Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7682

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
9138050 CV EXPL 21-12782
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Consumentenkoopovereenkomst - Vordering betalen restant van koopsom en vergoeding opslagkosten. Het verweer van gedaagde, dat zij de overeenkomst gedeeltelijk heeft ontbonden, slaagt niet omdat eiser niet in verzuim is. Vorderingen worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9138050 CV EXPL 21-12782

uitspraak: 6 augustus 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Vento Rotterdam B.V.,

h.o.d.n. Istikbal,

gevestigd te Barendrecht,

eiseres,

gemachtigde: mr. G.E.R. Ummelen,

tegen:


[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

gemachtigde: mr. A. Dinc,

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Istikbal’ en ‘[gedaagde]’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 23 maart 2021, met producties;

  2. de conclusie van antwoord, met producties;

  3. het tussenvonnis van 31 mei 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  4. de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 juni 2021.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1

Op of omstreeks 23 januari 2020 kocht [gedaagde] van Istikbal een aantal meubels voor een bedrag van € 7.000,- inclusief btw. Op de koopovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Istikbal van toepassing.

2.2

In de week van 9 maart 2020 heeft Istikbal een deel van de bestelde meubels aan [gedaagde] geleverd.

2.3

[gedaagde] heeft een bedrag van € 4.500,- aan Istikbal betaald, waardoor nog een bedrag van € 2.500,- resteert.

3. Het geschil

3.1

Istikbal vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan Istikbal van een bedrag van € 3.175,- te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over een bedrag van € 2.500,- vanaf 27 juni 2020, althans vanaf 23 maart 2021, tot aan de dag van algehele voldoening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 300,- vanaf 23 maart 2021 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Istikbal legt aan haar vordering tot nakoming van de verbintenissen uit de koopovereenkomst het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft bij Istikbal meerdere meubels besteld, maar heeft tot op heden niet de volledige koopsom betaald. Istikbal is bereid de overige meubels te leveren op het moment dat [gedaagde] de volledige koopsom betaalt. In de tussentijd dient Istikbal de meubels voor [gedaagde] op te slaan, waardoor zij schade lijdt. Deze schade, samen met de schade voor de gemaakte transportkosten, dient [gedaagde] te vergoeden. Door het bovenstaande is [gedaagde] eveneens wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

3.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang – hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

consumentenkoopovereenkomst

4.1

Tussen partijen is sprake van een consumentenkoopovereenkomst. Vast staat dat [gedaagde] op 23 januari 2020 voor een bedrag van € 7.000,- meubels heeft gekocht bij Istikbal en dat in de week van 9 maart 2020 een deel van de meubels zijn geleverd. Tot op heden heeft zij slechts € 4.500,- betaald, zodat zij in beginsel nog € 2.500,- aan Istikbal dient te betalen.

gedeeltelijke ontbinding

4.2

[gedaagde] verweert zich echter door te stellen dat zij de overeenkomst ten aanzien van het nog te leveren deel “medio mei 2020”geannuleerd heeft omdat Istikbal een deel van de goederen te laat leverde en daardoor niet heeft voldaan aan zijn afleverplicht. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] zich hiermee op het standpunt stelt dat zij de overeenkomst gedeeltelijk heeft ontbonden. Daarvoor is vereist dat Istikbal een verbintenis uit de overeenkomst niet is nagekomen en in verzuim is (artikel 6:265 BW). Volgens artikel 7:19a BW is een verkoper bij een consumentenkoop in verzuim wanneer hij door de koper in gebreke is gesteld bij een aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de aflevering is gesteld, en nakoming binnen deze termijn is uitgebleven.

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat een deel van de gekochte meubels binnen de op 23 januari 2020 overeengekomen levertermijn is geleverd. In geschil is of dit ook het geval is met betrekking tot het overige deel van de gekochte meubels. Istikbal stelt dat sprake is van een gemiddelde leveringsduur van circa 6-12 weken, maar dat dit slechts een streeftermijn betreft. [gedaagde] stelt dat een levertijd van 8 tot 10 weken is overeengekomen, met de aantekening in de orderbevestiging “COK COK ACIL LUTFEN !!!” (vertaald: “graag z.s.m.”). Wat de overeengekomen leverdatum is kan hier echter in het midden blijven. Partijen zijn het er immers over eens dat Istikbal ook na het verstrijken van een termijn van 12 weken niet alle meubels heeft geleverd. Het had op dat moment op de weg van [gedaagde] gelegen om Istikbal aan te manen tot levering, waarbij haar een redelijke termijn voor aflevering wordt gesteld. [gedaagde] stelt dat zij dit heeft gedaan, maar laat na haar stelling te onderbouwen met feiten en omstandigheden of stukken. Istikbal betwist dat zij door [gedaagde] is aangemaand tot leveren en voert in dit kader gemotiveerd aan dat zij op 11 mei 2020 telefonisch contact heeft opgenomen met [gedaagde] ten einde een afspraak te maken voor de levering van de resterende meubels. Uit de overgelegde producties (productie 3 van de conclusie van antwoord en productie 2 van de dagvaarding) blijkt tevens voldoende dat Istikbal reeds per brieven van 29 mei 2020 én 12 juni 2020 [gedaagde] heeft bericht dat de meubels konden worden geleverd op eerste verzoek van [gedaagde], terwijl niet is gebleken dat dit laatste is gedaan. De kantonrechter concludeert dat [gedaagde] Istikbal geen redelijke termijn voor de aflevering heeft gesteld en dat Istikbal daarom niet in verzuim is met het leveren van de meubels. Dit betekent ook dat Istikbal niet heeft gehandeld in strijd met haar verplichting tot het afleveren van de overige meubels (artikel 7:9 lid 1 BW). Het verweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.

