Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7492

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-07-2021
Datum publicatie
05-08-2021
Zaaknummer
9248962 VZ VERZ 21-9356
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

aanzegverplichting en studiekostenbeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0998
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9248962 VZ VERZ 21-9356

uitspraak: 21 juli 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende in Rotterdam,

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende in [woonplaats A] ,

verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. A.M. Nelis te Den Haag,

tegen

[bedrijf B]

,

gevestigd in [vestigingsplaats B] ,

verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J. Wijnja te Dordrecht.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [persoon A] ’ en ‘ [bedrijf B] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het verzoekschrift, met producties, op de griffie binnengekomen op 28 mei 2021;

  • -

    het verweerschrift met tegenverzoek, met producties, op de griffie binnengekomen op 14 juni 2021;

  • -

    de aanvullende producties aan de zijde van [persoon A] , op de griffie binnengekomen op 18 juni 2021;

  • -

    de akte houdende wijzing van verzoeken aan de zijde van [persoon A] , op de griffie binnengekomen op 22 juni 2021;

  • -

    de aanvullende producties aan de zijde van [bedrijf B] , op de griffie binnengekomen op 22 juni 2021.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2021. [persoon A] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [bedrijf B] zijn verschenen de heer [persoon C] (hierna: [persoon C] ) en mevrouw [persoon D] (hierna: [persoon D] ), bijgestaan door de gemachtigde van [bedrijf B] . Partijen hebben, mede aan de hand van pleitaantekeningen, ieder het eigen standpunt (nader) toegelicht. De pleitaantekeningen van [persoon A] zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen verder ter zitting is besproken.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op vandaag.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

Op 12 september 2019 heeft [persoon A] haar sollicitatiegesprek bij [bedrijf B] gehad. Op 13 september 2019 heeft er een aanvullend gesprek plaatsgevonden waarna op 16 september 2019 per e-mail een aanbod is gedaan. In dit aanbod is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

(…) Wij zijn bereid 50% van de opleidingskosten t.b.v. de opleiding MvK te betalen. 2 maanden voor het examen t.b.v. je MvK opleiding willen wij jou graag in dienst nemen, zodat wij jou kunnen laten meelopen met de VCA/VCU audits als ook je wegwijs te maken ten kantore van [bedrijf B] . (…)”.

2.2

[persoon A] , geboren op [geboortedatum] , is vervolgens op 9 december 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar in dienst getreden bij [bedrijf B] in de functie van Junior auditor VCA/VCU. Haar bruto salaris bedraagt € 3.500,00 per maand, exclusief vakantietoeslag, gebaseerd op een 40-urige werkweek. Op de arbeidsovereenkomst is het personeelsreglement van toepassing.

2.3

In het personeelsreglement is in artikel 12, voor zover van belang, het volgende bepaald:

12.1 Algemeen

[bedrijf B] biedt de werknemers de mogelijkheid om bepaalde opleidingen te volgen. Wanneer een werknemer een opleiding wil volgen zal de werknemer dit eerst bespreken met de directie. De directie beslist vervolgens of de werknemer de opleiding mag volgen en of er een vergoeding wordt gegeven en hoe hoog de vergoeding zal zijn. Er zal dan, wanneer dit niet is overeengekomen in de arbeidsovereenkomst, een aparte studieovereenkomst worden gesloten tussen [bedrijf B] en de werk nemer. m.b.t. de vérplichte PE punten is de Inspecteur verplicht tot deelname, ten einde zijn functie te kunnen blijven uitvoeren.

12.2

Studiekostenregeling

De werknemer en de directie tekenen een studieovereenkomst waarin alle afspraken worden vastgelegd. De volgende bepalingen gelden te allen tijde, tenzij anders schriftelijk wordt overeengekomen met de werknemer.

Terugbetaling: De vergoeding voor betaalde opleidingen en/of cursussen dient door de werk nemer volledig terugbetaald te worden In de volgende gevallen:

- als de werknemer zelf ontslag neemt;

- wanneer de werknemer de opleiding of de cursus vroegtijdig beëindigt, dan wel de opleiding of cursus met een onvoldoende afsluit;

- in geval van een ontslag op staande voet van de werknemer.

