Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8046

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
C/10/580427 / HA ZA 19-758
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap na echtscheiding. Marokkaans of Nederlands huwelijksvermogensrecht? Verknochtheid letselschade uitkering. Van wie is het appartement in Marokko? Bevel tot aantonen saldo op bankrekeningen op de omvangspeildatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/580427 / HA ZA 19-758

Vonnis van 11 augustus 2021

in de zaak van

[naam eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.T. van Loenen te Den Haag,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J-M.F. Honders te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties 1 t/m 17,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met als bijlage 1 productie (de toevoeging),

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermeerdering eis tevens akte indiening producties (22 t/m 24) ten behoeve van de comparitie van partijen,

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en conclusie van repliek in reconventie tevens

reactie vermeerdering eis, met producties 1 t/m 30,

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, met producties,

  • -

    de akte indiening aanvullende producties (31 tot en met 39) van de man, tevens verzoek tot getuigenverhoor,

  • -

    de nadere akte van de vrouw, met producties 30 tot en met 33,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 29 januari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 15 mei 2000 te Capelle aan den IJssel. Partijen

hebben de Nederlandse nationaliteit. Uit het huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 12 juni 2017 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 8 december 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De echtscheidingsbeschikking bevat geen beslissing over (de afwikkeling van) de huwelijksvermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding.

2.2.

Op 16 juli 2019 en 17 juli 2019 heeft de vrouw, na verkregen verlof van de

voorzieningenrechter, maritaal beslag laten leggen op de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] en op het saldo op een ING-bankrekening op naam van de man.

3. Het geschil in conventie en reconventie

3.1.

De vorderingen in conventie en reconventie strekken tot afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding.

3.2.

Volgens de vrouw is Nederlands huwelijksvermogensrecht toepasselijk. De vrouw stelt dat partijen de Nederlandse nationaliteit hebben, in Nederland getrouwd zijn, (steeds) in Nederland gewoond hebben en dat Nederlands huwelijksvermogensrecht toepasselijk is.

De man erkent de stellingname van de vrouw (impliciet), nu hij de door de vrouw gestelde feiten niet betwist en zich beroept op leerstukken uit het Nederlandse vermogensrecht, zoals verdeling van de huwelijksgemeenschap, de peildatum en de waardering van de goederen van de huwelijksgemeenschap. Dit zijn begrippen uit het Nederlandse en niet uit het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht. Nu het onweersproken gaat om een huwelijk tussen Nederlanders die in Nederland getrouwd zijn en vanaf de huwelijkssluiting steeds in Nederland gewoond hebben, zal worden uitgegaan van toepasselijkheid van Nederlands huwelijksvermogensrecht.

3.3.

Gesteld noch gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt. Daarom geldt tussen hen het regime van (huwelijks)gemeenschap van goederen.

3.4.

Partijen zijn deelgenoten in de huwelijksgemeenschap. Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken kan de rechter de verdeling daarvan op de voet van art. 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. (HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631).

3.5.

Bepalend voor de omvang van de gemeenschap is de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Die datum is, blijkens de tekst van de echtscheidingsbeschikking, 16 maart 2017. Bepalend voor de waarde van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel het moment van verdeling (nu), dit tenzij partijen een andere waardepeildatum zijn overeengekomen dan wel de redelijkheid en billijkheid een andere waardepeildatum rechtvaardigen.

3.6.

De volgende onderwerpen houdt partijen verdeeld.

woning [adres 1]

standpunt vrouw

3.7.

De woning, waarin thans de man woont, moet worden verkocht aan een derde, de opbrengst te delen bij helfte. De woning is niet bezwaard met een hypothecaire geldlening. De man heeft momenteel geen inkomen. De vrouw heeft er geen vertrouwen in dat de man in staat is om haar uit te kopen. De man heeft daar inmiddels tijd genoeg voor gehad (vier jaar). De woning moet getaxeerd worden zodat de huidige waarde daarvan kan worden gesteld.

standpunt man

3.8.

De man wenst toedeling van de woning aan hem, met als waardepeildatum 16 mei 2017. De man stelt daartoe dat hij zelf veel tijd en werkzaamheden heeft geïnvesteerd de woning om deze in een betere conditie te brengen. De man stelt ook veel geld van zijn broers geleend hebben om de aanschaf van de woning te financieren.

oordeel rechtbank

3.9.

De rechtbank zal partijen gelasten de woning te verkopen aan een derde, de opbrengst in beginsel te delen bij helfte (behoudens eventuele verrekenposten die verderop in dit vonnis mochten blijken). De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij misschien de schuldsanering in gaat. De rechtbank leidt daaruit af dat de man weinig financiële draagkracht heeft. De kans dat de man financieel in staat is om de vrouw uit te kopen lijkt dus gering. Bovendien is het tijdsverloop sinds het uiteengaan van partijen aanzienlijk. De man heeft tijd genoeg gehad om de vrouw uit te kopen. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank toedeling van de woning aan de man geen billijke verdeling (meer).

