Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8152

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
C/10/591011 / HA ZA 20-148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Moeder heeft in haar testament twee van haar vier dochters tot haar erfgenaam benoemd. De twee onterfde dochters hebben aanspraak gemaakt op hun legitieme portie in de nalatenschap van moeder. Doordat de nalatenschap negatief is, hebben zij gebruik gemaakt van hun recht op inkorting van door de erfgenamen ontvangen giften (art. 4:89 BW). De rechtbank stelt de legitieme porties van de twee onterfde dochters vast en veroordeelt de twee erfgenamen om op grond van inkorting van hun giften de legitieme porties aan de twee onterfde dochters te betalen.

De door de twee onterfde dochters gevorderde vaderlijke erfdelen worden wel afgewezen, omdat het recht op inkorting alleen ziet op de legitieme portie en zij de twee erfgenamen door de beneficiaire aanvaarding niet in privé kunnen aanspreken op de betaling van hun vaderlijke erfdelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/591011 / HA ZA 20-148

Vonnis van 18 augustus 2021

in de zaak van

1. [naam eiseres 1] ,

wonende te [woonplaats eiseres 1] ,

2. [naam eiseres 2],

wonende te [woonplaats eiseres 2] ,

eiseressen,

advocaat mr. J.H. Rodenburg te Rotterdam,

tegen

1. [naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

gedaagde sub 1,

advocaat mr. P.M. Boiten te Hendrik-Ido-Ambacht,

2. [naam gedaagde 2],

wonende in de [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde sub 2,

advocaat mr. T.J. Fluitman te Rotterdam.

Partijen worden hierna gezamenlijk eiseressen en gedaagden genoemd en zij worden afzonderlijk aangeduid bij hun voornaam, omdat hun achternamen niet onderscheidend zijn.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaardingen van 31 januari 2020, met producties;

 de conclusie van antwoord van [naam gedaagde 1] , met producties;

 de conclusie van antwoord van [naam gedaagde 2] , met producties;

 de door eiseressen ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde producties 8 tot en met 23;

 de door [naam gedaagde 1] ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde producties 12 tot en met 14;

 het proces-verbaal van de op 8 oktober 2020 gehouden mondelinge behandeling, met als bijlage de pleitaantekeningen van eiseressen;

 de opmerkingen op het proces-verbaal van [naam gedaagde 2] ;

 de opmerkingen op het proces-verbaal van eiseressen;

 het bezwaar van [naam gedaagde 2] tegen de opmerkingen op het proces-verbaal van eiseressen;

 de conclusie van repliek, met producties;

 de conclusie van dupliek van [naam gedaagde 1] , met producties;

 de conclusie van dupliek van [naam gedaagde 2] , met producties;

 de akte uitlaten producties van eiseressen;

 de reactie op de akte uitlaten producties van [naam gedaagde 1] ;

 de reactie op de akte uitlaten producties van [naam gedaagde 2] .

1.2.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1.

Op 9 mei 2011 is te Buren overleden [naam erflaatster] , geboren op [geboortedatum erflaatster] te [geboorteplaats erflaatster] , laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats erflaatster] (hierna: erflaatster).

2.2.

Eiseressen en gedaagden zijn de dochters van erflaatster.

2.3.

Erflaatster heeft bij testament van 19 juni 2008 eiseressen onterfd en gedaagden tot haar enige erfgenamen benoemd. In de considerans bij dit testament is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Ik heb besloten tot het opmaken van dit testament en de daarin opgenomen beschikkingen in verband met het feit dat mijn hierna te noemen dochters [naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] zonder mijn toestemming geld van mijn bankrekening hebben opgenomen, inboedelgoederen uit mijn huis hebben meegenomen, mijn sieraden en juwelen hebben meegenomen en nimmer – ondanks mijn herhaalde verzoeken daartoe – op de door mij aan ieder van hen verstrekte geldleningen – aflossingen hebben verricht.”

2.4.

Gedaagden hebben de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard. Erflaatster heeft gedaagden in haar testament tot executeur benoemd. Gedaagden hebben deze benoeming aanvaard.

2.5.

Bij brieven van 21 september 2011 hebben eiseressen bij gedaagden in hun hoedanigheid van executeurs aanspraak gemaakt op hun legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster.

2.6.

Eiseressen hebben in 2012 verzocht om een vereffenaar te benoemen in de nalatenschap van erflaatster. De rechtbank Arnhem heeft dit verzoek bij beschikking van 23 augustus 2012 toegewezen en [naam 1] tot vereffenaar benoemd. Bij beschikking van 23 juni 2016 heeft de rechtbank Gelderland aan [naam 1] ontslag verleend als vereffenaar en [naam 2] en [naam 3] gezamenlijk tot vereffenaars van de nalatenschap erflaatster benoemd.

2.7.

De rechtbank Gelderland heeft bij beschikking van 6 juli 2017 de vereffening van de nalatenschap van erflaatster opgeheven, omdat er geen bekende baten meer aanwezig waren.

3. Het geschil

3.1.