- De volgende terugbetalings staffel zal dan worden gehanteerd;

1. eerste jaar: 100% terugbetalen;

2. tweede jaar: 66% terugbetalen;

3. derde jaar: 33% terugbetalen; 4. vierde jaar: 0%.

Al het opleidingsmateriaal wordt door [bedrijf B] volledig vergoed.”.

2.4

[persoon A] heeft zich in mei 2020, na het afronden van haar MVK-opleiding, georiënteerd op de HVK-opleiding. Zij heeft op 25 juni 2020 ten aanzien van deze opleiding aan [persoon C] een voorstel studieovereenkomst gestuurd.

2.5

[persoon D] heeft per e-mail van 2 juli 2020, namens [persoon C] , bevestigd dat hij akkoord is met de voorgestelde studieovereenkomst. [persoon A] betwist deze e-mail te hebben ontvangen.

2.6

[persoon A] heeft verder op 13 juli 2020 het SSVV doorlopen. [persoon A] heeft voor dit assessment een G-factor van 41% gehaald.

2.7

Ook heeft [persoon A] zich op 14 december 2020 bij SSVV aangemeld voor een cognitieve test, waarvan de kosten € 150,00 bedragen welke zijn doorberekend aan [bedrijf B] . Bij brief van 11 maart 2021 heeft SSVV aan [persoon A] bericht dat zij het assessment van 14 december 2020 goed heeft doorlopen en dat zij voldoet aan de opleidingseis voor VCA-auditoren uit VCA 2017/6.0.

2.8

Op 23 maart 2021 heeft, op verzoek van [persoon A] , tussen partijen een gesprek plaatsgevonden over de voortzetting van de arbeidsovereenkomst. [persoon A] heeft in dit gesprek verzocht om voortzetting van de arbeidsovereenkomst met verbeterde arbeidsvoorwaarden. Vervolgens heeft op 26 maart 2021 een aanvullend gesprek plaatsgevonden. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de arbeidsvoorwaarden.

2.9

[persoon A] heeft op 26 maart 2021 om 18:14 uur haar ontslagbrief naar [bedrijf B] gestuurd waarbij zij haar arbeidsovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn heeft opgezegd met ingang van 1 mei 2021.

2.10

Bij brief van 29 maart 2021 heeft [bedrijf B] aan [persoon A] de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 bevestigd. Verder heeft [bedrijf B] aangegeven dat zij zo spoedig mogelijk een overzicht zal opsturen voor wat betreft de te vergoeden bedragen ten aanzien van de studiekosten en scholingsdagen.

2.11

Op 8 april 2021 heeft [bedrijf B] per e-mail aan [persoon A] het overzicht met betrekking tot het (terug) te betalen bedrag van € 33.265,95 (incl. btw) gestuurd.

3. Het verzoek

3.1

[persoon A] verzoekt bij gewijzigd verzoek om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [bedrijf B] op grond van artikel 7:668 BW te veroordelen tot betaling van de vergoeding van € 3.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid (1 april 2021) tot aan de dag van algehele voldoening;

II. [bedrijf B] op grond van artikel 7:623 BW te veroordelen tot betaling van het restant van het salaris over april ter hoogte van € 834,00 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;

III. [bedrijf B] te veroordelen tot, onder gelijke verstrekking van een deugdelijke specificatie, betaling van de eindafrekening waaronder 11 maanden vakantiegeld en een resterend saldo van 17,4 verlofuren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente wanneer dit loon niet tijdig, te weten op 31 mei 2021, is voldaan;

IV. [bedrijf B] te veroordelen om binnen 14 dagen na datum van deze beschikking deugdelijke, juiste en volledige logregistraties te verstrekken waaruit de 20 meeloopdagen blijken in de periode voorafgaand aan 15 december 2020, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 te vermeerderen met € 250,00 voor iedere dag dat de afgifte uitblijft;

V. [bedrijf B] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van instelling van dit verzoek dan wel vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van algehele voldoening.

