Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7997

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
C/10/596737 / HA ZA 20-465
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Psychische klachten. Schending mededelingsplicht verzekeringnemer bij aangaan verzekering (art. 7:928 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/596737 / HA ZA 20-465

Vonnis van 4 augustus 2021

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. mede h.o.d.n. INTERPOLIS,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. A. Robustella te Ede,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

advocaat mr. A.A.S. Mosele te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Achmea en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 mei 2020, met producties 1 tot en met 11,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    het tussenvonnis van 7 april 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het B16-formulier van 9 april 2021 van de zijde van Achmea,

  • -

    het B16-formulier van 9 april 2021 van de zijde van [naam gedaagde].

1.2.

Achmea en [naam gedaagde] hebben middels B16-formulier op 9 april 2021 aan de rechtbank te kennen gegeven dat zij afzien van een mondelinge behandeling en de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen op basis van de ingediende stukken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam gedaagde] heeft op 2 mei 2011 een beroepsarbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de verzekering) bij Achmea aangevraagd. [naam gedaagde] heeft in het kader daarvan op 2 mei 2011 een gezondheidsverklaring ingevuld en ondertekend.

2.2.

In de gezondheidsverklaring heeft [naam gedaagde] alle gezondheidsvragen met ‘Nee’ beantwoord, waaronder de volgende vraag:

“Hebt u één van de volgende klachten, ziekten of aandoeningen gehad?

(…)

j. aandoeningen of klachten van psychische aard zoals depressie, overspannenheid, overwerktheid, slapeloosheid of burn-out?”

2.3.

[naam gedaagde] heeft voorts in antwoord op de laatste vraag in de gezondheidsverklaring het volgende verklaard:

“Zijn er nog omstandigheden over uw gezondheid ook in relatie tot uw werk die u nog niet

genoemd?

Het antwoord op deze vraag is 'nee'. * Toen ik 2 was heb ik mijn linkerarm gebroken. Ik heb gips gekregen en daarna geen klachten meer gehad. * Als kind zijn mijn amandelen verwijderd en heb ik buisjes in mijn oren gehad. * Rond mijn 13e heb ik migraine gehad. Het werd in die tijd al steeds minder en het is vanzelf overgegaan. Sinds mijn 15e ongeveer heb ik er nooit meer last van gehad. * Rond mijn 15e heb ik fysiotherapie gehad voor mijn rug. Ik had geen last van mijn rug, maar ik dacht dat het voor mijn houding was. Ik ben er zo'n 9 keer geweest. Ik heb nooit rugklachten gehad verder. * Op mijn 17e heb ik een scooterongeluk gehad. Ik het ziekenhuis hebben ze me onderzocht. Er is oa een foto gemaakt van mijn rug. Hier kwam verder niks uit. Ik heb een paar uur in het ziekenhuis gelegen ter observatie. Ik heb er niks aan overgehouden, enkel wat schaafwondjes.”

2.4.

De verzekering is ingegaan op 15 november 2011 met een eindleeftijd van 60 jaar. Het verzekerde beroep is kraanmachinist met als nevenberoep vrachtwagenchauffeur.

2.5.

[naam gedaagde] heeft in december 2015 een verhoging van de eindleeftijd aangevraagd en in het kader daarvan op 7 januari 2016 een nieuwe gezondheidsverklaring ingevuld. De eindleeftijd is per 21 januari 2016 verhoogd naar 67 jaar.

2.6.

[naam gedaagde] heeft zich op 5 november 2018 per 2 november 2018 voor 50% arbeidsongeschikt gemeld wegens psychische klachten.

2.7.

[naam gedaagde] heeft op 7 november 2018 een kwalificerende intake gehad bij Achmea. In het verslag van de intake is – onder meer – het volgende opgenomen:

“Verzekerde geeft aan dat hij al tien jaren kampt met angsten. Sinds 1 jaar heeft hij gesprekken met psycholoog van GGZ. Inmiddels is hij doorgestuurd naar Brijder. Daar heeft hij een intakegesprek gehad. De psycholoog die de behandeling gaat doen, heeft hij nog niet gezien of gesproken. Verzekerde heeft het advies gekregen om de medicatie die hij slikt af te bouwen. Dat lukt het niet. Hij krijgt dan last van afkickverschijnselen: trillen en zweten.”