Eiseressen hebben gevorderd dat gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, elk worden veroordeeld tot betaling – binnen twee weken na betekening van het vonnis – aan elk van eiseressen een bedrag van € 43.679,88, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van opeising, dan wel vanaf de datum van de dagvaarding, dan wel vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de datum van algehele voldoening, met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan hun vordering hebben eiseressen het volgende ten grondslag gelegd. Gedaagden zijn de erfgenamen van erflaatster. Eiseressen hebben recht op hun vaderlijke erfdelen (€ 8.117,88 per persoon) en op hun legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster (€ 35.562,- per persoon). De nalatenschap van erflaatster is weliswaar negatief, maar gedaagden hebben allebei giften ontvangen van erflaatster ter hoogte van € 142.250,- per persoon. Volgens eiseressen mogen zij gebruik maken van hun recht op inkorting op deze giften op grond van artikel 4:89 BW en verder, zodat zij gedaagden als begiftigden aanspreken om aan hen de legitieme porties in de nalatenschap van erflaatster te betalen.

3.3.

Gedaagden hebben allebei tot afwijzing van de vordering van eiseressen geconcludeerd, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten. Op de stellingen van gedaagden wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.4.

Na de mondelinge behandeling hebben eiseressen bij conclusie van repliek hun eis vermeerderd. Zij hebben gevorderd dat gedaagden zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk worden veroordeeld tot afgifte aan eiseressen van de door hen gevorderde stukken, in het bijzonder alle bankafschriften over de periode vanaf 1999. Daarnaast hebben eiseressen het gevorderde bedrag verlaagd naar € 42.475,02 en gevorderd gedaagden gezamenlijk te veroordelen tot betaling van dit bedrag aan elk van eiseressen.

3.5.

Gedaagden hebben bezwaar gemaakt tegen deze eiswijzigingen. Daarop wordt hieronder in de beoordeling ingegaan.

4. De beoordeling

Niet-ontvankelijkheid

4.1.

Volgens gedaagden zijn eiseressen niet-ontvankelijk in hun vordering, omdat zij gedaagden niet in hun hoedanigheid als vereffenaars in de nalatenschap van erflaatster hebben gedagvaard, maar in privé. Gedaagden zijn van mening dat zij worden geschaad in hun belangen c.q. verdediging, omdat zij bij een veroordeling deze uit hun eigen vermogen moeten voldoen. Hoewel eiseressen dit verweer niet expliciet hebben weersproken, is het aan de rechtbank om te beoordelen of het beroep op niet-ontvankelijkheid slaagt. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De vereffening is inmiddels beëindigd met de beschikking van de kantonrechter van 6 juli 2017, zodat gedaagden geen vereffenaars meer zijn. Wat de vaderlijke erfdelen betreft, wordt hierna beoordeeld wat de gevolgen zijn van het in privé dagvaarden van gedaagden. Voorts blijkt voldoende dat eiseressen wat de legitieme portie betreft juist bedoeld hebben om gedaagden in privé te dagvaarden (namelijk als begiftigden), zodat dit ook geen reden is om eiseressen niet-ontvankelijk te verklaren.

Petitum

4.2.

Wat betreft het petitum in de dagvaarding merkt de rechtbank het volgende op. Hoewel het petitum onduidelijk is geformuleerd, omdat erin staat dat gedaagden elk de volledige hoofdsom aan elk van eiseressen moet betalen, is de rechtbank van oordeel dat dit geen reden is om de vordering af te wijzen. De rechtbank kan immers altijd het mindere toewijzen van wat gevorderd wordt. Daarnaast is voldoende gebleken dat het gedaagden duidelijk was waartegen zij verweer moesten voeren, wat zij ook beiden uitgebreid gedaan hebben. Dit is derhalve geen reden om de zaak niet inhoudelijk te beoordelen.

Eiswijzigingen

4.3.

Eiseressen hebben bij hun conclusie van repliek hun eis vermeerderd. Zij hebben gevorderd dat gedaagden worden veroordeeld om stukken af te geven aan eiseressen, in het bijzonder alle bankafschriften over de periode vanaf 1999. Volgens eiseressen kunnen zij zich zonder deze stukken niet goed verweren, omdat op de door gedaagden overgelegde bankafschriften niet te zien is dat eiseressen bedragen hebben terugbetaald.

4.4.

De rechtbank is met gedaagden van oordeel dat deze eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde. Eiseressen zijn na de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om te reageren op de uitgebreide conclusies van antwoord van gedaagden, om een berekening van de legitimaire massa te maken en te reageren op de door [naam gedaagde 1] kort voor de zitting overgelegde producties. Thans stellen eiseressen dat zij voor de berekening van de legitimaire massa alle bankafschriften nodig hebben. Niet valt in te zien waarom ze dit standpunt niet eerder in deze procedure hadden kunnen innemen. De conclusies van antwoord dateren immers van 6 mei 2020 terwijl de mondelinge behandeling pas op 8 oktober 2020 heeft plaatsgevonden. Gelet op hun aanspraak op de legitieme portie, had het op de weg van eiseressen gelegen om een juiste berekening hiervan over te leggen. Eiseressen hebben echter een zeer summiere berekening overgelegd in de dagvaarding, die bovendien niet compleet is. De rechtbank is van oordeel dat het in strijd is met de goede procesorde is en de procedure onnodig vertraagd wordt door nu een beroep te doen op stukken die op eiseressen al veel eerder op hadden kunnen vragen. Voorts hadden eiseressen ook de bankafschriften van hun eigen bank kunnen opvragen als zij – zoals ze stellen – na willen gaan of zij door erflaatster aan hen betaalde bedragen reeds hebben terugbetaald. Dit betekent dat de eisvermeerdering wordt afgewezen.