3.2

Aan haar verzoek heeft [persoon A] , samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat [bedrijf B] de aanzegverplichting op grond van artikel 7:668 lid 3 BW niet is nagekomen, omdat geen sprake is geweest van een schriftelijke aanzegging voor 28 februari 2021. Voor zover [bedrijf B] stelt dat er mondeling is aangezegd is dit volgens [persoon A] niet afdoende.

3.3

Verder heeft [persoon A] in de brief van 26 maart 2021, waarin zij zelf aangeeft de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen, verzocht om een gespecificeerde factuur van de eindafrekening en de eventuele studiekosten. In de brief van 29 maart 2021 heeft [bedrijf B] het einde van het dienstverband per 1 mei 2021 bevestigd en aangegeven dat het overzicht betreffende de studiekosten en scholingsdagen zou volgen. Vervolgens heeft [persoon A] op 8 april 2021 een e-mail ontvangen met een overzicht van de studiekosten en scholingsdagen die [bedrijf B] van haar vergoed wenst te krijgen. Hoewel [persoon A] de nodige vraagtekens bij de geldigheid van het verstrekte overzicht zet, is [bedrijf B] echter al direct – en volgens [persoon A] ongeoorloofd – overgegaan tot verrekening van de studiekosten en studiedagen met het salaris van [persoon A] . [bedrijf B] heeft namelijk een eerste termijn verrekend met het salaris van april 2021, waardoor [persoon A] slechts het minimumloon heeft ontvangen. Inmiddels is tussen partijen het dienstverband geëindigd, maar heeft [persoon A] tot op heden geen eindafrekening en/of specificatie van het vakantiegeld en vakantiedagen ontvangen. Gezien de verrekening met het salaris over de maand april 2021 heeft [persoon A] goede gronden om te twijfelen of de eindafrekening op juiste wijze zal plaatsvinden, dan wel dat zij volledig zal ontvangen waar zij recht op heeft. Zij stelt immers nog recht te hebben op het resterende salaris van april 2021, 11 maanden vakantiegeld en de vergoeding van 17,4 verlofuren.

3.4

Voor wat betreft de logregistraties stelt [persoon A] dat je als auditor iedere drie jaar 20 meeloopdagen met een SSVV Auditor moet hebben gevolgd. Doordat [bedrijf B] geen (volledige) logregistraties verstrekt, is [persoon A] genoodzaakt om de reeds gedane meeloopdagen opnieuw te volgen; [persoon A] wordt hierdoor onnodig belemmerd. Zij heeft dan ook een belang bij een deugdelijke en volledige logregistratie over de periode van 31 maart 2020 tot en met 14 december 2020, waaruit specificatie van de 20 gevolgde meeloopdagen blijkt.

4. Het verweer en het tegenverzoek

4.1

Het verweer van [bedrijf B] strekt tot niet-ontvankelijk verklaring, althans afwijzing van de gewijzigde verzoeken van [persoon A] , met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten. Zij betwist op grond van artikel 7:668 BW de aanzegvergoeding ter hoogte van € 3.500,00 bruto verschuldigd te zijn. Al sinds december 2020 is aan [persoon A] mondeling bevestigd dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2021 stilzwijgend, dus onder dezelfde voorwaarden als waarvoor deze was aangegaan, werd omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit is in januari en februari 2021 nogmaals mondeling bevestigd. [persoon A] wist ruim op tijd precies waar zij aan toe was. In de gegeven omstandigheden heeft de eis van een schriftelijke aanzegging niet meer om het lijf dan het voldoen aan een formaliteit. Onder deze omstandigheden is het beroep van [persoon A] op artikel 7:668 lid 3 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4.2

In de eindafrekening die [bedrijf B] heeft opgesteld, zijn alle door [persoon A] gestelde componenten opgenomen. Het vakantiegeld is berekend over een periode van 11 maanden (1 juni 2020 tot en met 31 april 2021) en bedraagt € 3.095,18 bruto. Het openstaande verlofsaldo is 9,4 uur en bedraagt € 189,79 bruto. In totaal komt dit, samen met het salaris over de maand april 2021, neer op een bedrag van € 4.314,72 netto. Van dit totaalbedrag heeft [bedrijf B] een bedrag van € 1.574,26 aan [persoon A] uitbetaald. Het restant van € 2.740,46 netto is verrekend met de vordering die [bedrijf B] op [persoon A] meent te hebben. Het verzoek om dit bedrag alsnog uit te betalen, dient gelet op het tegenverzoek te worden afgewezen. Voor zover [bedrijf B] dit bedrag niet had mogen verrekenen, verzoekt [bedrijf B] de wettelijke verhoging te matigen.