3.10.

Gelet op het ruime tijdsverloop sinds de echtscheiding van partijen acht rechtbank het wenselijk om thans zo spoedig mogelijk tot verdeling van de woning te komen. Daarom zal in dit vonnis (dat, zoals zal blijken, geen eindvonnis zal zijn) al tot verkoop van de woning worden gelast.

3.11.

De vordering van de vrouw tot taxatie van deze woning zal worden afgewezen. Dat is niet nodig nu de woning moet worden verkocht aan een derde. Aangenomen mag worden dat de in te schakelen verkoopmakelaar een marktconforme vraag- en laatprijs zal adviseren.

3.12.

In beginsel is ieder van partijen gerechtigd tot de helft van de verkoopopbrengst van de woning. De stelling van de man dat hij een vergoedingsrecht heeft omdat hij de woning heeft verbouwd faalt reeds omdat deze niet goed is onderbouwd. De man maakt niet duidelijk waaruit de gestelde verbeteringen bestaan. Ter zitting heeft de man met zoveel woorden erkend dat hij ook geen facturen heeft van de gestelde verbouwingen. In het midden kan blijven of de man niet de toestemming van de vrouw had moeten vragen voor de door hem gestelde verbouwingen, nu de vrouw immers mede-eigenaar is.

3.13.

Partijen stellen over en weer dat ze nog geld van elkaar te vorderen hebben. Het is thans onduidelijk wie, per saldo, een vordering op de andere partij zal hebben. Om die reden zal de rechtbank beslissen dat de opbrengst van verkoop van de woning in depot moet blijven staan bij de notaris totdat eindvonnis zal zijn gewezen.

3.14.

De man stelt dat de aanschaf van de woning is gefinancierd met geld dat hij van zijn broers heeft geleend. De rechtbank zal over deze kwestie separaat, verderop in het vonnis, beslissen.

ASR-beleggingsverzekering met polisnummer [polisnummer 1] en levensverzekering met polisnummer [polisnummer 2]

standpunt vrouw

3.15.

De man heeft deze twee polissen, die waren verbonden aan de

woning van partijen aan de [adres 2], op 17 november 2017 aan zich laten uitkeren. De uitkeringen bedroegen € 20.080,19 + 421,76. De man dient de helft daarvan aan de vrouw te vergoeden want de polissen vallen in de huwelijksgemeenschap.

standpunt man

3.16.

De man heeft de twee uitkeringen aangewend om zijn broers ieder € 7.000 te betalen en de overige € 6.000 heeft hij, via de bankrekening van zijn winkel, aan de notaris betaald omdat de opbrengst van de woning [adres 2] daarvoor te weinig was. De man beroept zich op zijn producties 5 (betaling aan de notaris) en 17 (overeenkomsten van geldlening aan zijn broers).

oordeel rechtbank

3.17.

Om redenen van overzichtelijkheid zullen de twee posten waaruit het onderhavige verrekeningsverweer van de man bestaat - aflossing restschuld en lening door broers -, hierna apart behandeld worden.

De man betwist op zich niet dat de twee uitkeringen alleen aan hem gedaan zijn. De vrouw heeft nog recht op de helft daarvan. Dat is € 10.250,97. Dit bedrag zal aan de vrouw worden toegewezen.

aflossing restschuld

3.18.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit productie 5 van de man blijkt genoegzaam dat na verkoop van de woning aan de Olijfgaard nog een restschuld bestond. En uit de daarbij gaande bankrekeningafschriften blijkt ook dat de man deze restschuld, ad € 5.919,38, heeft betaald aan de notaris. En de vrouw heeft dat uiteindelijk, op de zitting, erkend. Huwelijkse schulden dienen in beginsel bij helfte gedragen te worden. De rechtbank zal de vrouw veroordelen tot betaling aan de man van € 2.959,69, zijnde de helft van voormelde aflossing door de man.

lening door broers

standpunt man

3.19.

De man beroept zich op zijn productie 17. In deze verklaringen staat:

Hierbij verklaar ik [naam 1] een totaalbedrag van € 35000,= aan mijn broer [naam gedaagde] te hebben geleend ten behoeve van aankoop van een appartement.

en

Rotterdam 18-11-2017

Ik [naam 2] verklaar hierbij een totaal bedrag van € 23.000,= euro aan mijn broer [naam gedaagde] te hebben geleend.

De man stelt dat alles mondeling en contant is gegaan.

standpunt vrouw

3.20.

De vrouw betwist dat sprake is van huwelijkse schulden in de vorm van leningen van de man bij zijn broers waarop de man heeft afgelost.

3.21.

