Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7008

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
8749091 \ CV EXPL 20-31542
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VVE-bijdragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8749091 \ CV EXPL 20-31542

uitspraak: 30 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de vereniging

[eiseres] ,

gevestigd te: [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 17 augustus 2020,

gemachtigde: Nouta Gerechtsdeurwaarderskantoor B.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

die in persoon procedeert.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 14 oktober 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald die op 10 december 2020 is gehouden;

  • -

    de akte uitlaten tevens houdende vermindering van eis aan de zijde van [eiseres] , met producties;

  • -

    de akte uitlaten aan de zijde van [gedaagde] .

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis (nader) bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[gedaagde] is eigenaar van het appartementsrecht, rechtgevend op het uitsluitend gebruik van het appartement gelegen aan het adres [adres] . Dit appartementsrecht maakt deel uit van de onroerende zaak waarvoor [eiseres] is opgericht. [gedaagde] is van rechtswege lid van [eiseres] en is gehouden tot betaling van de in de vergadering van [eiseres] vastgestelde bedragen (hierna: [eiseres] -bijdrage).

2.2

[eiseres] -bijdrage bedroeg laatstelijk € 143,28 per maand.

2.3

In de ledenvergadering van 19 september 2010 zijn ‘de maatregelen bij het niet tijdig betalen van aan [eiseres] door de leden’ vastgesteld. Deze luiden als volgt:

“(…)

'Maatregelen bij het niet tijdig betalen aan [eiseres] door de leden’

Hierbij wordt u voor alle duidelijkheid op de hoogte gebracht van de procedure die [naam bedrijf] hanteert wanneer u de vastgestelde bijdragen, zoals maandelijkse bijdragen, extra bijdragen en, indien van toepassing, het voorschot en de afrekening van de stookkosten niet tijdig aan [eiseres] betaalt. Het doel van deze procedure is om achterstanden te voorkomen bij [eiseres] .

De maandelijkse bijdragen zijn verschuldigd op de eerste van iedere maand. Dat betekent dat de maandelijkse bijdragen bij vooruitbetaling dienen te worden voldaan. Wanneer u een machtiging heeft afgegeven voor het incasseren van bijdragen loopt u minder risico dat er achterstanden ontstaan. Het is wel van belang dat u ervoor zorgt dat er op het moment van incasseren voldoende saldo op uw rekening staat.

(…)

Wanneer zonder voorafgaande afstemming met [naam bedrijf] één van de bovengenoemde bijdragen niet tijdig wordt voldaan, volgt [naam bedrijf] de hierna volgende procedure. Voor alle duidelijkheid: deze procedure wordt gevolgd om de financiële belangen van [eiseres] te beschermen.

1. In de maand dat de vordering is vervallen ontvangt de eigenaar die achter is met betalen een eerste herinnering. De kosten van deze herinneringsbrief bedragen € 0,-. In deze brief wordt een wettelijke betaaltermijn gehanteerd van 14 dagen.

2. Na 14 echter binnen 30 dagen na het versturen van de eerste herinneringsbrief wordt gecontroleerd of de achterstand inmiddels is voldaan. Indien na de controle blijkt dat de betaling nog steeds niet bijgeschreven is op de rekening van [eiseres] , wordt een tweede herinneringsbrief gestuurd. De kosten van deze brief bedragen € 15,00. In deze brief krijgt u een betaaltermijn van 14 dagen.

3. Na 14 echter binnen 30 dagen na het verzenden van de tweede herinneringsbrief wordt de administratie wederom gecontroleerd. Indien ook dan blijkt dat de achterstand niet is voldaan, wordt een laatste herinnering (met ingebrekestelling) gestuurd. In deze brief wordt vermeld dat indien er niet tijdig wordt betaald, de zaak uit handen wordt gegeven aan een deurwaarder of incassobureau. De kosten van deze brief bedragen € 25,00. In deze brief krijgt u een betaaltermijn van 14 dagen. Let op: dit is de laatste herinnering die door [naam bedrijf] wordt verzonden. Mocht de zaak uit handen gegeven moeten worden dan zullen alle kosten worden doorbelast op de nalatige betaler.

4. Indien na 14 dagen na het verzenden van de laatste herinneringsbrief blijkt dat niet tot betaling is overgegaan, wordt de zaak uit handen gegeven aan een deurwaarderskantoor of incassobureau. Alle kosten die hiermee zijn gemoeid zijn voor rekening van de nalatige betaler. Tot deze kosten behoren onder andere de door [naam bedrijf] gemaakte kosten ad € 195, - (inclusief BTW) voor het uit handen geven van het dossier, de aanmaningskosten, de wettelijke rente, de kosten van het deurwaarders- c.q. incassobureau en alle buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten en eventuele executiekosten.

