht.

2.15.

Bij brief van 3 december 2020 van de zorgverlener Mentaalbeter aan [persoon A] , schrijft mevrouw [persoon G] , GZ-Psycholoog:

“Bij deze uw medische dossier die u heeft opgevraagd.

U meldde zich bij ons op 9 juli 2020.

Cliënte meldt zich aan met angst- en traumagerelateerde klachten. Al bestaande angstklachten door nare ervaringen tijdens haar opleiding, zijn verergerd door een ingrijpende gebeurtenis op het werk, zo geeft ze aan. Zij ervaart nu grote angst voor oudere mannen. Ze vertelt op een PG afdeling tussen twee vechtende bewoners te zijn gekomen en werd gebeten, geduwd en tegen de grond gegooid. Dit gebeurde volgens cliënte in haar eerste nachtdienst en zij was alleen op de afdeling. Ze heeft heupklachten en een litteken op haar arm door de beet, aldus cliënte.”

2.16.

Per 14 december 2020 is de Ziektewetuitkering van [persoon A] , die zij tot dat moment ontving, beëindigd, omdat de door het UWV ingeschakelde arbeidsdeskundige geoordeeld heeft dat [persoon A] meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen.

2.17.

Bij verstekvonnis van 22 december 2020, met zaaknummer 8912229 \ CV EXPL 20-44338 tussen partijen gewezen, werd Argos overeenkomstig de eis van [persoon A] veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van € 20.000,- als voorschot op de geleden en nog te lijden schade, en tot vergoeding van de schade die [persoon A] heeft geleden en nog lijdt als gevolg van het incident op 19 oktober 2019, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van Argos in de kosten van het geding.

2.18.

Op 21 januari 2021 stuurt [persoon D] een e-mail aan een collega, waarin zij een reactie geeft op enkele citaten uit de rapportage van CED en de MIM:

“"Ik ken de heer Van V en hij heeft helemaal niet genoeg kracht om iemand op de grond te gooien."

Dit klopt niet. Ik heb gezegd dat dhr niet zo agressief was dat hij ons zou aanvallen. Dit paste niet bij dhr. En zeker niet met wurgneigingen. Als dhr onrustig was dan bleef dhr dat ook wel een tijdje en de avond was dhr ontspannen. Alleen op het moment dat hij zag dat wij bij medebewoonster zaten en zij onrustig werd, vroeg hij dringend wat wij aan het doen waren. Na uitleg dat wij mw wilden helpen werd hij rustig en is op een afstand blijven kijken of alles goed ging.

"Mw lag op de grond, valincident. Mw werd boos toen ik haar wilde helpen. Mw kneep in mijn arm met haar nagels en probeerde mij te bijten."

Ik ( [persoon D] ) zat naast bewoonster op de grond, samen met de ambulante. Mw [persoon A] stond achter of naast mij. Bewoonster werd onrustig omdat ambulante wilde dat ze bleef liggen voor onderzoek, maar bewoonster werd boos omdat ze wilde gaan staan. Bewoonster greep mij en probeerde mij te bijten, dit was een bekende reactie van haar bij onbegrip. Dit stukje valt onder een Mim, deze is in mijn naam ingevuld, daar ik gekrabd en bijna gebeten ben. De Mic is onder de naam van Mw [persoon A] gemaakt daar zij eerder bij de bewoonster was die gevallen was.

"Wat ook gebeurd zou kunnen zijn is dat de heer Van V. agressief is geweest tegen de andere bewoner en haar op de grond gooit, vervolgens teruggaat naar zijn kamer."

Dit is iets wat gebeurd zou kunnen zijn, maar dhr zou dan nog langer onrustig zijn, dhr kennende. Maar daar dhr geen onrust vertoonde vermoedden wij dat de bewoonster zelf gevallen is. Zij liep erg onstabiel, dit was bekend bij mw. Zij viel vaker. Vlak na deze valincident is daar ook naar gehandeld, mw kreeg een trippelstoel.”

2.19.

Op 25 mei 2021 heeft [persoon A] een verklaring opgesteld, die op 27 mei 2021 door de gemachtigde in het geding is gebracht, waarin [persoon A] (voor zover van belang) als volgt verklaard:

“De bewoonster is niet door eigen toedoen gevallen, zij werd gewurgd door de mannelijke bewoner. Ik was de vuilniszakken aan het schoonmaken en hoorde een raar geluid en ik keek achter me en zag dat mevrouw door meneer werd gewurgd ik ben zo snel mogelijk ernaar toegerend en probeerde mevrouw te helpen meneer duwde haar vervolgens keihard op de grond en richtte zijn “woede” op mij.