Nu de vrouw zulke betwist, staat de vordering van de man niet vast. De rechtbank zal de man opdragen te bewijzen dat ten tijde van de omvangspeildatum nog huwelijkse schulden bestonden in de vorm van leningen aan zijn broers én dat hij daarop inmiddels meer dan zijn aandeel heeft afgelost. Dat aandeel is volgens de wet in beginsel de helft (art. 1:100 lid 2 BW). Enige reden om in dit geval van dit beginsel af te wijken is er niet. Het regresrecht van de man bestaat pas indien en voor de hij zover hij meer dan de helft van de schuld heeft gedragen (art. 6:12 lid 1 BW). De man moet dus ook bewijzen dat hij inmiddels meer dan de helft heeft afgelost.

vennootschap onder Firma [naam bedrijf 1]/ bedrijven van de man

standpunt vrouw

3.22.

De vrouw vordert veroordeling van de man om inzage te verschaffen in alle gegevens betreffende de ondernemingen [naam bedrijf 1], [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3], op straffe van verbeurte van een dwangsom. De vrouw stelt dat de onderneming [naam bedrijf 1] onderdeel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap en dat deze onderneming door de man is omgezet/ voortgezet als de onderneming [naam bedrijf 3]. Wat betreft [naam bedrijf 2]: de man is eigenaar/ aandeelhouder geweest van deze onderneming. Deze onderneming heeft destijds twee panden aangeschaft ([adres 3] en [adres 4]) die in 2017 zijn verkocht. De onderneming heeft dus een bepaalde waarde. De vrouw legt als haar producties 10 en 11 over de koopakten van de twee desbetreffende panden. De man heeft zich in een procedure inzake de onderhoudsbijdrage voor de 3 (drie) kinderen van partijen op het standpunt gesteld dat hij in 2016 zijn aandelen in dit bedrijf heeft verkocht tegen een lening van een ander die bij het bedrijf betrokken is, echter heeft de man daarna nog rechtshandelingen namens het bedrijf verricht (productie 12).

standpunt man

3.23.

De onderneming ‘[naam bedrijf 1]’ werd op 30 juni 2017 opgeheven. Per 1

juli 2017 heeft de man een nieuwe/ andere onderneming opgericht genaamd ‘[naam bedrijf 3]’ en deze is gevestigd op een andere locatie dan de locatie van [naam bedrijf 1]. De man behoudt zich het recht voor om nog nadere stukken in geding te brengen, maar die liggen momenteel bij de boekhouder en die moeten eerst opgevraagd worden.

De aandelen in [naam bedrijf 2] had de man ‘te leen gekregen’ in 2012 en vervolgens ‘teruggegeven’ in 2016, nadat het hem was gebleken dat de onderneming niet rendabel was, reden waarom hij zich als bestuurder uit de onderneming heeft teruggetrokken. Ten tijde van de omvangspeildatum was de man al geen bestuurder/eigenaar meer van de onderneming. De man legt een notariële akte over waaruit blijkt dat hij de aandelen in [naam bedrijf 2] al tijdens het huwelijk had verkocht, zonder opbrengst.

oordeel rechtbank

3.24.

Over [naam bedrijf 1]: blijkens het door de vrouw overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is/was de onderneming [naam bedrijf 1] een vennootschap onder firma met als firmanten de man en de vrouw. In het verweer van de man ligt zijn erkenning besloten dat de onderneming [naam bedrijf 1] in ieder geval ten tijde van de omvangspeildatum (16 maart 2017) nog onderdeel uitmaakte van de huwelijksgemeenschap. Uit de door de man overgelegde balans van 1 juli 2017 blijkt dat [naam bedrijf 1] op dat moment een negatief eigen vermogen had. Dat desondanks op

16 maart 2017 sprake zou zijn geweest van een positief eigen vermogen is door de vrouw niet gemotiveerd gesteld. Dit had wel op haar weg gelegen. Haar vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd en zal worden afgewezen. De man heeft aan zijn stelling dat sprake was van een negatief eigen vermogen geen concrete vordering verbonden, evenmin heeft de man (gemotiveerd) gesteld dat hij het negatieve eigen vermogen van de vof (voor meer dan de helft) heeft gedragen. Voor toewijzing van enige vordering van de man is daarmee evenmin plaats.

3.25.

Over [naam bedrijf 3]: de man is deze onderneming, naar de rechtbank begrijpt, pas gaan exploiteren na de omvangspeildatum. Op 17 maart 2017 bestond deze onderneming nog niet. Deze onderneming valt daarom niet in de huwelijksgemeenschap en dan valt er ook niets te verdelen.

3.26.

Over [naam bedrijf 2]: de aandelen in deze vennootschap zouden in de gemeenschap vallen indien zij op de omvangspeildatum, 17 maart 2017, gehouden werden door de man dan wel de vrouw. De vrouw stelt echter niet dat de man deze aandelen nog hield op 17 maart 2017. De vrouw stelt slechts dat de man nog bestuurshandelingen heeft verricht nadat hij in 2016 de aandelen zou hebben verkocht. Het recht om bestuurshandelingen te verrichten namens een vennootschap is echter niet afhankelijk van de eigendom van de aandelen. Ook een bestuurder of iedere willekeurige werknemer met volmacht kan gerechtigd zijn om bestuurshandelingen te verrichten namens de onderneming. Voor de verdeling is slechts van belang of de aandelen in de gemeenschap vallen.

