Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8038

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
C/10/597491 / HA ZA 20-531
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Verzekerde, eiseres, is aansprakelijk gehouden door een derde voor een beroepsfout. Het incident wordt niet bestreken door de verzekering. Verzekerde hoedanigheid: ‘administratiekantoor’. Uitleg verzekeringspolis. Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon en opvolgende assurantietussenpersoon, gedaagden sub 2 en sub 3. Inlooprisico. Verzekeraar, gedaagde sub 1, is, in tegenstelling tot de assurantietussenpersoon en de opvolgende assurantietussenpersoon, niet aansprakelijk voor de omstandigheid dat de door de verzekerde beoogde verzekering niet is afgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/597491 / HA ZA 20-531

Vonnis van 4 augustus 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. J.S. van Daal te Amsterdam,

tegen

1. de vennootschap naar buitenlands rechts

AIG EUROPE S.A.,

gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

2. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. F.M.A. 't Hart te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEILBRON LEUSDEN B.V.,

gevestigd te Leusden,

gedaagde,

advocaat mr. B. Pasztjerik te Den Haag.

Eiseres zal hierna [naam eiseres] genoemd worden, gedaagden respectievelijk AIG, Rabobank en Heilbron.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 mei 2020, met producties 1-13;

  • -

    de conclusie van antwoord van Heilbron, met producties 1-15;

  • -

    de conclusie van antwoord van AIG, met producties 1-23;

  • -

    de conclusie van antwoord van Rabobank, met producties 1-6;

  • -

    de brief van de rechtbank van 24 september 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de bij akte nadere producties van [naam eiseres] in het geding gebrachte producties 14-16;

  • -

    de pleitaantekeningen en aanpassing eis van de advocaat van [naam eiseres] ;

  • -

    de spreekaantekeningen van de advocaat van AIG;

  • -

    de spreekaantekeningen van de advocaat van Rabobank;

  • -

    de spreekaantekeningen van de advocaat van Heilbron;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 14 december 2020.

1.2.

Het proces-verbaal is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Zij zijn in de gelegenheid gesteld relevante omissies of onjuistheden in het proces-verbaal kenbaar te maken. Door of namens de advocaat van [naam eiseres] zijn door middel van brieven van 5 en 18 januari 2021 en een e-mail van 18 januari 2021 opmerkingen gemaakt over (de opmerkingen van anderen over) het proces-verbaal. Door of namens de advocaat van AIG zijn door middel van een B 16-formulier van 5 januari 2021 en een e-mail van 19 januari 2021 opmerkingen gemaakt over (de opmerkingen van anderen over) het proces-verbaal. Door of namens de advocaat van Rabobank zijn door middel van brieven van 5 en 18 januari 2021 en e-mails van 19 januari 2021 om 7:06 en 10:06 uur opmerkingen gemaakt over (de opmerkingen van anderen over) het proces-verbaal. Door of namens de advocaat van Heilbron zijn door middel van een B16-formulier van 5 januari 2021, een brief van 18 januari 2021 en een e-mail van 19 januari 2021 om 15:55 uur opmerkingen gemaakt over (de opmerkingen van anderen over) het proces-verbaal. Al deze stukken maken onderdeel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze stukken, voor zover zij relevante correcties van feitelijke aard betreffen.

1.3.

Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[naam eiseres] is opgericht op [datum] door [naam 1] (hierna: [naam 1] ), [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ), die bestuurder werden van [naam eiseres] . [naam 2] en [naam 3] waren op dat moment in opleiding om vervolgens beëdigd te worden als accountant. [naam 2] is na afronding van zijn opleiding beëdigd op 11 januari 2011. [naam 3] is na afronding van zijn opleiding beëdigd op 17 oktober 2013.

2.2.

Aanvankelijk luidde de naam van [naam eiseres] “ [naam bedrijf] ”. Op 11 januari 2011 is deze naam gewijzigd in de huidige naam, “ [naam eiseres] ”.

2.3.

Rabobank trad ten tijde van de oprichting van [naam eiseres] op als haar assurantietussenpersoon. Per 16 maart 2015 werd Multisafe B.V. (de oude naam van Heilbron en hierna ook aangeduid als Heilbron), in plaats van Rabobank, de nieuwe assurantietussenpersoon van [naam eiseres] .

2.4.

Bij e-mail van 8 december 2009 heeft de Rabobank het door haar van Chartis Europe SA, (de rechtsvoorgangster van AIG en hierna ook als AIG aangeduid), ontvangen aanvraagformulier voor een beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor haar klant [naam bedrijf] i.o. teruggestuurd aan AIG, nadat dit formulier door [naam 3] was ingevuld en ondertekend. Deze e-mail, die gestuurd is door [naam 4] (hierna: [naam 4] ), Intern Specialist Verzekering, aan AIG, heeft als “onderwerp”:

“ADMINISTRATIEKANTOOR: Aanvraagformulier (Let op: geen dekking geven voor accountants)”

en luidt verder – aangehaald voor zover relevant – als volgt:

"Zoals besproken is de klant al begonnen met haar activiteit, maar nu slechts als administratiekantoor. Alle drie de vennoten zijn momenteel aan het afstuderen als accountant. Op het moment dat een van de drie is afgestudeerd wil men verder gaan als accountantskantoor. De verwachting dat er binnen een jaar wordt afgestudeerd door een van de vennoten. Zou je zo vriendelijk willen zijn een passende offerte voor de klant te maken?

Alvast bedankt."

Als “naam van de onderneming” was op het aanvraagformulier door [naam 3] ingevuld “ [naam bedrijf] ”.

2.5.

Bij de volgende e-mail van [datum] om 12:13 uur is door AIG de offerte voor de verzekering gestuurd aan [naam 4] – aangehaald voor zover relevant:

“Geachte heer [naam 4] ,

Naar aanleiding van de door uw ingezonden informatie treft u bijgaand onze offerte aan, tezamen met de bijbehorende verzekeringsvoorwaarden.

Wij vertrouwen u hiermede van dienst te zijn geweest en zien uw reactie met belangstelling tegemoet.”

2.6.

Bij e-mail van [datum] om 13:03 uur heeft [naam 4] [naam 3] vervolgens als volgt bericht:

"Bijgaand de offerte voor de Aansprakelijkheidsverzekeringen. Na veel gezocht te hebben zijn we uiteindelijk bij AIG terechtgekomen. Zij willen het risico verzekeren, conform je wens om eerst de hoedanigheid administratiekantoor aan te houden en als een van jullie is afgestudeerd, de polis voort te zetten als accountantskantoor."

2.7.

