Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7162

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
26-07-2021
Zaaknummer
KTN-8947185_07052021
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van restant aanneemsom toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8947185 CV EXPL 20-47622

uitspraak: 7 mei 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam 1],

woonplaats: [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. N. Roodenburg,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam 2],

woonplaats: [woonplaats gedaagde]

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “[gedaagde]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 10 december 2020, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde], met producties;

  • -

    het aanvullende schriftelijke verweer van [gedaagde], met nadere producties;

  • -

    het tussenvonnis van 8 februari 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de aantekening van de griffier dat de mondelinge behandeling 15 april 2021 heeft plaatsgevonden.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bij vervroeging bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Omstreeks oktober 2017 heeft [eiser] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden verricht aan het pand aan de [adres].

2.2

Op 26 maart 2018 heeft [eiser] per post een factuur naar [gedaagde] verzonden, met factuurnummer 201808, waarmee € 6.584,52 inclusief btw in rekening is gebracht voor de verrichte werkzaamheden.

2.3

Bij (per e-mail verzonden) brief van 28 juni 2020, met als bijlage de factuur van

26 maart 2018, heeft de gemachtigde van [eiser] - verkort weergegeven - aan [gedaagde] meegedeeld dat van het in rekening gebrachte bedrag van € 6.584,52 een deel, te weten

€ 2.500,- is voldaan, maar dat het bedrag van € 4.084,52 onbetaald is gebleven en dat daarover € 743,86 rente verschuldigd is geworden. [gedaagde] is verzocht om binnen tien dagen € 4.828,38 te betalen en tevens te kennen gegeven dat aanspraak zal worden gemaakt op € 75,- aan incassokosten als betaling binnen de gestelde termijn uitblijft.

2.4

Bij e-mailbericht van 29 juni 2020 heeft [gedaagde] hierop gereageerd.

2.5

Bij e-mailbericht van 28 september 2020 heeft de gemachtigde van [eiser] - verkort weergegeven - aan [gedaagde] meegedeeld, onder overlegging van een conceptdagvaarding, dat hij binnen één week € 5.063,98 moet betalen en, zo niet, dat de vordering aan de kantonrechter zal worden voorgelegd.

3. Het geschil

3.1

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 4.084,82 (lees: € 4.084,52) aan hoofdsom, € 829,16 aan verschenen wettelijke handelsrente tot en met 14 september 2020 en € 150,- aan buitengerechtelijke kosten. Met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen niet na het vonnis zijn voldaan.

3.2

Aan zijn vordering legt [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat van het door hem gefactureerde bedrag in verband met de onder 2.1 vermelde werkzaamheden een bedrag van € 4.084,52 onbetaald is gebleven, ook na aanschrijving van [gedaagde] om tot betaling daarvan over te gaan. Hierdoor is [gedaagde] naast de hoofdsom tevens rente verschuldigd geworden. Tevens wordt aanspraak gemaakt op een vergoeding in verband met gemaakte buitengerechtelijke kosten.

3.3

[gedaagde] voert verweer.

3.4

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de vordering nader besproken.

4. De beoordeling

4.1

Niet is in geschil dat [eiser] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] de onder 2.1 vermelde werkzaamheden heeft verricht.

4.2

Ook is niet in geschil dat [eiser] per post de factuur van 26 maart 2018 met factuurnummer 201808 naar [gedaagde] heeft verzonden. Dat hij de factuur destijds heeft ontvangen is wel bestreden, maar dat verweer kan [gedaagde] niet baten, want onderbouwd is gesteld dat de betreffende factuur nogmaals is verzonden naar [gedaagde] als bijlage bij het

e-mailbericht van 28 juni 2020. Op dat e-mailbericht heeft [gedaagde] gereageerd, zodat hij in ieder geval sinds 28 juni 2020 bekend is met de inhoud van de factuur.

4.3

Andere facturen zijn volgens [eiser] niet verzonden, waarvan wordt uitgegaan omdat [gedaagde] zijn verweer op dit punt niet heeft toegelicht en onderbouwd.

4.4

Tegen het gefactureerde bedrag van € 6.584,52 is geen althans geen steekhoudend verweer gevoerd, want niet is gemotiveerd waarom [gedaagde] het niet eens is met het bedrag.

4.5

[gedaagde] voert aan dat een merendeel van het bedrag betaald is, maar niet genoemd is welk bedrag betaald is. Dat er meer betaald is dan [eiser] stelt, is niet althans niet genoegzaam onderbouwd. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld aan te voeren dat betalingen zijn verricht door bedragen te doen bijschrijven op een bankrekening van [eiser], geldt dat op basis van de door hem overgelegde bankafschriften, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet de conclusie kan worden getrokken dat de rekening van [eiser] met diverse bedragen, met een gezamenlijk beloop van meer dan € 2.500,- is gecrediteerd. [eiser] heeft dat weersproken.

4.6

Daar waar [eiser] stelt dat [gedaagde] inmiddels € 2.500,- heeft betaald, heeft [gedaagde] aanvankelijk aangevoerd € 1.500,- contant te hebben betaald, dus minder dan het bedrag waarvan [eiser] uitgaat. Het latere standpunt van [gedaagde] dat het merendeel van het in rekening gebrachte bedrag is betaald, blijkt niet uit de door hem in het geding gebrachte WhatsApp-berichten. Het WhatsAppbericht van 14 december 2018 waarin [eiser] aan [gedaagde] te kennen geeft die maand € 4.500,- van hem te willen ontvangen, waarop [gedaagde] aangeeft zijn best te zullen doen, biedt veeleer steun voor het gestelde door [eiser] dat het grootste deel van het gefactureerde bedrag onbetaald is gebleven. Ook WhatsApp-berichten nadien duiden erop dat [gedaagde] geld verschuldigd is gebleven aan [eiser].

4.7

Kortom, [gedaagde] heeft geen twijfel doen rijzen ten aanzien van het gefactureerde bedrag van € 6.584,52 en hij heeft niet aangetoond meer te hebben betaald dan het door [eiser] gestelde bedrag van € 2.500,-. [gedaagde] is ook niet verschenen bij de mondelinge behandeling, zodat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn verweer nader toe te lichten en te concretiseren, terwijl nader bewijs niet is aangeboden. Daarom wordt er geen aanleiding gezien om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen om bewijs te leveren van de beweerdelijk gedane betalingen.

4.8

Bij deze stand van zaken wordt er rechtens vanuit gegaan dat [eiser] tegenover [gedaagde] recht heeft op betaling van € 4.084,52. Dat bedrag wordt dus toegewezen. Dat geldt ook voor het bedrag van € 829,16 aan verschenen wettelijke handelsrente tot en met

14 september 2020 en het bedrag € 150,- aan buitengerechtelijke kosten, waartegen geen verweer is gevoerd.

4.9

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 322,85 aan verschotten (griffierecht, explootkosten en informatiekosten) en € 611,- aan salaris voor de gemachtigde. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. Een en ander met rente.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 4.084,52 aan hoofdsom,

€ 829,16 aan verschenen wettelijke handelsrente tot en met 14 september 2020 en € 150,- aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op:

  • -

    € 322,85 aan verschotten;

  • -

    € 611,- aan salaris voor de gemachtigde;

  • -

    voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

en indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 124,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [gedaagde] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465