De man heeft een notariële akte overgelegd (zijn productie 10) waaruit volgt dat hij de aandelen al in 2016 verkocht heeft. Er kan dus niet worden aangenomen dat de aandelen van deze vennootschap in de gemeenschap vallen en dan valt de waarde van de aandelen in de vennootschap ook niet te verdelen. [naam bedrijf 2] zal dus niet in de verdeling worden betrokken.

appartement Marokko

standpunt vrouw

3.27.

Er is sinds 2006 sprake van een eigendom van een appartement te Marokko (productie 13). Uit een uittreksel van oktober 2017 blijkt dat de man ook op dat moment nog als eigenaar van de woning in het kadaster is opgenomen. Het appartement valt dus in de gemeenschap. De vrouw vordert toedeling aan de man tegen verrekening van de helft van de waarde dan wel verkoop aan een derde, de opbrengst te delen bij helfte.

Nadere vordering vrouw (bij na te melden eisvermeerdering): de man moet de koopakte overleggen want dat is relevant voor de bepaling van de waarde.

standpunt man

3.28.

Eerst: de man erkent dat het appartement in Marokko op zijn naam staat, maar de man betwist dat deze woning zijn eigendom is. Volgens de man is zijn broer [naam 1] de eigenaar. [naam 1] bezit meerdere woningen. [naam 1] heeft de man verzocht

verzocht om de woning op zijn naam te zetten, want dat was belastingtechnisch voordeliger.

Nadien (in zijn conclusie van dupliek): de man heeft het appartement zelf gekocht, maar toen bleek dat hij de koopsom niet kon betalen (de man had een winkel verkocht om de aanschaf te bekostigen, maar de opbrengst viel tegen). Toen bood broer [naam 1] aan het appartement te kopen, maar op voorwaarde dat het appartement op naam van de man zou worden gezet.

Op de mondelinge behandeling heeft de man zijn verklaring aangevuld met stelling dat ook een oom een aanbetaling heeft gedaan op het appartement.

oordeel rechtbank

3.29.

Vast staat dat het appartement op naam van de man staat. De rechtbank acht daarom voorshands bewezen dat het appartement in eigendom toebehoort aan de man, en dus in de gemeenschap valt. De man zal in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren.

3.30.

Mocht de man niet slagen in het leveren van het tegenbewijs, dan zal de rechtbank partijen gelasten het appartement gezamenlijk te verkopen aan een derde, de opbrengst te delen bij helfte.

bankrekening ABN AMRO [bankrekeningnummer 1] ten name van beide partijen

standpunt vrouw

3.31.

De man moet inzage geven in het saldo. Aan de vrouw moet de helft van het saldo op de peildatum worden toegewezen. De bankrekening is inmiddels opgeheven.

standpunt man

3.32.

Eerst: de ABN rekening [bankrekeningnummer 1] is opgeheven. Het saldo van deze rekening op 1 januari 2017 was € 62,-. Dit bedrag dient te worden verdeeld.

Nadien (in zijn conclusie van dupliek): het te verdelen saldo bedraagt € 28 (productie 13 man).

oordeel rechtbank

3.33.

Het door de man overgelegde bankrekeningafschrift geeft geen uitsluitsel over de het saldo op de peildatum, want dat afschrift dateert van een eerdere datum, namelijk 31 januari 2017.

De rechtbank zal de man bevelen, op de voet van artikel 22 Rv., om bij zijn eerstvolgende processtuk het bankrekeningafschrift over te leggen waaruit het saldo op de peildatum 16 maart 2017 blijkt, zo nodig door aan de hand van bij- en afschrijvingen van na die datum dit saldo terug te rekenen (hetgeen de man dan moet doen). Laat de man dit na, dan zal de rechtbank zelf een bedrag schatten. Mocht de rekening al eerder dan op de peildatum zijn opgeheven, dan dient de man daarvan het bewijs over te leggen.

bankrekening [bankrekeningnummer 2] ten name van de man

standpunt vrouw

3.34.

De man moet inzage geven in het saldo. Aan de vrouw moet de helft van het saldo worden toegewezen en de bankrekening moet worden opgeheven. Cliënte betwist dat de ING-rekening met nummer [bankrekeningnummer 2] pas is geopend na 16 maart 2017. Die rekening bestond daarvoor al. Het is voor de vrouw niet na te gaan welk bedrag erop stond op de peildatum.

standpunt man

3.35.

Eerst: de man heeft deze rekening pas geopend nadat hij de (echtelijke) woning had verlaten, derhalve na de door de vrouw gehanteerde peildatum. Deze rekening dient derhalve niet in de verdeling te worden betrokken.

