Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8100

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-07-2021
Datum publicatie
26-08-2021
Zaaknummer
9250638
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontslag op st voet terecht gegeven: grensoverschrijdend gedrag van wn - was eerder ervoor gewaarschuwd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1089
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9250638 VZ VERZ 21-9409

uitspraak: 21 juli 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

verzoeker, tevens verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. S.W. van den Brink,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam,

statutair gevestigd te Rotterdam,

verweerster, tevens verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. S. van Waegeningh.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [persoon A] ” en “Erasmus MC”.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 1 juni 2021, met producties;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende een tegenverzoek en voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, binnengekomen ter griffie op 24 juni 2021, met producties;

  • -

    de pleitaantekeningen mondelinge behandeling van [persoon A] ;

  • -

    de pleitnotities van Erasmus MC.

De mondelinge behandeling is gehouden op 29 juni 2021. [persoon A] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens Erasmus MC zijn verschenen mevrouw [persoon B] (P&O adviseur), de heer [persoon C] (manager logistiek), en mr. M.A. van der Zwaan-de Bont (arbeidsjurist), bijgestaan door de gemachtigde.

Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1

De kernactiviteiten van het Erasmus MC spitsen zich toe op (tertiaire) patiëntenzorg, onderzoek en onderwijs (medische faculteit). Het Erasmus MC is een universitair medisch centrum, verbonden aan de medische faculteit. Er werken circa 14.000 medewerkers.

2.2

[persoon A] , geboren op [geboortedatum] , is op 25 juni 2012 als uitzendkracht gestart bij Erasmus MC. Per 30 december 2013 is [persoon A] bij Erasmus MC aangesteld in de functie van Facilitair medewerker allround. De aanstelling van Erasmus MC als ambtenaar is met ingang van 1 januari 2020 op grond van de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren omgezet in een arbeidsovereenkomst met Erasmus MC. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Universitair Medische Centra (UMC) van toepassing.

2.3

[persoon A] houdt zich als facilitair medewerker allround bezig met ondersteunende en facilitaire werkzaamheden toegespitst op de logistieke ondersteuning in het ziekenhuis. De leidinggevende van [persoon A] is de heer [persoon C] . Het laatstverdiende bruto maandloon bedraagt € 2.278,22 bruto exclusief emolumenten.

2.4

Op 16 juli 2020 heeft [persoon A] een officiële waarschuwing gekregen wegens ongewenste bejegening tijdens werktijd van een medisch studente. In het hoor-en-wederhoorgesprek op 27 mei 2020 tussen [persoon C] , mevrouw [persoon D] (P&O adviseur) en [persoon A] is besproken dat [persoon A] zich bewust moest zijn van hetgeen hij tegen sommige vrouwen zei. In de waarschuwing is vermeld dat als zich een herhaling zou voordoen van de gedragingen waarvoor [persoon A] was gewaarschuwd, dit voor Erasmus MC reden zou zijn de arbeidsovereenkomst te beëindigen, waarbij ontslag op staande voet niet moest worden uitgesloten.

2.5

[persoon A] ligt sinds oktober 2020 in scheiding met zijn partner en leeft sinds januari 2021 uit zijn auto. Over deze privésituatie heeft [persoon A] zijn leidinggevende ingelicht.

2.6

Op 24 maart 2021 heeft [persoon A] in de keuken waar meerdere collega’s waren (facilitaire zorgmedewerkers, verpleegkundigen en een kok) aan één van de facilitaire zorgmedewerkers een knuffel gegeven.

2.7

Op 26 maart 2021 is [persoon C] door de heer [persoon E] (coördinator van de afdeling Facilitaire diensten) gebeld met de mededeling dat signalen waren ontvangen dat [persoon A] vijf vrouwelijke collega’s lastig zou hebben gevallen tijdens werktijd. Twee vrouwelijke collega’s hadden zich beklaagd over de gedragingen van [persoon A] . Nadat [persoon C] telefonisch vier van deze collega’s had gesproken, heeft hij [persoon A] per direct naar huis gestuurd en hem vrijgesteld van werkzaamheden. Bij brief van 29 maart 2021 is de non-actiefstelling bevestigd.

