Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7188

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-07-2021
Datum publicatie
29-07-2021
Zaaknummer
10/811053-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW 1994; aanrijding personenauto met voetganger. Dodelijke afloop.

Gevangenisstraf 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk; proeftijd 3 jaar + OBM 4 jaar.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto door zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam te rijden, te weten onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol (775 microgram/l) en met een snelheid die hoger was dan ter plaatse verantwoord was, een voetganger aangereden die met haar hond de rijbaan overstak. De voetganger, een 70-jarige mevrouw , is aan de gevolgen van dit ongeval ter plaatse overleden. De verdachte heeft ernstige schuld aan dit ongeval. Ook is de verdachte na het ongeval doorgereden zonder zijn identiteit bekend te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/811053-19

Datum uitspraak: 29 juli 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboortedatum verdachte] op [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 juli 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest en

  • -

    ten aanzien van feit 1 primair een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

4. Waardering van het bewijs ten aanzien van feit 1

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Allereerst kan de verdachte zich niets meer herinneren van het ongeval. Hij is onwel geworden en in de middag in de auto gestapt en nadien is hij 24 uur kwijt in zijn geheugen. Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat de verdachte zeer of aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met een aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid heeft gereden. Niet kan immers worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk de maximum snelheid heeft overschreden, omdat de conclusie van de verbalisanten niet objectief is vastgesteld en geen steun vindt in de verschillende getuigenverklaringen. Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte, gelet op alle omstandigheden ter plaatse, de voetganger had moeten zien en tijdig had kunnen remmen om het ongeval te voorkomen. Weliswaar verkeerde de verdachte op het moment van het ongeval onder invloed van alcohol, maar er kan niet met zekerheid worden gesteld dat de verdachte het ongeval had kunnen voorkomen als hij niet had gedronken. Met andere woorden, het causaal verband tussen het rijden onder invloed van alcohol (de gedraging) en het ongeval ontbreekt. Bovendien is de enkele vaststelling dat de verdachte onder invloed van alcohol zijn auto heeft bestuurd onvoldoende voor de aanname van schuld in de zin van artikel 6 WVW (Hoge Raad 16 december 2014, NJ 2015/107).

Tevens is bepleit dat de verdachte van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Vaststaande feiten en omstandigheden

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in het dossier als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 22 juli 2019, omstreeks 22.12 uur, heeft een ernstig verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto en een voetganger waren betrokken.

[naam slachtoffer] , die als voetganger met een aangelijnde hond liep, is de rijbaan van de Gordelweg te Rotterdam, tussen de Donker Curtiusstraat en de doorsteek in de heg (van zuid naar noord), overgestoken. Zij en haar hond zijn tijdens de oversteek aangereden door de bestuurder van een witte personenauto. De bestuurder van de personenauto verliet de plaats van het ongeval zonder zijn identiteit kenbaar te maken en zonder zich om de toestand van het slachtoffer en haar hond te bekommeren.

Op het moment dat de politie ter plaatse kwam werd het slachtoffer levenloos op het wegdek aangetroffen en is tevergeefs geprobeerd haar te reanimeren. Ook de hond van het slachtoffer bleek dood te zijn. Kort daarna kwam de zoon van het slachtoffer ter plaatse die verklaarde dat hij zijn moeder zocht. Hij overhandigde een identiteitskaart met daarop de naam [naam slachtoffer] . De foto op de identiteitskaart kwam overeen met die van het slachtoffer. Ter plaatse werd naast het slachtoffer een kentekenplaat aangetroffen met het kenteken [kentekennummer] . Dit kenteken was afgegeven voor een wit gekleurde Audi A4 Avant (hierna: Audi) op naam van [naam] .

Desgevraagd verklaarde [naam] dat alleen haar partner [naam verdachte] (hierna: de verdachte) de Audi gebruikt, dat hij die ochtend naar zijn werk was gereden en dat hij nog niet thuis was. Daarop heeft de politie om 22.45 uur telefonisch contact opgenomen met de verdachte, die verklaarde dat hij op een volkstuincomplex aan de Terletweg te Rotterdam was. Daar aangekomen spraken verbalisanten de verdachte aan en roken zij een sterke alcohollucht uit de mond van de verdachte. Ook zagen de verbalisanten dat de Audi aan de voorzijde geen kentekenplaat meer had en dat er in de voorruit, ter hoogte van de bijrijdersstoel, een gat van ongeveer 20 bij 30 centimeter zat. Ook zagen zij dat er bloed op het gebarsten glas van de voorruit zat. Daarop is de verdachte om 22.50 uur aangehouden.