4.3

[persoon A] heeft op 20 mei 2021 verzocht om haar audit logregistraties. In de functie van auditor dien je over een periode van 3 jaar 20 auditdagen te hebben gevolgd. Bij e-mail van 25 mei 2021 heeft [bedrijf B] de logregistraties aan [persoon A] gestuurd. Uit dit overzicht blijkt dat [persoon A] 46 dagen heeft gevolgd. Deze vordering dient dan ook te worden afgewezen. Voor zover de vordering wel wordt toegewezen, verzoekt [bedrijf B] de gevorderde dwangsommen af te wijzen, dan wel te matigen en te maximeren.

4.4

Bij wijze van tegenverzoek verzoekt [bedrijf B] [persoon A] te veroordelen aan [bedrijf B] te betalen een bedrag van in totaal € 29.523,00 waarvan € 2.740,46 voorwaardelijk, namelijk indien en voor zover het beroep van [bedrijf B] op verrekening tot een bedrag van € 2.740,46 niet mocht worden gehonoreerd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2021 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten. [bedrijf B] legt hieraan ten grondslag dat haar verzoek is gebaseerd op artikel 12.2 van het personeelsreglement, waaruit volgt dat [persoon A] de studiekosten volledig moet terugbetalen nu zij in het eerste jaar van het dienstverband zelf ontslag heeft genomen. Voor zover er tussen [bedrijf B] en [persoon A] voor de betreffende opleidingen geen nadere afspraken zijn gemaakt, moet worden teruggevallen op dit artikel. Voor de opleiding HVK hebben partijen bovendien een aparte studieovereenkomst gesloten.

De studiekosten zijn als volgt opgebouwd:

  • -

    opleiding MVK € 5.863,78 excl. BTW;

  • -

    opleiding HVK € 13.900,00 excl. BTW;

  • -

    SSVV Assessment € 750,00 excl. BTW;

  • -

    SSVV Assessment € 150,00 excl. BTW;

  • -

    cursus scheikunde € 95,00 excl. BTW.

4.5

De verdere standpunten van partijen worden hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, besproken.

5. De beoordeling

Aanzegvergoeding

5.1

Tussen partijen is in geschil of [bedrijf B] aan [persoon A] de aanzegvergoeding verschuldigd is. De kantonrechter stelt voorop dat ingevolge artikel 7:668 lid 1 sub a BW een werkgever verplicht is de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Indien de werkgever deze verplichting in het geheel niet is nagekomen, is hij aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand (artikel 7:668 lid 3 BW).

5.2

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [bedrijf B] niet voldaan aan de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 sub a BW. Weliswaar staat tussen partijen niet ter discussie dat er eerder gesprekken zijn geweest over de toekomst van [persoon A] bij [bedrijf B] ; [persoon A] is hierover door [bedrijf B] echter nimmer schriftelijk geïnformeerd.

5.3

[bedrijf B] heeft zich, onder verwijzing naar een concrete uitspraak van een andere kantonrechter, op het standpunt gesteld dat uit de rechtspraak blijkt dat de eis van een schriftelijke aanzegging geen waarborgfunctie meer heeft indien uit de omstandigheden blijkt dat het voor een werknemer volkomen helder is dat de arbeidsovereenkomst onder dezelfde omstandigheden wordt voortgezet. Een beroep op artikel 7:668 lid 3 BW is in zo’n geval volgens [bedrijf B] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