2.8

Op 30 maart 2021 heeft Erasmus MC in het kader van het onderzoek zowel met Medewerker [code medewerker 1] als met Medewerker [code medewerker 2] een gesprek gevoerd over de melding die zij op 24 maart j.l. hadden gedaan bij Erasmus MC over het ongewenste gedrag van [persoon A] . De medewerkers zijn apart door Erasmus MC gehoord. Van deze gesprekken zijn gespreksverslagen gemaakt. Vanwege de belangen van de medewerkers zijn de verklaringen anoniem.

2.9

In het gespreksverslag van [code medewerker 1] staat – onder meer – het volgende: “Zonder enige aanleiding sloeg [persoon A] ineens twee armen om [code medewerker 1] en begon haar te knuffelen. [code medewerker 1] verstijfde van schrik en angst en riep: help! [persoon A] zei: “Kijk wij zijn een mooi stel, ik word jouw eerste chocolaatje. [code medewerker 1] geeft aan dat niemand wat deed. Ze voelde zich erg ongemakkelijk en bang.”

2.10

Ook medewerker [code medewerker 2] heeft een verklaring afgelegd. Onder meer het volgende staat in het gespreksverslag van [code medewerker 2] : “ [persoon A] stond op en hij begon [code medewerker 1] te knuffelen. [code medewerker 2] zag dat [code medewerker 1] van angst verstijfde, dicht sloeg, rood aanschoot en help zei. [code medewerker 2] schreeuwde: “Laat haar los en blijf van haar af!” [persoon A] klampte zich zeker 3-4 minuten vast aan [code medewerker 1] . Ze werd bijna fijn geknepen. Ik wist niet meer wat te doen en riep weer: Laat haar los!” (….) Twee minuten later liep [code medewerker 2] ook de keuken uit via diezelfde uitgang. Bij de logistieke NF lift kwam [persoon A] naar haar toegelopen. Hij kwam achter haar staan en zei iets dat ze is vergeten. Hij stond achter haar, legde zijn arm op haar schouders en zei: “Wat heb jij een lekker kontje”. Hij duwde vervolgens zijn geslachtsdeel tegen haar aan en zei: “Laat mij een foto zien van jouw kont”. [code medewerker 2] verstijfde en was stil. Ze gaf aan dat ze niet wist wat ze moest doen en dat haar eerste gedachte was om hem een stomp te geven”.

2.11

Vanuit Erasmus MC is hulp opgestart voor het verwerkingsproces van beide medewerkers ( [code medewerker 1] en [code medewerker 2] ).

2.12

In het kader van het onderzoek heeft op 30 maart 2021 ook een gesprek plaatsgevonden tussen mevrouw [persoon F] (Teammanager Neurochirurgie) en mevrouw [persoon D] . [persoon F] had verschillende meldingen ontvangen van haar verpleegkundigen over (seksuele) intimidatie door [persoon A] . Opmerkingen die [persoon A] richting deze medewerkers heeft gemaakt zijn: “Je hebt mooie ogen, ik zou je de stiefmoeder van mijn kinderen willen laten zijn”, “zulke lekkere billen”, “we moeten afspreken met elkaar, ik ga jouw eerste chocoprins zijn”.

2.13

Op 31 maart 2021 heeft er een gesprek op locatie plaatsgevonden tussen [persoon C] , [persoon D] en [persoon A] . In dit gesprek werd [persoon A] geconfronteerd met de mededeling dat er vijf vrouwelijke collega’s verklaringen hebben afgegeven dat hij vrouwen lastig valt tijdens werktijd. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt. [persoon A] heeft aangegeven dat hij zich niet ging verdedigen, dat het grappen waren en dat dit verkeerd was opgevat door zijn collega’s. [persoon A] heeft in dit gesprek erkend dat hij een medewerker heeft geknuffeld.