[naam eiseres] is vervolgens akkoord gegaan met de offerte en op 18 december 2009 heeft AIG het polisblad van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van [naam eiseres] (hierna: de verzekering) afgegeven. Dit polisblad ziet er als volgt uit – weergegeven voor zover relevant:

[afbeelding polis]

Bovengenoemde clausule AL2.12-1 die volgens het polisblad van toepassing is op deze verzekering luidt als volgt:

Verzekerde hoedanigheid

Binnen de grenzen van de overige verzekeringsvoorwaarden biedt deze verzekering dekking voor de aansprakelijkheid van verzekerde voor door derden geleden schade terzake van fouten gemaakt bij werkzaamheden die gerekend kunnen worden tot de gebruikelijke praktijk van een in Nederland gevestigd administratiekantoor.”

2.8.

Bij gelijkluidende brieven van 16 februari 2011 aan AIG en Rabobank heeft [naam 1] namens “ [naam eiseres] ” – voor zover relevant – het volgende medegedeeld:

“Betreft: Wijziging naam en adres

Polisnummer: [polisnummer]

Geachte heer, mevrouw

Ik verzoek u per 1 maart 2011 ons adres te wijzigen.

Oude adres:

[adres 1]

Nieuwe adres:

[adres 2]

Tevens verzoek ik u onze naam te wijzigen van [naam bedrijf]

in [naam eiseres] (zie bijgevoegde statutenwijziging)

Ik vertouw erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.”

2.9.

Bij brief van 2 maart 2011 is door Rabobank een adreswijziging van [naam eiseres] doorgegeven aan Chartis. Rabobank besluit deze brief – aangehaald voor zover relevant – als volgt:

“Wij verzoeken u vriendelijk om het postadres op de polis(sen) aan te passen. Mogelijk ontvangt u van ons separaat nog een aanvullend mutatieverzoek om de dekking, c.q. het risicoadres aan te passen.”

2.10.

Op 4 maart 2011 heeft AIG een nieuw polisblad afgegeven. Dit polisblad ziet er als volgt uit – weergegeven voor zover relevant:

[afbeelding polis]

2.11.

Op 8 december 2014 heeft [naam eiseres] een rapportage uitgebracht (hierna: het [naam eiseres] -rapport) in opdracht van de curator in het faillissement van Digital Exposure Systems B.V. (hierna: DES).

2.11.1.

In de aan het [naam eiseres] -rapport voorafgaande opdrachtbevestiging van 28 augustus 2014 schrijft [naam eiseres] aan de curator – voor zover relevant – als volgt:

Beroepsvoorschriften

Wij zullen deze opdracht uitvoeren in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse Standaard 4400, "Opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden met betrekking tot financiële informatie". (…)

De accountant is niet verantwoordelijk en aansprakelijk voor de preventie van fraude en onjuistheden.”

2.11.2.

De curator van DES heeft het [naam eiseres] -rapport gebruikt ter onderbouwing van zijn schadeclaim jegens de voormalig (indirecte) bestuurders van DES (hierna ook aangeduid als “[naam 7]”) en SportLed International B.V. en [naam 7] en SportLed gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Het [naam eiseres] -rapport heeft een belangrijke rol gespeeld in deze procedure. In een tussenvonnis van 12 april 2017 heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat [naam 7] aansprakelijk zijn jegens de boedel van DES en aangegeven dat zij de schadebegroting zou baseren op het [naam eiseres] -rapport, met dien verstande dat [naam 7] nog nader op dat rapport mochten reageren. In het eindvonnis van 30 augustus 2017 heeft de rechtbank Amsterdam [naam 7] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de boedel van DES van onder meer het door [naam eiseres] becijferde bedrag van € 805.355,00.

2.11.3.

Bij dagvaarding van 29 september 2017 zijn [naam 7] in hoger beroep gegaan van deze beide vonnissen van de rechtbank Amsterdam. Het Hof Amsterdam wees op 3 december 2019 arrest in deze procedure. Daarin wees het Hof de claim van de curator uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid van [naam 7] af. Het Hof legde het [naam eiseres] -rapport terzijde en vernietigde het vonnis van de Rechtbank Amsterdam.

2.11.4.

Op 26 juni 2018 hebben [naam 7] klachten ingediend bij de Accountantskamer

(tuchtrechter) tegen zowel [naam 2] als [naam 3] in hun hoedanigheid van

registeraccountant. Bij beslissing van 25 februari 2019 heeft de Accountantskamer de klacht van [naam 7] wat één onderdeel betreft gegrond verklaard en [naam 3] en [naam 2] hiervoor de maatregel van berisping opgelegd.

2.12.

Bij deurwaardersexploot is een aansprakelijkstelling d.d. 23 november 2018

van [naam 7] aan [naam eiseres] en haar bestuurders [naam 3] en [naam 2] betekend. Volgens [naam 7] hebben [naam eiseres] en haar bestuurders met het [naam eiseres] -rapport en de daarna opgestelde brief van [naam eiseres] aan de curator van DES van 9 april 2018 hun zorgplicht als registeraccountant verzaakt en [naam 7] aanzienlijke schade, van ten minste € 400.000,00, toegebracht.

2.13.

[naam eiseres] heeft voornoemde aansprakelijkstelling op 27 november 2018 gemeld bij Heilbron.

2.14.

Bij e-mail van 18 januari 2019 heeft Heilbron de aansprakelijkstelling van [naam eiseres] door [naam 7] gemeld bij AIG.

2.15.

AIG heeft bij e-mail aan Heilbron van 23 januari 2019 dekking afgewezen.

2.16.

Bij dagvaarding van 28 juni 2019 hebben [naam 7] [naam eiseres] , [naam 3] en [naam 2] gedagvaard en een verklaring voor recht gevorderd dat zij onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld door het uitbrengen van het [naam eiseres] -rapport en schadevergoeding gevorderd. [naam eiseres] heeft gemotiveerd verweer in deze procedure gevoerd, die nog steeds loopt.

2.17.

Bij e-mail van 28 juni 2019 heeft Heilbron aan AIG verzocht de verzekerde

hoedanigheid van [naam eiseres] te wijzigen naar accountantskantoor. Bij e-mail van 17 juli 2019 heeft AIG dit verzoek afgewezen en heeft AIG aangekondigd de verzekering van [naam eiseres] per 1 november 2019 te zullen beëindigen.

2.18.

Per 1 oktober 2019 heeft [naam eiseres] via een andere verzekeraar een beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor een accountantskantoor afgesloten.

3. Het geschil

3.1.