Ik heb direct contact met mevrouw en meneer gehad toen ik mevrouw uit de handen van meneer probeerde te halen en toen ik haar overeind wilde helpen. Ik werd gekrabd en gebeten door mevrouw hier heb ik tot op heden nog een litteken van in mijn arm.

Na het incident liep meneer weg naar zijn kamer alsof er niets was gebeurd. (…)

Na het incident werd mij geadviseerd mijn wond te ontsmetting in het keukentje op de gang. (…)

Het incident is gebeurd zoals ik het beschreven heb, beide collega’s waren niet aanwezig ten tijde van het incident. Zij lieten mij als uitzendkracht helemaal op een PG+ afdeling waar ik nooit eerder had gewerkt. Zij hoorde mij enkel gillen en roepen op hulp en troffen mij en mevrouw op de grond. (…)

Er was geen tijd om de mappen door te nemen, er was onderbezetting. Ik liep niet mee met iemand ik werd gebracht naar de vleugel waar ik moest werken. (…)

Bij de dienst van 19 oktober 2019 werd ik ook niet begeleid, ik werd begeleid naar de vleugel en moest meteen aan de slag. Ik stond alleen op de vleugel wij waren maar met zijn drieën terwijl er 4 vleugels waren. (…).”

3. Het geschil

3.1.

[persoon A] heeft bij (oorspronkelijke) dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Argos te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 20.000,- op de door haar geleden en te lijden schade en tot vergoeding van alle geleden en te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van Argos in de proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering heeft [persoon A] (kort gezegd) het volgende ten grondslag gelegd. Op 19 oktober 2019 heeft een arbeidsongeval plaatsgevonden, op de wijze zoals [persoon A] heeft verklaard aan CED. Kort gezegd komt dit op het volgende neer: [persoon A] stond alleen op een afdeling en had geen instructies ontvangen over het omgaan met agressie. Toen zij tussen een vechtende mannelijke en vrouwelijke bewoner wilde komen is zij door de man met geweld op de grond gegooid en door de vrouw gebeten. Als gevolg van dit arbeidsongeval is [persoon A] arbeidsongeschikt geworden. Argos heeft bovendien geen nazorg verleend, hetgeen mede heeft geleid tot langer durende arbeidsongeschiktheid. Argos is aansprakelijk voor de schade die [persoon A] lijdt en heeft geleden, omdat zij niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, aangezien [persoon A] ondanks een gebrek aan instructie werd blootgesteld aan agressie. Er is sprake van materiële schade, omdat de uitkering van [persoon A] lager is dan het loon dat zij verdiende bij Argos/Luba, en zij onder meer reiskosten en zorgkosten heeft moeten maken. Ook is sprake van immateriële schade, aangezien [persoon A] is getraumatiseerd. Omdat de arbeidsongeschiktheid nog voortduurt is geen eindtoestand bereikt en kan de volledige schade niet worden vastgesteld, zodat een verwijzing naar de schadestaatprocedure nodig is.

3.3.

Argos heeft primair gevorderd haar te ontheffen van de bij het verstekvonnis tegen haar uitgesproken voordeling, en de vordering van [persoon A] af te wijzen, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met rente na veertien dagen. Voor het geval de vordering geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen verzoekt Argos subsidiair om deze veroordeling slechts uitvoerbaar bij voorraad te verklaren onder de voorwaarde dat [persoon A] vooraf zekerheid stelt voor het totaal toegewezen bedrag.

3.4.

Argos heeft ter onderbouwing van haar verweer het volgende aangevoerd. [persoon A] heeft geen schade geleden in de uitvoering van haar werkzaamheden, zoals ook volgt uit het rapport van CED. Het is onwaarschijnlijk dat zich een handgemeen heeft voorgedaan en dat de mannelijke bewoner zich heeft gedragen zoals [persoon A] beweert. De bewoner kan weliswaar een medebewoner duwen, maar hij is dan lang onrustig. Dat was nu niet het geval. Het meest waarschijnlijk is dat de bewoonster spontaan is gevallen en vervolgens boos is geworden op [persoon D] . [persoon A] is daarvan slechts getuige geweest. [persoon A] heeft na het incident gewoon doorgewerkt en heeft geen melding gemaakt van letsel, noch bij Argos, noch bij Luba. Ook heeft zij vrijwel geen onderbouwing gegeven voor haar letsel. Voor het geval wordt geoordeeld dat wel vaststaat dat [persoon A] schade heeft geleden bij de uitvoering van haar werkzaamheden, heeft Argos bovendien voldaan aan haar zorgplicht. Argos begeleidt en informeert nieuwe medewerkers, en voorziet hen van een telefoon met noodknop. Argos had dan ook niets kunnen doen om het vermeende incident te voorkomen. Mocht Argos desondanks veroordeeld worden tot betaling van schade, dan betwist zij de omvang daarvan, aangezien deze schade op geen enkele wijze onderbouwd is. Bovendien blijkt uit de overgelegde rapportages van de Mentaalbeter en de huisarts dat al sprake was van bestaande angstklachten, zodat de oorzaak daarvoor niet (uitsluitend) gevonden kan worden in het incident.