2.14

Op 1 april 2021 is [persoon A] door zijn leidinggevende gebeld en is aan [persoon A] medegedeeld dat hij op staande voet is ontslagen. Het ontslag is op 2 april 2021 per brief bevestigd. In de brief staan – verkort weergegeven – de volgende redenen voor het ontslag: zich schuldig maken aan ontoelaatbaar grensoverschrijdend gedrag jegens collega’s waardoor zij zich onveilig hebben gevoeld, ondanks eerdere waarschuwing en het overtreden van de voorgeschreven coronamaatregel van 1,5 meter afstand houden alsmede het weinig transparant reageren op deze gedragingen en geen blijk gegeven verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag.

2.15

In deze brief heeft Erasmus MC ook een beroep op verrekening van de schadevergoeding van artikel 7:677 BW met de eindafrekening gedaan. Deze vergoeding is gelijk aan een bedrag aan loon over de opzegtermijn en de aanzegtermijn.

2.16

[persoon A] heeft zich per brief van 21 mei 2021 verzet tegen het ontslag op staande voet en zich op het standpunt gesteld dat een dringende reden ontbreekt en Erasmus MC de persoonlijke omstandigheden van Erasmus MC onvoldoende heeft meegewogen.

2.17

Per e-mail van 27 mei 2021 heeft Erasmus MC aangegeven dat zij geen reden ziet om op het ontslag op staande voet terug te komen c.q. om een minnelijke regeling te treffen.

3. Het geschil

3.1

[persoon A] heeft verzocht, bij beschikking:

Primair:

I. Het ontslag op staande voet van 1 april 2021 te vernietigen;

En tevens om bij uitvoerbaar bij voorraad te geven beschikking Erasmus MC te veroordelen tot:

II. Betaling aan [persoon A] van € 2.278,22 bruto per maand aan loon over de periode van 1 april 2021 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

III. Betaling van de wettelijke verhoging conform artikel 7:625 BW over het aan [persoon A] toekomende loon, alsmede tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het loon en de wettelijke verhoging steeds vanaf de dag dat Erasmus MC met de betaling van de afzonderlijke bedragen in verzuim is tot aan de dag van de gehele betaling;

IV. [persoon A] in staat te stellen zijn werkzaamheden te hervatten zoals deze werden verricht tot 26 maart 2021, onder verbeurte van een dwangsom van € 150,00 per dag dat Erasmus MC in gebreke blijft tot een maximum van € 50.000,- ;

Subsidiair:

V. Te verklaren voor recht dat in strijd met artikel 7:671 BW is opgezegd en meer in het bijzonder dat er geen dringende reden aanwezig was;

En tevens om bij uitvoerbaar bij voorraad te geven beschikking Erasmus MC te veroordelen tot:

VI. Betaling aan [persoon A] van € 7.877,66 bruto in verband met de onregelmatige opzegging;

VII. Betaling aan [persoon A] van € 7.779,62 bruto aan transitievergoeding;

VIII. Betaling aan [persoon A] van € 31.894,20 bruto aan billijke vergoeding;

Primair en subsidiair:

IX. Betaling aan [persoon A] van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

X. Vergoeding van de kosten van deze procedure;

XI. De nakosten.

3.2

Aan zijn verzoek legt [persoon A] – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag. Er is geen sprake van een dringende reden om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Het gedrag van [persoon A] is niet als zodanig grensoverschrijdend te kwalificeren dat dit als dringende reden kan worden aangemerkt. Door Erasmus MC is voorts onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Een groot deel van de verklaringen die ten grondslag aan de verwijten liggen is anoniem afgelegd en voor [persoon A] niet herleidbaar tot personen. Hierdoor kan [persoon A] zich niet of nauwelijks verweren tegen de beschuldigingen nu hij zich niet herkent in de benoemde gedragingen. [persoon A] erkent dat hij eerder een waarschuwing in 2020 heeft gehad, maar de waarschuwing is door zijn leidinggevende persoonlijk aan [persoon A] overhandigd om te voorkomen dat het thuis bij [persoon A] zou escaleren. [persoon A] voelde daarom deze waarschuwing alleen als een formaliteit die zijn leidinggevende niet heel serieus nam.