[naam eiseres] vordert – na eiswijziging – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. primair voor recht verklaart dat AIG dekking dient te verlenen voor de schade die [naam eiseres] mogelijk gaat leiden als gevolg van de thans aanhangige procedures tussen [naam eiseres] en [naam 7];

b. primair voor recht verklaart dat AIG, Rabobank en Heilbron toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen, althans onrechtmatig jegens [naam eiseres] hebben gehandeld, voor zover [naam eiseres] in de periode van 11 januari 2011 tot en met 1 oktober 2019 niet (volledig) verzekerd is geweest als accountantskantoor;

c. voor zover de rechtbank de vordering onder a afwijst, AIG, Rabobank en Heilbron subsidiair veroordeelt tot een schadevergoeding, nader op te maken in afwachting van het eindvonnis in de procedure tussen [naam eiseres] en [naam 7] althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

d. AIG, Rabobank en Heilbron veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [naam eiseres] – samengevat – de volgende stellingen ten grondslag:

Ten aanzien van AIG:

(i) AIG was ervan op de hoogte dat [naam eiseres] kort na de aanvang van haar werkzaamheden zou wijzigen van administratiekantoor naar accountantskantoor. Uit de brief van 16 februari 2011 blijkt vervolgens ondubbelzinnig dat de wijziging had plaatsgevonden. [naam eiseres] verkeerde in de veronderstelling dat AIG het risico wenste te verzekeren, conform de wens van [naam eiseres] om eerst de hoedanigheid van administratiekantoor aan te houden en, zodra [naam 2] en/of [naam 3] waren/was afgestudeerd, de polis voort te zetten als accountantskantoor.

(ii) [naam eiseres] heeft bovendien op 19 december 2017 een incident waarbij [naam 2] was betrokken bij AIG aangemeld. In de e-mail van AIG aan [naam 3] van 21 december 2017 wordt het verzoek tot dekking afgewezen waarin AIG onder meer het volgende schrijft: “Het gaat hier niet om een fout (vgl. art 2.4 van de BA 2006 voorwaarden) van de heer [naam 2] tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden als accountant. Het betreft hier diefstal, hetgeen niet als een beroepsfout kan worden aangemerkt.”

Ook uit deze e-mail blijkt (1) dat AIG ervan op de hoogte was dat [naam 2] als accountant werkzaam was en (2) dat AIG zelf veronderstelde dat de verzekering in beginsel dekking bood voor de werkzaamheden als accountantskantoor, maar dat er in dit specifieke geval geen dekking bestond omdat sprake zou zijn van diefstal, hetgeen niet als een beroepsfout kan worden aangemerkt, en bovendien de aansprakelijkheid voor frauduleuze handelingen is uitgesloten.

(iii) De in de polis vermelde uitsluitingsgrond “door derden geleden schade terzake van fouten gemaakt in/bij het certificeren van en/of geven van (accountants-) verklaringen bij financiële opstellingen waaraan derden rechten kunnen ontlenen” is niet van toepassing. De door [naam 3] en [naam 2] verrichte werkzaamheden waarvoor zij en [naam eiseres] thans door [naam 7] aansprakelijk wordt gesteld vallen immers niet onder werkzaamheden die door hen in de hoedanigheid van accountant zijn verricht.

Ten aanzien van Rabobank en Heilbron:

Rabobank en Heilbron waren als assurantiepersoon verantwoordelijk voor het controleren van de polis op onvolkomenheden, maar dit hebben zij nagelaten. Zowel Rabobank als Heilbron heeft al die jaren niet gecontroleerd of de polis nog in overeenstemming was met de situatie van [naam eiseres] . Het is vaste rechtspraak dat het de taak is van een assurantietussenpersoon om te waken over de belangen van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Rabobank en Heilbron hebben dus niet de zorgvuldigheid in acht genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.

3.3.

AIG voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [naam eiseres] , met veroordeling van [naam eiseres] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening of betekening van het in dezen te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan de proces- en nakosten worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.

3.4.

Rabobank voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [naam eiseres] , met veroordeling van [naam eiseres] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf de dag van het in dezen te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening..

3.5.

Heilbron voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [naam eiseres] , met veroordeling van [naam eiseres] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten, waaronder de nakosten van € 131,-- zonder en € 199,-- met betekening, met bepaling dat betaling van de proceskosten en de nakosten dient te geschieden binnen veertien dagen na dagtekening of betekening van het in dezen te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan [naam eiseres] ook over de nakosten wettelijke rente ex artikel 6:119 BW is verschuldigd.

3.6.

Op de stellingen van AIG, Rabobank en Heilbron wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

eiswijziging

4.1.

AIG, Rabobank en Heilbron verzetten zich niet tegen de eiswijziging. De rechtbank acht deze wijziging toelaatbaar en zal dan ook vonnis wijzen op basis van deze gewijzigde eis.

Geschil tussen [naam eiseres] en AIG

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de verzekering dekking biedt voor de schadeclaim van [naam 7] op [naam eiseres] .

4.3.

[naam eiseres] erkent dat zogenaamde assurance-opdrachten, die enkel door accountants mogen worden verricht, niet onder de omschrijving van haar verzekerde hoedanigheid vallen. Volgens [naam eiseres] was het [naam eiseres] -rapport echter geen assurance-opdracht en heeft zij de werkzaamheden die [naam eiseres] voor de curator heeft verricht niet gedaan in de hoedanigheid van accountant. [naam eiseres] heeft op verzoek van de curator van DES slechts een weergave verstrekt van mutaties, die zij in de administratie van DES hebben aangetroffen en op basis van deze mutaties hebben zij berekend hoeveel inkomsten en kosten er nog te verwachten waren. Op een dergelijk rapport van feitelijke bevindingen is standaard 4400 weliswaar van toepassing, maar hieruit volgt juist dat deze werkzaamheden niet als assurance-opdracht kwalificeren en dus niet tot het monopolie van een accountant behoren.

4.4.

AIG voert daartegen aan dat de beweerdelijke fouten, waarvoor [naam eiseres] , [naam 2] en [naam 3] aansprakelijk zijn gesteld door [naam 7], zijn gemaakt bij werkzaamheden die gerekend kunnen – en moeten – worden tot de gebruikelijke praktijk van een accountantskantoor, welke praktijk niet valt binnen de in de verzekering omschreven verzekerde hoedanigheid van de gebruikelijke praktijk van een administratiekantoor. Op deze grond heeft AIG terecht dekking ontzegd, aldus AIG.

4.5.