4.5.

Tegen de eisvermindering hebben gedaagden ook bezwaar gemaakt, omdat de berekening volgens hen onzorgvuldig is. Het gevorderde bedrag wordt echter verminderd, zodat de rechtbank niet inziet waarom gedaagden daartegen bezwaar kunnen hebben, zodat deze vermindering wel wordt toegestaan. Daarnaast vorderen eiseressen niet meer dat elk van gedaagden dit bedrag moet betalen aan eiseressen, maar dat zij dit gezamenlijk moeten doen. Dit is derhalve ook een vermindering van eis waarvan niet valt in te zien dat gedaagden daartegen bezwaar kunnen hebben, zodat deze zal worden toegestaan. Of het gevorderde ook inhoudelijk toewijsbaar is, zal hieronder worden beoordeeld.

Vaderlijke erfdelen

4.6.

Eiseressen hebben gevorderd gedaagden te veroordelen om de vaderlijke erfdelen aan hen te betalen. Eiseressen hebben echter niet gesteld op welke wettelijke grondslag gedaagden veroordeeld moeten worden om de vaderlijke erfdelen aan hen te betalen. Artikel 4:89 BW kan hieraan niet ten grondslag liggen, omdat dit artikel alleen ziet op de legitieme portie terwijl de vaderlijke erfdelen schulden zijn van de nalatenschap van erflaatster. Partijen zijn het erover eens dat deze nalatenschap geen baten meer bevat, zodat deze schulden niet betaald kunnen worden. Eiseressen hebben gedaagden daarom in privé aangesproken. Vanwege de beneficiaire aanvaarding door gedaagden zijn zij op grond van artikel 4:184 BW echter niet verplicht om de vaderlijke erfdelen vanuit hun eigen vermogen te voldoen. Gedaagden kunnen derhalve niet worden veroordeeld om de vaderlijke erfdelen van eiseressen vanuit hun eigen vermogen aan eiseressen te voldoen, zodat dit deel van hun vordering wordt afgewezen.

Legitieme portie

4.7.

Eiseressen hebben voorts bij gedaagden aanspraak gemaakt op hun legitieme porties in de nalatenschap van erflaatster. Zij hebben gedaagden niet als erfgenamen aangesproken, omdat de nalatenschap van erflaatster geen baten meer bevat (nihil is), maar zij hebben gedaagden aangesproken als begiftigden. Volgens eiseressen hebben gedaagden allebei een gift van € 142,250,- gekregen van erflaatster na de verkoop van haar woning in 2008, zodat zij begiftigden zijn.

4.8.

Gedaagden hebben niet betwist dat eiseressen met toepassing van artikel 4:89 lid 1 BW de giften die zij hebben gekregen van erflaatster kunnen inkorten om op die manier de legitieme portie te verkrijgen en dat gedaagden in beginsel op grond van artikel 4:90 lid 1 BW verplicht zijn de waarde van het ingekorte gedeelte van de gift aan eiseressen te vergoeden. Gedaagden hebben echter de hoogte van de door hen ontvangen giften betwist. Ook hebben gedaagden de hoogte van de door eiseressen berekende legitimaire massa en legitieme portie betwist en hebben gedaagden betwist dat de door hun ontvangen giften de jongste giften zijn.

4.9.

De rechtbank merkt allereerst het volgende op. Voordat de legitieme portie kan worden vastgesteld moet eerst de legitimaire massa worden vastgesteld. De legitimaire massa wordt berekend door de waarde van de goederen van de nalatenschap, te vermeerderen met de in aanmerking te nemen giften en te verminderen met de schulden die zijn genoemd in artikel 4:7 lid 1 BW onder a tot en met c en f. Alle giften die aan eiseressen en gedaagden zijn gedaan door erflaatster moeten op grond van artikel 4:67 onder d BW worden meegenomen bij de berekening van de legitimaire massa. Gebruikelijke giften worden echter buiten beschouwing gelaten, voor zover zij niet bovenmatig waren.1

4.10.