3.3

Erasmus MC heeft – verkort weergegeven - gemotiveerd verweer gevoerd tegen het door [persoon A] verzochte en heeft geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [persoon A] in de kosten van de procedure. Het gegeven ontslag op staande voet is rechtsgeldig gegeven, zodat er geen plaats is voor enige vergoeding. [persoon A] was een gewaarschuwd mens en desondanks heeft hij zijn gedragingen richting vrouwen niet aangepast. Dit heeft Erasmus MC, een organisatie waar integriteit hoog in het vaandel staat en grensoverschrijdend gedrag niet wordt getolereerd, met recht doen besluiten tot ontslag op staande voet over te gaan.

3.4

In het tegenverzoek heeft Erasmus MC gefixeerde schadevergoeding van drie maanden verzocht. Voorts heeft Erasmus MC een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend, voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd en verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW jo. artikel 7:669 lid 3 BW, primair op de e-grond en subsidiair op de g-grond, zonder toekenning van een transitievergoeding. Volgens Erasmus MC kan door het handelen van [persoon A] van Erasmus MC niet langer worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.5

[persoon A] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de gefixeerde schadevergoeding alsmede tegen het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van Erasmus MC.

3.6

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, hierna bij de beoordeling behandeld.

4. De beoordeling

van het verzoek van [persoon A]

4.1

Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of het ontslag op staande voet van 1 april 2021 rechtsgeldig is gegeven.

4.2

Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dringende reden die een beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, dienen alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking te worden genomen.

4.3

[persoon A] wordt – kort gezegd – verweten dat hij ondanks een eerdere schriftelijke waarschuwing meerdere vrouwelijke collega’s lastig heeft gevallen tijdens werktijd met seksueel getinte opmerkingen en ongepaste verzoeken. Daarnaast heeft hij een collega fysiek aangeraakt door haar te knuffelen, waarbij hij ook nog eens geen 1,5 meter afstand heeft gehouden.

4.4

Door [persoon A] is erkend dat hij een collega op 24 maart 2021 heeft geknuffeld. Hoewel [persoon A] een nadere toelichting heeft gegeven waarom hij die betreffende collega een knuffel heeft gegeven en die collega volgens hem geen problemen daarmee had – wat overigens uit de verklaringen van de medewerkers [code medewerker 1] en [code medewerker 2] niet blijkt – betekent dit daarmee niet dat [persoon A] zich niet hoeft te houden aan de coronamaatregel om 1,5 meter afstand te houden.

4.5

[persoon A] heeft weliswaar aangevoerd dat een groot deel van de verklaringen anoniem zijn afgegeven en voor hem niet herleidbaar tot personen zijn, maar [persoon A] heeft de inhoud van het verslag en de verwijten die hem daarin worden gemaakt onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat de verklaringen anoniem zijn afgelegd, wil niet zeggen dat ze qua inhoud niet weergeven wat in de visie van deze medewerkers zich heeft voorgedaan. [persoon A] heeft onvoldoende redenen aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen, die ieder afzonderlijk zijn afgelegd. De kantonrechter gaat daarom uit van deze verklaringen van deze medewerkers.

4.6

In de verklaringen van de medewerkers [code medewerker 1] en [code medewerker 2] staat dat [persoon A] opmerkingen maakt als: “Wat heb jij een lekker kontje” en “ik zou je de stiefmoeder van mijn kinderen willen laten zijn”. De kantonrechter is van oordeel dat zulke uitspraken niet passen in een werksfeer onder collega’s. Zulke opmerkingen gaan een grapje tussen collega’s onderling ver te buiten. Dit geldt ook indien collega’s op zich amicaal met elkaar omgaan. Het met regelmaat doen van dit soort uitlatingen jegens collega’s, te meer als het een vrouwelijke collega is, kan niet door de beugel. Voor de collega’s in kwestie kan het (regelmatig) plaatsen van dergelijke opmerkingen een onveilig gevoel op het werk creëren.

