Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7821

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
9086413 VZ VERZ 21-3493
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet rechtsgeldig, diefstal armband, door werknemer verzochte vergoedingen afgewezen, (o.a.) gefixeerde vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW aan werkgever toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0588
XpertHR.nl 2021-20006112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9086413 VZ VERZ 21-3493

uitspraak: 30 april 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

verzoekster in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 223 Rv,

tevens verweerster ingevolge het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. M. van Gastel te Hellevoetsluis ,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[supermarkt B] ,

ook handelend onder de naam Jumbo,

gevestigd te [vestigingsplaats B] ,

verweerster in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 223 Rv,

tevens verzoekster ingevolge het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. D.C.J. Bogerd te Kampen.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [persoon A] ” en “ [supermarkt B] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende incidentele vordering
    ex artikel 223 Rv, met producties, ontvangen op 12 maart 2021;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende (voorwaardelijk) tegenverzoek, met producties, ontvangen op 2 april 2021;

  • -

    de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van [persoon A] per
    e-mail overgelegde brief van 1 april 2021;

  • -

    de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van [supermarkt B] overgelegde (fax)brief van 6 april 2021;

  • -

    de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van [persoon A] overgelegde brief van 7 april 2021, met producties;

  • -

    de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van [supermarkt B] per e-mail overgelegde brief van 7 april 2021, met producties;

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aan de zijde van beide partijen overgelegde pleitnota’s.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 april 2021. [persoon A] is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en mr. K.J. Nierman, kantoorgenoot. Namens [supermarkt B] was aanwezig mevrouw [persoon B] (hierna: [persoon B] ), directeur, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten (nader) doen toelichten door hun respectieve gemachtigden, aan de hand van pleitnota’s, die zij hebben overgelegd. Van hetgeen ter mondelinge behandeling is verhandeld heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[supermarkt B] exploiteert een Jumbo supermarkt in [plaats] .

2.2

[persoon A] , geboren op [geboortedatum] , is op 22 augustus 2000 bij (de rechtsvoorgangster van) [supermarkt B] in dienst getreden in de functie van kassa- en servicebaliemedewerkster. Het salaris van [persoon A] bedroeg laatstelijk
€ 1.295,56 bruto per 4 weken, exclusief een vakantietoeslag van 8%.

2.3

Op dinsdag 9 februari 2021 was [persoon A] samen met [persoon C] werkzaam achter de servicebalie. Om 17:20 uur heeft collega [persoon D] (hierna: [persoon D] ) aan [persoon A] meegedeeld dat zij in de supermarkt een Buddha to Buddha-armband (hierna: de armband) had gevonden. [persoon D] heeft deze armband aan [persoon A] afgegeven. [persoon A] heeft vervolgens haar bril opgezet en de armband op de servicebalie bekeken. Om 17:20:29 uur heeft [persoon A] het linker kastdeurtje onder de (kassa van de) servicebalie geopend en de armband languit neergelegd op de middelste (tweede) plank van het kastje. Op die plank bevindt zich aan de linkerzijde een mandje ten behoeve van gevonden voorwerpen. Vervolgens heeft [persoon A] het kastdeurtje weer dichtgedaan. Om 17:24:28 uur heeft [persoon A] opnieuw het kastdeurtje geopend. Zij bukte naar beneden naar de middelste plank en zij rommelde daar wat met haar hand in het kastje. Daarna heeft zij het kastdeurtje weer dichtgedaan. Vlak daarna heeft [persoon A] om zich heen gekeken en heeft zij om 17:24:48 uur wederom het kastdeurtje geopend en een voorwerp uit het kastje gepakt en dat in haar linker broekzak gestopt.

Om 17:40:44 uur heeft [persoon A] haar mobiele telefoon uit het kastje gepakt en deze in haar linker kontzak gedaan. Om 17:42 uur heeft zij haar oortjes in een ander kastje dat zich geheel links onder de servicebalie bevindt gelegd. Om 17:43 uur is [persoon A] naar huis vertrokken.

2.4

Op woensdag 10 februari en donderdag 11 februari 2021 heeft de klant die de armband is verloren bij [supermarkt B] gevraagd of deze is gevonden. De klant heeft die donderdag ook foto’s van de armband laten zien.