Eiseressen hebben in eerste instantie hun legitieme porties op de verkeerde wijze berekend door slechts uit te gaan van 1/8ste deel van de giften aan gedaagden en geen rekening te houden met schulden en andere giften, waaronder aan eieressen zelf. De rechtbank heeft eiseressen na de zitting in de gelegenheid gesteld om bij conclusie van repliek te reageren op de door gedaagden berekende legitimaire massa en zelf met een nieuwe berekening te komen. Eiseressen hebben vervolgens zelf Excel-overzichten overgelegd waarin zij op de Excel-overzichten van gedaagden reageren. Gedaagden zijn daarna in de gelegenheid gesteld om bij dupliek hierop te reageren, waarna eiseressen en gedaagden nog een akte hebben mogen indienen om op de producties van gedaagden bij dupliek te reageren. Met name van de zijde van gedaagden zijn bezwaren geuit over de wijze van procederen en gedaagden willen nog een keer in de gelegenheid worden gesteld om op de laatste akte van eiseressen te reageren. De rechtbank gaat aan deze bezwaren voorbij. De rechtbank acht het in belang van partijen om inhoudelijk op het geschil te beslissen. Erflaatster is immers al tien jaar geleden overleden. Het wordt tijd dat er een einde komt aan het geschil tussen partijen. Dit betekent dat de rechtbank hieronder op basis van de gegevens die er nu zijn de legitimaire massa zelf zal vaststellen en zelf zal beoordelen welke giften moeten worden meegenomen bij de berekening van de legitieme portie. De rechtbank acht het daarvoor niet noodzakelijk om gedaagden nog een keer in de gelegenheid te stellen om op laatste akte van eiseressen te reageren, omdat zij daartoe al voldoende in de gelegenheid zijn gesteld.

4.11.

Het meest verstrekkende verweer van gedaagden is dat alle kinderen € 100.000,- hebben ontvangen van erflaatster tijdens haar leven, zodat de legitieme porties vanwege de verrekening van de giften ex artikel 4:70 BW nihil zijn. De rechtbank kan gedaagden hierin niet volgen, omdat uit de considerans bij het testament en de overgelegde handgeschreven verklaring van (naar gedaagden stellen) erflaatster van 1 december 2008 onvoldoende blijkt dat eiseressen ieder € 100.000,- of meer als gift hebben gekregen van erflaatster. Ook de brief van erflaatster uit september 2008 acht de rechtbank onvoldoende bewijs hiervan. Hoewel in deze brief het volgende is geschreven “de situatie is nu rechtgezet door hun allebei 100.000 euro te schenken” en “dat mijn twee oudste kinderen zich enorm aan mij hebben verrijkt. Daaraan is vanaf nu een einde gekomen”, is onvoldoende vast komen te staan dat deze brief daadwerkelijk door erflaatster geschreven is of zij met de inhoud hiervan akkoord was. Dit is namelijk door eiseressen bestreden, omdat dat erflaatster geen computer of typmachine had, haar mentale gezondheid niet goed was en erflaatster eerder wel meer dan drie maanden naar tevredenheid bij [naam eiseres 2] heeft gewoond. Zonder nadere onderbouwing van gedaagden, die ontbreekt, kan de rechtbank niet als vaststaand aannemen dat deze brief daadwerkelijk van erflaatster afkomstig is geweest.

Dit betekent dat hieronder inhoudelijk zal worden beoordeeld wat de legitimaire massa is, zodat daarna de legitieme porties kunnen worden vastgesteld.

Goederen

4.12.

Partijen zijn het erover eens dat de goederen van nalatenschap nihil zijn.

Schulden

4.13.

Wat de schulden betreft, hebben eiseressen inmiddels erkend dat de vaderlijke erfdelen (€ 32.471,52) en de kosten van de tweede vereffenaar (€ 3.160,-) tot de schulden van de nalatenschap behoren. De kosten van de eerste vereffenaar ter hoogte van € 8.736,20 moeten volgens gedaagden ook meegenomen worden bij de berekening van de schulden. De rechtbank volgt gedaagden hierin. Dit zijn immers vereffeningskosten, zodat deze op grond van artikel 4:7 lid 1 onder c BW behoren tot de schulden van de nalatenschap. De kantonrechter heeft – ondanks het feit dat hij de eerste vereffenaar heeft ontslagen – niet geoordeeld dat deze kosten niet tot de nalatenschap van erflaatster behoren. Dat de nota nog niet betaald is omdat de nalatenschap negatief is, is geen reden om deze kosten niet mee te nemen bij de berekening van de legitieme massa. Dit betekent dat de schulden van de nalatenschap € 44.367,72 bedragen.

Giften

4.14.

Voorts moet vastgesteld worden welke giften in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de legitimaire massa. Dit zal hieronder beoordeeld worden.

Giften aan gedaagden

4.15.

Volgens eiseressen hebben gedaagden allebei de helft van de verkoopopbrengst van de woning van erflaatster geschonken gekregen ten bedrage van € 142.250,- per persoon. Bij hun conclusie van repliek hebben eiseressen daarnaast gesteld dat [naam gedaagde 1] daar bovenop nog € 14.301,15 aan giften heeft ontvangen, namelijk geld voor een opleiding tot tolk, voor haar verhuizing van Nederland naar Turkije en voor de aanleg van waterputten van haar Turkse schoonfamilie en een vakantie naar Thailand met erflaatster. Volgens eiseressen heeft [naam gedaagde 2] daarnaast nog een bedrag van € 7.547,15 geschonken gekregen onder andere voor een opleiding van haar echtgenoot van € 5.000,-. Dit betekent dat eiseressen zich op het standpunt hebben gesteld dat [naam gedaagde 1] minimaal € 156.551,15 en [naam gedaagde 2] minimaal € 149.797,15 aan giften hebben ontvangen.

