Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7869

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
20-08-2021
Zaaknummer
C/10/616075 / KG ZA 21-249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Kort geding – Verzet. De kern van het geschil tussen partijen is gelegen in de vraag wie de rechthebbende is van de intellectuele eigendomsrechten op de door gedaagde in het verzet ontwikkelde software. Met betrekking tot de samenwerking tussen partijen en ter zake van de intellectuele eigendomsrechten op ontwikkelde en te ontwikkelen software en de reikwijdte van de in verband daarmee verleende/te verlenen licenties zijn geen eenduidig vastgelegde afspraken voorhanden. Wat de juridische situatie is met betrekking tot het eigendom van het intellectueel eigendomsrechten op de huidige versie van de software is gelet op het voorgaande onduidelijk. Op voorhand kan evenwel niet worden uitgesloten dat er sprake is van een gezamenlijk auteursrecht. De onderhavige zaak leent onderhavige zich bij uitstek tot het treffen van een ordemaatregel. Eiser in verzet moet daarom binnen 24 uur de blokkade van (de medewerkers van) gedaagde in verzet tot de voor de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten vereiste (computer)systemen opheffen en opgeheven te houden totdat het onderzoek van de Ondernemingskamer is afgerond, of tot dat een gerechtelijk bodemvonnis is gewezen en in kracht van gewijsde is gegaan. De voorzieningenrechter verbindt hieraan de voorwaarde dat gedaagde in verzet in ruil hiervoor vanaf heden een vergoeding van 20% van de inkomsten uit de verkoop van de software aan eiser in verzet dient af te dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/616075 / KG ZA 21-249

Vonnis in verzet in kort geding van 31 mei 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DMARCIAN EUROPE B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaten mrs. V. van Druenen, A.P. Meijboom en M.R.S. Bacon te Amsterdam,

tegen

1. rechtspersoon naar vreemd recht

[bedrijf A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats A] ( [staat A] , [land A] ),

gedaagde,

eiseres in het verzet,

advocaat mr. T.S. Jansen te Amsterdam,

1. [persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ( [staat A] , [land A] ),

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaten mrs. F. Henke en P.A. Josephus Jitta te Amsterdam,

Partijen worden hierna dmarcian Europe, [bedrijf A] en [persoon A] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaarding van 29 januari 2021, met producties;

  • -

    het tussen partijen onder zaak- en rolnummer C/10/612223 / KG ZA 21-63 gewezen verstekvonnis in kort geding van 1 februari 2021 en verbeterd bij herstelvonnis van 2 februari 2021 (hierna: het verstekvonnis);

  • -

    de verzetdagvaarding van [bedrijf A] van 6 april 2021, met producties;

  • -

    de verzetdagvaarding van [persoon A] van 6 april 2021, met producties;

  • -

    de brief van mr. Josephus Jitta van 6 mei 2021, met aanvullende producties;

  • -

    de akte overlegging producties van [bedrijf A] van 6 mei 2021;

  • -

    de akte eiswijziging van dmarcian Europe van 7 mei 2021;

  • -

    de akte indienen aanvullende producties van dmarcian Europe van 7 mei 2021;

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties van [bedrijf A] van 7 mei 2021;

  • -

    de aanvullende productie van dmarcian Europe;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 10 mei 2021;

  • -

    de pleitnota van dmarcian Europe;

  • -

    de pleitnota van [bedrijf A] ;

  • -

    de pleitnota van [persoon A] .

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

dmarcian Europe is een op 21 maart 2013 opgerichte vennootschap, oorspronkelijk met de naam Mailmerk B.V. The Digital Xpedition Holding B.V. (hierna: TDX) was tot juli 2018 enig aandeelhouder en bestuurder van dmarcian Europe.

2.2.

[bedrijf A] is een op 19 september 2014 opgerichte Amerikaanse vennootschap waarvan [persoon A] tot voor kort enig aandeelhouder was.

2.3.

Beide vennootschappen drijven een onderneming die zich bezighoudt met het leveren van producten en diensten op het gebied van identiteitsbeveiliging van

e-mailadressen. dmarcian Europe maakt daarbij gebruik van software die afkomstig is van [bedrijf A] Tevens doet dmarcian Europe aan product- en softwareontwikkeling, onder meer via dmarcian Bulgaria EOOD (hierna: dmarcian Bulgaria), een Bulgaarse vennootschap waarin dmarcian Europe alle aandelen houdt.

2.4.

dmarcian Europe en [bedrijf A] hebben in januari 2016 een mondelinge overeenkomst gesloten met betrekking tot het gebruik en de distributie van de Dmarcian Software (hierna: de software). Op grond van deze overeenkomst ontving dmarcian Europe een licentie voor het distribueren en licentieren van de software in Europa, Rusland en Afrika. In ruil daarvoor ontving [bedrijf A] dan wel haar toenmalig enig aandeelhouder [persoon A] , een optierecht op een meerderheidsbelang in dmarcian Europe.

2.5.

In de praktijk wordt de software aangeboden als SaaS (Software as a Service) dienst dat toegankelijk is via de website dmarcian.com waar [bedrijf A] en dmarcian Europe gezamenlijk gebruik van maken. Potentiële klanten worden via deze site doorgeleid naar dmarcian Europe indien de klant uit Europa, Rusland of Afrika komt. Andere klanten worden doorgeleid naar [bedrijf A]

2.6.

In juli 2018 heeft [persoon A] zijn optierecht uitgeoefend en daardoor 50,01% van de aandelen in dmarcian Europe verkregen.

2.7.

dmarcian Europe heeft in 2019, mede door inspanningen van dmarcian Bulgaria, de software aangepast en uitgebreid. Sinds november 2019 is alleen nog deze versie van de software te verkrijgen.

