Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7933

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
10-102774-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 7 maanden voor het bezit van ongeveer 1 kilo cocaïne, een halve kilo heroïne en een kilo versnijdingsmiddelen die na overdracht door de verdachte zijn verstopt in een verborgen ruimte van een auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-102774-21

Datum uitspraak: 4 augustus 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. E.P.N. Pieterse, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 juli 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Verschuren heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde omdat de verdachte niet wist of had moeten vermoeden dat hij harddrugs en versnijdingsmiddelen zou gaan vervoeren.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank volgt de verdediging niet en komt tot een veroordeling van hetgeen onder 1 en 2 aan de verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de politie is melding gedaan van verdachte transacties in de maanden februari, maart en april 2021. Bij die transacties was steeds een Renault Clio betrokken. Het kenteken van die Renault Clio is in het Automatic Number Plate Recognition (ANPR) systeem gezet. Na een hit in dat systeem met betrekking tot het kenteken van die Renault Clio op 13 april 2021, is de politie onderzoek gaan doen en gaan observeren.

Tijdens die observatie op 13 april 2021 is gezien dat de verdachte een personenauto van het merk Mercedes met een Frans kenteken parkeerde in Rotterdam, een aantal minuten bezig is geweest in de kofferbak en vervolgens op een bankje in de buurt van de geparkeerde auto is gaan zitten. Toen medeverdachte [naam medeverdachte] voorbij dat bankje liep met een rode plastic tas is de verdachte [naam medeverdachte] naar een ander bankje gevolgd. Daar kreeg hij de rode tas overgedragen van [naam medeverdachte] . Gezien is dat de verdachte vluchtig in het tasje keek en naar [naam medeverdachte] knikte. Daarna stond de verdachte op en is hij teruggelopen naar de Mercedes. Bij de Mercedes is hij ongeveer drie minuten bezig geweest in de kofferbak. Vervolgens heeft hij de lege rode plastic tas weggegooid en is hij weggereden.

Tijdens een doorzoeking van de auto heeft de politie in de kofferbak een professioneel ingebouwde verborgen ruimte aangetroffen met daarin vijf pakketten. De inhoud van die pakketten is getest als ongeveer anderhalve kilo harddrugs en een kilo versnijdingsmiddel.

Gelet op de waarnemingen die zijn gedaan, wist de verdachte naar het oordeel van de rechtbank dat het om harddrugs ging. Nadat hij vluchtig in de tas had gekeken toen hij die in ontvangst had genomen, knikte hij naar [naam medeverdachte] . Vervolgens is hij naar de auto gelopen en heeft hij de compacte pakketten in de verborgen ruimte van de auto verborgen. Toen de politie die pakketten aantrof was één van die pakketten deels open en kwam er wit poeder uit het pakket. De verklaring van de verdachte dat hij een transport zou doen, maar niet wist wat hij zou vervoeren en dat hij dacht dat het om softdrugs zou kunnen gaan is gelet op de uiterlijke verschijningsvorm zoals hiervoor omschreven niet aannemelijk geworden. Bij dat oordeel heeft de rechtbank mede betrokken dat de verdachte niet heeft willen verklaren over hoe hij de auto tot zijn beschikking heeft gekregen, voor wie hij het transport zou doen en waar hij precies naartoe moest.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij, op 13 april 2021 te Rotterdam, opzettelijk heeft vervoerd, en opzettelijk aanwezig heeft gehad, 992,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 498,4 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 13 april 2021 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, (telkens) zijnde heroïne en/of cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

te bevorderen (onder andere)

- 501,7 gram van een stof bevattende

inositol en

- 492,2 gram van een stof bevattende

fenacetine voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

de eendaadse samenloop van:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

2.

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft ongeveer een kilo cocaïne, een halve kilo heroïne en een kilo versnijdingsmiddelen in ontvangst genomen en dat daarna in de verborgen ruimte van een auto verstopt. Daarna is hij met die auto gaan rijden.

De nadelige gevolgen van de handel in en het gebruik van verdovende middelen zijn alom in de samenleving merkbaar. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze situatie.

De verdachte heeft kennelijk geen boodschap gehad aan de geschetste gevolgen, maar is er alleen op uit geweest om er financieel beter van te worden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 juni 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 5 juli 2021. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Uit ons onderzoek komen geen maatschappelijke problemen naar voren. De verdachte woont in Albanië met zijn moeder voor wie hij de (medische) zorg heeft en hij zou twee banen hebben. Hij is naar Nederland gekomen om meer inkomen te genereren maar werd al snel na zijn aankomst aangehouden inzake de huidige tenlastelegging. Wij zien geen aanwijzingen voor grote financiële problemen maar kunnen niet uitsluiten dat een financieel motief meegespeeld heeft indien hij wordt veroordeeld.
De verdachte is voornemens om na zijn vrijlating terug te keren naar Albanië en daar zijn leven op te pakken. Hierdoor zijn interventies gericht op het opbouwen en onderhouden van een delictvrij leven in Nederland niet aan de orde. Daarnaast achten wij hem voldoende in staat om zelfstandig een delictvrij leven te onderhouden. Wij adviseren om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

De risico’s op recidive, letselschade en onttrekking aan de voorwaarden worden als laag ingeschat.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

8. In beslag genomen voorwerpen

Aan dit vonnis is als bijlage een lijst gehecht van de in beslag genomen voorwerpen, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen auto verbeurd te verklaren.

8.2.

Beoordeling

De in beslag genomen auto zal worden onttrokken aan het verkeer omdat de feiten met behulp van het voertuig zijn begaan. De rechtbank acht als feit van algemene bekendheid dat een voertuig met een geprepareerde verborgen ruimte voor niets anders bestemd kan zijn dan het plegen van ernstige strafbare feiten dan wel de opsporing van dergelijke feiten te belemmeren. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijk voertuig is in strijd is met de wet en algemeen belang.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10 .Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer de personenauto van het merk Mercedes die op de aan dit vonnis gehechte lijst is genummerd 1.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Ch. Vogtschmidt, voorzitter,

en mrs. D. van Dooren en N.M. Ketelaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij, op of omstreeks 13 april 2021 te Rotterdam, opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig en/of voorhanden heeft gehad, ongeveer 992,2 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 498,4 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 13 april 2021 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheid heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, (telkens) zijnde heroïne en/of cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1

voor te bereiden en/of te bevorderen (onder andere)

- een hoeveelheid 501,7 gram inositol, althans een hoeveelheid van een stof bevattende

inositol en/of

- een hoeveelheid 492,2 gram fenacetine, althans een hoeveelheid van een stof bevattende

fenacetine en/of

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).