2.5

[supermarkt B] heeft op zondag 14 februari 2021 de heer [persoon E] (hierna: [persoon E] ), bedrijfsrechercheur, ingeschakeld om onderzoek te doen naar de verdwenen armband. Op maandag 15 februari 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden met [persoon A] . Tijdens dat gesprek zijn ook camerabeelden bekeken. [persoon E] heeft van dat gesprek een verslag opgesteld, dat door [persoon A] is ondertekend. In dat verslag is het volgende - voor zover thans van belang - vermeld:

“(…) U gaat met mij ook nog even naar de videobeelden kijken en ik zie precies wat u bedoelt. Ik zie mij ook iets in mijn zak stoppen, maar ik kan u niet verklaren wat dit is. Ik kan het mij niet herinneren, maar het is geen armband geweest. (…)”

Na het gesprek is [persoon A] direct geschorst. Vervolgens heeft [persoon E] een videoverslag gemaakt.

2.6

Tijdens een op donderdag 18 februari 2021 gehouden telefonisch gesprek is [persoon A] door [supermarkt B] op staande voet ontslagen. Dat ontslag is bij brief van diezelfde dag aan [persoon A] bevestigd. In deze brief is het volgende - voor zover thans van belang - vermeld:

“(…) Wat is er gebeurd: op 9 februari ontving je van je collega [persoon D] een ‘Buddha to Buddha armband’ die zij had gevonden. Jij hebt deze armband naast het gebruikelijke mandje voor de gevonden voorwerpen gelegd achter een deur onder de kassa van de Servicebalie. Dit deed je om 17.19 uur, om vervolgens rond 17.30 uur het kastje weer open te maken en iets weg te pakken uit dit kastje en in jouw linkerbroekzak te stoppen.

De volgende dag om 7.45 uur is de armband weg. Uit de videobeelden gericht op de Servicebalie volgt dat er niemand anders in het kastje is geweest, behalve drie medewerkers die er duidelijk niets uithalen of althans niet de armband. Kortom: het kan niet anders zijn dat jij de armband inderdaad hebt meegenomen. (…)

Gisteren heeft het onderzoeksbureau alle beelden nog een keer helemaal nagekeken en een videoverslag gemaakt. Daarna hebben we juridisch advies ingewonnen, in hoeverre sprake is van een dringende reden voor ontslag en daarvan is sprake.

Het moge duidelijk zijn dat deze diefstal van een kostbaar voorwerp van één van onze klanten absoluut onacceptabel is en ook voor iemand die zo lang in dienst is, ronduit schokkend te noemen is. (…)

Over de primaire schade: de schade, nader te bepalen bestaat uit de waarde van de armband die wij zullen moeten vergoeden aan de klant. Verder hebben wij een onderzoeksbureau moeten inschakelen en daarvoor kosten gemaakt. Ook deze kosten verhalen we op jou. Dit doen we door verrekening van deze schade met je eindafrekening, waarover je nog bericht krijgt. (…)”

2.7

Bij e-mail van 23 februari 2021 heeft de gemachtigde van [persoon A] namens haar geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet en heeft [persoon A] zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van haar werkzaamheden.

2.8

Bij e-mail van 25 februari 2021 heeft de gemachtigde van [supermarkt B] meegedeeld dat [supermarkt B] het ontslag handhaaft.

2.9

[supermarkt B] heeft een nieuwe Buddha to Buddha-armband en een bos bloemen verstrekt aan de klant die de armband was verloren. De kosten hiervan bedroegen in totaal € 283,99.

2.10

[persoon A] heeft op 28 augustus 2020 een officiële waarschuwing gehad en op
7 december 2020 een laatste waarschuwing voor het overtreden van het “NIX18-beleid” met betrekking tot de leeftijdscontrole bij alcohol- en tabaksverkoop.

3. De verzoeken van [persoon A] en de grondslagen daarvan

3.1

[persoon A] heeft, op de voet van artikel 223 Rv verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van het geding:

a. [supermarkt B] te veroordelen om binnen twee dagen na deze beschikking een kopie af te geven van de doorlopende videobeelden van de bewakingscamera gericht op de servicebalie over het tijdvak van 9 februari 2021 vanaf 17.00 uur tot de volgende ochtend
10 februari 2021 08.00 uur, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) dat [supermarkt B] daarmee in gebreke blijft;

b. [supermarkt B] te veroordelen om aan [persoon A] te voldoen het salaris van € 1.403,52 bruto per maand, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten, en tot afdracht van de pensioenpremie en premies sociale verzekeringen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf 18 februari 2021 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

alles met veroordeling van [supermarkt B] in de proceskosten.