Voor het antwoord op de vraag wat er onder de omschrijving van de verzekerde hoedanigheid moet worden begrepen als vastgelegd in clausule AL2.12-1 komt het aan op uitleg van die bepaling. Bij die uitleg dient de Haviltex-norm te worden toegepast: de betekenis die aan een beding kan worden toegekend wordt niet alleen bepaald door de tekst, maar ook door hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarnaast geldt volgens vaste jurisprudentie dat, indien niet over de verzekeringsvoorwaarden is onderhandeld, de Haviltex-maatstaf onvoldoende aanknopingspunten biedt. De uitleg van voorwaarden waarover niet is onderhandeld, vindt daarom plaats met gebruikmaking van de Chubb/Dagenstaed-maatstaf. Deze wijze van uitleg is nog steeds een toepassing van de Haviltex-maatstaf, maar de uitleg vindt dan plaats aan de hand van objectieve factoren. Ingevolge deze maatstaf komt het met name aan op objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel en van de eventueel daarbij behorende toelichting (HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, Chubb/Dagenstaed).

4.6.

Tegen deze achtergrond, overweegt de rechtbank het volgende.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat de verzekerde hoedanigheid is vastgesteld naar aanleiding van het onder 2.3 ingediende aanvraagformulier en de begeleidende e-mail van assurantietussenpersoon Rabobank met de (duidelijke) boodschap “Let op: geen dekking geven voor accountants”. Naar het oordeel van de rechtbank is de door AIG in de polis omschreven verzekerde hoedanigheid dan ook tot stand gekomen op basis van een instructie en informatie afkomstig van [naam eiseres] /Rabobank. Dit deel van de verzekering zal dan ook uitgelegd worden aan de hand van de bedoeling van partijen in overeenstemming met de Haviltex-maatstaf.

4.8.

De rechtbank stelt vast dat op basis van het aanvraagformulier en de begeleidende email het zowel voor AIG als [naam eiseres] duidelijk was dat [naam eiseres] niet als accountantskantoor wilde en moest worden verzekerd maar enkel als administratiekantoor. Dit is ook logisch, aangezien de drie bestuurders van [naam eiseres] in 2009 nog geen accountant waren. De verzekerde hoedanigheid, zoals omschreven in 2009, moet dan ook in dat licht worden uitgelegd, te weten dat de verzekering (enkel) dekking bood voor de aansprakelijkheid van [naam eiseres] voor door derden geleden schade ter zake van fouten gemaakt bij haar werkzaamheden als administratiekantoor, met uitsluiting (dus) van accountantswerkzaamheden. Vaststaat dat de omschrijving van de verzekerde hoedanigheid gedurende de gehele verzekeringsperiode bij AIG hetzelfde is gebleven, dus ook nadat de bestuurders van [naam eiseres] accountant waren geworden en de naam van [naam eiseres] hadden gewijzigd door “Administrateurs” te vervangen door “Accountants”.

4.9.

[naam eiseres] voert aan dat er werkzaamheden zijn die zowel door een administratiekantoor als door een accountantskantoor kunnen worden verricht, zoals het opstellen van een rapport van feitelijke bevindingen, waarvan volgens [naam eiseres] het [naam eiseres] -rapport een voorbeeld is. Dit moge dan wel zo zijn, maar dit maakt niet dat het enkele opstellen van een rapport van feitelijke bevindingen onder de verzekerde hoedanigheid valt van de verzekering van [naam eiseres] . Cruciaal is in welke hoedanigheid het [naam eiseres] -rapport is opgesteld om onder de dekking van de verzekering te vallen, te weten als administrateur/adviseur dan wel als accountant. Daarbij merkt de rechtbank op dat tussen partijen niet in geschil is dat bij een beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor accountants, vanwege de hogere risico’s die verbonden zijn aan dat vak, een hogere premie in rekening wordt gebracht in vergelijking met een verzekering van een administratiekantoor. Voorts is onbestreden dat er op een verzekering van een accountantskantoor andere/aanvullende verzekeringsvoorwaarden van toepassing zijn in overeenstemming met vereisten van de NBA. Voor een verzekeraar maakt het dus een verschil of zij werkzaamheden verzekert van een administratiekantoor of van een accountantskantoor.

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam eiseres] het [naam eiseres] -rapport in haar hoedanigheid van accountant geschreven. Dat dit het geval is, komt reeds tot uitdrukking in de onder 2.11.1 genoemde opdrachtbevestiging, waarin [naam eiseres] onder het kopje “Beroepsvoorschriften” de standaard 4400 van toepassing verklaart. Verderop in deze opdrachtbevestiging staat verder beschreven dat “De accountant is niet verantwoordelijk en aansprakelijk voor de preventie van fraude en onjuistheden.” Tussen partijen is niet in geschil dat standaard 4400 niet van toepassing is op een administratiekantoor, maar enkel op accountants. Deze opdrachtbevestigingsbrief laat dus ook geen andere conclusie toe dan dat het [naam eiseres] -rapport in de hoedanigheid van die van accountant is geschreven. Zowel de opdrachtbevestiging als het [naam eiseres] -rapport is ook ondertekend door [naam 2] en [naam 3] met toevoeging van hun registeraccountant (RA) titel, hetgeen ook geldt voor de aanvullende brief aan de curator uit 2018 van [naam 2] . Dat [naam 2] en [naam 3] in hun hoedanigheid van accountant het [naam eiseres] -rapport en de aanvullende brief hebben opgesteld wordt voorts ook bevestigd doordat [naam 3] en [naam 2] door de tuchtrechter expliciet zijn aangesproken in hun hoedanigheid van registeraccountant en ook in die hoedanigheid zijn berispt. Ook de rechtbank en het Hof Amsterdam hebben het [naam eiseres] -rapport in de onder 2.11.2 en 2.11.3 genoemde procedures beoordeeld als een accountantsrapport.

4.11.

Nu vaststaat dat [naam 3] en [naam 2] het [naam eiseres] -rapport als accountants hebben geschreven, is de rechtbank met AIG van oordeel dat de verzekering geen dekking biedt voor de werkzaamheden die [naam eiseres] als accountant heeft uitgevoerd ter zake van het [naam eiseres] -rapport, waarop de claim van [naam 7] is gebaseerd.

4.12.

[naam eiseres] verwijt AIG voorts nog dat AIG niet is overgegaan tot wijziging van de verzekering van [naam eiseres] in die zin dat die verzekering ook dekking zou bieden voor [naam eiseres] als accountantskantoor. AIG wist of had moeten weten dat [naam eiseres] de verzekering op deze wijze wenste te laten wijzigen zodra [naam eiseres] de hoedanigheid van accountantskantoor had aangenomen, hetgeen bleek uit haar doorgegeven naamswijziging. Dat AIG deze kennis had, blijkt ook wel uit andere dekkingsafwijzing in verband met het incident in 2017 met [naam 2] . AIG is dan ook tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [naam eiseres] , aldus [naam eiseres] .