2.8.

In verband met een aandeelhoudersvergadering van dmarcian Europe in 2019 heeft TDX aan [persoon A] de bij die gelegenheid te bespreken onderwerpen gezonden, waaronder het voorstel om te spreken over een auteursrechtlicentie voor [bedrijf A] voor de nieuwste versie van de software. [persoon A] heeft in dit verband voorgesteld dat dmarcian Europe haar deel van het gemeenschappelijk auteursrecht op de software aan [bedrijf A] zou overdragen. Aangezien TDX dit weigerde heeft [bedrijf A] op 6 december 2019 de toegang voor dmarcian Europe tot de gemeenschappelijke systemen geblokkeerd. Deze zogenaamde ‘black-out’ is na 48 uur weer opgeheven.

2.9.

[persoon A] heeft bij e-mail van 3 juli 2020 verzocht een aandeelhoudersvergadering van dmarcian Europe bijeen te roepen, met op de agenda het voorstel TDX als bestuurder te ontslaan en een andere door [persoon A] aan te wijzen vennootschap als bestuurder te benoemen.

2.10.

De aandeelhoudersvergadering van dmarcian Europe stond gepland op 13 augustus 2020. Naar aanleiding van het voorgaande is TDX tegen dmarcian Europe een enquête-procedure gestart bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. In verband hiermee is de aandeelhoudersvergadering verplaatst. [persoon A] heeft zich als belanghebbende in deze procedure gevoegd.

2.11.

In de daarop volgende beschikking van de Ondernemingskamer van 7 september 2020 is onder meer het volgende overwogen:

“(…)

2.5

TDX en [persoon A] twisten over de afspraken die in 2016 aan de samenwerking tussen dmarcian Europe en dmarcian, Inc./ [persoon A] ten grondslag zijn gelegd. Volgens TDX hebben dmarcian Europe, dmarcian, Inc., TDX en [persoon A] op 22 januari 2016 een mondelinge overeenkomst gesloten waarop hun samenwerking is gebaseerd. Volgens [persoon A] hebben partijen de in december 2016 gevoerde e-mailcorrespondentie tussen hem en [persoon B] over het formaliseren van hun samenwerking, waarbij [persoon A] documenten ter ondertekening heeft toegestuurd (die niet zijn ondertekend), altijd beschouwd als de basis van hun samenwerking. In ieder geval staat tussen partijen vast dat zij in 2016 ten minste zijn overeengekomen:

  • -

    dat dmarcian Europe een licentie heeft voor het gebruik en de verkoop van software afkomstig van dmarcian, Inc.;

  • -

    dat dmarcian Europe verantwoordelijk is voor de verkoop van die software (en het leveren van bijbehorende diensten) aan klanten in Europa, Rusland en Afrika;

  • -

    dat dmarcian, Inc. en/of [persoon A] in ruil daarvoor het meerderheidsaandelenbelang in dmarcian Europe heeft kunnen kopen tegen betaling van € 1.

(…)

3.4

De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De controverse over de intellectuele eigendomsrechten op de door dmarcian Europe (en dmarcian Bulgaria) ontwikkelde software(applicaties) vormt de kern van het geschil tussen partijen. TDX stelt dat deze software(applicaties) los staat/staan van de door [bedrijf A] ontwikkelde software, zodanig dat de intellectuele eigendom daarvan aan dmarcian Europe toekomt. Aan het mogen gebruiken en verkopen van deze software(applicaties) door [bedrijf A] dient een door dmarcian Europe te verlenen licentie ten grondslag te liggen, aldus TDX. Daartegenover stelt [persoon A] dat de door dmarcian Europe (en dmarcian Bulgaria) ontwikkelde software niet meer omvat dan aanvullende features voor verbeterd gebruik van de van [bedrijf A] afkomstige software, zodat de intellectuele eigendom daarvan eveneens bij [bedrijf A] berust. De Ondernemingskamer stelt voorop dat voor de juridische beoordeling van dat geschil slechts de gewone burgerlijke rechter bevoegd is. Wel kan de Ondernemingskamer constateren dat dit geschil ontwrichtend is voor de onderneming van dmarcian Europe; het ontwikkelen en verkopen van software is haar core business en de samenwerking met [bedrijf A] is daarvoor een noodzakelijke voorwaarde. Desondanks is deze samenwerking noch in het algemeen, noch ter zake van de intellectuele eigendomsrechten op ontwikkelde en te ontwikkelen software(applicaties) en (de reikwijdte van) de in verband daarmee verleende/te verlenen licenties in het bijzonder, door partijen voldoende geregeld. Hierover zijn geen eenduidig vastgelegde afspraken voorhanden, met als gevolg dat de samenwerking op het spel is komen te staan door de huidige discussie daarover, hetgeen een serieuze belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van dmarcian Europe. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer levert het bestaan van voornoemde situatie voldoende gegronde redenen op om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van dmarcian Europe. De Ondernemingskamer zal, gelijk door zowel TDX als [persoon A] is verzocht, een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van dmarcian Europe, en wel vanaf 1 januari 2016 tot 20 augustus 2020.

3.5

Met partijen acht de Ondernemingskamer het met het oog op de toestand van dmarcian Europe noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening een derde tot bestuurder van dmarcian Europe met doorslaggevende stem te benoemen, die zelfstandig bevoegd is dmarcian Europe te vertegenwoordigen. Deze bestuurder mag het mede tot zijn taak rekenen te proberen duidelijkheid te verkrijgen over de vraag waar de intellectuele eigendom op de door dmarcian Europe (en dmarcian Burgaria) ontwikkelde software(applicaties) berust, althans daarover met [bedrijf A] voldoende duidelijke afspraken te maken en deze vast te leggen. De Ondernemingskamer ziet tevens aanleiding om de aandelen in dmarcian Europe – met uitzondering van één aandeel van ieder van de aandeelhouders – ten titel van beheer aan een door haar te benoemen beheerder over te dragen.