3.2

In de hoofdzaak heeft [persoon A] verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

a. het ontslag op staande voet te vernietigen;

b. [supermarkt B] te veroordelen om aan [persoon A] te voldoen het salaris van € 1.295,56 bruto per 4 weken vanaf 18 februari 2021 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW;

subsidiair:

[supermarkt B] te veroordelen tot betaling aan [persoon A] van een billijke vergoeding van € 101.053,44, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst van € 5.614,08 bruto en de transitievergoeding van € 10.583,72 bruto;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op staande voet, [supermarkt B] te veroordelen tot betaling aan [persoon A] van de transitievergoeding van € 10.583,72 bruto, de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening en de buitengerechtelijke incassokosten van € 405,70;

alles met veroordeling van [supermarkt B] in de proceskosten.

3.3

Aan deze verzoeken in de hoofdzaak heeft [persoon A] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

Het ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven en ook inhoudelijk gezien is [supermarkt B] ten onrechte tot dat ontslag overgegaan. Het gegeven ontslag kan dan ook geen stand houden en dient daarom te worden vernietigd.

[persoon A] heeft de armband niet gestolen. Dat blijkt ook niet uit de camerabeelden en/of het videoverslag van [persoon E] . [persoon A] heeft de armband in het mandje met gevonden voorwerpen gelegd op de middelste plank van het linker kastje onder de servicebalie. [persoon A] weet niet wat zij op 9 februari 2021 om 17:24:48 uur uit het kastje heeft gepakt. Het staat niet vast dat [persoon A] de enige medewerker is geweest die iets uit het kastje heeft gepakt. De camerabeelden sluiten niet uit dat de armband pas op woensdag
10 februari om 07:53 uur is gestolen door de twee medewerksters die de inhoud van het mandje met gevonden voorwerpen controleerden. [persoon A] heeft zich niet schuldig gemaakt aan diefstal. Van opmerkelijke gedragingen en leugenachtige verklaringen door [persoon A] is evenmin sprake. Het ontbreekt dan ook aan een geldige reden voor [supermarkt B] om de arbeidsovereenkomst tussen partijen per direct op te mogen zeggen.

Nu de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd op 18 februari 2021, maakt [persoon A] primair aanspraak op vernietiging van het ontslag en op doorbetaling van loon.

Subsidiair berust [persoon A] in het ontslag op staande voet en maakt zij aanspraak op onder meer de transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Ook in geval het ontslag op staande voet wel stand houdt, dient aan [persoon A] een transitievergoeding te worden toegekend, omdat het niet toekennen van die vergoeding volgens haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [persoon A] heeft altijd naar behoren gefunctioneerd.

4. Het verweer en de tegenverzoeken van [supermarkt B] en de reactie daarop van [persoon A]

4.1

Het verweer van [supermarkt B] strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van [persoon A] in haar verzoeken dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten.

Bij wijze van (voorwaardelijk) tegenverzoek heeft [supermarkt B] verzocht om [persoon A] te veroordelen om aan [supermarkt B] te voldoen de (gefixeerde) schadevergoeding in de zin van artikel 7:677 lid 2 juncto lid 3 sub a BW van € 2.065,49, althans (subsidiair) een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2021.

Verder heeft [supermarkt B] verzocht om [persoon A] te veroordelen om aan [supermarkt B] te voldoen de volledige onderzoeks- en juridische kosten en de overige schadeposten van € 4.848,14, althans (subsidiair) een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2021.

4.2

Hiertoe heeft [supermarkt B] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende aangevoerd.

Het ontslag op staande voet is wel degelijk onverwijld gegeven. Ook inhoudelijk gezien heeft [supermarkt B] [persoon A] terecht op staande voet ontslagen.