2.8.

De medisch adviseur van Achmea heeft na de kwalificerende intake bij de huisarts van [naam gedaagde] medische informatie opgevraagd over zijn medische situatie van vóór de ingangsdatum van de verzekering. Op basis van de van de huisarts ontvangen informatie heeft de medische adviseur in zijn rapport – onder meer – het volgende opgenomen:

"Uit de ontvangen informatie van de huisarts komt naar voren dat u in 1998 op verzoek van de schoolarts al werd verwezen voor ADHD diagnostiek. In 2002 wordt door het ADHD screenteam DWO de diagnose ADHD bevestigd en in 2003 in een brief van GGZ Delfland wordt dezelfde conclusie vermeld. Voorts zag de huisarts u in 2006 op zijn spreekuur in verband met agressie bij Ritalin gebruik, waarvoor u weer terug gestuurd naar de GGZ Delfland.

Uit de ontvangen informatie van de specialist komt met name naar voren dat u bekend bent met ADHD, een sociale angststoornis evenals een stoornis in middelen gebruik (…)

Vanwege een toename van u psychische klachten eind 2014, waarvoor bezoek huisarts op 30 december 2014 met paniekaanvallen/stoornis, zou bij de wijziging van de polis van

21-1-2016, de aanpassing van de eindleeftijd zijn afgewezen.

(…)

Advies indien de huidige gegevens ten tijde van de aanvraag in 2011 bekend zouden zijn geweest:

Geen recht op uitkering bestaat bij arbeidsongeschiktheid verband houdend met psychische klachten, aandoeningen en/of oorzaken. Deze clausule komt niet voor herbeoordeling in aanmerking.

Indien de (ontvangen) gegevens bekend waren geweest bij de wijziging van de polis van 25-1-2016, zou de aanpassing van de EL zijn afgewezen. De beroepswijziging van het ene klasse vier beroep naar het andere klasse vier beroep zou wel geaccepteerd zijn."

2.9.

Achmea heeft per brief van 23 april 2019 de claim van [naam gedaagde] afgewezen.

2.10.

Achmea heeft na de afwijzing van de claim de volgende uitsluitingsclausule op de verzekering geplaatst:

“Vanaf 15 november 2011 bestaat er geen recht op uitkering bij arbeidsongeschiktheid verband houdend met psychische klachten, aandoeningen en/of oorzaken. Deze clausule komt niet voor herbeoordeling in aanmerking.”

2.11.

Achmea heeft voorts na de afwijzing van de claim de eindleeftijd van de verzekering weer aangepast naar 60 jaar en de persoonsgegevens van [naam gedaagde] in de Gebeurtenissenadministratie van Achmea geplaatst voor een periode van 8 jaar.

2.12.

[naam gedaagde] heeft middels brieven van 2 mei 2019 en 29 mei 2019 bezwaar aangetekend tegen de genomen maatregelen. Achmea heeft middels brieven van 23 mei 2019 en 7 juni 2019 het ingenomen standpunt gehandhaafd.

2.13.

In een niet-bindende adviesprocedure heeft de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het KiFid (hierna: de geschillencommissie) bij uitspraak van 3 maart 2020 de vorderingen van [naam gedaagde] toegewezen. In de uitspraak is – onder meer – het volgende opgenomen:

“4.8 Op grond van het medisch dossier neemt de Commissie als vaststaand aan dat

Consument in 1998 door de schoolarts is verwezen voor ADHD diagnostiek. In 2002 is door het ADHD screenteam DWD de diagnose ADHD bevestigd. In een brief van 2003 van GGZ Delfland wordt dezelfde conclusie vermeld. In 2006 heeft Consument de huisarts bezocht wegens agressie bij ritalingebruik en is hij terug verwezen naar GGZ Delfland. In 2014 heeft Consument de huisarts geconsulteerd wegens psychische klachten (piekeren, spanningen) en is hij verwezen naar de POH GGZ. In 2018 is Consument uitgevallen wegens psychische klachten, waaronder angsten.

