Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7996

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
C/10/586755 / HA ZA 19-1112
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanbod en aanvaarding. Wilsvertrouwensleer. Gedaagde mocht niet gerechtvaardigd vertrouwen dat de eerste offerte betrekking had op drie balkons en is de rest van de totale aanneemsom verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/586755 / HA ZA 19-1112

Vonnis in verzet van 4 augustus 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. M.C.G. van Essen te Alphen aan den Rijn,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaat mr. W.Th. van Dijk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [naam eiseres] en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 augustus 2019 waarmee de procedure is ingeleid, met producties;

  • -

    het door deze rechtbank op 16 oktober 2019 tussen [naam eiseres] en [naam gedaagde] bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer / rolnummer 581759 / HA ZA 19-832;

  • -

    de verzetdagvaarding van 8 november 2019 (aan te merken als conclusie van antwoord) van de zijde van [naam gedaagde] , met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in oppositie (conclusie van repliek) van de zijde van

[naam eiseres] , met producties;

- de conclusie van repliek in oppositie (conclusie van dupliek) van de zijde van [naam gedaagde] , met producties;

- de akte van uitlating op de rol van 18 november 2020 van de zijde van [naam eiseres] ;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 12 januari 2021;

  • -

    de comparitie van partijen, gehouden op 8 juni 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam eiseres] exploiteert een aannemingsbedrijf. Directeur en (indirect) enig aandeelhouder van [naam eiseres] is [naam 1] (hierna: [naam 1] ).

2.2.

[naam gedaagde] heeft in 2015 enkele woningen gekocht in Rotterdam-Crooswijk met als doel deze woningen op te knappen en daarna te verhuren. Voor de renovatie van de woningen heeft [naam gedaagde] verschillende aannemers ingeschakeld, onder wie [naam eiseres] . In dat kader heeft [naam eiseres] sinds oktober 2016 verschillende dakkappelen vernieuwd.

2.3.

In november 2017 heeft [naam gedaagde] [naam eiseres] benaderd voor het laten fabriceren, leveren en monteren van drie balkons voor de panden [adres 1] , [adres 2] en [adres 3].

2.4.

Op 8 november 2017 heeft [naam gedaagde] per e-mail aan [naam 1] bericht:

“ [naam 1] ,

Je krijgt 4 mails.

De uitvoering en materialen moeten dezelfde zijn als van [adressen] .

Houtwerk: hard hout.

Ik heb een offerte voor € 14 k netto

Ik hoor graag.

Levering in 2017 moet toch mogelijk zijn.

[naam gedaagde] ”

2.5.

[naam gedaagde] heeft op 8 november 2017 in opvolgende e-mailberichten de door de architect [naam 2] (hierna: [naam 2] ) opgestelde constructietekeningen van de woningen aan [naam 1] verzonden.

2.6.

Op 30 november 2017 om 14:53 uur heeft [naam 1] per e-mail aan [naam gedaagde] geschreven:

“ [naam gedaagde] ,

Hierbij een prijs voor de balkons op [straatnaam] . (3st) Geheel is incl montage en montagemateriaal. Hardhouten vlonders. Hardhouten balklaag en RVS bevestigingsmateriaal.

Exclusief schilderwerk, evt aanpassingen aan balkon buren, verkeersmaatregelen, vastzetten bestaande trappen.

Ik hoor graag van je!

Met vriendelijke groet,

[naam 1] ”

Als bijlage bij het e-mailbericht van 30 november 2017 is het volgende begrotingsrapport toegevoegd:

[volgt de tekst van het Begrotingsrapport; redactie rechtspraak.nl]

(…)

2.7.

Op 30 november 2017 om 17.44 uur heeft [naam gedaagde] per e-mailbericht aan [naam 1] meegedeeld:

“ [naam 1] , ik schrik.

Niet van de prijs, want die vond ik netjes.

Maar van de levertijd. Of die is nog niet genoemd.

Dit jaar no 4, jan no 16 en 18, dan heb je deze omzet (…)

Groeten,

[naam gedaagde] ”

2.8.

