Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7016

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
9057356 CV EXPL 21-8159
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op opschorting afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9057356 \ CV EXPL 21-8159

uitspraak: 11 juni 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Vloertechniek B.V.,

gevestigd te: Vlaardingen,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 16 februari 2021,

gemachtigde: mr. S.M. van Luijk te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te: [vestigingsplaats gedaagde];

gedaagde,

vertegenwoordigd door [naam], eigenaar.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Vloertechniek’ respectievelijk ‘[gedaagde]’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het namens [gedaagde] op de rolzitting 4 maart 2021 gegeven mondelinge antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek.

1.2

[gedaagde] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet op de conclusie van repliek gereageerd.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Vloertechniek heeft begin 2020 in opdracht en voor rekening van [gedaagde] een monoliet betonvloer onder afschot op de begane grond en op de verdieping van [naam bedrijf] te [plaatsnaam] (een klant van [gedaagde]) geleverd en aangebracht.

2.2

Vloertechniek heeft de door haar uitgevoerde werkzaamheden bij factuur van 19 maart 2020 ad € 37.850,-- aan [gedaagde] in rekening gebracht.

2.3

[gedaagde] heeft een bedrag van € 22.000,-- betaald.

2.4

Vloertechniek en haar gemachtigde hebben [gedaagde] meerdere malen tot betaling van het restantbedrag gemaand.

3. De vordering

3.1

Vloertechniek heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen:

I. de hoofdsom ad € 15.850--, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente tot en met de dag der dagvaarding ten bedrage van € 1.091,65, te vermeerderen met de wettelijke

vertragingsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

II. de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 933,50, te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

III. de kosten van het geding, inclusief de kosten van een eventuele executie.

3.2

Aan haar vordering heeft Vloertechniek naast de onder 2. genoemde vaststaande feiten

- zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

[gedaagde] is tekort is geschoten in de nakoming van de, op haar uit hoofde van de met Vloertechniek gesloten overeenkomst rustende betalingsverplichting door, ondanks daartoe te zijn aangemaand, het restantbedrag van de factuur van 19 maart 2020 van € 15.850,00 niet te voldoen. Vloertechniek vordert dit bedrag aan hoofdsom.

3.2.2

Op grond van artikel 6:119a BW is [gedaagde] vertragingsrente verschuldigd ter hoogte van de wettelijke rente, berekend over de periode waarmee de betalingstermijn van 8 dagen

na factuurdatum is overschreden tot aan de dag der algehele voldoening en die berekend tot de dag van dagvaarding € 1.091,65 bedraagt.

3.2.3

[gedaagde] is op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 BW buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd van € 933,50.

4. Het verweer

[gedaagde] heeft samengevat weergegeven het volgende als verweer aangevoerd.

Vloertechniek heeft een betonvloer geleverd bij een klant van [gedaagde]. Bij de oplevering is geconstateerd dat de vloer niet helemaal glad was en dat op bepaalde plekken op de vloer een soort van bult blijft staan. [gedaagde] heeft aangegeven een deel van de factuur te zullen betalen en dat het probleem dan opgelost zou worden. De klant van [gedaagde] kan de ruimte echter niet leeghalen vanwege spullen die daar opgeslagen zijn. [gedaagde] zit tussen Vloertechniek en de klant in. [gedaagde] heeft immers te maken met een klant die ook problemen heeft. [gedaagde] is bereid het restantbedrag van de factuur te betalen, maar wil dan wel de garantie dat de kwaliteit van de vloer goed is. De klant heeft de toezegging gedaan dat zij binnen 4 maanden de hal leeg zal gaan maken.

5. De beoordeling

5.1

Het geschil ziet op de vraag of [gedaagde] het restantbedrag van de factuur van 19 april 2020 van € 15.850--, aan Vloertechniek dient te voldoen.

5.2

[gedaagde] stelt dat zij bereid is betalen als de kwaliteit van de vloer in orde is. De kantonrechter begrijpt dit verweer aldus dat [gedaagde] meent dat zij gerechtigd is haar betalingsverplichting op te schorten tot de vloer in orde is.

5.3

Op grond van artikel 6:52 BW is de schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen de vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. De vraag die voorligt is of aan [gedaagde] een beroep op opschorting toekomt.

5.4

Vloertechniek heeft in reactie op het verweer van [gedaagde] gesteld dat na het storten van de vloer weliswaar sprake was van onvlakheden, maar dat uit diverse metingen, die in bijzijn van [naam], zijn uitgevoerd, is gebleken dat de onvlakheden binnen de tolerantie vielen. Desondanks heeft Vloertechniek voorgesteld om samen met [gedaagde] nog een meting uit te voeren, om te kunnen controleren of de vlakheid van de betreffende vloer (al dan niet) voldoet. Om deze meting uit te kunnen voeren, dient het betreffende deel van [adres] ontruimd te worden. [naam bedrijf] geeft echter telkens aan dat dat wegens ruimtegebrek niet mogelijk is. Vloertechniek heeft meerdere malen gevraagd om het meten uit te mogen voeren, maar wordt daartoe niet in de gelegenheid gesteld.

Indien [gedaagde] zou menen een vordering op Vloertechniek te hebben wegens een onjuiste vlakheid van de litigieuze vloer, hetgeen door Vloertechniek wordt betwist, verkeert [gedaagde] in schuldeisersverzuim. [naam bedrijf] stellen Vloertechniek immers niet in staat de vloer in te meten, aldus Vloertechniek.

5.5

[gedaagde] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet voor dupliek geconcludeerd en haar verweer dat de vloer niet voldoet, tegenover de nadere stellingen van Vloertechniek, onvoldoende onderbouwd. In rechte wordt er daarom vanuit gegaan dat de vlakheid van de vloer, zoals door Vloertechniek onbetwist is gesteld, binnen de tolerantiegrens valt. Van een opeisbare vordering tot nakoming aan de zijde van [gedaagde] is, nog daargelaten de niet weersproken stelling van Vloertechniek dat sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [gedaagde] omdat geen medewerking tot controle van de vloer wordt verleend, geen sprake. Aan [gedaagde] komt dan ook geen beroep op opschorting toe. Dit betekent dat de hoofdsom van € 15.850-- zal worden toegewezen.

5.6

De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 933,50 wordt eveneens toegewezen nu [gedaagde] in verzuim is, Vloertechniek incassohandelingen heeft verricht waartoe zij in redelijkheid kon overgaan en de gevorderde vergoeding is berekend volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

5.7

De wettelijke rente wordt als niet weersproken toegewezen met dien verstande dat de gevorderde rente op rente in is strijd met de desbetreffende wettelijke bepaling en daarom niet voor toewijzing vatbaar is. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat Vloertechniek deze kosten reeds aan haar incassogemachtigde betaald heeft.

5.8

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Vloertechniekk vastgesteld op € 1.103,92 aan verschotten (waarvan € 90,92 ziet op de dagvaardingskosten en € 1.013,00 op het griffierecht) en € 746,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van € 373,-- per punt).

5.9

De gevorderde executiekosten worden afgewezen, omdat Vloertechniek niet heeft onderbouwd waar deze kosten uit bestaan en deze kosten bovendien niet vooraf kunnen worden begroot.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Vloertechniek tegen kwijting te betalen een bedrag van € 17.875,15 (waarvan € 15.850,-- ziet op de hoofdsom, € 1.091,65 op de vervallen rente en € 933,50 op de buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente over € 15.850,00 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vloertechniek vastgesteld op € 1.103,92 aan verschotten en € 746,-- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

426