5.4

De kantonrechter verwerpt dit verweer. Nog afgezien van de omstandigheid dat [persoon A] heeft gesteld dat het voor haar niet volkomen helder was op welke manier haar arbeidsovereenkomst zou worden verlengd, is het enkele feit dat geen schriftelijke aanzegging heeft plaatsgevonden in principe voldoende om aanspraak te kunnen maken op de aanzegvergoeding. De wetgever heeft in artikel 7:668 BW, dat van dwingend recht is, bewust het vereiste van een schriftelijke aanzegging opgenomen. De ratio achter de aanzegplicht is dat een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet tot het einde van de arbeidsovereenkomst in onzekerheid mag worden gelaten over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na ommekomst van de overeengekomen duur. Uit de wetsgeschiedenis volgt verder dat om de positie van de werknemer te versterken van de werkgever wordt verlangd dat een mondelinge toezegging van de werkgever wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht (Kamerstukken I 2013/14. 33 818, C, p. 79). De kantonrechter acht het derhalve naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat in dit geval, waar slechts mondeling en niet (ook) schriftelijk duidelijkheid over het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst is gegeven, aanspraak wordt gemaakt op de aanzegvergoeding.

5.5

Hoewel voorstelbaar is dat de aanspraak van [persoon A] op de aanzegvergoeding, zoals [bedrijf B] heeft aangevoerd, voor [bedrijf B] onrechtvaardig voelt, aangezien zij de arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden wilde voortzetten en het juist [persoon A] is die na het verstrijken van de aanzegtermijn maar voor het einde van het dienstverband de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, leidt dit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet tot een ander oordeel.

5.6

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [bedrijf B] zal worden veroordeeld tot betaling van de aanzegvergoeding aan [persoon A] . De hoogte van het maandsalaris van € 3.500,00 bruto is door [bedrijf B] niet weersproken, zodat dit bedrag aan transitievergoeding zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is eveneens toewijsbaar.

Afgifte logregistraties

5.7

Partijen twisten verder over de vraag of de audit gegevens, zoals deze bij het verweer zijn verstrekt, volledig zijn. [persoon A] stelt dat zij naast de verstrekte gegevens in de periode voor 15 december 2020 nog twintig meeloopdagen heeft gevolgd onder begeleiding; deze meeloopdagen zijn niet terug te vinden in het verstrekte overzicht. [bedrijf B] heeft niet weersproken dat deze meeloopdagen niet zijn opgenomen in het overzicht, maar stelt dat [persoon A] deze niet nodig heeft. De kantonrechter is van oordeel dat het niet aan [bedrijf B] is om te beoordelen of deze meeloopdagen wel of niet in het overzicht dienen te worden opgenomen. Voor zover een werknemer daarom verzoekt, dienen deze verstrekt te worden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het overzicht voor de periode 31 maart 2020 tot en met 14 december 2020 alsnog moeten worden verstrekt. De hieraan verbonden dwangsom zal worden vastgesteld op een bedrag van € 100,00 per dag met een maximum van € 2.500,00.

Inhoudingen en tegenverzoek

5.8

Aangezien de overige verzoeken van [persoon A] en het tegenverzoek van [bedrijf B] met elkaar samenhangen, zal de kantonrechter deze gezamenlijk beoordelen.

5.9

[persoon A] vordert betaling van achterstallig loon van € 834,00 netto over april 2021, vakantiegeld voor een periode van 11 maanden (1 juni 2020 tot en met 31 april 2021) ten bedrage van € 3.095,18 bruto en 17,4 verlofuren ten bedrage van € 351,31.

5.10

[bedrijf B] heeft daar tegenin gebracht dat zij bedragen op het loon heeft ingehouden vanwege de openstaande studiekosten en studiedagen, die [persoon A] vanwege het beëindigen van haar contract aan [bedrijf B] is verschuldigd. [bedrijf B] vordert op haar beurt van [persoon A] betaling van € 29.523,00 waarvan € 2.740,46 voorwaardelijk voor zover de verrekening ter hoogte van dit bedrag met de vorderingen van [persoon A] niet mocht worden gehonoreerd.