[persoon A] heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van de armband. [persoon A] heeft de armband op 9 februari 2021 om 17:20 uur (languit) neergelegd op de middelste plank van het kastje, naast het mandje met gevonden voorwerpen. Om 17:24:28 uur heeft zij opnieuw het kastje geopend en wat gerommeld met haar hand op de plek waar zij de armband heeft neergelegd. Vlak daarna om 17:24:48 uur heeft [persoon A] wederom het kastje geopend en een voorwerp weggepakt vanaf die middelste plank en dat in haar linker broekzak gestopt. De volgende ochtend om 07:53 uur wordt geconstateerd dat de armband weg is. [persoon A] is de enige medewerker die in deze periode een voorwerp van de middelste plank van het kastje heeft gepakt. [supermarkt B] heeft ter onderbouwing daarvan verwezen naar de door haar overgelegde videobeelden van het camerasysteem.

Het is ook zeer opmerkelijk dat [persoon A] niet heeft verklaard wat zij in haar linker broekzak heeft gestopt. Het kan dan ook niet anders dan dat zij de armband heeft gestolen.

Het opmerkelijke gedrag en de handelingen die [persoon A] daaromheen heeft vertoond, bevestigen dit ook. Ook los hiervan zijn er diverse omstandigheden die tot die conclusie leiden. [persoon A] heeft ook leugenachtig verklaard. [supermarkt B] heeft in dat verband diverse schriftelijke verklaringen van collega’s overgelegd.

De diefstal van de armband is onaanvaardbaar voor [supermarkt B] . Daarbij komt nog dat [persoon A] in de afgelopen jaren al meerdere officiële waarschuwingen heeft gehad voor het niet naleven van de geldende regels.

Als gevolg van het ontslag op staande voet is de arbeidsovereenkomst op 18 februari 2021 met onmiddellijke ingang geëindigd. De primaire verzoeken van [persoon A] tot vernietiging van het ontslag en doorbetaling van loon moeten daarom worden afgewezen.

Voor toekenning van enige vergoeding aan [persoon A] bestaat volgens [supermarkt B] geen aanleiding.

4.3

Aan de tegenverzoeken heeft [supermarkt B] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende ten grondslag gelegd:

4.3.1

[persoon A] heeft door opzet of schuld aan [supermarkt B] een dringende reden gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW. Daardoor is [persoon A] de in lid 3 sub a van dat artikel genoemde (gefixeerde) schadevergoeding verschuldigd, gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De verzochte vergoeding van € 2.065,49 heeft betrekking op de periode van 18 februari 2021 tot 1 april 2021.

4.3.2

Daarnaast maakt [supermarkt B] op grond van artikel 7:661 lid 1 BW juncto artikel 6:74 BW juncto artikel 6:96 lid 2 BW juncto artikel 7:611 BW aanspraak op vergoeding van de onderzoeks- en juridische advieskosten van in totaal € 4.564,15 die [supermarkt B] als gevolg van het handelen van [persoon A] heeft moeten maken en de kosten van de nieuwe Buddha to Buddha-armband en een bos bloemen die [supermarkt B] voor de klant heeft moeten kopen. Deze laatste schadeposten bedragen in totaal € 283,99. [supermarkt B] heeft reeds een bedrag van
€ 2.062,59, dat op basis van de eindafrekening nog aan [persoon A] toekwam, verrekend met deze kosten.

4.4

Het verweer van [persoon A] tegen de door [supermarkt B] verzochte gefixeerde schadevergoeding strekt tot afwijzing van dat verzoek. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven, zodat [persoon A] deze vergoeding niet is verschuldigd.

De verzochte vergoeding van de onderzoekskosten en van de kosten van de armband en bloemen kan niet worden aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 7:686a lid 3 BW. De advocaatkosten van [supermarkt B] komen hooguit voor vergoeding in aanmerking op basis van het liquidatietarief.