(…)

4.11

Consument heeft steeds gesteld, en ter zitting herhaald, dat hij wist dat hij ADHD had, dat naar ADHD niet wordt gevraagd in de gezondheidsverklaring, en dat hij niet wist dat hij ADHD onder ‘psychische klachten’ bij vraag 4 j had moeten melden. De diagnose ADHD was bij hem bekend en hij wist dat dit bij hem gedragsproblemen veroorzaakte met daarnaast angsten, zoals hij in het schadeaangifteformulier heeft aangegeven. De Commissie merkt op dat gedragsproblemen, angst en problemen met agressieregulatie (waarvoor Consument in 2006 de huisarts heeft bezocht) doorgaans worden gezien als psychische klachten. Daarbij maakt het niet uit of deze klachten worden veroorzaakt door ADHD of iets anders. Dat neemt niet weg dat het alleszins denkbaar is dat Consument zijn ADHD niet als een psychische aandoening heeft geduid maar als een gedragsprobleem of een opvoedkundig probleem. Het is dus de vraag of Consument zich ervan bewust is geweest dat hij psychische klachten heeft gehad. Of Consument, van wie in de medische stukken gesteld wordt dat bij psychiatrisch onderzoek het simplistische, concretistische denken is opgevallen, dit had behoren te weten is de volgende vraag. Het is aan Verzekeraar (zie hierboven onder 4.10) om hiervan het bewijs te leveren. De Commissie is van oordeel dat

Verzekeraar in dit bewijs niet is geslaagd.

(…)

4.17

De conclusie is dat Verzekeraar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming

van zijn verbintenissen uit de verzekeringsovereenkomst. Verzekeraar dient de

uitsluitingsclausule voor psychische klachten van de verzekering te verwijderen en

de claim van Consument alsnog in behandeling te nemen. De persoonsgegevens

van Consument dient hij te verwijderen uit de Gebeurtenissenadministratie en de

eindleeftijd van de verzekering dient hij weer te verhogen naar 67 jaar. De

Commissie wijst de vordering van Consument toe in die zin dat Verzekeraar de

claim van Consument in behandeling moet nemen.”

2.14.

Achmea heeft geen uitvoering gegeven aan het advies van de geschillencommissie.

3. Het geschil

3.1.

Achmea vordert dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat [naam gedaagde] de mededelingsplicht ex artikel 7:928 lid 1 BW in het kader van de totstandkoming van de arbeidsongeschiktheidsverzekering met Achmea niet is nagekomen;

  2. voor recht verklaart dat Achmea het beroep van [naam gedaagde] op uitkering op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering wegens psychische klachten bij schrijven van 23 april 2019 terecht heeft afgewezen;

voor recht verklaart dat Achmea de in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering met [naam gedaagde] overeengekomen voorwaarden bij schrijven van 23 april 2019 terecht heeft uitgebreid met de voorwaarde, inhoudend:

"Vanaf 15 november 2011 bestaat geen recht op uitkering bij arbeidsongeschiktheid verband houdend met psychische klachten, aandoeningen en/of oorzaken. Deze clausule komt niet voor herbeoordeling in aanmerking.";

voor recht verklaart dat Achmea de eindleeftijd in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering bij schrijven van 23 april 2019 terecht heeft aangepast naar 60 jaar;

voor recht verklaart dat Achmea de gegevens van [naam gedaagde] terecht heeft opgenomen in de door haar gevoerde Gebeurtenissen Administratie, en

[naam gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2.

Achmea legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [naam gedaagde] zijn mededelingsplicht ex artikel 7:928 BW niet is nagekomen. [naam gedaagde] had in de gezondheidsverklaringen van 2 mei 2011 en 7 januari 2016 moeten melden dat hij in het verleden psychische klachten heeft gehad. Als dit ten tijde van de aanvraag van de verzekering bekend zou zijn geweest, zou hiervoor een clausule zijn opgenomen zodat geen recht zou bestaan op uitkering in geval van arbeidsongeschiktheid verband houdend met psychische klachten, aandoeningen en/of oorzaken. [naam gedaagde] heeft nagelaten om zijn psychische klachten te melden, zodat Achmea niet is gehouden om tot uitkering over te gaan.

