Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8153

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
ROT 20/2340
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verkeersbesluit – 60 km/u-weg – onveiligheid - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/2340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. T. van de Weijde,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. A.J.J. van der Vlist.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de 60 km/u-limiet op de [straatnaam] tussen Hofwijk en de komgrens van Rotterdam ingetrokken.

Bij besluit van 19 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder, in afwijking van het advies van de adviescommissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam].

Overwegingen

1.1.

Eiser woont aan de [adres 1]. Verder is eiser eigenaar van een perceel grond ([perceelnummer]) dat eveneens gelegen is aan de [straatnaam] tussen Hofwijk en de komgrens van Rotterdam.

1.2.

Bij besluit van 12 september 2013 heeft het dagelijks bestuur van de toenmalige deelgemeente Overschie het weggedeelte tussen [adres 2] en de komgrens van de Zweth aangewezen als een 60 km/u-zone. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verkeersbesluit ingetrokken.

2.1.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. Een persoon kan alleen als belanghebbende bij een verkeersbesluit worden aangemerkt als hij of zij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit en dat belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7190). Naar het oordeel van de rechtbank is dit hier het geval. Het verkeersbesluit heeft immers invloed op eisers directe woonomgeving. Eiser is dus belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

2.2.

Eiser heeft verzocht verweerder op te dragen alle stukken, voor zover nog niet openbaar gemaakt, over de maximumsnelheid op de [straatnaam] in het geding te brengen. Eiser heeft een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingediend waarbij onder meer deze stukken zijn opgevraagd. Verweerder heeft eisers verzoek voor een deel ingewilligd en voor een deel afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ten tijde van de behandeling van de onderhavige procedure ter zitting had verweerder nog niet op dit bezwaar beslist. De rechtbank oordeelt dat, gelet op wat hierna in 5.2 wordt overwogen, niet aannemelijk is dat deze stukken voor de beoordeling in deze procedure van belang zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding het onderzoek te heropenen en verweerder op te dragen de verzochte stukken in het geding te brengen.

2.3.

Eiser heeft ter zitting verzocht nog nader schriftelijk te mogen reageren op wat ter zitting namens verweerder, met name door [naam], naar voren is gebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding het onderzoek om deze reden te heropenen. Eiser heeft ter zitting voldoende kunnen reageren. De rechtbank merkt hierbij op dat wat ter zitting namens verweerder naar voren is gebracht, in lijn is met de inhoud van het verweerschrift (waarop eiser schriftelijk heeft gereageerd) en met het standpunt van verweerder in de bezwaarfase.

3. Verweerder heeft aan het verkeersbesluit, dat in het bestreden besluit gehandhaafd is, – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Het verkeersbesluit strekt tot het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan, alsmede het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer. Gebleken is dat het besluit tot het instellen van een 60 km/u-zone nooit is uitgevoerd. De huidige inrichting van de weg past meer bij een 80 km/u-weg dan bij een 60 km/u-weg. Het bepalen van de limiet op 60 km/uur is alleen mogelijk met een gelijktijdige reconstructie van de weg. Verweerder wil daartoe op termijn overgaan, maar verweerder geeft op dit moment voorrang aan het aanpakken van wegen waar de urgentie groter is. Vanuit het oogpunt van veiligheid is het niet noodzakelijk de limiet op 60 km/u te bepalen.

4. Eiser heeft het volgende aangevoerd. De argumenten die in 2013 golden om het deel van de [straatnaam] tussen de Hofweg en de komgrens van Rotterdam een maximumsnelheid van 60 km/u in te voeren, zijn nog altijd van toepassing. Handhaving van een 60 km/u-zone kan ook door middel van verkeersborden. De gemeente Delft heeft ook een 60 km/u-zone ingesteld tussen de Zweth en de bebouwde kom van Delft. Het bewuste weggedeelte is niet geschikt voor 80 km/u omdat de weg onder meer dient als erftoegangsweg voor diverse woningen en bedrijven. Aan beide zijden van de weg bevinden zich bushaltes die niet vrij liggen, hetgeen wel gebruikelijk is bij 80 km/u-wegen. Bovendien bevinden zich verkeersdrempels bij de bushaltes. Aan de weg zijn een begraafplaats, rijksmonumenten die klaargemaakt worden voor recreatie en een zorginstelling gelegen. Er ligt geen trottoir langs de [straatnaam]. Wandelaars moeten dus gebruikmaken van het fietspad, wat voor gevaarlijke situaties kan zorgen. Er zijn al meerdere ongelukken gebeurd. De verhoging van de maximumsnelheid is niet in het belang van de veiligheid op de weg. De snelheidsverhoging is opmerkelijk gelet op het beleid om de stikstofuitstoot te verlagen en omdat in de stadsvisie 2019-2023 ‘ruim baan voor de fietser en voetganger’ een van de hoofddoelen is. De verhoging van de maximumsnelheid zal leiden tot waardedaling van de woning van eiser.

5. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), zoals dat artikel luidde ten tijde van belang, kan de wegbeheerder krachtens die wet regels vaststellen die strekken tot:

  1. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

  2. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

  3. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

  4. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

  1. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

  2. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Op grond van artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (Babw) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Op grond van paragraaf 4 van de uitvoeringsvoorschriften van het Babw dient de in te stellen maximumsnelheid in overeenstemming te zijn met het wegbeeld ter plaatse. Dit betekent dat waar nodig de omstandigheden op zodanige manier zijn aangepast dat de beoogde snelheid redelijkerwijs voortvloeit uit de aard en de inrichting van de betrokken weg en van zijn omgeving.

6.1

Partijen zijn het niet met elkaar eens over de vraag of het besluit van 12 september 2013 wel of niet is uitgevoerd in de zin dat er verkeersborden hebben gestaan die duiden op een 60 km/u-weg. Deze vraag kan echter onbeantwoord blijven omdat het antwoord hierop niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of verweerder het in deze zaak aan de orde zijnde verkeersbesluit heeft kunnen nemen.

6.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 15 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2650), komt het bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan het bestuursorgaan om de verschillende betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van zo’n besluit terughoudend op te stellen en slechts te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

6.3.

De rechtbank oordeelt dat niet gebleken is dat het hier aan de orde zijde verkeersbesluit in strijd is met wettelijke voorschriften en dat evenmin is gebleken dat sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat verweerder in redelijkheid niet tot dat besluit heeft kunnen komen. Gelet op paragraaf 4 van de uitvoeringsvoorschriften van het Babw dient de maximumsnelheid in overeenstemming te zijn met het wegbeeld ter plaatse. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het wegbeeld thans meer past bij een 80 km/u-weg dan bij een 60 km/u-weg: een vrij liggend fietspad, asmarkering en doorgetrokken kantmarkingen, een voorrangskruising en, afgezien van een drempel ter hoogte van de bushaltes, geen snelheidremmende voorzieningen. Verweerder heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat het enkel plaatsen van verkeersborden niet voldoende is om van het bewuste weggedeelte een 60 km/u-weg te maken. Dat zou leiden tot een situatie waarbij de maximumsnelheid niet in overeenstemming is met het wegbeeld. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat door het bestreden besluit de verkeersveiligheid in het geding komt. Eiser heeft zijn stelling dat er regelmatig ongelukken plaatsvinden, onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft gesteld dat het buiten de bebouwde kom toegestaan en gebruikelijk is dat voetgangers van het fietspad gebruikmaken en dat zo nodig in de berm wordt geparkeerd. Eiser heeft dit niet betwist. Dat een maximumsnelheid van 60 km/u noodzakelijk is wegens de aanwezigheid van onder meer een zorginstelling, een begraafplaats en (toekomstige) recreatievoorzieningen, is onvoldoende aannemelijk geworden. Ten aanzien van de bushaltes heeft verweerder erop gewezen dat ter hoogte van de bushaltes drempels zijn aangebracht, zodat de snelheid ter plaatse afneemt. Niet aannemelijk is geworden dat het feit dat er bushaltes op het bewuste stuk weg zijn gelegen, desondanks vanuit het oogpunt van veiligheid onverantwoord is. Dat de stikstofuitstoot bij een maximumsnelheid van 80 km/u mogelijk hoger is dan bij een snelheid van 60 km/u, maakt, mede gelet op de aan verweerder toekomende beoordelingsmarge, niet dat verweerder niet in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de gemeente Delft ten aanzien van het in die gemeente liggende stuk van de [straatnaam] een andere keuze heeft gemaakt. Verweerder heeft zijn eigen afweging te maken. Tot slot kan de stelling van eiser dat het verkeersbesluit tot waardedaling van zijn woning leidt, hem niet baten, reeds omdat deze stelling in het geheel niet is onderbouwd.

6.4.

Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.F. van Deyzen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 20 augustus 2021.

de griffier is verhinderd te tekenen de rechter is verhinderd te tekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.