Ter zitting: de rekening is geopend op 1 februari 2017, zie productie 13 volgnummer 1. Als er in de periode tot aan 16 maart 2017 nog iets is bijgestort kan dat niet meer zijn dan € 200.

oordeel rechtbank

3.36.

De man heeft ter zitting alsnog erkend dat de onderhavige bankrekening in de gemeenschap valt, zodat vaststaat dat het saldo verdeeld moet worden.

Het door de man overgelegde bankrekeningafschrift geeft geen uitsluitsel over de het saldo op de peildatum. De rechtbank zal de man ook hier bevelen, op de voet van artikel 22 Rv., om bij zijn eerstvolgende processtuk het bankrekeningafschrift over te leggen waaruit het saldo op de peildatum 16 maart 2017, blijkt, zo nodig door aan de hand van bij- en afschrijvingen dit saldo terug te rekenen (hetgeen de man dan moet doen). Laat de man dit na, dan zal de rechtbank zelf een bedrag schatten.

inboedel uit de [adres 2] die de vrouw heeft meegenomen naar [adres 5] en inboedel die de man heeft meegenomen

standpunt vrouw

3.37.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de inboedel welke thans bij haar aanwezig is van haar blijft en de inboedel welke de man heeft meegenomen bij hem blijft, met verdeling van de waarde bij helfte: de man heeft een aantal kostbare bestanddelen meegenomen.

standpunt man

3.38.

De man heeft nauwelijks inboedel meegenomen (behalve een salontafel en een vloerkleed want die wilde de vrouw weggooien), dit omdat hij de kinderen de ellende van de echtscheiding wilde besparen. De man stemt in met toedeling van de inboedel aan de vrouw zonder verrekening van enige waarde.

oordeel rechtbank

3.39.

De rechtbank zal de vordering van de vrouw, als onvoldoende onderbouwd, afwijzen. De rechtbank heeft geen enkel beeld van ouderdom en aanschafprijs van de inboedelgoederen. Evenmin is duidelijk wat de vrouw bedoelt met “een aantal kostbare bestanddelen” die de man zou hebben meegenomen (hetgeen de man overigens lijkt te betwisten). Uit de stellingen van de vrouw valt niet af te leiden dat de man is overbedeeld bij de verdeling van de inboedelgoederen.

inboedel woning aan de [adres 1] (waar nu de man woont)

standpunt vrouw

3.40.

De vrouw verlangt toedeling van deze inboedel aan de man, met verdeling van de waarde bij helfte.

standpunt man

3.41.

De man heeft deze inboedel pas aangeschaft na de omvangspeildatum, zodat deze goederen niet in de gemeenschap vallen en dus niet verdeeld hoeven worden.

oordeel rechtbank

3.42.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Een min of meer concrete aanwijzing dat deze inboedelgoederen al aanwezig waren op de omvangspeildatum, is er niet, zodat aangenomen moet worden dat het hier niet om gemeenschapsgoederen gaat.

uitkering verzekeringsbedrag auto-ongeluk man in Spanje in augustus 2008

standpunt vrouw

3.43.

De vrouw weet niet welk bedrag aan de man is uitgekeerd, maar nu de schade in 2008 is ontstaan is dit volgens de vrouw “eveneens een bestanddeel.”

standpunt man

3.44.

De man betwist de vordering van de vrouw. stelt dat hij in 2012 een schikking heeft getroffen met de verzekering voor € 32.500. Dit geld is volgens de man aan hem verknocht, zodat het niet in de gemeenschap valt. Afgezien daarvan is het geld inmiddels geconsumeerd.

oordeel rechtbank

3.45.

De rechtbank zal deze vordering van de vrouw afwijzen. Het gaat hier om een uitkering aan de man wegens letselschade. De rechtbank is van oordeel dat deze uitkering niet in de gemeenschap valt omdat de verknochtheid aan de man zich daar tegen verzet. In het midden kan blijven of het geld nog aanwezig was op de omvangspeildatum, in 2017 (en zo ja, of dat geld dan niet staat op de reeds te verdelen bankrekeningen).

bruidsschat € 20.000

standpunt vrouw

3.46.

De man heeft nooit de bruidsschat betaald en hij moet dat alsnog doen.

standpunt man

3.47.

De bruidsschat is wel uitbetaald aan de vrouw. Omdat de vrouw degene is die de echtscheiding heeft aangevraagd, zou ze die eigenlijk moeten terugbetalen aan de man (maar de man vordert dat niet).

oordeel rechtbank

3.48.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. De vrouw lijkt hier een beroep te doen op Marokkaans huwelijksvermogensrecht. De vrouw stelt echter (uitdrukkelijk) dat, en op grond van welke feiten, Nederlands huwelijksvermogensrecht toepasselijk is en de man is het daarmee eens. Partijen zijn dus, zoals gezegd, naar Nederlands recht in gemeenschap van goederen gehuwd. In beginsel vallen in deze gemeenschap alle activa en passiva. De vrouw stelt niet dat, en waarom, hier sprake kan zijn van een goed dat buiten de gemeenschap valt. Dit impliceert dat (slechts) de activa die nog aanwezig zijn op de omvangspeildatum, bij helfte verdeeld worden tussen partijen. De vrouw heeft daarnaast niet recht op apart een bedrag van € 20.000.

boete garage

standpunt vrouw

3.49.