Uit onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is gebleken dat het bloed op de voorruit overeenkomt met het DNA van het slachtoffer en dat haar DNA ook is aangetroffen op de bijrijdersstoel en op de middenconsole in de Audi. Ook blijkt uit onderzoek door het NFI dat op de kleding van de verdachte veel glassplinters van de voorruit van de Audi zijn aangetroffen.

Beoordeling

Allereerst stelt de rechtbank vast - hetgeen overigens ook niet door de verdachte wordt betwist - dat op basis van bovenstaande feiten, het niet anders kan dan dat de verdachte de Audi heeft bestuurd en betrokken was bij het verkeersongeval.

De centrale vraag in deze strafzaak is de schuldvraag; is er aan de zijde van de verdachte sprake van schuld aan dit verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de WVW?

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW is vereist dat vast komt te staan dat een verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten ongeval plaatsvindt. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld. Ook een beperkte, tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Concreet betekent dit, dat hoe erg de gevolgen van een ongeluk ook zijn, daaruit niet automatisch volgt dat de bestuurder strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Om een zeer, dan wel aanmerkelijke, mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vast te stellen, dient de rechtbank te kijken naar alle op basis van de bewijsmiddelen vaststaande feiten en omstandigheden van het geval.

Rijden met een te hoge snelheid

Door het ontbreken van rem- of blokkeersporen op het wegdek en omdat de Audi niet meer op de plaats van het ongeval werd aangetroffen, was het niet mogelijk om op eenvoudige wijze een snelheidsberekening uit te voeren. Gelet op vergelijkende botsproeven en opgemeten werpafstanden van voetgangers die door een motorvoertuig met een bepaalde snelheid zijn aangereden, hebben de verbalisanten bepaald dat de indicatieve botssnelheid van de Audi zeer waarschijnlijk heeft gelegen tussen de 50 en 60 km/uur.

Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan deze conclusie van de verkeersongevallenanalyse (VOA), omdat deze conclusie steun vindt in twee getuigenverklaringen. Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat de Audi hard reed en getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat de Audi, vanuit tegengestelde richting, “hem met een bliksemgang voorbij scheurde”.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte ten tijde van het ongeval met een snelheid tussen de 50 en 60 km/uur reed, terwijl ter plaatse maximaal 50 km/uur is toegestaan. Vast staat dat de Audi verlichting voerde, zodat de verdachte de overstekende voetganger, gelet op haar positie op het wegdek, had moeten opmerken. Dat heeft hij niet gedaan en daardoor heeft de verdachte evenmin zijn snelheid (tijdig) aangepast aan de gedragingen van een zwakkere verkeersdeelnemer, terwijl hij dat wel had kunnen én behoren te doen.

Rijden onder invloed

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte omstreeks 23.45 uur heeft meegewerkt aan een ademonderzoek en dat het resultaat daarvan 775 microgram uitgeademde lucht per liter (microgram /l) bleek te zijn.

Uit ter zitting besproken informatie afkomstig van de Jellinek kliniek, over de invloed van alcohol op het rijgedrag, blijkt onder andere dat na het gebruik van alcohol de reactiesnelheid vertraagt en dat het blikveld versmalt. Een promillage tot 0,5 is toegestaan. Vanaf een promillage van 0,5 gaat de reactiesnelheid omlaag en vermindert het vermogen koers te houden. Bij een promillage van 1,51, wat overeenkomt met ongeveer 660 microgram/l, neemt de kans op een ongeval maar liefst 2.000% toe, ofwel is die kans 20 keer zo hoog dan rijden zonder alcohol in het lichaam.

Aangezien het ademonderzoek pas circa anderhalf uur na het ongeval werd verricht en de verdachte na het ongeval geen alcohol meer heeft gedronken, moet het alcohol promillage van de verdachte ten tijde van het ongeval nog aanmerkelijk hoger dan 1,51 zijn geweest. Dat de verdachte sterk onder invloed van alcohol zijn auto heeft bestuurd leidt de rechtbank ook af uit de omstandigheid dat hij na het ademonderzoek voorover van zijn stoel viel, hoogstwaarschijnlijk als gevolg van de door hem genuttigde alcohol. Desgevraagd heeft de verdachte ook verklaard dat hij 20 bier “of zo” had gedronken.

Mate van schuld

Deze gedragingen zijn naar hun aard en ernst zodanig dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Door zijn rijgedrag heeft de verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt, als gevolg waarvan [naam slachtoffer] is overleden.

Conclusie

Het onder 1 primair ten laste gelegde is daarom wettig en overtuigend bewezen.