(…)

3.9

De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog aanhouden opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder der partijen of de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder dan wel beheerder kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.(…)”

2.12.

Bij beschikking van 10 september 2020 heeft de Ondernemingskamer [persoon C] (hierna: [persoon C] ) aangewezen als bestuurder van dmarcian Europe en [persoon D] (hierna: [persoon D] ) als beheerder van de aandelen.

2.13.

Op 14 september 2020 heeft [bedrijf A] de toegang van dmarcian Europe tot haar systemen opnieuw geblokkeerd. Uiteindelijk is na enkele dagen de toegang tot de meest essentiële systemen hersteld.

2.14.

Bij brief van 22 januari 2021 heeft [bedrijf A] aan dmarcian Europe bericht dat zij de samenwerking met dmarcian Europe per 1 februari 2021 wenst te beëindigen en dat zij dmarcian Europe vanaf die datum geen toegang meer verschaft tot haar systemen tenzij dmarcian Europe haar auteursrecht op de nieuwe software aan [bedrijf A] overdraagt in ruil voor een licentie op grond waarvan zij 80% van haar inkomsten uit de verkoop van de software aan [bedrijf A] afstaat.

2.15.

Op 22 januari 2021 heeft [bedrijf A] de toegang van dmarcian Europe tot haar systemen opnieuw geblokkeerd. Als gevolg hiervan heeft dmarcian Europe geen toegang meer tot de gegevens van het overgrote deel van haar klanten en kan zij vragen van klanten om verlenging of vernieuwing van de licentie niet beantwoorden.

2.16.

In aanvulling op de brief van [bedrijf A] van 22 januari 2021 heeft [persoon A] bij een brief die enkele minuten daarna per e-mail werd verzonden aan dmarcian Europe een beroep gedaan op artikel 4 van de ‘exit agreement’, die [persoon A] en TDX in 2018 ter gelegenheid van de verwerving door [persoon A] van het meerderheidsbelang in dmarcian Europe hebben gesloten. Op grond van deze bepaling heeft iedere aandeelhouder het recht om de samenwerking tussen de aandeelhouders te beëindigen door een bod uit te brengen op de aandelen van de andere aandeelhouder. Indien de andere aandeelhouder dat bod niet accepteert, zou die aandeelhouder de verplichting hebben de eerste aandeelhouder uit te kopen. Het aanbod aan TDX is door [persoon A] gedaan onder de ontbindende voorwaarde dat dmarcian Europe akkoord gaat met de eisen van [bedrijf A] zoals gesteld in de brief van 22 januari 2021.

2.17.

Op 27 januari 2021 heeft [persoon C] de Ondernemingskamer verzocht een onderzoeker aan te stellen teneinde het onderzoek naar het bij dmarcian Europe tussen

1 januari 2016 tot 20 augustus 2020 gevoerde beleid te starten. De Ondernemingskamer heeft bericht op zoek te gaan naar een aan te wijzen onderzoeker.

2.18.

In verband met genoemde blokkade heeft dmarcian Europe [bedrijf A] en [persoon A] bij dagvaarding van 29 januari 2021 gedagvaard om op 1 februari 2021 te verschijnen voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die dag – buiten aanwezigheid van [bedrijf A] en [persoon A] – behandeld en diezelfde dag heeft de voorzieningenrechter bij verstek vonnis gewezen. Hierbij heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel gelast en [bedrijf A] geboden gedurende het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek de tussen partijen bestaande overeenkomst na te komen en verboden de overeenkomst gedurende die periode op te zeggen. Voorts is [bedrijf A] gehouden om de blokkade van (de medewerkers van) dmarcian Europe tot het Saas-platform op te heffen en is [persoon A] veroordeeld zich te onthouden van iedere handeling die de bedrijfsvoering van dmarcian Europe belemmert.

2.19.

dmarcian Europe heeft het verstekvonnis op 1 februari 2021 aan [persoon A] en [bedrijf A] doen betekenen.

2.20.

Op 9 februari 2021 is [persoon A] teruggetreden als CEO en bestuurder van [bedrijf A] Op dit moment is [persoon E] , echtgenote van [persoon A] , CEO en bestuurder van [bedrijf A]

2.21.

Na het wijzen van het vonnis van 1 februari 2021 heeft dmarcian Europe nog steeds geen toegang tot de software. Daarnaast zijn klanten van dmarcian Europe door [bedrijf A] benaderd om hun account over te brengen naar [bedrijf A] zodat zij weer toegang konden krijgen tot het systeem en de software.

2.22.

[persoon C] heeft [bedrijf A] meerdere malen dringend verzocht een einde te maken aan de situatie. Aan deze sommaties is niet door [bedrijf A] voldaan. dmarcian Europe heeft daarop de bestanden (inclusief de gezamenlijk ontwikkelde software) die nodig zijn voor dmarcian Europe om haar bedrijf te blijven voeren op een aparte instance geplaatst zodat zij niet meer van het systeem kan worden afgesloten door [bedrijf A]

2.23.