nakoming van de verbintenissen uit de overeenkomst

4.4

Het bovenstaande heeft tot gevolg dat de overeenkomst tussen partijen nog altijd in stand is en dat [gedaagde] haar verbintenis uit de overeenkomst, door aan Istikbal het restant van de koopsom voor een bedrag van € 2.500,- te voldoen, dient na te komen. Deze verplichting van [gedaagde] volgt tevens uit de artikelen 7:1 en 7:26 BW. Op grond van artikel 6:74 BW in samenhang met artikel 6:82 BW is [gedaagde] in verzuim met de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst wanneer zij door Istikbal schriftelijk is aangemaand na te komen, haar een redelijke termijn voor de nakoming is gesteld en de nakoming binnen deze termijn uitblijft. Per brief van 12 juni 2020 heeft Istikbal [gedaagde] nog veertien dagen de tijd gegeven om (kosteloos) de koopsom te voldoen aan Istikbal. [gedaagde] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt, zodat vanaf 27 juni 2020 het verzuim van [gedaagde] is ingetreden. De vordering van Istikbal zal worden toegewezen, met dien verstande dat Istikbal verplicht is om de resterende meubels aan [gedaagde] te leveren op het moment dat [gedaagde] het volledige (dan wel het laatste deel van het volledige) bedrag aan Istikbal betaalt.

schadevergoeding

4.5

Istikbal vordert tevens vergoeding voor een bedrag van € 300,- aan schade die zij heeft geleden in de vorm van (nodeloze) opslag- en gemaakte transportkosten. Deze schade is ontstaan doordat [gedaagde] haar verbintenissen uit de overeenkomst niet nakomt. [gedaagde] betwist allereerst de gevorderde transportkosten en voert in dit kader aan dat deze niet zijn onderbouwd en dat er nimmer een restantlevering heeft plaatsgevonden, zodat deze kosten in ieder geval niet zijn gemaakt. Istikbal heeft nagelaten haar vordering ten aanzien hiervan nader te onderbouwen met feiten en omstandigheden, zodat dit deel van de vordering als voldoende gemotiveerd betwist zal worden afgewezen.

4.6

[gedaagde] betwist daarnaast dat de gevorderde opslagkosten voor toewijzing in aanmerking komen, aangezien zij nimmer verantwoordelijk is gehouden voor deze kosten. De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat, zoals overwogen in 4.2 - 4.4, [gedaagde] vanaf 27 juni 2020 in verzuim is. Ten aanzien van de periode 27 juni 2020 – juli 2021 was Istikbal dan ook genoodzaakt om het restant van de meubels te stallen. De gevorderde schadevergoeding van € 300,- is door Istikbal niet nader gespecificeerd, zodat niet bekend is welk deel van die vordering ziet op deze opslagkosten en welk deel op de gemaakte transportkosten. Gelet op de kostprijs van de meubels en het resterende gedeelte daarvan (wat naar zeggen van Istikbal maximaal € 1.300,- is) worden de maandelijkse opslagkosten dan ook gematigd tot € 15,- per maand. De gevorderde opslagkosten tot en met juli 2021 worden daarom toegewezen tot een bedrag van € 195,-.

wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten

4.7

De gevorderde wettelijke rente over bovenvermelde bedragen worden eveneens worden toegewezen, nu daartegen geen nader verweer is gevoerd. Voor toewijzing van de gevorderde handelsrente bestaat geen grond.

4.8

Istikbal maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende gebleken is dat voldaan is aan de wettelijke vereisten, zodat ook het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.

4.9

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

uitvoerbaarheid bij voorraad

4.10

Dit vonnis wordt zoals Istikbal vordert ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat [gedaagde] aan de veroordelingen moeten voldoen en dat zij de aan Istikbal toegekende vergoeding moet betalen aan [gedaagde], ook als in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] aan Istikbal te betalen een bedrag van € 3.070,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 2.500,- vanaf 27 juni 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 195,- vanaf 23 maart 2021 dat aan opslagkosten heeft uitgestaan, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Istikbal vastgesteld op € 507,- aan griffierecht, € 85,81 aan dagvaardingskosten en € 436,- (2 punten x € 218,- per punt) aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44236