5. Bewezenverklaring feiten 2 en 3 zonder nadere motivering

De verdediging heeft zich ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten - kort gezegd: dronken rijden en doorrijden na een ongeval - gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

6. Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 22 juli 2019 te Rotterdam

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door met dat motorrijtuig zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Gordelweg,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

-met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50

km/u maar in elk geval met een gelet op de omstandigheden te hoge snelheid, heeft

gereden en

-niet (tijdig) heeft opgemerkt dat een voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , doende

was de rijbaan van die Gordelweg over te steken en die rijbaan (inmiddels)voor een (groot) gedeelte was overgestoken en

-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn

voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte,

de weg kon overzien en waarover deze vrij was en

-met een snelheid gelegen tussen ongeveer 50 en 60 km/uur in botsing is gekomen met die [naam slachtoffer] , waardoor die [naam slachtoffer] werd gedood,

zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel

8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 22 juli 2019 te Rotterdam, als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik

van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 775 microgram

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken

was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan de Gordelweg, op 22 juli 2019, de plaats van dat ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, een

ander (te weten [naam slachtoffer] ) werd gedood.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

7. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten 1 primair en 2 leveren op:

eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 eerste of tweede lid;

en

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van feit 3

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

8. Strafbaarheid verdachte

Standpunt verdediging

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij rond 15.30 uur bij een klant, een tandartspraktijk in Dordrecht, is weggegaan, omdat hij zich niet goed voelde. Hij kan zich enkel herinneren dat hij naar zijn auto is gelopen, dat hij het raam open heeft gedaan en dat hij een sigaret heeft opgestoken. Daarna heeft hij een black-out gehad totdat hij op het politiebureau was. Hierdoor heeft hij naar eigen zeggen het ongeval op 22 juli 2019, omstreeks 22.12 uur, moeten reconstrueren met behulp van de bevindingen in het dossier, omdat hij zich door die black-out niets kan herinneren. Aangevoerd is dat de verdachte op 2 augustus 2019 naar de huisarts is gegaan die hem naar een cardioloog en een neuroloog heeft verwezen. Weliswaar kwam uit medisch onderzoek geen fysieke afwijking naar voren, maar als oorzaak voor zijn black-out zou wel zijn gesproken over Transient Global Amnesia (hierna: TGA) ofwel een tijdelijk algeheel geheugenverlies.

Beoordeling

De rechtbank acht deze verklaring over een black-out als gevolg van TGA niet aannemelijk als verklaring voor het rijgedrag van de verdachte.

In de eerste plaats blijkt uit de bij de pleitnota overgelegde bijlage afkomstig van de huisarts van de verdachte, dat het de verdachte is geweest die de mogelijkheid van een TGA heeft geopperd. Die diagnose wordt in het geheel niet door (door de resultaten van onderzoek door) de huisarts en/of een neuroloog ondersteund.

In de tweede plaats had het voor de hand gelegen dat als de verdachte zich rond 15.30 uur niet goed voelde, hij direct naar zijn huisarts of naar huis zou zijn gereden, en/of zich toen al zou hebben laten brengen (taxi). In plaats daarvan is hij vanuit Dordrecht naar [naam café] aan het [adres] gereden alwaar hij van 16.18 uur tot 21.57 uur heeft verbleven. Terwijl hij dus urenlang in dit café verbleef, heeft hij blijkbaar niet alleen heel veel alcohol gedronken, maar heeft hij ook drie selfies (om 17.36 uur, 17.37 uur en 18.36 uur) gemaakt en met zijn (inmiddels ex-)partner en zijn vriendin geappt waarbij er inhoudelijk en coherent is gecommuniceerd. Deze gedragingen passen niet bij iemand die stelt vanaf 15.30 uur urenlang een black-out te hebben gehad.

Gelet op het resultaat van het ademonderzoek, 775 microgram/l anderhalf uur na het ongeval, en de omstandigheid dat de verdachte na dat onderzoek voorover van zijn stoel viel, lijkt het er meer op dat de door de verdachte gestelde black-out pas achteraf, dus na het ongeval, is opgetreden en eerder verband lijkt te houden met zijn buitensporige alcoholconsumptie. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van de verdachte, over een aan het ongeval voorafgaande black-out als gevolg van TGA, slechts een manier om de verantwoordelijkheid voor dit fatale ongeval buiten zichzelf te leggen.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

9. Motivering straffen

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto door zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam te rijden, te weten onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol en met een snelheid die hoger was dan ter plaatse verantwoord was, een voetganger aangereden die met haar hond de rijbaan overstak. De voetganger, de 70-jarige [naam slachtoffer] , is aan de gevolgen van dit ongeval ter plaatse overleden. De verdachte heeft ernstige schuld aan dit ongeval. Als de verdachte zich in het verkeer anders had gedragen, had het ongeval niet plaatsgevonden en was het slachtoffer niet overleden. Ook is de verdachte na het ongeval doorgereden zonder zijn identiteit bekend te maken.