Op 6 december 2017 heeft tussen partijen telefonisch overleg plaatsgevonden.

2.9.

Op 7 december 2017 heeft [naam 1] aan [naam gedaagde] per e-mailbericht het volgende geschreven:

“ [naam gedaagde] ,

Bijgaand het totale plaatje.

Zoals gister telefonisch besproken word het geheel na de kerst vakantie gemaakt,

gegalvaniseerd en gepoedercoat. De planning is dat week 5 uitgeleverd word waarna we direct gaan plaatsen. Aansluitend word het hout er in geplaatst.

Ik zal zo een afspraak maken om het geheel in te komen meten.

Heb jij de tekeningen ook in een digitaal formaat?

Met vriendelijke groet,

[naam 1] ”

Als bijlage bij het e-mailbericht van 7 december 2017 is het volgende begrotingsrapport toegevoegd:

[volgt de tekst van het Begrotingsrapport; redactie rechtspraak.nl]

(…)

2.10.

[naam eiseres] heeft op 8 februari 2018 de balkons geleverd en is diezelfde dag begonnen met de plaatsing van de balkons. De werkzaamheden zijn kort na 12 februari 2018 afgerond.

2.11.

[naam eiseres] heeft voor haar werkzaamheden voor [naam gedaagde] een factuur opgesteld. De factuur is gedateerd op 29 maart 2018 en ziet op een totaalbedrag van € 40.046,16 inclusief BTW.

2.12.

[naam eiseres] heeft [naam gedaagde] per brief van 10 juli 2018 in gebreke gesteld en gesommeerd de factuur van 29 maart 2018 te voldoen.

2.13.

[naam gedaagde] heeft op 20 september 2019 een bedrag van € 14.541,30 aan [naam eiseres] betaald.

3. Het geschil; de standpunten van partijen

3.1.

[naam eiseres] heeft bij inleidende dagvaarding – samengevat – gevorderd [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [naam eiseres] van € 26.534,91 in totaal, in hoofdsom en aan buitengerechtelijke incassokosten bij elkaar, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over de hoofdsom van € 25.504,86 vanaf 13 april 2018 en met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de kosten van € 1.030,05 vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, telkens tot de dag der algehele betaling. Bij het verstekvonnis, genoemd onder 1.1, zijn deze vorderingen toegewezen. [naam eiseres] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat met [naam gedaagde] een overeenkomst van aanneming van werk is gesloten voor het plaatsen van drie balkons. [naam eiseres] stelt zich primair op het standpunt dat [naam gedaagde] zijn verplichting tot betaling voor de verrichte werkzaamheden moet nakomen. [naam gedaagde] is op 30 november 2017 akkoord gegaan met een offerteprijs van € 14.541,30 per balkon. Op 7 december 2017 heeft [naam gedaagde] het begrotingsrapport met de volledige aanneemsom van € 40.046,16 ontvangen en heeft daarop niet gereageerd. Op 20 september 2019 heeft [naam gedaagde] € 14.541,30 betaald maar ten onrechte geweigerd het restant te betalen. [naam eiseres] heeft op grond van de overeenkomst van aanneming van werk met [naam gedaagde] recht op betaling van het resterende bedrag van € 25.504,86. [naam eiseres] stelt subsidiair dat zij als aannemer jegens [naam gedaagde] aanspraak maakt op een ‘redelijke prijs’ als bedoeld in artikel 7:752 lid 1 BW. Het totale aanneemsom van € 40.046,16 is zowel een redelijke als een gangbare prijs voor de door haar verrichte werkzaamheden.

3.2.