In 2017 is de garage aan de [adres 2] verkocht. De man wilde niet meewerken aan levering omdat hij de vrouw de helft van de waarde misgunde. Pas na een kortgedingprocedure is de garage alsnog geleverd, maar omdat dat te laat was is aan de kopers een boete verbeurd. De vrouw vordert haar helft van de betaalde boete bij de man terug, nu door zijn gebrek aan medewerking deze boete is ontstaan.

standpunt man

3.50.

De man betwist de vordering van de vrouw.

oordeel rechtbank

3.51.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Allereerst is überhaupt niet duidelijk hoe hoog het bedrag is dat de vrouw vordert. In het petitum staat het bedrag van de boete niet en elders in de dagvaarding evenmin.

Voorts stelt de vrouw niet of de schuld is opgekomen vóór of na de omvangspeildatum.

Als de schuld van vóór die datum dateert, dan valt deze in beginsel in de huwelijks-gemeenschap en die moet dan in beginsel bij helfte gedragen worden. En dan heeft de vrouw geen vordering.

Als de schuld van na die datum dateert, is het niet zonder meer gezegd dat de man aansprakelijk is jegens de vrouw. Dat zou dan moeten zijn omdat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. De vrouw schetst echter niet een compleet beeld van die omstandigheden. Het is niet duidelijk hoe de vrouw zich zelf in deze echtscheidingsperiode heeft opgesteld. De rechtbank kan nog wel vaststellen dat man in ieder geval wel de voormelde € 5.919,38 heeft afgelost op de onderwaarde, terwijl de vrouw die aflossing in eerste instantie leek te ontkennen. Partijen waren kennelijk in een conflictueuze echtscheiding verwikkeld, maar dat acht de rechtbank niet voldoende om de man aansprakelijk te achten. In elk (eindigend) huwelijk kunnen echtelieden wel eens minder gelukkig optreden.

bankrekening [bankrekeningnummer 3] op naam van vrouw

standpunt man

3.52.

De vrouw heeft een eigen rekening geopend bij ING. Dat was vóór januari 2017. In januari 2017 heeft de vrouw het spaargeld ter hoogte van € 2.611 - voor [naam 3], de zoon van partijen - naar deze rekening overgeboekt. De vrouw dient inzage te verschaffen in het saldo van de rekening op de peildatum. De man betwist dat hij niet bijdroeg in de kosten van de vrouw nadat partijen uit elkaar waren gegaan. De man legt in dit verband een WhatsAppbericht over gericht aan zijn dochter waarin hij haar verzoekt om het boodschappengeld op te komen halen. In zijn conclusie van dupliek in conventie heeft de man gesteld dat het door de vrouw genoemde saldo van € 2095,65 verdeeld moet worden.

standpunt vrouw

3.53.

De bankrekening is pas geopend na het feitelijk uiteengaan van partijen, zodat deze niet in de gemeenschap valt. Het saldo was € 2.095,65. De vrouw heeft het geld geconsumeerd want dat moest zij doen voordat zij in aanmerking kwam voor een bijstandsuitkering. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat het saldo verdeeld moet worden, want de man betaalde in die periode geen alimentatie.

oordeel rechtbank

3.54.

Als erkend staat vast dat de vrouw een bedrag van € 2.095,65 onder zich had op de omvangspeildatum. De rechtbank zal de vrouw veroordelen tot betaling aan de man van de helft daarvan € 1.047,83. Dit is niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het had op weg van de vrouw gelegen om, desgewenst, eerder alimentatie te verzoeken. In het oordeel is meegewogen dat het spaargeld, naar de rechtbank begrijpt, weliswaar bestemd is voor de kinderen maar niet hun eigendom is (partijen treden in deze procedure ook niet op in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kinderen). De rechtbank gaat er daarom van uit dat het spaargeld in eigendom toebehoort aan de man en de vrouw.

eisvermeerdering vrouw

3.55.

Thans komen de vorderingen aan de orde die de vrouw bij eisvermeerdering heeft ingesteld. De rechtbank acht deze vermeerdering niet in strijd met de goede procesorde.

gemeenschappelijke rekening in Marokko (nr. [bankrekeningnummer 4] Attijariwafa Bank)

standpunt vrouw

3.56.

Partijen hebben deze bankrekening, op beider naam, in Marokko. Op 31 december 2017 bedroeg het saldo 11.701,79 Dirham/ € 1.092,18. Dit saldo moet verdeeld worden en de rekening moet worden opgeheven. De man moet inzage geven in het saldo per 16 maart 2017.

standpunt man

3.57.