Verlofuren

5.11

Partijen twisten over de vraag of [persoon A] aan het einde van haar dienstverband nog recht had 9,4 uur of 17,4 uur verlof. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon A] desgevraagd toegelicht dat één van de studiedagen is verplaatst van een zaterdag naar een woensdag en dat daardoor ten onrechte een studiedag is afgeboekt als verlofdag. [bedrijf B] betwist dat [persoon A] recht had op het hogere aantal verlofuren en stelt daartoe dat [persoon A] niet heeft doorgegeven dat een studiedag is verplaatst van een zaterdag naar een woensdag. Aangezien [persoon A] heeft nagelaten om haar stelling dat zij recht heeft op 17,4 uur verlof nader met stukken te onderbouwen en [bedrijf B] gemotiveerd heeft betwist dat [persoon A] recht heeft op meer dan 9,4 uur verlof, gaat de kantonrechter er in de onderhavige procedure van uit dat [persoon A] nog recht heeft op 9,4 uur verlof ten bedrage van € 189,79 bruto. Dit bedrag is in principe toewijsbaar.

Vakantiegeld

5.12

Partijen zijn het er over en weer over eens dat [persoon A] bij uitdiensttreding recht had op elf maanden vakantiegeld over de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 april 2021 ten bedrage van € 3.095,18 bruto. Dit bedrag is in principe toewijsbaar.

Loon april 2021

5.13

Verder zijn partijen het er over en weer over eens dat [bedrijf B] van het salaris voor de maand april 2021 een bedrag van € 834,00 netto heeft ingehouden. Op grond van artikel 7:623 BW is de werkgever verplicht om het in geld naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen telkens na afloop van het tijdvak waarover het loon op grond van de arbeidsovereenkomst moet worden berekend, zodat ook dit bedrag in principe toewijsbaar is.

Conclusie betalingen

5.14

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [bedrijf B] ter zake van het openstaande verlofsaldo, het vakantiegeld en het salaris voor de maand april 2021 in principe in totaal een bedrag van € 4.314,72 euro netto aan [persoon A] had moeten betalen. Van dit bedrag heeft [bedrijf B] een bedrag van € 1.574,26 netto aan [persoon A] voldaan. Het restant van € 2.740,46 netto is door [bedrijf B] ingehouden en verrekend met de verschuldigde studiekosten, zoals ook blijkt uit de verstrekte eindafrekening die is bijgevoegd bij het verweerschrift. Nu deze eindafrekening is overgelegd bij het verweerschrift heeft [persoon A] geen rechtens de respecteren belang bij haar verzoek tot verstrekken van dit document, zodat dit gedeelte van haar verzoek zal worden afgewezen.

5.15

Voor de vraag of het ingehouden bedrag van € 2.740,46 alsnog door [bedrijf B] aan [persoon A] moet worden uitbetaald, is van belang of [persoon A] aan [bedrijf B] een vergoeding voor de gevolgde studies en/of cursussen moet betalen. Daarover wordt als volgt overwogen.

Wettelijk kader

5.16

Het standaardarrest over het studiekostenbeding Muller/Van Opzeeland over het terugvorderen van loonkosten (10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2816) kan als uitgangspunt worden gebruikt en analoog worden toegepast op het onderhavige studiekostenbeding. In dit arrest is de Hoge Raad ingegaan op de materiële vereisten ten aanzien van een studiekostenbeding. De Hoge Raad heeft overwogen dat het systeem van de wet zich niet verzet tegen een terugbetaling van studiekosten, wanneer het gaat om een regeling die:

  1. de tijdspanne vaststelt gedurende welke de werkgever geacht wordt baat te hebben van de door de werknemer tijdens diens studiewerkzaamheden verworven kennis en vaardigheid;

  2. bepaalt dat de werknemer, indien de dienstbetrekking eindigt, het loon over die periode aan de werkgever zou moeten terugbetalen, en

  3. deze terugbetalingsverplichting vermindert naar evenredigheid van het voortduren van de dienstbetrekking gedurende de onder a. bedoelde tijdspanne.

Indien niet aan deze vereisten is voldaan, is het studiekostenbeding nietig. Een mogelijke terugbetalingsverplichting geldt dan niet.