[naam gedaagde] vordert vernietiging van het verstekvonnis, niet-ontvankelijkverklaring van [naam eiseres] in haar oorspronkelijke vorderingen, althans [naam eiseres] die te ontzeggen als zijnde ongegrond en veroordeling van [naam gedaagde] in de kosten van deze procedure. [naam gedaagde] voert aan dat hij niet meer verschuldigd is voor de drie balkons dan de volgens hem overeengekomen aanneemsom van € 14.541,30. In de offerte van 30 november 2017 wordt een offerteprijs van € 14.541,30 voor drie balkons genoemd. [naam gedaagde] is hiermee op 30 november 2017 akkoord gegaan en dus niet met een aanneemsom van € 40.046,16. Hij heeft het begrotingsrapport bij het e-mailbericht van 7 december 2017 niet onder ogen gezien. [naam gedaagde] heeft al € 14.541,30 betaald, zodat hij niets meer is verschuldigd.

4. De beoordeling

4.1.

In deze procedure ligt de vraag voor welke prijs [naam eiseres] en [naam gedaagde] zijn overeengekomen voor het fabriceren, leveren en monteren van de drie balkons aan de panden [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] . Partijen twisten over de vraag of zij een bedrag van € 14.541,30 zijn overeengekomen als stuksprijs voor één balkon of als totaalprijs voor drie balkons.

4.2.

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:215 lid 1 BW). Of sprake is van overeenstemming tussen het aanbod en de aanvaarding hangt af van wat partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen (artikelen 3:33 en 3:35 Burgerlijk Wetboek (BW)).

4.3.

Uitgangspunt is dat [naam eiseres] in het e-mailbericht van 30 november 2017 aan [naam gedaagde] heeft geschreven: ‘Hierbij een prijs voor de balkons op de [straatnaam] . (3st). Alhoewel deze tekst er op lijkt te duiden dat het bijgevoegde begrotingsrapport betrekking heeft op drie balkons is de rechtbank van oordeel dat [naam gedaagde] daar niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. [naam gedaagde] had redelijkerwijs moeten begrijpen dat het begrotingsrapport betrekking had op slechts één balkon en dat hij voor de uitvoering drie keer het bedrag van € 14.541,30 verschuldigd zou zijn. De rechtbank acht daartoe het volgende redengevend.

4.4.

Allereerst is van belang dat in het begrotingsrapport van 30 november 2017 op geen enkele plek te lezen valt te lezen dat daarin drie balkons zijn begroot. In de specificatie van de prijs wordt onder het aantal eenheden meerdere keren genoemd dat de factuur betrekking heeft één post: één post vlonders, één post staal en één post montage staal. Gelet hierop had het tenminste op de weg van [naam gedaagde] als opdrachtgever en ontvanger van de offerte gelegen te verifiëren of [naam eiseres] er wel rekening mee had gehouden dat hij drie balkons wenste. Hiernaar heeft [naam gedaagde] bij [naam eiseres] echter geen navraag gedaan. Hij heeft [naam eiseres] ook niet laten weten dat hij ervan uitging dat het begrotingsrapport betrekking had op drie balkons.

4.5.

Een tweede van belang zijnde omstandigheid is het feit dat partijen in 2016 eerder zaken met elkaar hebben gedaan voor de fabricage, levering en montage van in totaal acht dakkapellen op de panden aan de [straatnaam] . De rechtbank acht voor de beoordeling van dit geschil meer in het bijzonder van belang dat de wijze van offreren door [naam eiseres] destijds op dezelfde wijze heeft plaatsgevonden, namelijk door eerst een begrotingsrapport voor één object en vervolgens na akkoord een volledige begroting voor het definitief aantal objecten te overleggen. [naam gedaagde] heeft niet weersproken dat die werkwijze toen gevolgd is. De rechtbank is van oordeel dat [naam gedaagde] er daarom op bedacht had moeten zijn dat [naam eiseres] met het begrotingsrapport van 30 november 2017 voor de balkons een zelfde wijze van offreren hanteerde. Door [naam gedaagde] is nog wel aangevoerd het traject voor de balkons anders is verlopen dan het traject met betrekking tot de prijsvorming dakkappellen omdat destijds nog niet vaststond hoeveel dakkappelen [naam gedaagde] af zou nemen, terwijl dit bij de balkons wel het geval was. Het contact verliep bovendien destijds via de architect die [naam gedaagde] adviseerde en niet rechtstreeks met hem zelf zoals in het geval van de dakkappellen, aldus [naam gedaagde] . De rechtbank verwerpt echter dit betoog. Dat vooraf niet bekend was hoeveel dakkapellen zouden worden geplaatst doet immers niet af aan de bekendheid van [naam gedaagde] met de wijze van offreren door [naam eiseres] zoals dit bij de dakkapellen had plaatsgevonden. [naam gedaagde] had moeten beseffen dat het eerste begrotingsrapport Van [naam eiseres] voor de balkons, evenals dat het geval was bij de dakkapellen, betrekking zou (kunnen) hebben op één object. Het door [naam gedaagde] aangevoerde argument dat een architect bij de plaatsing van de dakkapellen betrokken was, legt geen gewicht in de schaal. [naam gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling overigens erkend dat de architect ook tijdens het traject van plaatsing van de balkons als adviseur daarbij nauw betrokken was.