Bij vonnis van 23 april 2021 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft de voorzieningenrechter twee werknemers van [bedrijf A] onder andere geboden:

“om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk aan DME (…) onder gelijktijdige overlegging van relevante kopieën van correspondentie, offertes, facturen en licentieovereenkomsten, opgave te doen van de namen, adressen en contactgegevens van alle natuurlijke personen of rechtspersonen uit Europa, Afrika en Rusland met wie zij vanaf 22 januari 2021 contact hebben of hebben gehad ter zake van gebruik van Dmarcian software, waaronder de aanschaf, verlenging en vernieuwing van bedoelde software;”

2.24.

Op 23 april 2021 is de toegang tot de systemen aan de twee werknemers door [bedrijf A] ontzegd.

2.25.

Het onderzoek door de Ondernemingskamer is thans nog niet afgerond.

3. Het geschil

De oorspronkelijke vordering

3.1.

Bij inleidende dagvaarding van 29 januari 2021 vordert dmarcian Europe de voorzieningenrechter om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Ten aanzien van [bedrijf A] :

1. (a) primair: [bedrijf A] te gebieden de tussen partijen bestaande overeenkomst onverkort na te komen, totdat deze rechtsgeldig is beëindigd;

( b) subsidiair: bij wijze van ordemaatregel (i) [bedrijf A] te gebieden de status quo voor de duur van het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek te handhaven en de tussen partijen bestaande overeenkomst gedurende die periode onverkort na te komen en (ii) [bedrijf A] te verbieden gedurende die periode de tussen partijen bestaande overeenkomst te beëindigen;

2. [bedrijf A] te gebieden de blokkade van (de medewerkers van) dmarcian Europe tot het SaaS-platform en de voor de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten vereiste (computer)systemen met onmiddellijke ingang op te heffen en opgeheven te houden totdat de tussen partijen bestaande overeenkomst rechtsgeldig is beëindigd;

3. [bedrijf A] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 50.000,00 per dag dat zij niet, of niet volledig voldoet aan het onder 1 en 2 gevorderde.

Ten aanzien van [persoon A] :

4. [persoon A] te veroordelen zich te onthouden van iedere handeling, zelf of via een door hem bestuurde onderneming waaronder expliciet begrepen [bedrijf A] , die de bedrijfsvoering van dmarcian Europe belemmert, totdat dan wel als gevolg van het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek, dan wel als gevolg van een gerechtelijk bodemvonnis, duidelijkheid ontstaat over de inhoud en reikwijdte van de aan dmarcian Europe verstrekte licentieovereenkomst en de eigendom van het auteursrecht op de software;

5. [persoon A] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 50.000,00 per dag dat hij niet, of niet volledig voldoet aan het onder 4 gevorderde;

Ten aanzien van [bedrijf A] en [persoon A] :

6. [bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, alle kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

dmarcian Europe heeft het volgende aan haar vorderingen ten grondslag gelegd. De tussen de partijen bestaande overeenkomst kwalificeert als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd die in beginsel niet tussentijds kon worden opgezegd. Voor zover de overeenkomst wel opzegbaar zou zijn geldt dat deze in het licht van de eisen van redelijkheid en billijkheid en de omstandigheden van het geval niet, althans niet zonder dringende reden, opgezegd kon worden. Deze dringende reden ontbreekt. Daarnaast is van belang dat de bedrijfsvoering van partijen sterk is verweven en de exploitatie van de software de core business van dmarcian Europe vormt. Het voortbestaan van dmarcian Europe is daarom afhankelijk van het in stand blijven van de licentie en de distributierechten die zij in het kader van de overeenkomst heeft verkregen en het in stand houden van de toegang tot de systemen. Beëindiging van de overeenkomst zal tot het faillissement van dmarcian Europe leiden. dmarcian Europe heeft daarnaast aanzienlijke investeringen gedaan in de ontwikkeling van de software, welke niet zijn doorbelast aan [bedrijf A] en zij is in ieder geval mede-auteursrechthebbende op de huidige versie van de software geworden. Bovendien heeft [bedrijf A] geen enkel te respecteren belang bij (onmiddellijke) beëindiging van de overeenkomst. De enige reden om de overeenkomst te beëindigen is om op die manier alsnog de auteursrechten van de software te bemachtigen. dmarcian Europe heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat [bedrijf A] een onrechtmatige daad pleegt jegens dmarcian Europe door de overeenkomst op te zeggen omdat zij daarmee profiteert van de normschending van [persoon A] jegens dmarcian Europe. De normschending is daarin gelegen dat [persoon A] als aandeelhouder van dmarcian Europe de verplichting jegens dmarcian Europe en overige stakeholders had om de status quo te behouden gedurende het onderzoek van de Ondernemingskamer. Gezien de duidelijke samenhang in handelen tussen [persoon A] en [bedrijf A] heeft dmarcian Europe er belang bij dat ook [persoon A] wordt verboden verdere (onrechtmatige) handelingen te verrichten die erop gericht zijn haar te benadelen, ten behoeve van [bedrijf A]

3.3.

Bij verstekvonnis van 1 februari 2021 heeft de voorzienigenrechter de volgende veroordeling uitgesproken:

“De voorzieningenrechter:

3.1.

verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagden;

3.2.

gebiedt [bedrijf A] , bij wijze van ordemaatregel, gedurende het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek de tussen partijen bestaande overeenkomst na te komen en verbiedt haar gedurende die periode die overeenkomst te beëindigen;

3.3.

gebiedt [bedrijf A] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de blokkade van (de medewerkers van) dmarcian Europe tot het SaaS-platform en de voor de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten vereiste (computer)systemen op te heffen en opgeheven te houden totdat de tussen partijen bestaande overeenkomst rechtsgeldig is beëindigd;

3.4.

veroordeelt [bedrijf A] om aan dmarcian Europe een dwangsom te betalen van € 20.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in dictumonderdeel 3.2 en 3.3. gegeven hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 500.000,00 is bereikt;