5. De beoordeling

Ten aanzien van het incident ex artikel 223 Rv

5.1

[supermarkt B] heeft in het verweerschrift gesteld dat zij de camerabeelden reeds aan de gemachtigde van [persoon A] heeft verstrekt. Bij voormelde brief van 1 april 2021 heeft (de gemachtigde van) [persoon A] dat ook erkend. Zij heeft alleen aangevoerd dat de beelden van woensdag 10 februari 2021 van 07.00 tot 08.00 uur nog ontbraken, maar dat zij ervan uitgaat dat ook die beelden nog voor de zitting door [supermarkt B] zouden worden verstrekt. Bij voormelde (fax)brief van 6 april 2021 heeft [supermarkt B] meegedeeld dat ook die beelden reeds aan de gemachtigde van [persoon A] zijn verstrekt. Nu [persoon A] op deze kwestie tijdens de mondelinge behandeling niet meer is ingegaan, beide partijen de beelden -ook die met betrekking tot voormeld tijdsbestek- tijdens de zitting hebben getoond en die beelden zich ook in het procesdossier bevinden, gaat de kantonrechter ervan uit dat [persoon A] over alle relevante beelden beschikt. Dit betekent dat zij geen belang meer heeft bij dit verzoek. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

Omdat in deze beschikking ook al een beslissing wordt gegeven op het verzoek van [persoon A] tot doorbetaling van salaris, is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen.

Ten aanzien van de verzoeken van [persoon A]

5.2

heeft het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig ingediend, omdat dit is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door [supermarkt B] is beëindigd (artikel 7:686a lid 4 sub a BW). [persoon A] is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

5.3

Tussen partijen is primair in geschil of het op 18 februari 2021 door [supermarkt B] aan [persoon A] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is.

5.4

De kantonrechter overweegt allereerst dat het verweer van [persoon A] dat het ontslag niet onverwijld is gegeven niet kan slagen.

[supermarkt B] heeft onweersproken gesteld dat [persoon B] op zondag
14 februari 2021 door de hoofdcaissière op de hoogte is gebracht van de verdwenen armband, dat [persoon B] toen direct de camerabeelden heeft bekeken en deze beelden heeft doorgestuurd naar [persoon E] . Maandag 15 februari 2021 heeft het gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds [persoon A] en anderzijds [persoon B] en [persoon E] en tijdens dat gesprek zijn ook camerabeelden bekeken. [persoon A] is toen direct geschorst. Dinsdag en woensdag 16 en 17 februari 2021 zijn de beelden nogmaals bekeken door [persoon E] en is door hem een videoverslag opgesteld, zijn verklaringen van collega’s opgevraagd en heeft [persoon B] juridisch advies ingewonnen. Donderdag 18 februari 2021 is [persoon A] op staande voet ontslagen.

Dit betekent dat [supermarkt B] voldoende voortvarend heeft gehandeld om van een onverwijld gegeven ontslag in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW te kunnen spreken.

5.5

Voorop gesteld wordt dat de kwestie met betrekking tot de door [persoon A] meegenomen bloemen in 2017 ten onrechte door [supermarkt B] in het verweerschrift is aangehaald, nu vaststaat dat reeds op 8 december 2017 aan [persoon A] is meegedeeld dat zij in dat verband heeft gehandeld met goedkeuring van haar leidinggevende, dat er geen sanctie zal plaatsvinden en dat hieromtrent ook niets wordt opgenomen in het personeelsdossier van [persoon A] . Op deze kwestie, die ook niet is vermeld in de ontslagbrief, zal dan ook verder niet worden ingegaan.

5.6

Vaststaat dat [persoon D] de door haar gevonden armband op 9 februari 2021 om 17:20 uur aan [persoon A] heeft afgegeven. Vervolgens is op de camerabeelden te zien dat [persoon A] haar bril opzet en dat zij de armband aandachtig bekijkt. Om 17:20:29 uur opent [persoon A] het kastdeurtje en legt zij de armband languit neer op de middelste (tweede) plank van het kastje. In het midden kan blijven of zij de armband al dan niet in het mandje voor gevonden voorwerpen heeft gedaan. Vervolgens doet [persoon A] het kastdeurtje weer dicht. Om 17:24:28 uur opent zij opnieuw het kastdeurtje, bukt zij naar beneden naar de middelste plank en rommelt zij daar wat met haar hand. Daarna doet zij het kastdeurtje weer dicht. Vlak daarna kijkt [persoon A] om zich heen en opent zij om 17:24:48 uur wederom het kastdeurtje en pakt zij een voorwerp uit het kastje en stopt dat in haar linker broekzak. Om 17:40:44 uur pakt [persoon A] haar mobiele telefoon uit het kastje en stopt deze in haar linker kontzak. Om 17:42 uur legt zij haar oortjes in een ander kastje dat zich geheel links van de servicebalie bevindt. Om 17:43 uur vertrekt [persoon A] naar huis.