3.3.

[naam gedaagde] refereert zich naar het oordeel van de rechtbank.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

In deze procedure refereert [naam gedaagde] zich naar het oordeel van de rechtbank. De door Achmea in het geding gebrachte feiten staan daarmee tussen partijen op grond van

artikel 149 Rv als niet weersproken vast.

4.2.

In geschil is of [naam gedaagde] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst zijn mededelingsplicht heeft geschonden.

4.3.

Artikel 7:928 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeringnemer verplicht is om vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Volgens lid 4 van artikel 7:928 BW betreft de mededelingsplicht niet feiten die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen, en evenmin feiten, die niet tot een voor de verzekeringnemer ongunstiger beslissing zouden hebben geleid.

4.4.

Partijen twisten meer specifiek over de vraag of [naam gedaagde] wist of behoorde te begrijpen dat Achmea geïnteresseerd was in kennisneming van zijn klachten (het kenbaarheidsvereiste). Bij de beantwoording van de vraag wat [naam gedaagde] in dit verband wist of behoorde te begrijpen, geldt de maatstaf van een behoorlijk en zorgvuldig verzekeringnemer en bij die beoordeling moeten alle omstandigheden van het concrete geval worden betrokken. Daarnaast is van belang dat de verzekering mede gesloten is op de grondslag van de gezondheidsverklaring waarin vragen zijn opgenomen over de gezondheidstoestand van [naam gedaagde]. Als met die vragen naar de hiervoor bedoelde klachten wordt gevraagd, geldt in beginsel dat [naam gedaagde] behoorde te begrijpen dat Achmea die klachten relevant achtte voor het sluiten van de verzekering. Of met de vragen naar die klachten is gevraagd, is een kwestie van uitleg. Voor de beantwoording van de vraag of [naam gedaagde] die vragen juist en volledig heeft beantwoord, geldt als uitgangspunt dat hij deze vragen mocht opvatten naar de zin die hij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen.

4.5.

Op Achmea ligt de stelplicht, en bij betwisting de bewijsplicht, van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [naam gedaagde] in het licht van de vragen in de gezondheidsverklaring wist of behoorde te begrijpen dat de niet meegedeelde feiten relevant waren voor de beslissing van Achmea tot het al dan niet aangaan van de verzekering dan wel de voorwaarden waaronder.

4.6.

Achmea heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam gedaagde] behoorde te begrijpen dat hij de bij hem bekende diagnose ADHD én de ondervonden psychische klachten op de gezondheidsverklaring had moeten melden, in het bijzonder gelet op het feit dat in de gezondheidsverklaring middels vraag 4 j expliciet wordt gevraag of sprake is (geweest) van psychische klachten. [naam gedaagde], zo begrijpt de rechtbank, sluit zich aan hetgeen de geschillencommissie op dit punt heeft overwogen.

4.7.

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat [naam gedaagde] voorafgaand aan het invullen en ondertekenen van de gezondheidsverklaring op 2 mei 2011, was gediagnosticeerd met ADHD. Daarnaast kampte hij op dat moment al geruime tijd – te weten 10 jaar vóór zijn op 7 november 2018 afgelegde verklaring – met angsten (zie r.o. 2.7). Verder staat vast dat [naam gedaagde] op de hoogte was van de diagnose ADHD en zijn angstklachten (zie r.o. 2.7 en r.o. 2.13). Tot slot staat vast dat [naam gedaagde] vraag 4 j van de gezondheidsverklaring naar het bestaan van “aandoeningen of klachten van psychische aard zoals depressie, overspannenheid, overwerktheid, slapeloosheid of burn-out?” met ‘nee’ heeft beantwoord.

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank wist dan wel behoorde [naam gedaagde] te begrijpen dat hij zijn angstklachten moest melden aan Achmea. Angsten worden, en in die lijn heeft ook de geschillencommissie geoordeeld, aangemerkt als psychische klachten. Nu Achmea met vraag 4 j naar klachten van psychische aard heeft gevraagd, behoorde [naam gedaagde] in beginsel te begrijpen dat Achmea deze klachten van belang achtte voor haar beslissing om de verzekering aan te gaan en onder welke voorwaarden.