3.5.

veroordeelt [persoon A] zich te onthouden van iedere handeling zelf of via een door hem bestuurde vennootschap waaronder expliciet begrepen [bedrijf A] , die de bedrijfsvoering van dmarcian Europe belemmert, totdat dan wel als gevolg van het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek, dan wel als gevolg van een gerechtelijk bodemvonnis, duidelijkheid ontstaat over de inhoud en reikwijdte van de aan dmarcian Europe verstrekte licentieovereenkomst en de eigendom van de IE- rechten op de dmarcian software;

3.6.

veroordeelt [persoon A] om aan dmarcian Europe een dwangsom te betalen van € 20.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in dictumonderdeel 3.4 gegeven hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 500.000,00 is bereikt;

3.7.

veroordeelt [bedrijf A] en [persoon A] , hoofdelijk, in de proceskosten, aan de zijde van dmarcian Europe tot op heden begroot op € 1.408,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.8.

veroordeelt [bedrijf A] en [persoon A] , hoofdelijk, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [bedrijf A] en [persoon A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

3.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.”

3.4.

Bij akte van eiswijziging heeft dmarcian Europe gesteld dat [bedrijf A] en [persoon A] het verstekvonnis niet nakomen en dat de bedrijvigheid van dmarcian Europe is stil gevallen omdat klanten en personeel van dmarcian Europe geen toegang meer hadden tot de gegevens die nodig zijn om de gebruikelijke diensten te verlenen. Door het schenden van het vonnis hebben [bedrijf A] en [persoon A] ieder het maximale bedrag van € 500.000,00 aan dwangsommen verbeurd. In dit licht heeft dmarcian Europe er belang bij dat, náást bekrachtiging van het vonnis enkele nieuwe veroordelingen worden uitgesproken. Om die reden vordert dmarcian Europe – na wijziging van eis – de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Ten aanzien van [bedrijf A] :

  1. het vonnis van 1 februari 2021 te bekrachtigen;

  2. [bedrijf A] te gebieden binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk aan de advocaat van dmarcian Europe onder gelijktijdige overlegging van relevante kopieën van correspondentie, offertes, facturen en licentieovereenkomsten, opgave te doen van de namen, adressen en contactgegevens van alle natuurlijke personen of rechtspersonen uit Europa, Afrika en Rusland met wie vertegenwoordigers van [bedrijf A] , inclusief maar niet beperkt tot [persoon F] en [persoon G] , vanaf 22 januari 2021 contact hebben of hebben gehad ter zake van gebruik van de software, waaronder de aanschaf, verlenging en vernieuwing van bedoelde software, op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per dag dat zij niet, of niet volledig voldoet aan deze veroordeling;

  3. [bedrijf A] te veroordelen om aan dmarcian Europe een dwangsom te betalen van € 20.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan dictumonderdeel 3.2 en 3.3. van het vonnis van 1 februari 2021 voldoet;

  4. [bedrijf A] te veroordelen om aan dmarcian Europe een bedrag te betalen van € 500.000,00 voor de door haar op grond van het vonnis van 1 februari 2021 tot op heden verbeurde dwangsommen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van [persoon A] :

5. het vonnis van 1 februari 2021 te bekrachtigen;

6. [persoon A] te veroordelen om aan dmarcian Europe een dwangsom te betalen van € 20.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in dictumonderdeel 3.5 van het vonnis van 1 februari 2021 voldoet;

7. [persoon A] te veroordelen om aan dmarcian Europe een bedrag te betalen van € 500.000,00 voor de door hem op grond van het vonnis van 1 februari 2021 tot op heden verbeurde dwangsommen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

8. indien en voor zover de vordering onder 7 niet wordt toegewezen, [persoon A] te veroordelen zich te onthouden van iedere handeling van hemzelf of via een door hem bestuurde vennootschap of een vennootschap waarover hij de feitelijke zeggenschap uitoefent, waaronder expliciet begrepen [bedrijf A] , die de bedrijfsvoering van dmarcian Europe belemmert, totdat óf als gevolg van het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek, óf als gevolg van een gerechtelijk bodemvonnis, duidelijkheid bestaat over de inhoud en de reikwijdte van de aan dmarcian Europe verstrekte licentieovereenkomst en de eigendom van de IE-rechten op de software.

Ten aanzien van [bedrijf A] en [persoon A] :

9. [bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, en de nakosten, alle kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

De vordering in verzet van [bedrijf A]

3.5.

[bedrijf A] is bij dagvaarding van 6 april 2021 in verzet gekomen tegen voormeld verstekvonnis. [bedrijf A] vordert de voorzieningenrechter om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. het verstekvonnis van 1 februari 2021 te vernietigen en te bepalen dat [bedrijf A] is ontheven van de veroordeling die bij verstek tegen haar is uitgesproken;

  2. dmarcian Europe niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, althans deze aan haar te ontzeggen;

  3. dmarcian Europe veroordeelt in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien de nakosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan.

3.6.