5.7

Verder is op de videobeelden te zien dat een medewerkster op 9 februari 2021 om 18:37 uur een zegelboekje op de bovenste plank van het linker kastje legt (waar zich een mandje met zegelboekjes bevindt) en dat zij niets uit het kastje pakt. Ook is te zien dat een medewerkster om 19:25 uur het kastje opent, dat zij in haar rechterhand een reclameposter vast heeft en dat zij niets uit het kastje pakt. Om 19:26 uur pakt een medewerkster zegelboekjes van de bovenste plank in het kastje. Ook zij pakt verder niets uit het kastje.

Op 10 februari 2021 om 07:53 uur checken twee medewerksters de inhoud van het mandje met gevonden voorwerpen. Eén van de medewerksters zet het mandje met haar rechterhand op de servicebalie. In haar linkerhand heeft zij oortjes vast en die hand blijft al die tijd recht naar beneden hangen. De andere medewerkster blijft ondertussen haar bril poetsen met twee handen. Het mandje wordt vervolgens door de medewerkster die het mandje ook had gepakt weer teruggeplaatst in het kastje. Er wordt niets uit het mandje gepakt.

5.8

Op de beelden is dus duidelijk te zien dat [persoon A] op 9 februari 2021 om 17:24:48 uur wederom het bewuste kastdeurtje opent en dat zij een voorwerp uit het kastje pakt en dat in haar linker broekzak stopt en dat niemand anders tussen dat tijdstip en het moment dat wordt geconstateerd dat de armband verdwenen is op 10 februari 2021 om 07:53 uur iets uit het kastje pakt (behalve de zegelboekjes). [persoon A] heeft geen beelden kunnen laten zien waarop te zien zou zijn dat iemand anders wel wat uit het kastje pakt. Zij heeft weliswaar aangevoerd dat er op bepaalde momenten enkele seconden missen in de video-opnames en dat de bewegingssensor van de camera niet goed zou functioneren, maar dat betreffen enerzijds zulke korte momenten, waarna de persoon die wordt opgemerkt door de sensor bovendien goed in beeld is, en anderzijds momenten dat de opnameapparatuur snel een nieuw bestand aanmaakt, dat (zeker) niet kan worden gezegd dat de beelden onvoldoende betrouwbaar zijn.

Nu hiervoor reeds is overwogen dat tussen 9 februari 2021 om 17:24:48 uur en 10 februari 2021 om 07:53 uur niemand anders dan [persoon A] iets uit het kastje heeft gepakt, gaat de kantonrechter voorbij aan het verweer van [persoon A] dat in het gespreksverslag van [persoon E] is vermeld dat in dat tijdsbestek één andere medewerkster in het kastje is geweest en dat zij er niets heeft uitgehaald, maar dat dit in totaal twee medewerksters (die in totaal drie keer het kastje hebben geopend) blijken te zijn geweest. Dit is overigens ook juist in zowel de ontslagbrief als in het videoverslag vermeld.

Niet alleen heeft [persoon A] geen verklaring gegeven voor het “rommelen” in het kastje vlak voordat zij een voorwerp uit het kastje pakte, zij heeft tijdens het gesprek met [persoon E] en [persoon B] op 15 februari 2021 ook geen verklaring gegeven wat zij op
9 februari 2021 om 17:24:48 uur uit het kastje pakte en in haar linker broekzak stopte. Zij heeft toen alleen verklaard: “Ik zie mij ook iets in mijn zak stoppen, maar ik kan u niet verklaren wat dit is.” [persoon A] heeft het gespreksverslag met deze verklaring ook ondertekend, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Ook in de voormelde e-mail van haar gemachtigde van 23 februari 2021, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het ontslag op staande voet, is een dergelijke verklaring niet gegeven. Ditzelfde geldt voor de
e-mail van die gemachtigde van 25 februari 2021. Zelfs in het (15 pagina’s tellend) verzoekschrift wordt hier geen enkele verklaring voor gegeven. In het verzoekschrift wordt gesteld dat [persoon A] niet weet wat zij toen uit het kastje pakte en in haar linker broekzak stopte.