De geldigheid van het studiekostenbeding

5.17

[persoon A] heeft aangevoerd dat de in het reglement opgenomen studiekostenregeling niet voldoet aan de voormelde vereisten. Dit verweer slaagt niet. Het staat vast dat de door [persoon A] gevolgde opleidingen hebben bijgedragen aan de door haar uitgevoerde werkzaamheden en dat die opleidingen hiervoor op termijn ook noodzakelijk waren. Door in het studiekostenbeding een maximale periode van vier jaar na het afronden van de opleiding op te nemen, heeft [bedrijf B] duidelijk geformuleerd dat de tijdspanne gelijk was aan de genoemde periode waarbinnen moest worden terugbetaald. [persoon A] wordt dan ook niet gevolgd in haar standpunt dat het voor haar niet duidelijk is geweest dat zij bij een eventueel einde van het dienstverband de eventueel gemaakte kosten voor de opleidingen zou moeten terugbetalen.

5.18

In artikel 12.2 van het personeelsreglement staat opgenomen dat [persoon A] , indien de arbeidsovereenkomst tijdens het volgen van of binnen drie jaar na afloop van de opleiding wordt beëindigd, de kosten over die periode dient terug te betalen. In dit artikel is een glijdende schaal opgenomen, waarbij naarmate het dienstverband langer duurt de terugbetalingsverplichting wordt verminderd. Gelet op het voorgaande voldoet artikel 12.2 van het personeelsreglement aan de door de Hoge Raad vastgestelde criteria. Dit leidt tot de conclusie dat het tussen partijen gesloten studiekostenbeding rechtsgeldig is overeenkomen.

De MVK-opleiding

5.19

[bedrijf B] heeft bij e-mail van 16 september 2019 per e-mail aan [persoon A] aangeboden om de opleidingskosten ten behoeve van de MVK-opleiding voor 50% te betalen, zonder dat [bedrijf B] daarbij enig voorbehoud heeft gemaakt. [bedrijf B] is hiermee naar het oordeel van de kantonrechter uitdrukkelijk afgeweken van artikel 12.2 van het personeelsreglement, waarin is bepaald dat [persoon A] - in het geval dat zij binnen het eerste jaar ontslag heeft genomen - 100% van de studiekosten moet terugbetalen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [persoon A] slechts 50% van de door [bedrijf B] voldane kosten voor de MVK-opleiding ten bedrage van € 5.863,78 exclusief btw aan [bedrijf B] moet terugbetalen. [persoon A] moet derhalve een bedrag van € 2.931,89 exclusief btw aan [bedrijf B] terugbetalen.

De HVK-opleiding

5.20

Op grond van artikel 12.2 van het personeelsreglement is de werknemer gehouden om 100% van de studiekosten aan [bedrijf B] terug te betalen, als de werknemer zelf ontslag neemt in het eerste jaar. Die situatie doet zich hier voor. [persoon A] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat zij de gevorderde studiekosten voor de HVK-opleiding niet verschuldigd is, omdat er geen separate studieovereenkomst is opgesteld terwijl dit volgens artikel 12.2 van het personeelsreglement wel vereist is. Hoewel dit artikel inderdaad vermeldt dat de werknemer en de directie een studieovereenkomst tekenen waarin alle afspraken worden vastgelegd, vermeldt dit artikel tevens dat de onderhavige bepalingen te allen tijde gelden, tenzij anders schriftelijk wordt overeengekomen met de werknemer. Partijen twisten over de vraag of zij ten aanzien van de kosten van de HVK opleiding een separate studieovereenkomst zijn overeengekomen. [persoon A] heeft immers betwist dat zij de e-mail van 2 juni 2020 heeft ontvangen. Dit kan echter ten aanzien van deze kosten in het midden blijven. In de door [persoon A] aan [bedrijf B] toegezonden studieovereenkomst is immers bepaald dat [persoon A] is gehouden tot terugbetaling van alle studiekosten bij eenzijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst tijdens de studieperiode, waarvan in dit geval, naar [bedrijf B] onweersproken heeft gesteld, eveneens sprake is. Ook indien partijen deze studieovereenkomst zijn overeengekomen, moet [persoon A] de voor de HVK-opleiding gemaakte studiekosten dus aan [bedrijf B] terugbetalen.. De omstandigheid dat de kosten voor de HVK-opleiding een groot deel van het jaarsalaris van [persoon A] bedragen, leidt niet tot een ander oordeel.