4.9.

Hetgeen de geschillencommissie in haar advies heeft betrokken maakt dit niet anders. De geschillencommissie heeft geoordeeld dat het alleszins denkbaar is dat [naam gedaagde] zijn ADHD niet als een psychische aandoening heeft geduid maar als een gedragsprobleem of een opvoedkundig probleem. De geschillencommissie beroept zich in dit verband op de aan haar overgelegde medische stukken waarin wordt gesteld dat bij [naam gedaagde] het simplistisch, concretische denken is opgevallen. Echter, ook indien [naam gedaagde] zijn ADHD heeft geduid als een gedragsprobleem, hetgeen niet ondenkbaar is, neemt dit niet weg dat hij behoorde te begrijpen dat in ieder geval zijn angstklachten als psychische klachten hebben te gelden. Dat bij [naam gedaagde] sprake is van simplistisch, ‘concretisch’ denken is (in deze procedure) niet nader toegelicht of geconcretiseerd en is op zichzelf onvoldoende om tot de conclusie te komen dat hij niet kon begrijpen dat angsten als psychische klachten worden beschouwd. Bijkomende omstandigheden die die conclusie wel zouden kunnen dragen, zijn niet naar voren gebracht. Ook overigens duidt het feit dat [naam gedaagde] de afsluitende vraag van de gezondheidsverklaring uitgebreid heeft beantwoord door een opsomming van een groot aantal fysieke klachten en aandoeningen (zie r.o.2.3), erop dat [naam gedaagde] het belang van het doen van een zo volledig mogelijke opgave van klachten en aandoeningen heeft begrepen.

4.10.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat van [naam gedaagde] zijn mededelingsplicht jegens Achmea heeft geschonden door geen melding te maken van zijn angstklachten. De vraag of [naam gedaagde] zijn mededelingsplicht eveneens heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat hij ADHD had, kan daarmee onbeantwoord blijven. De vordering van Achmea onder a zal worden toegewezen.

4.11.

Achmea heeft gesteld en met verwijzing naar het rapport van de medisch adviseur (r.o. 2.8) onderbouwd dat zij bij kennis van de (angst)klachten van [naam gedaagde] de verzekering zou hebben afgesloten met de clausule dat geen recht op een uitkering zou bestaan bij arbeidsongeschiktheid verband houdend met psychische klachten. Ook zou aanpassing van de eindleeftijd die plaatsvond in 2016 bij kennis van de klachten zijn afgewezen. Mede gelet hierop komt het onder b, c, d, en e gevorderde niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze vorderingen zullen worden toegewezen.

4.12.

[naam gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op:

- explootkosten € 102,96

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 563,00 (1 punt × tarief € 563,00)

Totaal € 1.321,96

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [naam gedaagde] de mededelingsplicht ex artikel 7:928 lid 1 BW in het kader van de totstandkoming van de arbeidsongeschiktheidsverzekering met Achmea niet is nagekomen;

5.2.

verklaart voor recht dat Achmea het beroep van [naam gedaagde] op uitkering op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering wegens psychische klachten bij schrijven van

23 april 2019 terecht heeft afgewezen;

5.3.

verklaart voor recht dat Achmea de in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering met [naam gedaagde] overeengekomen voorwaarden bij schrijven van 23 april 2019 terecht heeft uitgebreid met de voorwaarde, inhoudend:

"Vanaf 15 november 2011 bestaat geen recht op uitkering bij arbeidsongeschiktheid verband houdend met psychische klachten, aandoeningen en/of oorzaken. Deze clausule komt niet voor herbeoordeling in aanmerking.";

5.4.

verklaart voor recht dat Achmea de eindleeftijd in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering bij schrijven van 23 april 2019 terecht heeft aangepast naar 60 jaar;

5.5.

verklaart voor recht dat Achmea de gegevens van [naam gedaagde] terecht heeft opgenomen in de door haar gevoerde Gebeurtenissen Administratie;

5.6.

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 1.321,96;

5.7.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. den Hollander. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2021.

3070/2872