Door zijn rijgedrag heeft de verdachte diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het overleden slachtoffer. Op de zitting hebben de zoon en dochter van het slachtoffer een slachtofferverklaring voorgelezen waarin zij naar voren hebben gebracht dat zij een zeer groot verdriet hebben om het plotselinge onherstelbare verlies van hun moeder. De rechtbank rekent dit leed en verdriet de verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft in een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 juni 2021 gezien dat de verdachte een aantal maal eerder is veroordeeld voor rijden onder invloed. Bij de afdoening van één van die eerdere zaken heeft de verdachte een cursus van het CBR moeten volgen over de gevaren van alcohol in het verkeer. Helaas heeft de verdachte daar geen lering uit getrokken.

Gezien de ernst van met name het onder 1 primair bewezen verklaarde feit en in verband met een juiste normhandhaving kan niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid. Daarbij is gekeken naar de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd, waarbij de rechtbank ook heeft gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting ter zake artikel 6 WVW, zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij na het ongeval is doorgereden en dat hij zich niet om het dodelijk gewonde slachtoffer heeft bekommerd. Hoewel hulp van de kant van de verdachte het slachtoffer gelet op de ernst van haar verwondingen niet meer had kunnen baten, is het voor de nabestaanden extra schrijnend dat de verdachte zijn verantwoordelijkheid op dat moment volstrekt niet heeft genomen. Ook nadien heeft de verdachte nagelaten contact te zoeken met de nabestaanden om zijn spijt en medeleven te betuigen.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden, zoals door de officier van justitie is gevorderd, in beginsel passend. Echter, gelet op het tijdsverloop in deze zaak en gelet op de omstandigheid dat (een langdurige) detentie voor de verdachte en zijn onderneming verstrekkende gevolgen heeft, zal de rechtbank een groot gedeelte van deze gevangenisstraf, namelijk 6 maanden, in voorwaardelijke vorm opleggen. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden om nogmaals een strafbaar feit te begaan.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Gelet op de ernst van de verkeersfouten zal de rechtbank tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 4 jaren. Zij zal deze bijkomende straf koppelen aan het onder feit 1 primair bewezen verklaarde.

10. In beslag genomen voorwerpen

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen Audi A4 Avant verbeurd te verklaren, omdat het onder feit 1 primair ten laste gelegde met de Audi is begaan.

Beoordeling

Ten aanzien van de in beslag genomen Audi A4 Avant zal een last worden gegeven tot teruggave aan de kentekenhouder. Zij heeft de delicten niet gepleegd en kon in redelijkheid ook niet vermoeden dat de verdachte met dit voertuig deze strafbare feiten zou plegen.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

12. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

ten aanzien van feit 1 (primair):

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 4 (vier) jaren;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave van de Audi A4 Avant aan de kentekenhouder.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en F.J.E. van Rossum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juli 2021.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 juli 2019 te Rotterdam

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door met dat motorrijtuig zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met

aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden

op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Gordelweg,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

-met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50

km/u, althans met een gelet op de omstandigheden te hoge snelheid, heeft

gereden en/of

-terwijl er sprake was van duisternis/schemer geen verlichting heeft gevoerd

en/of

-niet (tijdig) heeft opgemerkt dat een voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , doende

was de rijbaan van die Gordelweg over te steken en/of die rijbaan (inmiddels)voor een (groot) gedeelte was overgestoken en/of

-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn

voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte,

de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

-met een snelheid gelegen tussen ongeveer 50 en 60 km/uur in botsing of

aanrijding is gekomen met die [naam slachtoffer] ,

waardoor die [naam slachtoffer] werd gedood,

zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel

8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 juli 2019 te Rotterdam ais bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto) daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Gordelweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die

weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

-met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50

km/u, althans met een gelet op de omstandigheden te hoge snelheid, heeft

gereden en/of

-terwijl er sprake was van duisternis/schemer geen verlichting heeft gevoerd

en/of

-niet (tijdig) heeft opgemerkt dat een voetganger doende was de rijbaan van

die Gordelweg over te steken en/of die rijbaan (inmiddels) voor een (groot)

gedeelte was overgestoken en/of

-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot

stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon

overzien en waarover deze vrij was en/of

-met een snelheid gelegen tussen ongeveer 50 en 60 km/u in botsing of

aanrijding is gekomen met die voetganger;

art 5 Wegenverkeerswet

2.

hij op of omstreeks 22 juli 2019 te Rotterdam, als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik

van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 775 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

3.

hij, ais degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken

was geweest bij een verkeersongeval

dat had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan de Gordelweg,

op of omstreeks 22 juli 2019,

de plaats van dat ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een

ander (te weten [naam slachtoffer] ) werd gedood, althans zwaar lichamelijk letsel

werd toegebracht;

art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994