4.16.

Gedaagden hebben deze bedragen bestreden. Volgens gedaagden klopt het dat zij allebei € 142.250,- op hun rekening gestort hebben gekregen van erflaatster na de verkoop van haar woning, maar is slechts een bedrag van € 100.000,- een gift en was het restantbedrag van € 42.250,- een lening die zij aan erflaatster terug moesten betalen. Volgens [naam gedaagde 2] heeft zij zelfs meer terugbetaald, waardoor zij slechts € 86.250,- als gift heeft ontvangen. De overige door eiseressen gestelde giften worden door gedaagden betwist.

4.17.

De rechtbank overweegt als volgt. Op het rekeningafschrift van erflaatster2 staat als omschrijving bij de overboeking van € 142.250,- aan gedaagden “schenking”. Het ligt op de weg van gedaagden om te onderbouwen dat niet dit hele bedrag een schenking, en dus gift, is. Gedaagden zijn daarin niet geslaagd, want zij hebben onvoldoende onderbouwd dat zij van dit bedrag respectievelijk € 42.250,- en € 56.000,- hebben terugbetaald aan erflaatster.

[naam gedaagde 1] heeft ter onderbouwing gewezen op geldopnames die zij op 8, 9 en 10 oktober 2008 heeft gedaan op twee verschillende locaties in Vlaardingen voor in totaal € 40.000,-. Met deze enkele geldopnames heeft zij echter niet onderbouwd dat deze opnames dienden om € 42.250,- aan erflaatster te betalen, bovendien bedroegen deze opnames geen € 42.250,- maar € 40.000,-. De verklaring van de zoon van [naam gedaagde 1] kan haar niet baten, omdat die spreekt over opnames in Schiedam en niet in Vlaardingen en hij het ook slechts heeft over één opname. Wat [naam gedaagde 1] betreft gaat de rechtbank derhalve uit van een schenking van € 142.250,-. Dat in de aangifte schenkbelasting slechts een bedrag van € 100.000,- is opgegeven als schenking leidt niet tot een ander oordeel, omdat het bedrag wat daadwerkelijk geschonken is leidend is.

[naam gedaagde 2] zou € 56.000,- terugbetaald hebben en heeft ter onderbouwing gewezen op een bankafschrift waaruit blijkt dat ze dit bedrag in drie delen van € 12.000,- op de bankrekening van erflaatster heeft gestort. De rechtbank acht dit echter onvoldoende onderbouwing van de terugbetaling, omdat geen omschrijving is genoteerd bij de overboekingen en deze bedragen op dezelfde dag weer contant zijn opgenomen. Voorts heeft [naam gedaagde 2] gewezen op een bankafschrift waaruit blijkt dat zij € 10.000,- op de bankrekening van erflaatster heeft gestort, maar ook hierbij is geen omschrijving genoteerd. Uit de contante kasopname van € 8.000,- en de geldopnames van tweemaal € 1.000,- blijkt evenmin dat dit bedrag aan erflaatster betaald is. Volgens [naam gedaagde 2] vertrouwde erflaatster de banken niet en wilde ze het geld graag contant in huis hebben. Het is echter zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ongeloofwaardig dat erflaatster (met de terugbetaling van [naam gedaagde 1] erbij) bijna € 100.000,- contant in huis wilde hebben. Onverklaard is bovendien waarom [naam gedaagde 2] veel meer dan € 42.250,- heeft terugbetaald. Bij de Belastingdienst is bovendien aangifte gedaan voor een schenking van € 100.000,- hetgeen gelet op de terugbetaling van € 56.000,- ook vreemd is. Dit betekent dat ook wat [naam gedaagde 2] betreft niet vast is komen te staan dat zij geen schenking van € 142.250,- heeft ontvangen, zodat van dit bedrag uit wordt gegaan.

4.18.

Wat de andere door eiseressen gestelde giften aan gedaagden ten bedrage van € 14.301,15 aan [naam gedaagde 2] en € 7.547,15 aan [naam gedaagde 1] betreft, is de rechtbank van oordeel gedaagden die in hun stukken voldoende gemotiveerd bestreden hebben. Nu eiseressen geen concreet bewijs hiervan hebben aangeboden, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat dit giften zijn en dat die dus niet bij de legitimaire massa meegenomen moeten worden.

Giften aan eiseressen

4.19.

Gedaagden hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat eiseressen ook giften hebben ontvangen van erflaatster die bij de berekening van de legitieme porties meegenomen moeten worden. Eiseressen hebben betwist dat zij in aanmerking te nemen giften hebben ontvangen van erflaatster.

4.20.

Gedaagden hebben in hun conclusie van dupliek het (gewijzigde) standpunt ingenomen dat aan [naam eiseres 1] een bedrag van € 31.626,14 aan giften heeft ontvangen en [naam eiseres 2] een bedrag van € 52.418,92, zodat deze bedragen hieronder beoordeeld zullen worden. De rechtbank zal dat doen aan de hand van hetgeen partijen hebben aangevoerd, met name productie 25 en 26 van eiseressen en productie G en H van gedaagden.