Zoals u ziet worden bij de verzending van herinneringsbrieven in sommige gevallen kosten in rekening gebracht. Deze kosten zijn bedoeld om een stimulans te vormen om op tijd te betalen. Daarnaast zijn zij een vergoeding voor [naam bedrijf] voor de extra administratieve werkzaamheden die door het te laat betalen moeten worden verricht.

(…)”

3. De vordering

3.1

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te voldoen het bedrag van € 2.188,53 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2020, althans vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening over € 2.080,00;

II. [gedaagde] te veroordelen aan [eiseres] te voldoen al de toekomstige maandelijkse door [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigde servicekosten, per vervaldatum (elke 1e van de maand), die [gedaagde] als eigenaar van een appartementsrecht - en daarmee van rechtswege als lid van eiseres conform de tussen partijen geldende bepalingen - aan [eiseres] verschuldigd is vanaf 1 september 2020;

III. een en ander de somma van € 25.000,00 niet te boven gaande, zodat de kantonrechter van Uw Rechtbank bevoegd is van onderhanden geschil kennis te nemen;

IV. [gedaagde] te veroordelen in alle proceskosten van dit geding waaronder griffierecht, verschotten en salaris gemachtigde.

3.2

Aan haar vordering heeft [eiseres] naast de vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

[gedaagde] heeft verzuimd [eiseres] -bijdragen over de periode augustus 2019 tot en met augustus 2020 te voldoen. De achterstand over deze periode bedraagt € 1.840,50.

[eiseres] vordert tevens de toekomstige termijnen vanaf 1 september 2020.

[eiseres] vordert een bedrag van € 239,50 voor de voor haar verrichte incassowerkzaamheden. [eiseres] is daartoe op grond van de in de ledenvergadering van 19 september 2010 vastgestelde de ‘maatregel bij het niet tijdig betalen aan [eiseres] ’ gerechtigd.

Omdat betaling ondanks sommaties uitbleef, heeft [eiseres] haar vordering ter incasso uit handen moeten geven en is zij incassokosten verschuldigd geworden. Deze kosten van

€ 377,51 komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW eveneens voor rekening van [gedaagde] .

[eiseres] maakt tevens aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente, die berekend tot en met 14 augustus 2020 € 17,58.

[gedaagde] heeft na sommaties een bedrag van € 286,56 betaald, zodat [eiseres] in totaal nog een bedrag van € 2.188,53 van [gedaagde] te vorderen heeft.

4. Het verweer

4.1

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

4.1.1

[gedaagde] heeft al 5 jaar te kampen met lekkages, vocht en schimmel in zijn woning.

De voormalige beheerder, [naam] , heeft destijds buiten [eiseres] om besloten de lekkage en de vervolgschade te herstellen. Vervolgens is [naam] ontslagen als beheerder. Een aantal maanden na het ontslag van [naam] ontstond weer lekkage in een slaapkamer op de 2e verdieping en kort daarna ook op de derde verdieping. [gedaagde] heeft dit bij de nieuwe beheerder, [naam bedrijf] , gemeld, maar er werd niets ondernomen. Daarop heeft [gedaagde] besloten de betaling van [eiseres] -bijdragen op te schorten.

4.1.2

[gedaagde] heeft in de loop van de tijd veelvuldig per mail en telefoon contact gehad met de [naam bedrijf] , naar de problemen werden niet verholpen. Pas nadat hij zijn verweer in de onderhavige procedure kenbaar heeft gemaakt, is [naam bedrijf] bereid gebleken m tot herstel over te gaan. De schade buiten is hersteld, maar [gedaagde] heeft nog steeds lekkage in zijn woning.

4.1.3

[gedaagde] heeft de achterstallige termijnen inmiddels betaald, maar hij maakt bezwaar tegen de bijkomende kosten. Het opschorten van de betaling van [eiseres] bijdragen was de enige mogelijkheid om na een periode van 5 jaar lekkages herstel bij [eiseres] af te dwingen.

5. De beoordeling

5.1

Geoordeeld wordt dat de door [gedaagde] gestelde klachten niet in de weg staan aan zijn betalingsverplichting jegens [eiseres] met betrekking tot de maandelijks verschuldigde

VvE-bijdragen. Artikel 5:121 BW heeft in dat verband immers een bijzondere procedure voorgeschreven. In dit artikel is bepaald dat een appartementseigenaar met betrekking tot bepaalde handelingen waarvoor hij toestemming/medewerking behoeft van [eiseres] , en een dergelijke toestemming/medewerking niet wordt verleend, om een vervangende machtiging van de kantonrechter kan worden verzocht. [gedaagde] had in verband met de door hem gestelde lekkages deze speciale procedure moeten volgen. Het stond [gedaagde] dan ook niet vrij de betaling van [eiseres] -bijdragen op te schorten. Het verweer van [gedaagde] mist dan ook doel.