4.6.

Voor de beoordeling van het geschil tussen partijen is mede van belang of [naam gedaagde] een bedrag van € 14.541,30 mocht verwachten als redelijke en gangbare prijs voor drie balkons. [naam eiseres] heeft gesteld dat een totaalprijs van € 40.046,16 een redelijke en gangbare prijs is voor drie balkons, hetgeen zij heeft onderbouwd met een offerte van Murrebouw B.V. waarin een totale aanneemsom van € 40.374,51 voor de drie balkons is opgenomen. De offerte stemt qua prijs min of meer overeen met het begrotingsrapport van [naam eiseres] van 7 december 2017. [naam gedaagde] heeft de stellingen van [naam eiseres] op dit punt betwist en aangevoerd dat een totaalprijs van € 14.541,30 een redelijke en gangbare prijs is voor drie balkons die aansloot bij eerdere offertes die [naam gedaagde] had ontvangen: één van een aannemer en één van [naam 2] . In tegenstelling tot de onderbouwing die [naam eiseres] voor haar stellingen heeft gegeven, heeft [naam gedaagde] dit verweer niet met offertes of schriftelijke verklaringen onderbouwd. Onduidelijk is wie de aannemer is die de door hem bedoelde offertes zou hebben gedaan en of die offertes daadwerkelijk betrekking hebben op een totale aanneemsom voor drie balkons. Ook blijkt uit niets dat de architect van [naam gedaagde] hem heeft gemeld dat het bedrag van om en nabij € 14.500,- voor drie balkons de te verwachten prijs zou zijn. [naam gedaagde] heeft zijn verweer op dit punt onvoldoende onderbouwd en de rechtbank gaat daarom daaraan voorbij.

4.7.

[naam gedaagde] heeft nog aangevoerd dat hij door [naam eiseres] niet is gewezen op een mogelijk schaalvoordeel (besparing van kosten) indien hij voor drie balkons in plaats van één balkon opdracht zou geven. Het is juist dat hierover in het begrotingsrapport van 30 november 2017 niets is opgenomen. De rechtbank is echter van oordeel dat dit voor [naam gedaagde] een reden te meer was om zich de vraag te stellen (en te betwijfelen) of [naam eiseres] in het begrotingsrapport wel een offerte voor drie balkons had uitgebracht. In reactie op het begrotingsrapport heeft [naam gedaagde] diezelfde dag alleen opmerkingen geplaatst over de levertijd.

4.8.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [naam gedaagde] had moeten twijfelen aan de juistheid van de veronderstelling, indien [naam gedaagde] die al gehad heeft, dat het begrotingsrapport van 30 november 2017 een offerte inhield voor drie balkons,

4.9.