Pas tijdens de mondelinge behandeling, precies twee maanden nadat [persoon A] een voorwerp uit het kastje pakte en dat onder zich hield, heeft [persoon A] desgevraagd meegedeeld dat zij een “sterk vermoeden” heeft dat zij op 9 februari 2021 om 17:24:48 uur haar kluissleuteltje in haar linker broekzak heeft gedaan, om haar kluisje leeg te halen voordat zij naar huis vertrok. Die verklaring acht de kantonrechter niet geloofwaardig.

Het ligt voor de hand dat [persoon A] , alvorens zij naar huis vertrekt, haar persoonlijke eigendommen in één keer bij elkaar pakt. Dus niet eerst een sleuteltje en vervolgens pas om 17:40:44 uur, derhalve 16 minuten later, haar mobiele telefoon. [persoon A] heeft ook geen enkele verklaring gegeven welke spullen zij dan uit het kluisje diende te halen en op welk moment zij dat zou hebben gedaan. [persoon A] heeft daar ook geen beelden van getoond. Na het pakken van haar mobiele telefoon en het wegleggen van de oortjes (van [supermarkt B] ) vertrekt [persoon A] direct. Bovendien heeft [supermarkt B] onweersproken gesteld dat [persoon A] op haar eerstvolgende werkdag op donderdag
11 februari 2021 geen kluissleuteltje neerlegt in het bewuste kastje.

5.9

Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken en alle voornoemde feiten en omstandigheden gaat de kantonrechter ervan uit dat [persoon A] de armband heeft gestolen op 9 februari 2021 om 17:24:48 uur. Alle overige door [supermarkt B] genoemde omstandigheden, zoals haar stelling dat [persoon A] al aan [persoon D] te kennen heeft gegeven dat de armband verdwenen was terwijl [persoon A] dat op dat moment nog van niemand had gehoord en zij toen ook nog niet in het mandje met gevonden voorwerpen had gekeken en het verweer daartegen van [persoon A] , kunnen daarom onbesproken blijven.

5.10

De diefstal van de armband door [persoon A] vormt een zodanige ernstige gedraging dat er sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW, op grond waarvan van [supermarkt B] in redelijkheid niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst met haar te laten voortduren. [supermarkt B] was dan ook bevoegd om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. De kantonrechter begrijpt dat de gevolgen die het ontslag op staande voet voor [persoon A] hebben groot zijn, maar deze zijn inherent aan een dergelijk ontslag.

5.11

Het voorgaande leidt ertoe dat de arbeidsovereenkomst reeds op een rechtsgeldige wijze is geëindigd per 18 februari 2021. Het primaire verzoek van [persoon A] tot vernietiging van dat ontslag zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat geen grond bestaat voor de, zowel in de hoofdzaak als in het incident, verzochte loondoorbetaling vanaf genoemde datum en de nevenvorderingen, zodat de daarop gerichte verzoeken (al dan niet bij wijze van voorlopige voorziening) worden afgewezen.

5.12

Nu het primaire verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen, en daarmee geacht moet worden dat is voldaan aan de voorwaarde waaronder [persoon A] de (meer) subsidiaire verzoeken heeft ingestoken ( [persoon A] heeft geen keuze gemaakt tussen haar primaire en subsidiaire verzoek), komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van die verzoeken strekkende tot toekenning aan [persoon A] van (onder meer) een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

5.13

Voor wat betreft dat laatste verzoek kan direct al worden geoordeeld dat nu [supermarkt B] bevoegd was om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, van een onregelmatige opzegging geen sprake is. De in dat kader verzochte vergoeding is dan ook niet toewijsbaar.

5.14

Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, heeft [persoon A] gelet op artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW in beginsel geen recht op een transitievergoeding. [persoon A] heeft echter aangevoerd dat ook in geval wordt geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan haar een transitievergoeding dient te worden toegekend, omdat het niet toekennen van die vergoeding volgens haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.15

Volgens artikel 7:673 lid 8 BW kan, in afwijking van artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW, de kantonrechter de transitievergoeding toch geheel of gedeeltelijk aan de werknemer toekennen indien het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Blijkens de wetsgeschiedenis kan daarbij gedacht worden aan het geval waarin een werknemer een relatief kleine misstap begaat na een heel lang dienstverband (Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, pagina 113). Bij beantwoording van de vraag of het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn (Hoge Raad 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203).