[bedrijf A] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om van de door dmarcian Europe ingestelde vorderingen kennis te nemen. dmarcian Europe vordert nakoming van de bestaande overeenkomst totdat in de deze overeenkomst, of de door de Ondernemingskamer gelaste enquête, is geëindigd, en zij vordert opheffing van de blokkade van dmarcian Europe tot het systeem. Nakoming van deze vorderingen moet in de Verenigde Staten worden uitgevoerd, het land waar [bedrijf A] is gevestigd en haar bedrijfsactiviteiten uitoefent. [bedrijf A] is niet actief (geweest) in Nederland en haar platform draait ook niet (op een server) in Nederland. Bij gebreke van rechtsmacht op grond van artikel 6 sub a Rv kan geen bevoegdheid voor het treffen van bewarende of voorlopige maatregelen aan artikel 13 Rv worden ontleend. Evenmin kan rechtsmacht aan artikel 7 Rv worden verleend. De voorzieningenrechter heeft daarnaast ook geen rechtsmacht over [persoon A] . De vorderingen zijn alleen ingesteld met het doel om [persoon A] als ankergedaagde te gebruiken en op de grondslag van artikel 7 Rv rechtsmacht over [bedrijf A] te scheppen. Tussen de vorderingen op [bedrijf A] en [persoon A] is onvoldoende samenhang waardoor de Nederlandse rechter onbevoegd is om van de vorderingen jegens [bedrijf A] kennis te nemen. Mocht worden geoordeeld dat de Nederlandse rechter wel rechtsmacht heeft dan dienen de vorderingen van dmarcian Europe te worden afgewezen omdat de licentieverlening door [bedrijf A] aan dmarcian Europe de rechtsverhouding tussen partijen het meest karakteriseert. Op grond van artikel 4 lid 2 van Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I) wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst verbonden is met de Verenigde Staten, het land waar [bedrijf A] , de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, haar hoofdbestuur heeft. De rechtsverhouding tussen partijen wordt dan ook beheerst door Amerikaans recht. De bevoegdheid tot beëindiging van de overeenkomst door [bedrijf A] moet daarom naar Amerikaans recht worden beoordeeld. Naar Amerikaans recht was [bedrijf A] bevoegd om de overeenkomst te beëindigen gelet op de wanprestatie van dmarcian Europe omtrent het onterecht doorontwikkelen van de software en op die manier het op oneigenlijke en onrechtmatige wijze toe-eigenen van het bedrijfsdebiet van [bedrijf A] Nu [bedrijf A] tot beëindiging van de samenwerking bevoegd was bestaat er geen rechtsgrond voor de door dmarcian Europe gepretendeerde vorderingen op [bedrijf A] en moeten de gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

De vordering in verzet van [persoon A]

3.7.

[persoon A] is bij dagvaarding van 6 april 2021 eveneens in verzet gekomen tegen voormeld verstekvonnis. [persoon A] vordert de voorzieningenrechter om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Het ingestelde verzet gegrond te verklaren en het verstekvonnis te vernietigen;

  2. dmarcian Europe niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar deze vorderingen te ontzeggen;

  3. [persoon A] te ontheffen van de bij het verstekvonnis tegen hem uitgesproken kostenveroordeling;

  4. dmarcian Europe te veroordelen in de kosten van beide instanties te vermeerderen met de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien de nakosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan.

3.8.

[persoon A] legt het aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij slechts is gedagvaard om jurisdictie ten aanzien van [bedrijf A] te creëren. [persoon A] heeft niet onrechtmatig jegens dmarcian Europe gehandeld. [persoon A] had geen bevoegdheid om namens [bedrijf A] te handelen jegens dmarcian Europe dus het verwijt van dmarcian Europe jegens [persoon A] treft geen doel. [persoon A] valt als natuurlijk persoon niet te vereenzelvigen met [bedrijf A] [persoon A] heeft ook niet gehandeld in strijd met de normen van artikel 2:8 BW. [persoon A] is immers per 23 oktober 2020 niet langer bevoegd zich namens [bedrijf A] met dmarcian Europe bezig te houden en hij is geen grootaandeelhouder met meerderheidszeggenschap meer van [bedrijf A]

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Verzet

4.1.

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [bedrijf A] en [persoon A] in zoverre in hun verzet kunnen worden ontvangen.

De bevoegdheid

4.2.

Nu [bedrijf A] en [persoon A] gevestigd, respectievelijk woonachtig, zijn in de Verenigde Staten, dient de voorzieningenrechter (ambtshalve) te toetsen of haar rechtsmacht toekomt om het geschil te behandelen.

4.3.

Ten aanzien van [persoon A] geldt dat de vorderingen van dmarcian Europe zijn gebaseerd op verbintenissen uit onrechtmatige daad. In het geval van verbintenissen uit onrechtmatige daad is de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 sub e Rv bevoegd indien het ‘schadebrengende feit’ zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Onder het schadebrengende feit wordt zowel de plaats waar het schadebrengende feit (het Handlungsort) als de plaats waar de schade zich heeft voorgedaan (het Erfolgsort) verstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat het schadebrengende feit (het Erfolgsort) in Nederland gelegen is. Met betrekking tot de vorderingen tegen [persoon A] is de voorzieningenrechter daarom bevoegd op grond van artikel 6 sub e Rv.

4.4.

dmarcian Europe is gevestigd in de Verenigde Staten. Nu de verbintenis die aan de vorderingen van dmarcian Europe ten grondslag ligt, namelijk het verschaffen van toegang tot de systemen, niet in Nederland maar in de Verenigde Staten moeten worden uitgevoerd komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe op grond van artikel 6 sub a Rv. In beginsel dient [bedrijf A] daarom gedaagd te worden voor de bevoegde rechter in het land van haar vestigingsplaats, de Verenigde Staten. Dit beginsel kan uitzondering leiden indien de samenhang van de vorderingen tegen [bedrijf A] en tegen de overige gedaagde, [persoon A] , zich ertegen verzet dat de zaken afzonderlijk behandeld worden. Nu in dit geval sprake is van een dergelijke samenhang (als bedoeld in artikel 7 Rv) is de rechtsmacht jegens [bedrijf A] eveneens gegeven.

Toepasselijk recht

4.5.