Daarbij merkt de rechtbank op dat eiseressen soms giften hebben erkend. De rechtbank heeft echter zelf beoordeeld of de giften die door eiseressen zijn erkend meegeteld moeten worden of dat deze giften gekwalificeerd kunnen worden als niet-bovenmatige gebruikelijke giften. Met andere woorden ook als eiseressen soms bepaalde giften erkend hebben, kan het zo zijn dat ze hieronder niet zijn meegenomen, omdat ze zijn aangemerkt als niet-bovenmatige gebruikelijke giften, bijvoorbeeld omdat dit cadeautjes zijn of betalingen van uitjes.

Giften [naam eiseres 1]

4.21.

Volgens gedaagden heeft [naam eiseres 1] een lange tijd maandelijks bedragen van erflaatster ontvangen en zijn dit giften. De rechtbank is van oordeel dat [naam eiseres 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat de door erflaatster per bank aan haar echtgenoot overgeboekte bedragen van (meerdere keren) fl. 500,- (€ 226,89), fl. 1.000,- (€ 453,78), € 454,-, € 227,-, € 125,- en € 1.000,- geen giften zijn. Zij heeft niet onderbouwd haar stelling dat deze bedragen zijn overgemaakt voor de studie van haar zoon [naam 4] en heeft evenmin onderbouwd dat zij een boete heeft moeten betalen voor het afsluiten van een hypotheek voor een flat in Nieuw-Vennep voor erflaatster en de bedragen daarmee verrekend zijn. Bovendien zijn deze stellingen tegenstrijdig met elkaar. De rechtbank kan [naam eiseres 1] ook niet volgen in haar later ingenomen standpunt dat die bedragen aan haar echtgenoot zijn overgemaakt en zij op huwelijkse voorwaarden met hem gehuwd is, zodat die niet door haar ontvangen zijn. Deze stelling is namelijk niet onderbouwd en ook als dit zo is, dan betekent dat niet dat de bedragen niet door erflaatster ten behoeve van [naam eiseres 1] zijn overgemaakt. Dit voorgaande betekent dat alle per bank overgeboekte bedragen aan haar echtgenoot ten bedrage van in totaal € 6.571,13 zijn aan te merken als giften.

Wat de andere bedragen betreft die per bank zijn opgenomen door erflaatster en [naam eiseres 1] , is de rechtbank van oordeel dat – voor zover gedaagden hier al rekening mee hebben gehouden – deze bedragen gelet op de hoogte ervan en de omschrijving zijn aan te merken als niet bovenmatige gebruikelijke giften of dat onvoldoende is gebleken dat dit daadwerkelijk giften zijn en niet voorgeschoten bedragen. De meeste bedragen zien namelijk op cadeaus voor verjaardagen en dergelijke, zodat onvoldoende is gebleken dat dit geen niet bovenmatige gebruikelijke giften zijn.

Op productie G komt ook een aantal additionele bedragen voor. De rechtbank kan gedaagden niet volgen in hun standpunt dat erflaatster fl. 10.000,- aan [naam eiseres 1] heeft overgemaakt, omdat dit enkel is onderbouwd met een overboekingsbewijs waaruit niet blijkt dat deze overboeking ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden terwijl de overboeking door [naam eiseres 1] is bestreden. Dat er een paraaf van een bankmedewerker op staat maakt het voorgaande niet anders. Niet gebleken is dat deze overboeking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Evenmin kan de rechtbank gedaagden volgen in hun stelling dat [naam eiseres 1] een bedrag van € 5.000,- geschonken heeft gekregen in een onbekend jaar. Volgens [naam eiseres 1] is zag dit bedrag op de maandelijkse betalingen voor de school van [naam 4] , waarmee hiervoor al rekening is gehouden. Gelet op de (bijna) maandelijkse overmaking van de bedragen acht de rechtbank dit standpunt niet onaannemelijk. Daarbij weegt ook mee dat gedaagden niet hebben onderbouwd dat er naast deze overgeboekte bedragen nog een bedrag van € 5.000,- is geleend door [naam eiseres 1] , welke lening niet terugbetaald is.

Als laatste zijn partijen nog verdeeld over de vraag of erflaatster € 14.747,86 aan [naam eiseres 1] heeft geschonken, omdat zij een lening van erflaatster voor de verbouwing van haar huis nooit heeft terugbetaald. [naam eiseres 1] heeft betwist dat zij ooit een dergelijke lening heeft ontvangen. Gedaagden hebben niet onderbouwd dat erflaatster aan [naam eiseres 1] geld geleend heeft voor de verbouwing van haar woning, zodat dit ook niet als gift is aan te merken.

Gelet op het voorgaande heeft [naam eiseres 1] voor een bedrag van € 6.571,13 aan giften ontvangen van erflaatster die bij de berekening van de legitimaire massa moeten worden meegenomen.

Giften [naam eiseres 2]

4.22.