5.16

De kantonrechter is van oordeel dat het handelen van [persoon A] gelet op het karakter daarvan niet kan worden aangemerkt als een relatief kleine misstap. Niet geoordeeld kan daarom worden dat in de gegeven omstandigheden het niet toekennen van enige transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat voor toekenning van de verzochte vergoeding.

5.17

Voor wat betreft de verzochte billijke vergoeding oordeelt de kantonrechter als volgt.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [persoon A] . Dat betekent dat het verzoek strekkende tot toekenning van een billijke vergoeding aan [persoon A] alleen al om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Ten aanzien van de verzoeken van [supermarkt B]

5.18

heeft het verzoek strekkende tot betaling door [persoon A] aan [supermarkt B] van een gefixeerde schadevergoeding in de zin van artikel 7:677 lid 2 BW tijdig ingediend, omdat dit is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door [supermarkt B] is beëindigd (artikel 7:686a lid 4 sub a BW). [supermarkt B] is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

5.19

Nu hiervoor reeds is overwogen dat [persoon A] op goede gronden op 18 februari 2021 op staande voet is ontslagen, heeft zij door opzet of schuld aan [supermarkt B] een dringende reden gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW. Daardoor is [persoon A] de in lid 3 sub a van dat artikel genoemde (gefixeerde) schadevergoeding verschuldigd, gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De door [supermarkt B] verzochte vergoeding van € 2.065,49, waarvan de hoogte niet is weersproken door [persoon A] , is als brutobedrag toewijsbaar en wordt dan ook toegewezen.

De wettelijke rente over voormelde vergoeding is op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.20

Uit de door [supermarkt B] overgelegde factuur van 24 februari 2021 blijkt dat de door [persoon E] bij [supermarkt B] in rekening gebrachte onderzoekskosten € 1.947,42 bedragen. Ook blijkt uit de door [supermarkt B] overgelegde factuur van 21 februari 2021 dat de kosten van de nieuwe Buddha to Buddha-armband die [supermarkt B] aan de klant heeft gegeven € 269,00 bedragen en dat de prijs van de bos bloemen € 14,99 was, derhalve in totaal € 283,99. Deze kosten komen in beginsel op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW juncto artikel 7:661 lid 1 BW voor rekening van [persoon A] en het verzoek tot vergoeding van deze kosten kan (ook) bij wijze van tegenverzoek in deze procedure worden ingesteld, met dien verstande dat de kantonrechter het redelijk acht om deze kosten gelijk te stellen aan het bedrag van € 2.062,59 (netto) dat op basis van de eindafrekening nog aan [persoon A] toekwam en welk bedrag [supermarkt B] reeds heeft verrekend met deze kosten. Daarbij is meegewogen dat in de ontslagbrief is vermeld dat de onderzoekskosten en de kosten van de nieuwe Buddha to Buddha-armband verrekend worden met de eindafrekening en dus niet dat het meerdere nog afzonderlijk van [persoon A] wordt gevorderd. In zoverre is [persoon A] dan ook niets meer verschuldigd aan [supermarkt B] .

5.21

De verzochte daadwerkelijke juridische- en advocaatkosten worden afgewezen. Slechts in bijzondere omstandigheden kan er aanleiding bestaan om af te wijken van het liquidatietarief. Hetgeen [supermarkt B] hiervoor heeft aangevoerd is onvoldoende.

Ten aanzien van de verzoeken van [persoon A] en [supermarkt B] voorts

5.22

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

5.23

[persoon A] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

wijst het door [persoon A] verzochte af;

in de verzoeken in de hoofdzaak van [persoon A] :

wijst het door [persoon A] verzochte af;

in de tegenverzoeken van [supermarkt B] :

veroordeelt [persoon A] om aan [supermarkt B] te betalen een bedrag van

€ 2.065,49 bruto aan vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 18 februari 2021, zijnde de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, tot de dag der algehele voldoening;

in alle verzoeken voorts:

veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [supermarkt B] vastgesteld op € 996,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze beschikking voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764