3.5.

Argos heeft daarnaast bij incidentele vordering primair gevorderd in afwachting van het eindvonnis in deze procedure de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis te schorsen en subsidiair dat aan het vonnis alsnog de voorwaarde wordt verbonden dat [persoon A] zekerheid dient te stellen ten gunste van Argos, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten.

3.6.

[persoon A] refereert zich, in het incident, aan het oordeel van de kantonrechter.

4. De beoordeling

procespartijen

4.1.

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Argos heeft in de verzetdagvaarding twee gedaagde partijen opgenomen, namelijk eenmaal [persoon A] wonende op haar (geheime) woonadres en eenmaal [persoon A] woonplaats gekozen hebbende op het kantoor van de betrokken deurwaarder. Argos heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat het echter om één en dezelfde persoon gaat. Partijen hebben daarop beiden ingestemd met het voorstel van de kantonrechter om in dit vonnis en het vervolg van de procedure uit te gaan van één eiseres c.q. gedaagde in verzet. Om die reden wordt in de partij-aanduiding en de inhoud van dit vonnis slechts uitgegaan van één wederpartij van Argos.

incident

4.2.

Met betrekking tot de incidentele vordering van Argos wordt het volgende overwogen. De gemachtigde van [persoon A] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegezegd dat [persoon A] het verstekvonnis niet zal (laten) executeren, zo lang de bodemrechter in eerste aanleg nog geen eindoordeel heeft gegeven over de onderhavig vordering. Argos heeft daarop te kennen gegeven dat in dat geval de incidentele vordering geen behandeling en beslissing meer behoeft. De kantonrechter zal de incidentele vordering daarom als ingetrokken beschouwen.

juridisch kader

4.3.

Met betrekking tot de vorderingen van [persoon A] is het volgende juridische kader van belang. Uit artikel 7:658 lid 2 en 4 BW volgt dat Argos aansprakelijk is voor de schade die [persoon A] in de uitoefening van haar werkzaamheden lijdt, tenzij Argos aantoont dat zij heeft voldaan aan de zorgplicht die op haar rust (zoals beschreven in lid 1 van dat artikel) of als de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [persoon A] . Uit vaste rechtspraak volgt dat de werknemer die op grond van art. 7:658 lid 2 BW schadevergoeding vordert, zal dienen te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de (ook ingevolge lid 4 als zodanig aan te merken) werkgever. Daarbij geldt dat niet van de werknemer kan worden verlangd dat hij ook aantoont hoe het ongeval zich heeft toegedragen of wat de oorzaak ervan is (zie onder meer HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430, r.o. 3.4.1.).

schade tijdens uitoefening werkzaamheden

4.4.

[persoon A] stelt dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, namelijk bij het incident op 19 oktober 2019. Ter onderbouwing hiervan heeft zij gewezen op de verklaringen, die zij ten overstaan van diverse personen heeft afgelegd. De betreffende verklaringen zijn echter inconsistent. Weliswaar volgt uit haar verklaringen steeds dat haar bij het uit elkaar halen van twee vechtende bewoners een vorm van geweld is overkomen, echter is de toedracht van het incident steeds verschillend. Bij het eerste bezoek aan de huisarts heeft de huisarts namelijk gerapporteerd dat [persoon A] is gevallen en zou zijn gebeten bij het uit elkaar van twee vechtende bewoners (r.o. 2.8). Bij het tweede bezoek heeft de huisarts gerapporteerd dat zij naast de beet ook is geduwd en tegen de grond gegooid (r.o. 2.9). In de brief van de voormalige gemachtigde heeft die opgenomen dat de bewoonster dreigde te worden gewurgd en dat [persoon A] met kracht op de grond werd gegooid. Over een beet is in de betreffende brief geen melding gemaakt (r.o. 2.10). Vervolgens heeft [persoon A] aan CED eveneens verklaard dat de bewoonster werd gewurgd, daar heeft zij echter verklaard dat zij aan haar haren werd getrokken en op de grond gegooid door de bewoner en gebeten door de bewoonster (r.o. 2.12). In haar latere verklaring heeft [persoon A] gemeld dat zij ook gekrabd werd door de bewoonster (r.o. 2.19). Kortom, de verklaringen zijn niet eenduidig.