4.7

De kantonrechter is bovendien van oordeel dat de geschetste gedragingen ook in objectieve zin als grensoverschrijdend en niet passend binnen een werkkring dienen te worden beoordeeld. De werkgever mag op de werkvloer een professionelere houding en professioneler gedrag verwachten van een werknemer. De werkgever heeft er recht op en belang bij, omwille van het kunnen waarborgen van een veilige en betrouwbare werkomgeving voor al zijn werknemers, te bewerkstelligen dat dit gedrag binnen de organisatie van Erasmus MC niet wordt getolereerd. Erasmus MC is immers een toonaangevend ziekenhuis en vervult een belangrijke maatschappelijke functie waarvan het naleven van professionele omgangsvormen deel uitmaakt. Van [persoon A] mag worden verwacht dat hij op een professionele wijze omgaat met zijn collega’s. Dat Erasmus MC dit als werkgever van haar medewerkers eist moest [persoon A] duidelijk zijn (geworden) gelet op de eerdere gegeven waarschuwing in 2020 waarin [persoon A] is gewezen op zijn gedrag en zijn uitlatingen jegens vrouwelijke collega’s. Het verweer van [persoon A] dat de waarschuwing van 2020 door zijn leidinggevende niet heel serieus werd genomen volgt de kantonrechter niet. Een officiële waarschuwing is immers een formele sanctie, die niet voor niets wordt gegeven. [persoon A] is destijds met zoveel woorden erop gewezen om te letten op wat hij tegen vrouwelijke collega’s zegt, daar kan geen misverstand over bestaan.

4.8

Het feit dat [persoon A] heeft aangegeven dat hij geen kwade bedoelingen heeft dan wel nooit de intentie heeft gehad om zich op te dringen bij zijn vrouwelijke collega’s, maakt niet dat [persoon A] zich op deze wijze mag uitlaten of gedragen. Hij heeft moeten begrijpen dat hij met zijn gedragingen de grens van het toelaatbare heeft overschreden. Dat [persoon A] ter zitting aangeeft dat hij zich een spiegel voor moet houden, is nu te laat en terecht voor Erasmus MC een gepasseerd station. [persoon A] had immers direct na de waarschuwing in 2020 zijn gedrag moeten aanpassen en zich moeten afvragen of zijn uitlatingen toelaatbaar zijn binnen de werksfeer. Duidelijk is gebleken dat hij dit niet heeft gedaan.

4.9

Er is rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [persoon A] . Hoe moeilijk die omstandigheden ook voor hem waren, deze kunnen het handelen van hem niet rechtvaardigen.

4.10

De conclusie is derhalve dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet is niet toewijsbaar. De daarmee samenhangende verzoeken tot betaling van het achterstallig loon en toelating tot werk evenmin.

4.11

Ook de subsidiaire verzoeken zijn gebaseerd op de stelling dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Nu hiervan geen sprake is zullen ook deze verzoeken om deze reden worden afgewezen.

4.12

[persoon A] heeft verder geen beroep gedaan op het bepaalde in artikel 7:673 lid 8 BW en niet gesteld dat het niet toekennen van een transitievergoeding in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Erasmus MC geen transitievergoeding aan hem verschuldigd is.

4.13

Voor een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding is evenmin grond, nu Erasmus MC de arbeidsovereenkomst terecht heeft opgezegd.

van het (voorwaardelijke) tegenverzoek van Erasmus MC

4.14

Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van Erasmus MC behoeft geen behandeling, aangezien de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet meer bestaat.

4.15

Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van de gefixeerde schadevergoeding oordeelt de kantonrechter als volgt. Het verzoek tot toekenning van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW is - gelet op het bepaalde in artikel 7:686a, lid 4, aanhef en onder a BW, - niet tijdig ingediend, nu dit verzoek niet is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Dat Erasmus MC jegens [persoon A] een beroep heeft gedaan op de verrekening met de eindafrekening, betekent niet dat de vervaltermijn van twee maanden voor het in rechte aanhangig maken van het verzoek tot het toekennen van de gefixeerde schadevergoeding niet geldt. Erasmus MC is voor wat betreft dit onderdeel van het verzoek niet-ontvankelijk.

4.16

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit, in het licht van hetgeen in deze beschikking is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

4.17

In de omstandigheid dat beide partijen over en weer ongelijk krijgen ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten in zowel het verzoek als het tegenverzoek te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter,

op het verzoek van [persoon A]

wijst alle verzoeken af;

op het tegenverzoek van Erasmus MC

verklaart Erasmus MC niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vergoeding van de gefixeerde schadevergoeding;

in beide verzoeken

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. van Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

821