5.2

Het geschil alleen nog op de vraag welk bedrag aan VvE-bijdragen, kosten en rente [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigd is.

5.3

[eiseres] heeft in haar akte van 27 januari 2021 een recente specificatie van haar vordering overgelegd. In die specificatie heeft zij tevens [eiseres] -bijdragen over de maand januari 2021 gevorderd. De vordering inzake toekomstige, nog te vervallen bijdragen, is slechts toewijsbaar tot het einde van het ten tijde van de dagvaarding lopende boekjaar.

De reden van deze beperking is dat de hoogte van de bijdragen nadien nog niet vast staat. Uit de specificatie blijkt voorst niet hoe de hoofdsom van € 2.796,40 is opgebouwd en voorst is onduidelijk welke betalingen van [gedaagde] in het door [eiseres] gestelde bedrag van € 2.526,40 zijn verwerkt. De kantonrechter gaat daarom uit van de specificatie die als productie 9 bij brief van 30 november 2020 door [eiseres] is overgelegd en waarin [eiseres]

-bijdragen tot en met de maand december 2020 zijn verwerkt.

5.4

Uit die specificatie en de daarop gegeven toelichting die beiden door [gedaagde] niet zijn weersproken blijkt dat [gedaagde] berekend tot en met de maand december 2020 een bedrag van € 2.366,56 aan [eiseres] verschuldigd welk bedrag als volgt is opgebouwd:

- € 2.127,06 aan VvE-bijdragen tot en met de maand december 2020 en

- € 239,50 aan incassokosten.

5.5

Door [eiseres] is in haar brief van 30 november 2020 onbetwist gesteld dat [gedaagde] op 17 september 2020 en op 15 oktober 2020 bedragen van elk € 900,00 heeft betaald, zodat een bedrag van € 1.800,00 mindering strekt op de toe te wijzen bedragen.

5.6

Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten van € 239,50 heeft [eiseres] onbetwist gesteld dat [gedaagde] deze kosten op grond van de in de ledenvergadering van 19 september 2010 vastgestelde ‘maatregel bij het niet tijdig betalen aan [eiseres] ’ aan haar verschuldigd is. Uit de door [eiseres] overgelegde producties blijkt dat [eiseres] de in de maatregel beschreven procedure heeft gevolgd. De tussen partijen bedongen incassokosten worden toegewezen. De op de voet van artikel 6:96 BW gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat toewijzing daarvan zou betekenen dat de buitengerechtelijke incassokosten dubbel aan [gedaagde] in rekening zouden worden gebracht. In punt 4 van de maatregel staat immers expliciet beschreven dat de kosten van het deurwaarders- c.q. incassobureau en alle buitengerechtelijke kosten, gerechtelijke kosten en executiekosten onder deze kosten vallen.

5.7

De door [eiseres] gevorderde vervallen wettelijke rente van € 17,58 berekend tot

14 augustus 2020 wordt toegewezen. De gevorderde rente vanaf 14 augustus 2020 wordt toegewezen op de wijze zoals hierna bij de beslissing vermeld.

5.8

Op grond van artikel 6:44 BW strekken betalingen eerst in mindering op de kosten, vervolgens op de vervallen rente en ten slotte op de hoofdsom en de lopen de rente. Dit betekent dat aan hoofdsom een bedrag van € 584,14 wordt toegewezen (€ 2.127,06 +

€ 239,50 + € 17,58 - € 1.800,--).

5.9

Eventueel nadien nog door [gedaagde] verrichte betalingen strekken vanzelfsprekend in mindering op het toegewezen bedrag.

5.10

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 604,09 aan verschotten en € 561,00 aan salaris voor de gemachtigde (3 punten van € 187,00 per punt)

5.11

[eiseres] heeft in haar akte van 27 januari 2021 verzocht de kosten van de aanwezigheid van de deurwaarder bij de inspectie van 8 januari 2020 in de proceskostenveroordeling mee te nemen. Nu [eiseres] haar vordering niet ex artikel 131 Rv. met deze kosten heeft vermeerderd komen deze kosten niet voor toewijzing in aanmerking.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 584,14 te, vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het saldo vanaf 14 augustus 2020 dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke creditmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag der algehele voldoening

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 604,09 aan verschotten en € 561,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

426