Dan wordt toegekomen aan de vraag welk recht van toepassing is. Dit dient ten aanzien van de vordering jegens [persoon A] , nu de grondslag van de vordering jegens hem een onrechtmatige daad is, beoordeeld te worden aan de hand van de Rome II verordening (Verordening (EG) nr. 864/2007), gelezen in verbinding met artikel 10:159 BW. Naar voorlopig oordeel is Nederlands recht toepasselijk ten aanzien van het gestelde onrechtmatig handelen van [persoon A] . Vermoedelijk doet de gestelde schade wegens de gestelde onrechtmatige gedragingen zich voor in Nederland en is Nederlands recht toepasselijk op grond van artikel 4 lid 1 Rome II Verordening.

4.6.

Ten aanzien van de vordering jegens [bedrijf A] moet, nu die vordering gegrond is op nakoming van de overeenkomst en partijen geen rechtskeuze zijn overeengekomen, de vraag welk recht toepasselijk is beantwoord worden aan de hand van Verordening (EG) Nr. 593/2008 (de Rome I Verordening) in verbinding met artikel 10:154 BW. De overeenkomst tussen partijen moet worden aangemerkt als een distributieovereenkomst, nu het dmarcian Europe is toegestaan om de software aan anderen te verkopen en door anderen te laten gebruiken. Op de overeenkomst is daarom het recht van toepassing van het land waar dmarcian Europe als distributeur haar gewone verblijfplaats heeft. Nu dmarcian Europe in Nederland is gevestigd is Nederlands recht toepasselijk op grond van artikel 4 lid 1 Rome I Verordening.

Het gevorderde

4.7.

In deze procedure moet worden beoordeeld of het verstekvonnis geheel of gedeeltelijk moet worden vernietigd en of [bedrijf A] gehouden is de overeenkomst met dmarcian Europe na te komen en de toegang voor dmarcian Europe tot de systemen te herstellen. Daarnaast moet worden beoordeeld of [persoon A] zich dient te onthouden van iedere handeling die de bedrijfsvoering van dmarcian Europe belemmert.

4.8.

Bij de beoordeling van een en ander dient vooropgesteld te worden dat de Ondernemingskamer bij beschikking van 7 september 2020 heeft vastgesteld dat tenminste onderdeel van de overeenkomst tussen [bedrijf A] en dmarcian Europe is dat dmarcian Europe een licentie heeft voor het gebruik en de verkoop van de software en dat zij verantwoordelijk is voor de verkoop van die software in Europa, Afrika en Rusland.

4.9.

De kern van het geschil tussen partijen is gelegen in de vraag wie de rechthebbende is van de intellectuele eigendomsrechten op de door dmarcian Europe (en dmarcian Bulgaria) ontwikkelde software. dmarcian Europe stelt dat de door haar gemaakte aanpassingen aan de software van die aard zijn dat aan haar de intellectuele eigendom daarvan toekomt en dat zij een aanzienlijk bedrag heeft geïnvesteerd. Aan het mogen gebruiken en verkopen van deze software door [bedrijf A] dient volgens dmarcian Europe dan ook een licentie ten grondslag te liggen. [bedrijf A] en [persoon A] stellen daartegenover dat de door dmarcian Europe ontwikkelde software niet meer omvat dan een aanvullende feature voor verbeterd gebruik van de software zodat het intellectueel eigendom daarvan ook bij [bedrijf A] berust.

4.10.

Met betrekking tot de samenwerking tussen partijen en ter zake van de intellectuele eigendomsrechten op ontwikkelde en te ontwikkelen software en de reikwijdte van de in verband daarmee verleende/te verlenen licenties zijn geen eenduidig vastgelegde afspraken voorhanden. [bedrijf A] heeft weliswaar erkend dat dmarcian Europe (en dmarcian Bulgaria) heeft gewerkt aan de software, maar uit de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld hoeveel dmarcian Europe heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de software, hoeveel de software daadwerkelijk is veranderd, of de software thans slechts in de gewijzigde vorm kan worden gebruikt, hoeveel dmarcian Europe exact heeft geïnvesteerd, hoeveel zij verkocht en verdiend heeft met de licentiering van de software en of er sprake is van exclusiviteit. Wat de juridische situatie is met betrekking tot het eigendom van het intellectueel eigendomsrechten op de huidige versie van de software is gelet op het voorgaande onduidelijk. Op voorhand kan evenwel niet worden uitgesloten dat er sprake is van een gezamenlijk auteursrecht. Daarnaast is niet duidelijk geworden wat de exacte positie van [persoon A] is. [persoon A] stelt dat hij op het moment van het opzeggen van de overeenkomst met dmarcian Europe formeel niet meer bevoegd was zich namens [bedrijf A] met dmarcian Europe bezig te houden, maar heeft dit niet nader onderbouwd. Ondanks dat [persoon A] thans geen CEO meer is valt gelet op alle omstandigheden niet uit te sluiten dat hij feitelijk nog de zeggenschap heeft over wat er binnen [bedrijf A] gebeurt. Al deze vragen en onduidelijkheden vergen naar het oordeel van de voorzieningenrechter meer onderzoek. Daar leent deze kort gedingprocedure zich niet voor. Bovendien is niet gebleken dat partijen voor de beantwoording van deze vragen de uitkomst van het onderzoek van de Ondernemingskamer niet kunnen afwachten. Daartoe hebben partijen geen enkele handvatten aangereikt.

4.11.