4.13.

AIG betwist dat zij tekort is geschoten in haar zorgplicht als verzekeraar richting [naam eiseres] . De verzekeraar mag erop vertrouwen dat de assurantietussenpersoon, die een

verzekeringnemer bijstaat, zijn werk goed doet en behoeft diens werk niet over te doen

of te controleren. Op de verzekeraar rust in ieder geval geen zorgplicht c.q.

onderzoeksplicht om na te gaan of de verzekeringsovereenkomst nog voldoet aan de

behoeften van de verzekeringnemer, die wordt bijgestaan door een professionele

tussenpersoon, en of bijvoorbeeld sprake is van een risicoverzwarende omstandigheid,

zoals een wijziging van de bedrijfsactiviteiten. De verzekeraar is niet gehouden de taken

van de assurantietussenpersoon op zich te nemen c.q. over te nemen, aldus AIG.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.14.

In het kader van de taakverdeling tussen een verzekeraar enerzijds en een

onafhankelijke assurantietussenpersoon anderzijds is het primair de taak van de

assurantietussenpersoon om erop toe te zien dat een risicoverzwarende omstandigheid

aan de zijde van zijn klant dan wel een wijziging van de verzekerde hoedanigheid tijdig aan de verzekeraar wordt gemeld en hij dient daartoe periodiek onderzoek te doen bij zijn klant.

4.15.

Gelet op het feit dat [naam eiseres] werd bijgestaan door een assurantietussenpersoon, rustte op AIG – ook na de gemelde naamswijziging – geen zorgplicht of controleplicht ten aanzien van de vraag of de verzekering nog wel voldeed aan de wensen van [naam eiseres] en de juiste dekking bood. Het onder 2.9 genoemde bericht van de Rabobank aan AIG naar aanleiding van de (adres- en) naamswijziging van [naam eiseres] bevestigt dit ook, nu in dit bericht door de Rabobank wordt aangekondigd dat AIG mogelijk van haar nog separaat een aanvullend mutatieverzoek ontvangt om de dekking c.q. het risicoadres aan te passen. Dat dit mutatieverzoek niet is gekomen, staat niet ter discussie. AIG hoefde verder geen actie te ondernemen met betrekking tot de dekking van de verzekering richting [naam eiseres] . Van schending van een zorgplicht door AIG jegens [naam eiseres] is geen sprake noch van anderszins tekortschieten jegens [naam eiseres] door AIG.

4.16.

Tot slot gaat de rechtbank ook niet mee in de stelling van [naam eiseres] dat uit de dekkingsafwijzing van AIG van 21 december 2017 ten aanzien van de fraudemelding kan worden afgeleid dat de verzekering volgens AIG wel dekking bood. AIG heeft er in dit bericht voor gekozen om dekking af te wijzen op de – volgens haar meest in het oog springende – grond dat diefstal en fraude nooit zijn gedekt onder een beroepsaansprakelijkheidsverzekering. AIG heeft in deze brief niet geschreven dat de verzekering anders wel dekking zou hebben geboden voor accountantswerkzaamheden en deze door [naam eiseres] voorgestane gevolgtrekking kan ook niet worden verbonden aan voornoemde afwijzingsbrief.

4.17.

De vorderingen op AIG zullen worden afgewezen.

Geschil tussen [naam eiseres] en Rabobank

4.18.

Niet in geschil is dat [naam eiseres] voor aanvang van de verzekering aan Rabobank bekend heeft gemaakt dat zij te zijner tijd als accountantskantoor werkzaam zou zijn en daarvoor dan adequaat verzekerd wenste te worden. Evenmin is in geschil dat dat de reden is geweest dat [naam eiseres] uiteindelijk AIG als haar verzekeraar heeft uitgekozen. AIG had immers te kennen gegeven dat een kantoor dat aanvankelijk bij haar was verzekerd als administratiekantoor na wijziging van haar werkzaamheden ook verzekerd kon worden als accountantskantoor. Zie ook de hierboven onder 2.4-2.6 genoemde correspondentie.

4.19.

Een assurantietussenpersoon dient tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Dit brengt mee dat hij erop toeziet dat door of namens de verzekeringnemer aan de verzekeraar tijdig alle mededelingen worden gedaan waarvan hij, als redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon, behoort te begrijpen dat die de verzekeraar ervan zullen (kunnen) weerhouden om, voor zover in deze zaak van belang, dekking af te wijzen vanwege het niet (meer) voldoen aan een overeengekomen verzekeringsvoorwaarde dan wel een beroep te doen op het vervallen van het recht op schadevergoeding wegens de niet-nakoming van de in de polisvoorwaarden opgenomen mededelingsplicht ter zake van risicoverzwarende omstandigheden. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn (HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122).

4.20.

Met de hierboven in 4.18 genoemde kennis die Rabobank, een professionele assurantietussenpersoon, had omtrent deze wens van [naam eiseres] om in de toekomst als accountantskantoor verzekerd te worden had Rabobank dus moeten weten dat het aan haar gerichte verzoek van [naam eiseres] in de hierboven onder 2.8 genoemde brief van 16 februari 2011 tot wijziging van haar naam meer inhield dan enkel dit verzoek (inclusief het verzoek om deze naamswijziging door te geven aan AIG). Van Rabobank had dus verwacht mogen worden dat zij na deze mededeling van [naam eiseres] uit 2011 over de naamswijziging van [naam eiseres] navraag had gedaan bij [naam eiseres] in hoeverre bij [naam eiseres] nog steeds de wens leefde om een andere verzekering te krijgen, dat wil zeggen: een verzekering die dekking zou bieden voor werkzaamheden van [naam eiseres] als accountantskantoor.

4.21.

Niet in geschil is dat Rabobank geen gevolg heeft gegeven aan haar hierboven onder 2.9 genoemde mutatie-aankondiging aan AIG van 2 maart 2011 en geen contact heeft opgenomen met [naam eiseres] over de dekking van haar verzekering na het bericht over de naamswijziging, waaruit kon worden afgeleid dat een of meer bestuurders van [naam eiseres] de opleiding tot accountant hadden afgerond. Aan de hierboven in 4.19 genoemde zorgplicht van een assurantietussenpersoon tot het doen van navraag bij zijn opdrachtgever/de verzekeringnemer heeft Rabobank dan ook niet voldaan. Dit betekent dat Rabobank is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen als assurantietussenpersoon jegens [naam eiseres] .

4.22.

