Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7616

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-08-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
C/10/581954 / FA RK 19-7927
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Verzoek eenhoofdig gezag te bepalen afgewezen omdat niet vaststaat dat verstandhouding niet binnen afzienbare termijn kan verbeteren. Partijen hebben tijdens mondelinge behandeling toestemming dat hun individuele therapeuten met elkaar in contact mogen treden teneinde te overleggen over plan van aanpak teneinde bij partijen te komen tot herstel van onderling vertrouwen. Bepaling van een opbouw in de zorgregeling waarbij gedurende 6 maanden een derde zorg zal dragen voor de overdracht van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/581954 / FA RK 19-7927

Beschikking van 13 augustus 2021 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. M.C. Houwing te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ,

advocaat mr. N. Rachid te Rotterdam.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 september 2019;

  • -

    het aanvullende verzoek met bijlagen van de vrouw van 18 december 2019;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 14 januari 2020;

  • -

    het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, ingekomen op 30 juli 2020;

  • -

    het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) van 3 december 2020;

  • -

    het bericht van de raad van 14 december 2020;

  • -

    het eindverslag van Horizon Rotterdams Omgangshuis van 28 april 2021;

  • -

    de berichten (met bijlagen) van de zijde van de vrouw van 10 december 2020 en 19 juli 2021;

  • -

    de berichten (met bijlagen) van de zijde van de man van 18 december 2020, 18 juni 2021 en 16 juli 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 juli 2021. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met haar advocaat;

  • -

    de man met zijn advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

1.3.

Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank nog kennis genomen van het bericht van de zijde van de vrouw van 29 juli 2021, zoals met partijen besproken.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Rotterdam op 31 oktober 2016.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2016 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.3.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3. De beoordeling

3.1.

Scheiding

3.1.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.1.2.

De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet.

3.1.3.

Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

3.1.4.

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv overgelegd. Omdat de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

3.1.5.

Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

3.2.

Gezag

3.2.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige na echtscheiding alleen aan haar toekomt.

3.2.2.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt afwijzing dan wel afwachting van het onderzoek van de raad en de rapportage van het omgangshuis.

3.2.3.

Op grond van artikel 1:251a BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel omdat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

3.2.4.

De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen na echtscheiding. Voor de rechtbank staat vast dat er op dit moment geen communicatie plaatsvindt tussen partijen. De vrouw stelt dat zij dat op dit moment niet wil en ook niet aankan. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw op dit moment wordt belemmerd in de uitoefening van het gezag. Haar wantrouwen wordt met name gevoed door incidenten uit het verleden. Het onderlinge vertrouwen moet worden hersteld en ook aan de communicatie tussen partijen moet worden gewerkt. Partijen hebben op dit moment individuele hulpverlening, de vrouw bij Fier en de man bij Impegno. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken en toestemming gegeven dat hun therapeuten met elkaar in overleg mogen treden om partijen te adviseren over hulpverlening voor hen gezamenlijk die ziet op hun onderlinge verstandhouding en communicatie. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet tot het oordeel dat de minderjarige klem of verloren dreigt te raken tussen partijen en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare termijn voldoende verbetering in zal komen dan wel dat wijziging van het gezag in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

3.3.

Verblijfplaats

3.3.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn.

3.3.2.

De man weerspreekt het verzoek niet.

3.3.3.

De rechtbank beslist conform het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.

3.4.

Zorgregeling

3.4.1.

De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen als volgt:

  • -

    de minderjarige verblijft twee dagen per week bij de man, in onderling overleg te bepalen;

  • -

    de minderjarige verblijft de helft van de vakanties en feestdagen bij de man.

3.4.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.4.3.

Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben indien:

  1. dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de omgang tussen de man en de minderjarige op korte termijn moet worden hervat. Het omgangshuis ziet dat de omgang tussen de man en de minderjarige goed verloopt, dat er sprake is van een warme band en dat de minderjarige niet hoeft te wennen aan de man. De vrouw vindt het desondanks lastig om haar medewerking te verlenen aan een zorgregeling, gelet op verslavingsproblematiek en het daaruit voortvloeiende (agressieve) gedrag van de man. Ook stelt zij dat contact met de man in de weg staat aan haar behandeling bij Fier. Zij heeft er geen vertrouwen in dat de man dit keer wel zijn afspraken en toezeggingen zal nakomen en vermoedt dat hij slechts in aanloop naar de mondelinge behandeling hulpverlening heeft ingeschakeld. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd om de minderjarige en de man hun recht op omgang met elkaar te ontzeggen. De man heeft op dit moment hulpverlening van Impegno en heeft toestemming gegeven dat zijn therapeut contact met de therapeut van de vrouw op mag nemen. De man heeft naar eigen zeggen zijn leven gebeterd en heeft op de dag van de mondelinge behandeling twee sollicitatiegesprekken. De man stelt geen drugs meer te gebruiken en alcohol drinkt hij alleen in beperkte mate met vrienden in het weekend. Ook heeft de man een recente negatieve drugs- en alcoholtest overgelegd en is hij bereid om deze frequent te blijven ondergaan als de rechtbank dat noodzakelijk vindt. De rechtbank heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling meermaals de gelegenheid gegeven om aan te geven hoe het contact tussen de man en de minderjarige kan worden hervat op een manier die voor de vrouw acceptabel is. De vrouw heeft geen oplossingen aangedragen en laat het aan de rechtbank om te beslissen op het verzoek van de man.