Ten slotte wordt nog het volgende overwogen. [naam eiseres] heeft op 7 december 2017 een begrotingsrapport met daarin een totale aanneemsom van € 40.046,16 aan [naam gedaagde] toegezonden. [naam gedaagde] heeft op deze prijsopgave in het geheel niet meer gereageerd. Voor zover de bijlage in het e-mailbericht van 7 december 2017 hem zou zijn ontgaan, komt dat voor rekening en risico van [naam gedaagde] . In het handelsverkeer mogen partijen ervan uitgaan dat men kennis neemt van de berichten van de ander. Dit gaat zeker op in het geval op basis van die berichten een overeenkomst wordt uitgevoerd. In dit geval mocht [naam eiseres] naar het oordeel van de rechtbank erop vertrouwen dat [naam gedaagde] kennis had genomen van het bedrag dat in het begrotingsrapport van 7 december 2017 voor de plaatsing van drie balkons was genoemd en dat zij het werk voor dat bedrag zou kunnen uitvoeren.

4.10.

Het vorenstaande in samenhang bezien is de vordering tot betaling van de restant hoofdsom van € 25.504,86 toewijsbaar. Het verstekvonnis zal op dat punt worden bekrachtigd.

4.11.

[naam eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.030,05. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam eiseres] voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. De gevorderde wettelijke rente van artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.030,05 is toewijsbaar, nu daartegen geen verweer is gevoerd. Het verstekvonnis zal ook op dit punt worden bekrachtigd.

4.12.

[naam eiseres] vordert wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over de hoofdsom van € 25.504,86 vanaf 13 april 2018 en wettelijke rente van artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke kosten van € 1.030,05 vanaf de dag van de dagvaarding, telkens tot de dag van algehele voldoening.

4.13.

[naam gedaagde] heeft de vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom betwist. Volgens [naam gedaagde] ontbreekt de grondslag voor een veroordeling van hem tot vergoeding van de wettelijke handelsrente, omdat [naam gedaagde] een natuurlijk persoon is ten aanzien van wie geen aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van de wettelijke handelsrente.

4.14.

De rechtbank stelt [naam gedaagde] op dit punt in het gelijk. De wettelijke handelsrente is alleen verschuldigd als een overeenkomst tot stand is gekomen tussen één of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen. [naam gedaagde] heeft als natuurlijk persoon weliswaar onroerend goed gekocht als zijnde een beleggingsobject, maar niet is gebleken dat hij daarbij heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

4.15.

De rechtbank is, mede gelet hierop, van oordeel dat [naam gedaagde] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW verschuldigd is over € 25.504,86 vanaf 13 april 2018 tot de dag van algehele voldoening. Nu in het verstekvonnis de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW is toegewezen, moet het verstekvonnis in zoverre worden vernietigd.

4.16.

Uit het voorgaande blijkt dat [naam gedaagde] in overwegende mate in het ongelijk is gesteld. [naam gedaagde] zal daarom als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verzetprocedure worden veroordeeld. De door [naam gedaagde] te vergoeden kosten aan de zijde van [naam eiseres] worden begroot op € 2.163,00 aan salaris advocaat (3 punten × tarief à € 721,-).

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

bekrachtigt het door deze rechtbank op 16 oktober 2019 onder zaaknummer / rolnummer 581759 / HA ZA 19-832 tussen partijen gewezen verstekvonnis, voor zover [naam gedaagde] daarin uitvoerbaar bij voorraad is veroordeeld:

- om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam eiseres] te betalen het bedrag van

€ 26.534,91, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over

€ 1.030,05 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,

- in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiseres] tot aan het verstekvonnis begroot op

€ 2.075,52 aan verschotten en € 695,00 aan salaris voor de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na betekening van het verstekvonnis tot de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure, tot aan dit vonnis aan de zijde van [naam eiseres] begroot op € 2.163,00 aan salaris advocaat;

5.3.

vernietigt het door deze rechtbank op 16 oktober 2019 onder zaaknummer / rolnummer 581759 / HA ZA 19-832 tussen partijen gewezen verstekvonnis voor zover [naam gedaagde] is veroordeeld tot betaling aan [naam eiseres] van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:199a BW over € 25.504,86 vanaf 13 april 2018 tot de dag van algehele voldoening;

en, in zoverre, opnieuw rechtdoende:

5.4.

veroordeelt [naam gedaagde] om aan [naam eiseres] te betalen de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 25.504,86 vanaf 13 april 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Wolterink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2021. [3070/3152]