Rabobank voert nog als verweer dat [naam eiseres] er ten onrechte van uit gaat dat een beroepsaansprakelijkheidsverzekering bij AIG zou zijn afgesloten voor haar accountantswerkzaamheden en dat de desbetreffende verzekering de aansprakelijkheidsclaim van [naam 7] zou dekken. De rechtbank passeert dit verweer. Zoals hiervoor reeds is overwogen, was AIG juist in 2009 als verzekeraar uitgekozen omdat zij [naam eiseres] ook als accountantskantoor een beroepsverzekering kon aanbieden. Dit is door [naam 4] in zijn onder 2.6 genoemde e-mail bevestigd. Rabobank heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op basis waarvan [naam eiseres] in 2011 – op het moment dat [naam eiseres] ook accountancy werkzaamheden ging verrichten – accountantswerkzaamheden uitvoerde die niet door AIG geaccepteerd zouden worden. Evenmin is gemotiveerd gesteld of gebleken dat de claim van [naam 7] niet onder dekking van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering van accountants zou vallen. De rechtbank stelt dan ook vast dat er een causaal verband bestaat tussen de tekortkoming van Rabobank en het ontbreken van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor de werkzaamheden van [naam eiseres] als accountantskantoor.

4.23.

Rabobank beroept zich tot slot op eigen schuld van [naam eiseres] en voert daartoe het volgende aan. [naam eiseres] wist en behoorde te weten dat het afsluiten van een dergelijke verzekering een wettelijke voorwaarde is om het beroep als accountant uit te oefenen. [naam eiseres] had zich ervan dienen te vergewissen dat een wettelijk voorgeschreven beroepsaansprakelijkheidsverzekering was afgesloten alvorens werkzaamheden als accountantskantoor te verrichten. [naam eiseres] wist of behoorde te weten dat geen enkele informatie aan Rabobank of AlG was verstrekt, geen aanvraag was ingediend, geen acceptatieproces was doorlopen en ook geen offerte was ontvangen die door [naam eiseres] geaccepteerd diende te worden teneinde een beroepsaansprakelijkheidsverzekering tot stand te brengen. [naam eiseres] heeft ook geen polis of polisblad ontvangen waaruit blijkt dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekering tot stand is gekomen. [naam eiseres] heeft de polisbladen die wel door haar zijn ontvangen ook niet gecontroleerd en een simpele controle had ook geleerd dat geen beroepsaansprakelijkheidsverzekering was afgesloten. [naam eiseres] heeft tot slot nimmer premie betaald voor een beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor accountancy terwijl de premie voor een dergelijke verzekering relatief hoog is.

4.24.

[naam eiseres] verweert zich tegen het beroep op eigen schuld. Rabobank handelde als een professional en is juist om die reden ingeschakeld. De drie eigenaren van [naam eiseres] waren startende ondernemers. Bij het leerstuk van eigen schuld is dan terughoudendheid op zijn plaats, zeker in de situatie waarin vaststaat dat [naam eiseres] juiste informatie heeft verstrekt aan Rabobank en de fout door Rabobank is gemaakt, aldus [naam eiseres] .

4.25.

Aan Rabobank kan worden toegegeven dat [naam eiseres] , zeker in haar hoedanigheid als accountant, meer oplettend had kunnen zijn wat betreft het hier aan de orde zijnde punt van het afsluiten van een verzekering die dekking bood voor accountantswerkzaamheden. [naam eiseres] had na lezing van het in 2011 nieuw opgestuurde polisblad (zie 2.10) kunnen zien dat de verwijzing naar de verzekerde hoedanigheid op het polisblad dezelfde was gebleven, zonder verdere aanpassing van de omschrijving van die hoedanigheid. Zij had op basis daarvan zichzelf kunnen afvragen of de verzekering nu inderdaad wel dekking bood voor haar nieuwe accountantswerkzaamheden. Die vraagtekens had [naam eiseres] ook kunnen plaatsen bij het niet betwiste feit dat de premie van haar verzekering na de naamswijziging niet (significant) werd verhoogd. Dit betekent echter niet dat daarmee het beroep van Rabobank op eigen schuld slaagt. Van belang is in dit kader dat [naam eiseres] , als startende onderneming, juist de Rabobank had aangesteld om als professionele partij haar belangen te behartigen op het gebied van verzekeringen. [naam eiseres] had Rabobank reeds in 2009 geïnformeerd over haar wensen om eerst als administratiekantoor verzekerd te zijn en daarna als accountantskantoor. Op basis van de in 2.6 weergegeven e-mail van [naam 4] mocht [naam eiseres] er dan ook van uitgaan dat het wel goed zou komen met het omzetten van haar aansprakelijkheidsverzekering zodra zij accountancy werk ging verrichten. Uit die e-mail zou ook kunnen worden afgeleid dat de omzetting van de verzekering niet veel voeten in de aarde zou hebben. [naam 4] schrijft immers in dit kader over AIG en de voorgestane latere wijziging van de verzekering: “Zij willen het risico verzekeren (…) en als een van jullie is afgestudeerd, de polis voort te zetten als accountantskantoor”. Op grond van deze korte en toch wel geruststellende mededeling hoefde [naam eiseres] er na het doorgeven van haar naamswijziging aan Rabobank (en AIG) en na ontvangst van het polisblad met haar nieuwe naam niet zonder meer op bedacht te zijn dat de door haar gewenste wijziging van de verzekering niet had plaatsgevonden enkel vanwege het feit dat de verzekerde hoedanigheid of de premie niet was aangepast.

4.26.

De rechtbank acht in de gegeven omstandigheden dan ook Rabobank volledig aansprakelijk voor de schade die [naam eiseres] lijdt of mogelijk zal lijden als gevolg van het tekortschieten van de Rabobank in haar verplichtingen als assurantietussenpersoon vanwege het ontbreken van het hebben van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering als accountantskantoor voor de claim van [naam 7] Vaststaat dat [naam eiseres] voor de periode vanaf 11 januari 2011 tot en met 1 oktober 2019 niet verzekerd is geweest als accountantskantoor. Dit komt tot het moment van 1 april 2015, te weten het moment waarop de verzekering door AIG is overgezet op naam van Heilbron, voor rekening van Rabobank.

4.27.

Uit het vorengaande volgt dat zowel de door [naam eiseres] gevorderde veroordeling tot schadevergoeding van Rabobank onder verwijzing naar de schadestaatprocedure zal worden toegewezen als de door [naam eiseres] gevorderde verklaring voor recht als genoemd onder b van 3.1. Bij de verklaring voor recht zal worden bepaald dat Rabobank is tekortgeschoten ter zake van de periode van 11 januari 2011 tot 1 april 2015.

Geschil tussen [naam eiseres] en Heilbron

4.28.