5.21

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [persoon A] aan [bedrijf B] de gemaakte studiekosten ter hoogte van € 13.900,00 exclusief btw dient terug te betalen. [persoon A] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

De SSVV-assessments en de cursus scheikunde

5.22

Het is niet gebleken dat partijen ter zake van de SSVV-assessments en de cursus scheikunde van het personeelsreglement afwijkende afspraken hebben gemaakt, zodat voor de terugbetaling van de kosten voor deze assessments en de cursus moet worden teruggevallen op artikel 12.2 van het personeelsreglement. [persoon A] is op grond van die bepaling gehouden om 100% van de studiekosten voor de SSVV-assessments en de cursus scheikunde aan [bedrijf B] terug te betalen.

5.23

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [persoon A] aan [bedrijf B] de gemaakte kosten ter hoogte van € 995,00 exclusief btw dient terug te betalen. [persoon A] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

De totale door [persoon A] terug te betalen studiekosten
5.24 Gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverwegingen 5.20 tot en met 5.24 is overwogen, bedraagt de totale terugbetalingsverplichting van [persoon A] ter zake van de door [bedrijf B] voor haar opleidingen betaalde kosten een bedrag van € 17.826,89 exclusief btw.

5.25

Hetgeen [bedrijf B] voor het overige in haar tegenverzoek van [persoon A] heeft gevorderd, wordt afgewezen. Deze afwijzing vloeit deels voort uit hetgeen in rechtsoverweging 5.20 is overwogen en deels uit de omstandigheid dat de door [bedrijf B] gevorderde opleidingskosten slechts optellen tot een bedrag van in totaal € 20.758,78 exclusief btw. Voor zover [bedrijf B] heeft bedoeld aan te voeren dat het restant van haar vordering betrekking heeft op het over de studiedagen (lesdagen) door [bedrijf B] aan [persoon A] betaalde salaris is de kantonrechter van oordeel dat [bedrijf B] dit gedeelte van haar vordering onvoldoende heeft gespecificeerd. [bedrijf B] heeft immers niet inzichtelijk gemaakt hoe dit gedeelte van haar vordering is opgebouwd.

Verrekening

5.26

Nu geoordeeld is dat [persoon A] aanspraak kan maken op het loon voor de maand april 2021, het vakantiegeld voor de periode 1 juni 2020 tot en met 31 april 2021 en 9,4 verlofuren ter hoogte van € 2.740,46 en [bedrijf B] aanspraak kan maken op € 17.826,89 exclusief btw ter zake de voorgeschoten studiekosten, wordt toegekomen aan het beroep op verrekening. Gelet op het feit dat [persoon A] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de door [bedrijf B] verzochte verrekening zullen de voormelde bedragen met elkaar worden verrekend. Dat leidt tot de conclusie dat [persoon A] , na verrekening, nog een bedrag van € 15.086,43 exclusief btw aan [bedrijf B] is verschuldigd. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen. De door [bedrijf B] gevorderde wettelijke rente over de nog openstaande hoofdsom, zal als onweersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

Proceskosten

5.27

Nu partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in het verzoek en in het tegenverzoek

veroordeelt [bedrijf B] om aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 3.500,00 bruto ter zake aanzegvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW, vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [bedrijf B] om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [persoon A] de auditgegevens over de periode tot 15 december 2020 te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor iedere dag dat [bedrijf B] daar na betekening van deze beschikking niet aan voldoet, met dien verstande dat [bedrijf B] maximaal een bedrag van € 2.500,00 aan dwangsom zal kunnen verbeuren;

veroordeelt [persoon A] om aan [bedrijf B] te betalen een bedrag van € 15.086,43 exclusief btw ter zake van terug te betalen studiekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW, vanaf 18 april 2021 tot aan de dag van algehele voldoening;

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44485