Gedaagden hebben een lange lijst overgelegd van volgens hen door [naam eiseres 2] van erflaatster ontvangen giften. De rechtbank is van oordeel dat gedaagden voldoende hebben onderbouwd dat de volgende overboekingen/opnames giften aan [naam eiseres 2] zijn:

  1. de overboekingen van erflaatster per bank van elk fl. 270,- zijn aan te merken als giften. De verklaring die [naam eiseres 2] hiervoor gegeven heeft, namelijk “dit is een overboeking van geld dat [naam erflaatster] van mijn Rabo spaarrekening opnam en doorstortte. [naam erflaatster] was daartoe gemachtigd. Ik had dit voor mijn spaarrekening op de ABNAMRO nodig.”, is een onbegrijpelijk verweer. Dit betekent dat alle overboekingen van fl. 270,- zijn aan te merken als gift. Dit zijn er in totaal 13 overboekingen. Dit betreft een gift van in totaal € 1.592,76 (= 13 x fl. 270,-/ € 122,52);

  2. de overboeking van fl. 10.000,- (€ 4.537,80) op 13 december 1999 is ook aan te merken als gift. Volgens [naam eiseres 2] is dit bedrag een gift voor de millenniumwisseling die [naam eiseres 2] moest verdelen onder de kinderen en de kleinkinderen. Gedaagden hebben echter weersproken dat dit ooit heeft plaatsgevonden. Nu [naam eiseres 2] dit – op de enkele stelling na dat zij dit geld samen met [naam eiseres 1] in enveloppen aan gedaagden heeft gegeven – niet nader heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat [naam eiseres 2] dit bedrag dit heeft verdeeld, zodat dit als een gift aan [naam eiseres 2] is aan te merken;

  3. ten aanzien van de opnames van € 500,- op 29 juli 2005, € 40,- op 11 februari 2006, € 40,- op 10 maart 2006 heeft [naam eiseres 2] geen verweer gevoerd, zodat deze opnames ten bedrage van € 580,- zijn aan te merken als gift aan haar;

  4. ten aanzien van de overboeking van 3 september 2005 van € 406,- met de omschrijving ‘aanhangwagen [naam erflaatster] ’ heeft [naam eiseres 2] evenmin verweer gevoerd zodat dit is aan te merken als een gift is aan haar;

  5. [naam eiseres 2] heeft erkend dat zij op 14 december 2007 € 10.000,- en op 20 december 2007 € 6.000,-. heeft opgenomen van de bankrekening van erflaatster met haar gemachtigdenbankpas van de bankrekening van erflaatster. [naam eiseres 2] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij deze bedragen heeft teruggegeven aan erflaatster, zodat deze bedragen als giften aan [naam eiseres 2] zijn aan te merken.

Wat de € 10.000,- betreft, heeft [naam eiseres 2] in haar pleitnotitie gesteld dat ze dit bedrag heeft verdeeld over de zussen conform de wens van erflaatster. Deze stelling is echter tegenstrijdig met haar stelling in productie 26 bij repliek dat ze dit bedrag contant aan erflaatster heeft teruggegeven. Nu gedaagden hebben betwist een deel van de € 10.000,- te hebben ontvangen en van de teruggave geen bewijs is overgelegd of aangeboden, is de rechtbank van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat aan [naam eiseres 2] het gehele bedrag van € 10.000,- is toegekomen.

Wat het bedrag van € 6.000,- betreft, heeft [naam eiseres 2] ook tegenstrijdige standpunten ingenomen. In haar pleitnotities heeft zij het standpunt ingenomen dat dit bedrag is gebruikt om twee facturen te betalen voor de nieuwe woning van erflaatster. Dit is echter niet geloofwaardig, omdat het bedrag eind december 2007 is opgenomen terwijl erflaatster pas in februari 2008 de woning kon bezichtigen. Bij haar conclusie van repliek heeft [naam eiseres 2] gesteld dat zij dit bedrag aan erflaatster heeft teruggegeven. [naam eiseres 2] heeft hiervan echter ook geen bewijs overgelegd of aangeboden, zodat dit niet is komen vast te staan;

6. De geldopnames van 2 en 3 januari 2008 van respectievelijk € 1.000,- en € 1.100,-zijn door [naam eiseres 2] tevens erkend. De kantonrechter is van oordeel dat [naam eiseres 2] haar stelling dat zij deze bedragen aan erflaatster heeft teruggegeven niet heeft onderbouwd, zodat dit niet als vaststaand kan worden aangenomen. Gelet daarop worden deze opnames van in totaal € 2.100,- ook aangemerkt als giften aan [naam eiseres 2] ;

7. Gelet op het voorgaande komt het totaal van giften aan [naam eiseres 2] uit op € 25.216,56.

4.23.