Gesteld noch gebleken is dat door of namens [naam eiseres] enig verzoek is gedaan aan Heilbron voor het ‘regelen’ van een verzekering bij AIG die dekking zou bieden voor [naam eiseres] als accountantskantoor.

4.29.

Het verwijt dat [naam eiseres] Heilbron in meer algemene zin maakt, is dat zij, Heilbron, in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht als assurantiepersoon door na te laten te controleren of de polis nog in overeenstemming was met de situatie van [naam eiseres] . Meer concreet komt dit verwijt van [naam eiseres] erop neer dat Heilbron haar plicht als assurantietussenpersoon heeft verzaakt te controleren of de verzekering van [naam eiseres] bij AIG wel dekkend was voor [naam eiseres] accountancywerkzaamheden.

4.30.

Net zoals het geval is met de verwijten die [naam eiseres] maakt aan AIG en Rabobank vormt de aanleiding voor dit verwijt van [naam eiseres] aan Heilbron de omstandigheid dat de verzekering van [naam eiseres] bij AIG geen dekking bood voor accountancywerkzaamheden, gelet op de omschrijving van de verzekerde hoedanigheid van [naam eiseres] .

4.31.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat de zorgplicht van een opvolgend assurantietussenpersoon, zoals Heilbron, die een portefeuille heeft overgenomen – voor zover relevant voor dit geding – eruit dat hij zich zelfstandig een beeld dient te vormen van de overgenomen portefeuille en moet onderzoeken of de afgesloten verzekering(en), althans de verzekeringsvoorwaarden, eventueel moeten worden gewijzigd. Deze opvolgend assurantietussenpersoon mag er niet zonder meer op vertrouwen dat zijn voorganger de overgedragen portefeuille correct heeft beheerd; het is een eigen verplichting van de opvolgend assurantietussenpersoon om dat te onderzoeken.

4.32.

Ter zitting heeft [naam 2] ter zake van de overgang van de verzekeringsportefeuille door Heilbron verklaard dat er tijdens het (eerste) gesprek op 16 maart 2015 niet met Heilbron, in de persoon van [naam 5] , expliciet gesproken is over de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van [naam eiseres] . Er is volgens [naam 2] alleen gezegd dat Heilbron de verzekering zou overnemen. [naam 6] heeft namens Heilbron ter zitting verklaard dat hij niet zelf aanwezig was bij het gesprek tussen [naam 2] en [naam 5] . Uit het door hem geraadpleegde registratiesysteem heeft hij enkel kunnen teruglezen dat de intermediairswijziging is ingediend zonder mutaties, inhoudende dat er toen geen poliswijziging had plaatsgevonden. Met deze verklaring wordt echter niet weerlegd hetgeen [naam 2] heeft verklaard over de (zeer) beperkte bespreking van de verzekering door Heilbron bij de overgang van de portefeuille, zodat de rechtbank daar ook van uit zal gaan. Heilbron verwijst nog naar haar productie 2, waarmee zij op 21 april 2015 na de intermediairwijziging het nieuwe polisblad van de verzekering heeft doorgestuurd. In dit bericht is het volgende geschreven: “Hierbij ontvangt u het polisblad voor uw Beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Per 01-4-2015 is de verzekering op ons agentschap gezet. Wij hebben deze polis gecontroleerd op eventuele onjuistheden. Mocht u desondanks toch nog onjuistheden opmerken, wilt u deze dan aan ons doorgeven?”. Uit dit bericht kan naar het oordeel van de rechtbank enkel worden afgeleid dat Heilbron haar naam als nieuwe assurantietussenpersoon aan AIG heeft doorgegeven, maar niet dat zijzelf een kritische blik op de verzekering heeft geworpen om te zien of deze nog voldeed aan de wensen van [naam eiseres] .

4.33.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat Heilbron zich niet voldoende van de op haar rustende zorgplicht als opvolgend assurantietussenpersoon heeft gekweten. Zij heeft ten tijde van de overgang van de verzekeringsportefeuille dan wel op een later moment niet kritisch (genoeg) gekeken naar de inhoud van de polisvoorwaarden wat betreft de vraag of de verzekerde hoedanigheid (nog) aansloot bij de werkzaamheden van [naam eiseres] . Heilbron had in dit kader niet kunnen volstaan met het raadplegen van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, waaruit volgens haar volgde dat de daar opgegeven werkzaamheden als boekhoudkantoor, administratie en adviesbureau overeenstemden met de verzekerde hoedanigheid. Uit het door Heilbron als productie 5 overgelegde besprekingsverslag van 22 november 2018 blijkt overigens wél dat Heilbron de bedrijfsactiviteiten van [naam eiseres] omschrijft als “accountancy werkzaamheden”, dus op enig later moment was het Heilbron in ieder geval duidelijk dat [naam eiseres] niet enkel een administratiekantoor was.

Nu [naam eiseres] zich – in ieder geval in naam – presenteerde als accountantskantoor en de bestuurders ook in hun hoedanigheid van accountant werkzaamheden verrichtten, had het Heilbron als professionele dienstverlener voldoende duidelijk moeten zijn dat de omschrijving van de verzekerde hoedanigheid mogelijk onvoldoende was voor [naam eiseres] . Daarnaast had Heilbron, als expert op het gebied van verzekeringen, zich ook kunnen afvragen of de premie van de verzekering dan wel de verzekeringsvoorwaarden in lijn waren met een beroepsaansprakelijkheidsverzekering van een accountantskantoor. Heilbron lijkt teveel te hebben vertrouwd op de juistheid van de portefeuille zoals die was overgedragen door Rabobank, maar daarmee heeft zij miskend dat zij een eigen verantwoordelijkheid had richting [naam eiseres] om te onderzoeken of de overgenomen verzekering passend was voor haar cliënt.

4.34.

Heilbron heeft zich ook beroepen op eigen schuld van [naam eiseres] . Volgens Heilbron heeft zij [naam eiseres] meerdere malen gevraagd te controleren of de polis voldeed c.q. de juistheid te controleren van de weergave van de haar bekend zijnde feiten en [naam eiseres] gevraagd of hetgeen was besproken correct was, op welke verzoeken [naam eiseres] nooit zou hebben gereageerd. Met [naam eiseres] is de rechtbank echter van oordeel dat er onvoldoende grond is om eigen schuld van [naam eiseres] aan te nemen. [naam eiseres] heeft ter zitting toegelicht dat zij er altijd van uit was gegaan dat zij goed verzekerd was als accountantskantoor. Gelet op het feit dat [naam eiseres] die onjuiste aanname heeft gehad vanaf 2011, Heilbron de verzekering ongewijzigd heeft voort laten zetten en slechts algemene verzoeken aan [naam eiseres] heeft gedaan om de polis te controleren op onjuistheden, kan [naam eiseres] niet het verwijt worden gemaakt dat zij vanaf 2015 meer oplettend had moeten zijn dan zij is geweest.