4.5.

Daar komt bij dat de schade van [persoon A] tot op heden nauwelijks is onderbouwd. Zowel de materiele als de immateriële schade is, los van algemene stellingen dat zij schade heeft geleden, niet gespecificeerd. Bovendien volgt uit de rapportages dat [persoon A] ook voor het incident al kampte met mentale klachten, zodat ook het causaal verband tussen de door [persoon A] gestelde schade en het betreffende voorval onvoldoende vast staat.

4.6.

Argos betwist dat [persoon A] schade heeft geleden in de uitoefeningen van haar werkzaamheden. Voorop wordt gesteld dat er geen discussie over is dat de medewerkers van Argos het incident niet met eigen ogen hebben gezien. [persoon D] heeft namelijk aan CED verklaard dat zij door [persoon A] werd opgeroepen, omdat een bewoonster was gevallen. Later in haar in haar e-mail verklaart [persoon D] ook dat [persoon A] als eerste aanwezig was. Daarom kan Argos slechts gissen naar de toedracht van hetgeen heeft plaatsgevonden, zoals ook blijkt uit de rapportage van CED, waarin de medewerkers van Argos diverse suggesties doen over de mogelijke toedracht. Verder is van belang dat ook Argos inconsistente verklaringen heeft afgelegd. De medewerkers hebben namelijk op 19 oktober 2019 in Caress (naar de kantonrechter begrijpt het interne rapportagesysteem) geregistreerd dat de mannelijke bewoner de andere bewoonster een klap heeft gegeven, bij de armen heeft gepakt en op de grond heeft gegooid (r.o. 2.3.). Een vergelijkbare verklaring heeft [persoon D] ingevuld in de MIC (r.o. 2.4.). In de MIM heeft zij het voorval daarna gereduceerd tot een ‘valincident’ (r.o. 2.5). Vervolgens hebben de medewerkers ten overstaan van CED en in deze procedure het standpunt ingenomen dat de vrouw door eigen toedoen gevallen is en dat [persoon A] nooit direct contact heeft gehad en dat de MIC slechts is ingevuld op basis van de verklaringen van [persoon A] (r.o. 2.12). De kantonrechter concludeert dat de stelligheid waarmee wordt ontkend dat sprake is geweest van geweld en dat [persoon A] iets kan zijn overkomen, zich niet verhoudt met het feit dat de medewerkers het incident niet hebben gezien en de omstandigheid dat zij aanvankelijk bij diverse gelegenheden hebben gerapporteerd dat wel geweld tussen de bewoners heeft plaatsgevonden.

4.7.

Geconcludeerd wordt dat vast staat dat er zich op 19 oktober 2019 een incident heeft voorgedaan, maar dat de standpunten ten aanzien van de toedracht daarvan lijnrecht tegenover elkaar staan. Geoordeeld wordt dat beide partijen tot op heden die standpunten onvoldoende hebben onderbouwd. De kantonrechter kan daarom op dit moment niet vaststellen of [persoon A] schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. [persoon A] draagt zoals in r.o. 4.3. is overwogen de bewijslast van deze stelling. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij dit bewijs aangeboden. De kantonrechter laat [persoon A] daarom toe tot bewijs van haar stelling dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden op 19 oktober 2019. Volledigheidshalve wordt [persoon A] erop gewezen dat zij daarbij enerzijds dient te bewijzen welke schade zij heeft geleden en anderzijds dat er een causaal verband bestaat tussen die schade en hetgeen is voorgevallen op 19 oktober 2019.

4.8.

In afwachting van de bewijslevering door [persoon A] wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

laat [persoon A] toe tot het bewijs van haar stelling dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden op 19 oktober 2019;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 8 september 2021 om 14.30 uur, om [persoon A] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten of zij dit bewijs wenst te leveren en,

  • -

    indien zij dit bewijs schriftelijk wenst te leveren, dit dadelijk bij deze akte te doen, en

  • -

    indien zij dit bewijs wenst te leveren door het doen horen van getuigen, op te geven de namen en de woonplaatsen van de voor te brengen getuigen met de verhinderdata van alle betrokkenen in de maanden oktober en november 2021, zodat onmiddellijk ter rolzitting een datum voor het getuigenverhoor kan worden bepaald; [persoon A] zal te zijner tijd zelf zorg dienen te dragen voor behoorlijke oproeping van de getuigen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394