In dit kort geding is echter wel duidelijk dat er sprake is van een onhoudbare situatie die onmiddellijk ingrijpen vereist en die in het belang van beide partijen dient te worden opgelost. Om die reden, en gelet op de grote hoeveelheden onzekerheden, alsmede de op handen zijnde resultaten van het onderzoek van de Ondernemingskamer die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil tussen partijen leent onderhavige zich bij uitstek tot het treffen van een ordemaatregel. Bij het bepalen van de reikwijdte en voorwaarden daarvan wordt rekening gehouden met het volgende. dmarcian Europe heeft onbetwist gesteld dat [bedrijf A] en [persoon A] de overeenkomst met dmarcian Europe niet langer nakomen. In de praktijk brengt dit mee dat (de werknemers van) dmarcian Europe geen (volledige) toegang meer hebben tot de klantsystemen en daardoor in sterke mate worden gehinderd in de wijze waarop zij Europese, Afrikaanse en Russische klanten kunnen bedienen. Dat dmarcian Europe de bestanden (inclusief de gezamenlijk ontwikkelde software) die zij nodig heeft om haar bedrijf te blijven voeren op een aparte instance heeft geplaatst doet niets af aan het belang dat dmarcian Europe heeft bij het gevorderde. Het ontwikkelen en verkopen van software is de core business van dmarcian Europe en de samenwerking met [bedrijf A] is daarvoor een noodzakelijke voorwaarden. Daartegenover staat het belang van [bedrijf A] om voor de toegang tot de systemen een redelijke vergoeding van dmarcian Europe te ontvangen. Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij een vergoeding van 20% van de inkomsten uit de verkoop van de software af te dragen door dmarcian Europe aan [bedrijf A] redelijk achten. De voorzieningenrechter zal [bedrijf A] daarom gebieden om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de blokkade van (de medewerkers van) dmarcian Europe tot het SaaS-platform en de voor de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten vereiste (computer)systemen op te heffen en opgeheven te houden totdat het onderzoek van de Ondernemingskamer is afgerond, of tot dat een gerechtelijk bodemvonnis is gewezen en in kracht van gewijsde is gegaan. De voorzieningenrechter verbindt hieraan de voorwaarde dat dmarcian Europe in ruil hiervoor vanaf heden een vergoeding van 20% van de inkomsten uit de verkoop van de software aan [bedrijf A] dient af te dragen.

4.12.

Bij het beëindigen van de tussen partijen ontstane patstelling door het treffen van voorgaande ordemaatregel acht de voorzieningenrechter het opleggen van een dwangsom niet gepast. De veroordelingen onder 3.4. en 3.6. van het verstekvonnis worden om die reden vernietigd. Voor het overige, waaronder ook de proceskosten, wordt het verstekvonnis bekrachtigd. Uit praktische overwegingen zal de voorzieningenrechter bepalen dat het gehele dictum op de hierna te vermelden wijze zal komen te luiden.

4.13.

Het voorgaande leidt tevens tot afwijzing van het onder 3, 4, 6 en 7 door dmarcian Europe gevorderde, waarbij wordt opgemerkt dat de nieuwe situatie geen vrijbrief biedt voor onrechtmatig handelen. Het door dmarcian Europe onder 2 gevorderde moet eveneens worden afgewezen, nu niet is komen vast te staan dat sprake was van exclusiviteit tussen partijen.

De proceskosten

4.14.

In de omstandigheid dat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten in de verzetprocedure te compenseren.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

vernietigt gedeeltelijk het door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij verstek onder zaak- en rolnummer C/10/612223 / KG ZA 21-63 op 1 februari 2021 en verbeterd bij herstelvonnis van 2 februari 2021 tussen partijen gewezen vonnis, met inachtneming van hetgeen is overwogen in 4.12., en – voor zover nodig – opnieuw rechtdoende:

5.2.

bekrachtigd het gebod aan [bedrijf A] om gedurende het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek de tussen partijen bestaande overeenkomst na te komen en het verbod om die overeenkomst gedurende die periode te beëindigen,

5.3.

bekrachtigd het gebod aan [bedrijf A] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de blokkade van (de medewerkers van) dmarcian Europe tot het SaaS-platform en de voor de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten vereiste (computer)systemen op te heffen en opgeheven te houden totdat het onderzoek van de Ondernemingskamer is afgerond, of tot dat een gerechtelijk bodemvonnis is gewezen en in kracht van gewijsde is gegaan, onder de voorwaarde dat dmarcian Europe in ruil hiervoor vanaf heden een vergoeding van 20% van de inkomsten uit de verkoop van de software aan [bedrijf A] afdraagt,

5.4.

bekrachtigd de veroordeling ten aan zien van [persoon A] om zich te onthouden van iedere handeling zelf of via een door hem bestuurde vennootschap of een vennootschap waarover hij de feitelijke zeggenschap uitoefent, waaronder expliciet begrepen [bedrijf A] , die de bedrijfsvoering van dmarcian Europe belemmert, totdat dan wel als gevolg van het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek, dan wel als gevolg van een gerechtelijk bodemvonnis, duidelijkheid ontstaat over de inhoud en reikwijdte van de aan dmarcian Europe verstrekte licentieovereenkomst en de eigendom van de IE- rechten op de dmarcian software,

5.5.

handhaaft de in het verstekvonnis vermelde hoofdelijke proceskostenveroordeling aan de zijde van dmarcian Europe tot aan dat vonnis begroot op € 1.408,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dat vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

handhaaft de in het verstekvonnis vermelde hoofdelijke veroordeling in de na het verstekvonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, waarbij is bepaald dat indien [bedrijf A] en [persoon A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, dit bedrag met € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak en met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten wordt vermeerderd met ingang van veertien dagen na de betekening van het verstekvonnis tot aan de voldoening,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

compenseert de kosten van deze verzetprocedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2021.

2180/2009