Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:745

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-01-2021
Datum publicatie
12-02-2021
Zaaknummer
8509382 CV EXPL 20-14154
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling achterstallige premie/eigen bijdrage toegewezen. Gedaagde heeft betalingsbewijzen overgelegd, maar daarna onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij die betalingen gestorneerd heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8509382 CV EXPL 20-14154

uitspraak: 15 januari 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

het publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met eigen rechtspersoonlijkheid (zbo)

CAK

zetelende te 's-Gravenhage

eiseres,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “CAK” respectievelijk “ [naam gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 28 april 2020, met productie;

  • -

    het schriftelijke antwoord van [naam gedaagde] middels een e-mail d.d. 28 april 2020, met producties;

  • -

    de nadere e-mail van [naam gedaagde] d.d. 20 mei 2020;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de schriftelijke reactie van [naam gedaagde] middels een e-mail d.d. 13 juli 2020, met producties;

  • -

    de akte van het CAK, met productie;

  • -

    de rolbeslissing van de kantonrechter van 9 oktober 2020, waarin [naam gedaagde] in de gelegenheid is gesteld te reageren op de akte van het CAK;

  • -

    de schriftelijke reactie van [naam gedaagde] middels een e-mail d.d. 14 oktober 2020, met producties.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Het CAK is op grond van artikel 2.1.4 lid 6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) belast met de vaststelling en inning van de eigen bijdragen welke de zorgontvanger op grond van artikel 3.1 Besluit Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (hierna: Bmo) is verschuldigd voor het ontvangen van een maatwerkvoorziening en/of een persoonsgebonden budget welke is/zijn verstrekt in het kader van de uitvoering van de Wmo.

2.2

[naam gedaagde] heeft maatwerkvoorzieningen ontvangen (Zorg zonder Verblijf), welke zijn verstrekt in het kader van de uitvoering van de Wmo. Vanaf periode 1 van het jaar 2019 is de door [naam gedaagde] verschuldigde eigen bijdrage bij beschikking d.d. 27 februari 2019 vastgesteld op een bedrag van € 17,50 per periode van vier weken.

2.3

Bij facturen d.d. 23 augustus 2019 (kenmerk [kenmerknummer 1] , ten bedrage van

€ 17,50), 20 september 2019 (kenmerk [kenmerknummer 2] , ten bedrage van € 13,13),

19 november 2019 (kenmerk [kenmerknummer 3] ten bedrage van € 4,38) en 13 december 2019 (kenmerk [kenmerknummer 4] , ten bedrage van € 17,50) heeft het CAK een bedrag van in totaal € 52,51 aan eigen bijdrage in rekening gebracht voor Zorg zonder Verblijf.

2.4

Op (onder meer) 22 januari 2020 en 12 februari 2020 heeft (de gemachtigde van) het CAK [naam gedaagde] schriftelijk aangemaand tot betaling van de onder 2.3 genoemde facturen.

3. Het geschil

3.1

Het CAK heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [naam gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 52,51 aan hoofdsom, € 0,48 aan verschenen rente en € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 52,51 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [naam gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Aan haar vorderingen heeft het CAK – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. De betalingsverplichting van [naam gedaagde] vloeit voort uit de betalingsbeschikkingen/facturen zoals vermeld onder 2.2 in combinatie met de beschikking Wmo van 27 februari 2019. [naam gedaagde] heeft de termijnen voor bezwaar en beroep tegen deze beschikkingen ongebruikt laten verstrijken. Dit betekent dat de beschikkingen formele rechtskracht hebben verkregen, zodat de vordering tussen partijen vaststaat. [naam gedaagde] is, ondanks herhaalde aanmaning en sommatie, in gebreke gebleven met de tijdige en volledige betaling van de door haar aan het CAK verschuldigde hoofdsom van

€ 52,51. Door de wanbetaling van de zijde van [naam gedaagde] zag het CAK zich genoodzaakt haar gemachtigde in te schakelen en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Deze kosten ten bedrage van € 48,40 (inclusief btw) dienen voor rekening van [naam gedaagde] te komen.

Voorts maakt het CAK aanspraak op de wettelijke rente, waaronder een bedrag van

€ 0,48 aan verschenen rente, berekend tot de dag van de dagvaarding.

3.3

[naam gedaagde] heeft – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – aangevoerd dat uit de door haar in de procedure overgelegde rekeningafschriften en (foto’s van) betalingsbewijzen blijkt dat de gevorderde bedragen reeds aan het CAK zijn betaald.

3.4

Op de overige stellingen van partijen wordt – indien van belang voor de uitkomst van deze procedure – hierna teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

Tussen partijen staat vast dat [naam gedaagde] voor de door haar op grond van de Wmo ontvangen voorziening Zorg zonder Verblijf een eigen bijdrage is verschuldigd aan het CAK.

Gesteld noch gebleken is dat [naam gedaagde] bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de bedragen aan eigen bijdrage dan wel tegen de facturen voor de eigen bijdrage zoals vermeld onder 2.3. Beoordeeld dient dus vooral te worden of zij de verschuldigde bedragen aan het CAK betaald heeft, zoals [naam gedaagde] zelf stelt. In dat verband wordt het volgende overwogen.

4.2

De door het CAK gevorderde hoofdsom ten bedrage van € 52,51 heeft betrekking op de facturen voor de eigen bijdrage over de perioden gelegen in juli, augustus, september en oktober 2019. De betalingsbewijzen die [naam gedaagde] in de procedure heeft overgelegd laten in eerste instantie ten gunste van haar zien dat de betreffende bedragen reeds zijn betaald. Het CAK heeft dit betalingsverweer echter weerlegd door bij akte – onder overlegging van de financiële kaart van [naam gedaagde] – te stellen dat [naam gedaagde] de betalingen zoals vermeld onder 2.3 gestorneerd heeft.

4.3

[naam gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om op de inhoud van de laatste akte van het CAK te reageren. Opgemerkt wordt dat zij ter reactie opnieuw een betalingsoverzicht in de procedure heeft gebracht. Dit overzicht heeft echter geen betrekking op de perioden waar de vordering op ziet en daarnaast zijn de bedragen niet zichtbaar. De stelling van het CAK dat [naam gedaagde] de door haar gedane betalingen ter zake de eigen bijdrage over de perioden gelegen in juli, augustus, september en oktober 2019 gestorneerd heeft, wordt niet separaat door [naam gedaagde] weersproken. De kantonrechter zal daarom uitgaan van de juistheid van de stellingen van het CAK, hetgeen betekent dat de hoofdsom ten bedrage van € 52,51 toegewezen wordt.

4.4

De gevorderde rente van € 0,48 berekend tot de dag van de dagvaarding wordt – als op de wet gegrond en niet separaat weersproken– toegewezen. De wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding zal worden toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

4.5

CAK maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voor de hoogte van de toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten zoekt de kantonrechter aansluiting bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en de toewijsbare hoofdsom. Gelet op de hoogte van de hoofdsom is derhalve aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 48,40 (incl. btw) toewijsbaar.

4.6

[naam gedaagde] zal als de in het (grotendeels) ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van CAK.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [naam gedaagde] om aan CAK tegen kwijting te betalen € 101,39 aan hoofdsom, verschenen rente en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak van de zijde van CAK vastgesteld op € 229,09 aan verschotten (€ 124,00 griffierecht + € 105,09 explootkosten) en € 72,00 (2 punten à € 36,00 per punt) aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44240