3.4.5.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande een zorgregeling bepalen die haar in het belang van de minderjarige voor komt. De rechtbank zal beslissen dat met ingang van de datum van deze beschikking wordt aangevangen met een zorgregeling waarbij de minderjarige eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 12:00 uur tot 17:00 uur bij de man verblijft. Na zes keer omgang zal de zorgregeling worden uitgebreid in die zin dat de minderjarige eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de man verblijft. Na zes keer omgang van 10:00 uur tot 17:00 uur zal de minderjarige elke zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de man verblijven. Het meer of anders door de man verzochte, waaronder de vakantieregeling, zal worden afgewezen. Als de zorgregeling goed verloopt kunnen partijen op termijn afspraken maken over de vakanties en feestdagen.

Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de rechtbank het voor het herstel van het vertrouwen van de vrouw in de man van belang vindt dat de man in ieder geval voorlopig blijft aantonen dat hij geen drugs en/of alcohol meer gebruikt, zoals hij tijdens de mondelinge behandeling stelt. De man heeft toegezegd dat hij bereid is om zijn medewerking te verlenen aan drugs- en alcoholtesten als de rechtbank dat belangrijk vindt. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken is het in het belang van de minderjarige dat partijen weer vertrouwen in elkaar krijgen. Een groot deel van het wantrouwen van de vrouw jegens de man komt voort uit de overtuiging bij de vrouw dat de man verslaafd is aan alcohol en middelen en dat de man alleen in het zicht van de mondelinge behandeling niet heeft gebruikt. In dit licht acht de rechtbank het van belang dat de man maandelijks alcohol- en drugtesten laat doen, zodat zo aangetoond wordt dat de man daadwerkelijk is gestopt.

Omdat de vrouw vreest dat direct contact tussen partijen op dit moment een nadelige invloed heeft op haar behandeling bij Fier, zal de rechtbank bepalen dat het halen en brengen de eerste zes maanden wordt verzorgd door de ouders van de man. De man heeft verklaard dat zijn ouders bereid zijn om dat te doen. De vrouw heeft bij bericht van 29 juli 2021 nog een alternatieve contactpersoon aangedragen, namelijk haar moeder. Indien beide partijen hiermee akkoord gaan kan vanzelfsprekend het halen en brengen ook worden verzorgd door de moeder van de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat na verloop van zes maanden partijen het halen en brengen in onderling overleg moeten gaan regelen, zonder behulp van een derde.

3.5.

Huurrecht woning

3.5.1.

De vrouw verzoekt het huurrecht van de woning.

3.5.2.

De man verzet zich niet tegen dit verzoek.

3.5.3.

De rechtbank beslist conform het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.

3.6.

Onderhoudsbijdragen

Kinderbijdrage

3.6.1.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage), in die zin dat de man met ingang van de datum van de beschikking een kinderbijdrage van € 348,18 per maand zal voldoen. De man heeft vervolgens gesteld dat dit bedrag exclusief de zorgkorting is, maar de rechtbank kan de beredenering daartoe niet volgen. Omdat de man onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoeveel de overeengekomen kinderbijdrage na aftrek van de zorgkorting bedraagt en de rechtbank verder geen uitgangspunten van partijen heeft om deze in het licht van de overeenstemming tussen partijen te berekenen, zal de rechtbank bepalen dat de kinderbijdrage € 348,18 per maand zal zijn. Dit is ook het bedrag waarmee het budgetbeheer van de man rekening houdt.

Partnerbijdrage

3.6.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de man nog steeds onder budgetbeheer staat en dat hij € 100,- per week leefgeld krijgt, waarvan hij zijn boodschappen, benzine, kleding et cetera moet betalen. De vrouw verklaart onder deze omstandigheden haar verzoek om een partnerbijdrage niet langer te handhaven, omdat de man daar op dit moment geen draagkracht voor heeft. Omdat de vrouw haar verzoek intrekt, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.

3.7.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 31 oktober 2016 te Rotterdam;

4.2.

bepaalt dat de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] , [postcode] te Rotterdam;

4.3.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;

4.4.

stelt vast dat de minderjarige in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zal zijn als volgt:

  • -

    met ingang van de datum van deze beschikking verblijft de minderjarige eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 12:00 uur tot 17:00 uur bij de man, te beginnen op zaterdag 21 augustus 2021;

  • -

    na verloop van zes keer verblijft de minderjarige eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de man;

  • -

    na verloop van zes keer verblijft de minderjarige elke zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de man;

  • -

    gedurende de eerste zes maanden wordt de minderjarige gehaald en teruggebracht door de ouders van de man, tenzij partijen in onderling overleg afspreken dat een andere derde het halen en brengen zal verzorgen;

4.5.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 348,18 per maand;

4.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding en het huurrecht;

4.7.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.8.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Stolk op 13 augustus 2021.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.