Gedaagden hebben wat het overige betreft onvoldoende onderbouwd, althans onvoldoende is komen vast te staan, dat de bedragen in hun productie H zijn aan te merken als giften of zijn aan te merken als giften die weliswaar gebruikelijk maar bovenmatig zijn. Daaronder vallen ook de vele geldopnames die zijn gedaan bij de bank van erflaatster. Onvoldoende is gebleken dat dit contante geld niet door erflaatster zelf is opgenomen of – als het wel door [naam eiseres 2] is opgenomen met de bankpas van erflaatster – niet aan erflaatster ten goede is gekomen, zodat dit geen giften zijn. De enkele stelling van gedaagden dat deze opnames in de buurt van de woning van [naam eiseres 2] zijn gedaan is onvoldoende, omdat gedaagden erkennen dat erflaatster toen regelmatig bij [naam eiseres 2] op bezoek kwam en/of daar verbleef. Ook wat betreft kasopname van 22 december 1999 is de rechtbank van oordeel dat gedaagden onvoldoende hebben onderbouwd dat dit een gift is aan [naam eiseres 2] , omdat gelet op de betwisting van [naam eiseres 2] het enkele feit dat erflaatster een aantekening heeft gemaakt over het weggeven van het bedrag onvoldoende is om als vaststaand aan te nemen dat zij het bij deze kasopname opgenomen bedrag aan [naam eiseres 2] heeft geschonken. De andere gestelde giften zijn zodanig klein dat deze vallen onder de niet-bovenmatige gebruikelijke giften, dan wel is ten aanzien van die opnames niet, althans onvoldoende onderbouwd dat die daadwerkelijk aan [naam eiseres 2] ten goede zijn gekomen. Het totaal van giften wat bij de berekening van de legitimaire massa moet worden meegeteld is derhalve € 25.216,56.

Vaststellen legitimaire massa en legitieme porties

4.24.

Nu is vastgesteld welke giften partijen van erflaatster hebben ontvangen, kan de legitimaire massa als volgt worden berekend:

Goederen:

Nihil

€ 0,00

Schulden:

Erfdelen vader

€ - 32.471,52

Kosten 1e vereffenaar

€ - 8.736,20

Kosten 2e vereffenaar

€ - 3.160,-

Totaal schulden:

€ - 44.367,72

Giften:

[naam gedaagde 1]

€ 142.250,-

[naam gedaagde 2]

€ 142.250,-

[naam eiseres 1]

€ 6.571,13

[naam eiseres 2]

€ 25.216,56

Totaal giften:

€ 316.287,69

Totale legitimaire massa

€ 271.919,97

4.25.

Gelet op de legitimaire massa van € 271.919,97 bedragen de legitieme porties van eiseressen € 33.990,00 per persoon (€ 271.919,97 x 1/8 = € 33.990,00). Op grond van artikel 4:70 lid 1 BW moeten de giften die eiseressen hebben ontvangen van erflaatster hierop echter in mindering worden gebracht, zodat de legitieme portie van [naam eiseres 1] € 27.418,87 bedraagt en die van [naam eiseres 2] € 8.773,44.

Jongste giften

4.26.

Gedaagden hebben betwist dat de giften die zij ontvangen hebben waarop eiseressen willen inkorten de jongste giften zijn. Gedaagden hebben deze stelling echter niet onderbouwd en de rechtbank is in deze procedure ook niet gebleken dat er jongere giften zijn, zodat gedaagden in dit standpunt niet gevolgd worden.

Subsidiaire verweer

4.27.

De rechtbank kan gedaagden niet volgen in hun stelling dat de bedragen waarvan niet is komen vast te staan dat dit giften zijn, gekwalificeerd moeten worden als bedragen die eiseressen zonder instemming van erflaatster onrechtmatig hebben toegeëigend. Voldoende onderbouwing dat deze bedragen aan eiseressen ten goede zijn gekomen ontbreekt immers. Evenmin is vast komen te staan dat eiseressen zich inboedelgoederen, sieraden en juwelen hebben toegeëigend.

Conclusie

4.28.

Gedaagden worden gelet op wat hiervoor is overwogen veroordeeld om op grond van inkorting van hun giften ex artikel 4:90 lid 1 BW aan [naam eiseres 1] € 27.418,87 te betalen en aan [naam eiseres 2] € 8.773,44. De rechtbank kan gedaagden niet volgen in hun stelling dat het alle omstandigheden in aanmerking genomen onredelijk is om op hun giften in te korten. Deze onredelijkheid ziet volgens gedaagden op het feit dat eiseressen volgens erflaatster al voldoende, althans in ieder geval evenveel als gedaagden, gehad hebben. Dat is in deze procedure echter niet komen vast te staan, zodat gedaagden worden veroordeeld om aan eiseressen hun legitieme porties te betalen door in te korten op de giften die zij van erflaatster hebben ontvangen.

4.29.

De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 21 september 2011 (de dag waarop eiseressen bij gedaagden aanspraak hebben gemaakt op hun legitieme portie ) tot de dag van algehele voldoening.

Proceskosten

4.30.

Omdat partijen zussen zijn, worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Nu eiseressen niet geheel in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank geen reden om gedaagden te volgen in hun stelling dat eiseressen in de proceskosten veroordeeld moeten worden.

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt gedaagden gezamenlijk aan [naam eiseres 1] te betalen € 27.418,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2011 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt gedaagden gezamenlijk aan [naam eiseres 2] te betalen € 8.773,44, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2011 tot de dag van algehele voldoening;

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021.

3120

1 Op grond van artikel 4:69 lid 1 onder b BW.

2 Productie 10 van eiseressen