Deze rekening is in 2018 opgeheven, waarbij het saldo is overgemaakt naar de (na te melden) bankrekening van de man ([bankrekeningnummer 5]). Van het saldo is de Marokkaanse levensverzekering - die zich niet leent voor verdeling - ten behoeve van het gezin doorbetaald. Deze verzekering is afgesloten in 2006 (productie 20 van de vrouw).

oordeel rechtbank

3.58.

Over deze bankrekening zal worden geoordeeld samen met het oordeel over de navolgende bankrekening in Marokko.

bankrekening op naam man in Marokko (nr. [bankrekeningnummer 5] Attijariwafa Bank)

standpunt vrouw

3.59.

De man heeft deze bankrekening op zijn naam in Marokko. Op 31 december 2017 was het saldo 9.727,00 Dirham/ € 907,864 (productie 20). Het saldo per 16 maart 2017 moet verdeeld worden en de bankrekening moet worden toegedeeld aan de man, dan wel worden opgeheven. De man moet inzage geven in het saldo per 16 maart 2017.

standpunt man

3.60.

Deze rekening is nog steeds in gebruik voor het betalen van de levensverzekering van 730 Dirham per maand (productie 20 vrouw). Deze verzekering is in 2006 is afgesloten voor het hele gezin en loopt nog steeds. Deze verzekering kan niet verdeeld worden.

oordeel rechtbank

3.61.

De rechtbank zal de vorderingen van de vrouw afwijzen. Het bestaan van de levensverzekering voor het gehele gezin is niet gemotiveerd betwist. De rechtbank gaat er van uit dat het saldo wordt aangewend voor betaling van de premies op de levensverzekering voor het hele gezin. Nergens blijkt uit dat de vrouw dan per saldo nog een vordering heeft.

en /of bankrekening ING Bank [bankrekeningnummer 6].

standpunt vrouw

3.62.

Er blijkt nog een gemeenschappelijke bankrekening geweest te zijn. De man heeft deze rekening in april 2017 opgeheven en het saldo naar zichzelf overgemaakt. De man moet de helft van het saldo aan de vrouw betalen.

standpunt man

3.63.

Het saldo op deze rekening bedraagt € 190,53 en dient verdeeld te worden.

oordeel rechtbank

3.64.

Het is de rechtbank onduidelijk wat het saldo op de peildatum was. De man stelt wel dat het saldo € 190,53 was (conclusie van dupliek in conventie, ad XII), maar hij legt geen bewijs over (althans hij stelt niet zulks te doen). De rechtbank zal de man ook hier bevelen, op de voet van artikel 22 Rv., om bij zijn eerstvolgende processtuk het bankrekeningafschrift over te leggen waaruit het saldo op de peildatum 16 maart 2017, blijkt, zo nodig door aan de hand van bij- en afschrijvingen dit saldo terug te rekenen (hetgeen de man dan moet doen). Laat de man dit na, dan zal de rechtbank zelf een bedrag schatten.

spaargeld kinderen

standpunt vrouw

3.65.

De man heeft € 5.426,59 van de rekening van de kinderen afgehaald. De man dient dit geld terug te storten op de spaarrekening van de kinderen.

standpunt man

3.66.

Het spaargeld van de kinderen is reeds in 2016 opgemaakt aan vaste lasten. Dit blijkt al uit de afschriften die de vrouw als haar productie 21 overlegt.

oordeel rechtbank

3.67.

De rechtbank zal de vordering van de vrouw afwijzen. Voor zover het geld (deels) nog wel aanwezig was bij de man op de omvangspeildatum, moet dat staan op een bankrekening van de man en het saldo op die bankrekeningen wordt al verdeeld. Er bestaat geen aanwijzing dat de man het geld contant onder zich heeft.

auto’s: Peugeot 307 in bezit van de vrouw en de Ford Focus in bezit van de man

standpunt vrouw

3.68.

De beide auto’s zijn circa € 1.300 waard, zodat de auto’s met gesloten beurzen toegedeeld kunnen worden.

standpunt man

3.69.

Op de peildatum was de Peugeot 307 ongeveer € 2.500 waard en in februari 2020

€ 1.750. De man heeft de Ford Focus, die maar € 600 waard was op de peildatum, in maart 2018 naar de sloop gebracht (bewijs: uitdraai RDW dat de auto niet meer in gebruik is, productie 30 man). De man heeft daarvoor € 100 gekregen.

oordeel rechtbank

3.70.

De rechtbank deelt de Peugeot 307 aan de vrouw toe. De Ford Focus zou aan de man zijn toebedeeld maar die heeft hij inmiddels niet meer in bezit, zodat dat niet meer beslist kan worden. De vrouw is in enige mate overbedeeld bij de verdeling van de auto’s, nu haar auto meer waard is. De vrouw zal daarvoor een vergoeding aan de man moet betalen. Deze vergoeding wordt in billijkheid begroot op € 750.

eisvermeerdering man

standpunt man

3.71.