4.35.

Uit het vorengaande volgt dat Heilbron tekort is geschoten in haar verplichtingen als assurantietussenpersoon jegens [naam eiseres] door niet vanaf 1 april 2015 – het moment waarop de verzekering door AIG op haar naam is gezet – ervoor te zorgen dat [naam eiseres] over de juiste verzekeringsdekking als accountantskantoor beschikte. Dat dit op een later moment ook niet is gebeurd, leidt ertoe dat het ontbreken van verzekeringsdekking van [naam eiseres] tot 1 oktober 2019 voor rekening van Heilbron komt.

4.36.

Heilbron betwist tot haar verweer gemotiveerd dat er sprake is van een causaal verband tussen enige schending van een zorgplicht aan haar zijde en het ontbreken van verzekeringsdekking voor de claim van [naam 7] Zij voert daartoe aan dat, ook al had Heilbron na 16 maart 2015 de verzekerde hoedanigheid weten te wijzigen in ‘accountantskantoor’, de fout van [naam eiseres] vóór dat moment al was gemaakt, te weten in 2014, toen zij nog verzekerd was in haar hoedanigheid als administratiekantoor.

4.37.

Met Heilbron gaat de rechtbank er ook van uit dat het causaal verband tussen het ontbreken van verzekeringsdekking voor de claim van [naam 7] en de schending van de zorgplicht door Heilbron ontbreekt. De eventuele fout van [naam eiseres] waar het dekkingsgeschil in deze zaak op ziet, namelijk het opstellen van het [naam eiseres] -rapport in opdracht van de curator van DES, dateert van 8 december 2014, derhalve van vóór de intermediairwijziging op 16 maart 2015, waarbij Heilbron de nieuwe assurantietussenpersoon van [naam eiseres] is geworden. [naam eiseres] voert aan dat het mogelijk was geweest om een verzekering af te sluiten met een inlooprisico van een voorliggende periode, waaronder dan ook de periode, dat het [naam eiseres] -rapport is geschreven, zou kunnen vallen. Met deze stelling gaat de rechtbank in de gegeven omstandigheden echter niet mee. Zoals de rechtbank ook ter zitting is gebleken, accepteren verzekeraars soms wel een inlooprisico maar is dat eerder uitzondering dan regel. Heilbron heeft voorts onbestreden gesteld dat een verzekeraar ter beoordeling van de vraag of zij een inlooprisico wenst te verzekeren van de verzekerde (hier: [naam eiseres] ) verlangt dat deze een no claim-verklaring of omstandighedenmelding invult waarin deze naar waarheid alle mogelijke claims moet melden. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [naam 2] vanaf augustus 2014 bij zijn werkzaamheden als accountant bepaalde frauduleuze handelingen heeft verricht, had [naam eiseres] daarvan melding moeten maken. Op basis van die informatie over [naam 2] ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet in de rede dat een verzekeraar een inlooprisico aan [naam eiseres] had willen aanbieden om in een periode voorafgaand aan 1 april 2015 verzekeringsdekking aan te bieden aan [naam eiseres] als accountantskantoor. De rechtbank gaat in dit kader ook voorbij aan het argument van [naam eiseres] dat zij passende maatregelen had kunnen nemen om een verzekeraar gerust te stellen ter zake van enig inlooprisico, door bijvoorbeeld [naam 2] te laten schorsen. Met dat argument gaat [naam eiseres] namelijk voorbij aan het feit dat een dergelijke schorsing geen invloed zou hebben gehad op mogelijke claims die in de periode zijn ontstaan waarop het inlooprisico had moeten zien.

4.38.

Vanwege het ontbreken van causaal verband is Heilbron dan ook niet aansprakelijk voor de in deze zaak aan de orde zijnde eventuele schade die [naam eiseres] lijdt of zal lijden als gevolg van het ontbreken van dekking voor de claim van [naam 7] onder de polis van AIG. Dat betekent dat de (subsidiaire) vordering tegen Heilbron met veroordeling tot vergoeding van schade bij schadestaat zal worden afgewezen.

de proceskosten

4.39.

Als de in het ongelijk gestelde partij in haar zaak tegen AIG wordt [naam eiseres] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van AIG. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op:

griffierecht € 656,00

salaris advocaat € 1.126,00 (twee punten in liquidatietarief II)

totaal € 1.782,00.

Tegen de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, de nakosten en de daarover gevorderde wettelijke rente is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat deze zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum is bepaald.

4.40.

Als de in het ongelijk gestelde partij in de zaak van [naam eiseres] tegen Rabobank wordt Rabobank veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [naam eiseres] . Deze kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op:

dagvaardingskosten € 87,99

griffierecht € 656,00

salaris advocaat € 1.126,00 (twee punten in liquidatietarief II)

totaal € 1.869,99.

4.41.

Nu [naam eiseres] en Heilbron over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren, in die zin dat ieder van partijen zijn eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [naam eiseres] tegen AIG af,

5.2.

veroordeelt [naam eiseres] in de proceskosten aan de zijde van AIG, die tot aan deze uitspraak zijn begroot op € 1.782,00, te voldoen binnen 14 (veertien) dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [naam eiseres] in de na dit vonnis ter zake van dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart voor recht dat Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [naam eiseres] vanwege het feit dat [naam eiseres] in de periode van 11 januari 2011 tot 1 april 2015 niet (volledig) is verzekerd geweest als accountantskantoor,

5.5.

veroordeelt Rabobank tot betaling van schadevergoeding aan [naam eiseres] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.6.

veroordeelt Rabobank in de proceskosten aan de zijde van [naam eiseres] , die tot aan deze uitspraak zijn begroot op € 1.869,99,

5.7.

wijst het meer of anders door [naam eiseres] jegens Rabobank gevorderde af,

5.8.

verklaart voor recht dat Heilbron toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [naam eiseres] vanwege het feit dat [naam eiseres] in de periode van 1 april 2015 tot 1 oktober 2019 niet (volledig) is verzekerd geweest als accountantskantoor,

5.9.

wijst de vorderingen van [naam eiseres] tegen Heilbron voor het overige af,

5.10.

compenseert de proceskosten van [naam eiseres] en Heilbron zodat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.11.

verklaart alle (proceskosten)veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Witkamp en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door rolrechter A.F.L. Geerdes op 4 augustus 2021.

901/2054