De man stelt bij conclusie van dupliek in conventie/ repliek in reconventie dat het navolgende ook in de verdeling moet worden betrokken:

- € 81.000 aan openstaande schulden (productie 18),

- € 8.000 aan door de man betaalde vaste lasten (productie 23).

standpunt vrouw

3.72.

De vrouw betwist de vordering van de man.

oordeel rechtbank

3.73.

De rechtbank zal de vordering van de man afwijzen. De twee producties waar de man zich op beroept zijn niet meer dan twee eigenhandig door de man ingevulde staatjes met bedragen. Dit is geen behoorlijke onderbouwing, hetgeen temeer klemt nu de man deze vordering niet meteen bij aanvang van de procedure heeft ingesteld. Voor zover de man beoogt te stellen dat hij de eigenaarslasten van de (alleen) door hem bewoonde woning wil verrekenen met de vrouw, die mede-eigenaar is, wordt ook deze vordering afgewezen. De vrouw heeft recht op een gebruiksvergoeding van de man omdat zij het gebruiksgenot van deze woning heeft moeten missen. Per saldo heeft de man dan geen vordering meer.

3.74.

De rechtbank tekent nog aan dat het geschil een organische groei lijkt te vertonen, waarbij de ene vordering de andere uitlokt, maar er weinig wordt gepoogd om tot een enigszins adequate onderbouwing te komen. Het had op weg van (de advocaten van) partijen gelegen om alle geschilpunten te inventariseren alvorens om, op een gestructureerde en inzichtelijke wijze, een beslissing van de rechtbank te vragen. De gefragmenteerde wijze waarop partijen thans procederen - de standpunten zijn verspreid over vele stukken - komt de inzichtelijkheid, en daarmee de goede procesorde, niet ten goede.

3.75.

Iedere nadere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1.

gelast partijen tot verkoop van de woning aan de [adres 1], de eventuele verkoopkosten te dragen bij helfte, en bepaalt dat de verkoopopbrengst in depot moet blijven staan bij de notaris totdat de rechtbank eindvonnis zal wijzen,

4.2.

beveelt de man, op de voet van art. 22 Rv., verificatoire bescheiden over te leggen waaruit het saldo blijkt op de in dit vonnis genoemde bankrekeningen op de peildatum 16 maart 2017 (en waarbij de man dit saldo zo nodig moet uitrekenen, als het bankrekeningafschrift van latere datum is), dan wel aan te tonen dat de bankrekening al eerder was opgeheven,

4.3.

bepaalt dat de man aan dit bevel moet voldoen op een termijn van zes weken na de datum van onderhavig vonnis en bepaalt dat ook alle andere door de man te verrichten proceshandelingen (die verderop aan de orde komen) op die datum verricht moeten worden,

4.4.

verwijst derhalve de zaak naar de schriftelijke rolzitting van 22 september 2021 voor het nemen van een nadere conclusie/ akte door de man,

4.5.

bepaalt dat de vrouw vervolgens een nadere antwoordconclusie/ akte mag nemen op een termijn van zes weken daarna, derhalve op 3 november 2021,

4.6.

draagt de man op te bewijzen dat op 16 maart 2017 een schuld aan zijn broers bestond die in de huwelijksgemeenschap valt, en de hoogte daarvan, alsmede dat hij op deze schuld meer dan zijn aandeel (de helft) heeft voldaan,

4.7.

laat de man toe tot het tegenbewijs van het voorshands bewezen geachte feit dat het appartement in Marokko in de huwelijksgemeenschap valt,

4.8.

bepaalt dat indien de man dit bewijs (waaronder steeds mede te verstaan: het tegenbewijs) wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125, voor een nader te bepalen rechter-commissaris;

4.9.

bepaalt dat de man, indien deze getuigen wil laten horen, aan de rechtbank

- Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-36 10555 - de namens hem/haar te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden november 2021 tot en met februari 2022 moet opgeven, waarna dag/dagen en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;

4.10.

bepaalt dat de vrouw, indien zij getuigen in contra-enquête wil voorbrengen, bij de opgave van verhinderdata rekening moet houden met de in dat kader (vermoedelijk) te horen getuigen; voor contra-enquête zal een dag/dagen en uur worden gereserveerd na de voor het getuigenverhoor bepaalde dag en tijd;

4.11.

bepaalt dat de man, indien deze het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe schriftelijk aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling roladministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-36 10554 - en aan de wederpartij moet opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald;

4.12.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken, voor zover nog niet in het geding gebracht, aan de rechtbank

- Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en de wederpartij moeten toesturen; voorts verzoekt de rechtbank partijen een extra exemplaar digitaal (dus niet per fax) te verzenden naar het e-mailadres: handel.rtm@rechtspraak.nl;

4.13.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2021.1

1 [2517/2872] 