Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:7005

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
9088261 \ CV EXPL 21-10223
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VVE-bijdragen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9088261 \ CV EXPL 21-10223

uitspraak: 18 juni 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de vereniging

[eiseres] ,

gevestigd te: [vestigingsplaats eiseres],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 8 maart 2021,

gemachtigde: Van Houwelingen & Partners Gerechtsdeurwaarders & Incasso te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

die in persoon procedeert.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] respectievelijk [gedaagde].

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[gedaagde] is eigenaar van het appartementsrecht, rechtgevend op het uitsluitend gebruik van het appartement gelegen aan het adres [adres].

[gedaagde] is van rechtswege lid van de [eiseres].

2.2

De [eiseres] heeft de door [gedaagde] verschuldigde ledenbijdrage vastgesteld op een bedrag van € 172,45 per maand.

3. De vordering

3.1

De [eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) [gedaagde] te veroordelen om aan de [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van € 1.183,05, vermeerderd met de wettelijke rente over € 886,34 te rekenen vanaf

4 maart 2021, tot aan de dag der algehele voldoening alsmede met:

b) een bedrag van € 172,45 voor iedere maand, te rekenen na maart 2021 zolang [gedaagde] eigenaar is van bovengenoemd perceel, hoofdsom en rente een bedrag van € 25.000,00 niet te boven gaande;

c) [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris voor de gemachtigde van de [eiseres].

3.2

Aan de eis is naast de onder 2. genoemde vaststaande feiten - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

[gedaagde] is, ondanks sommaties, in gebreke gebleven met betaling van een bedrag van

€ 886,34. Dit bedrag bestaat uit stookkostenafrekeningen, een boete en ledenbijdragen tot en met de maand maart 2021. De [eiseres] heeft haar vordering uit handen gegeven aan haar gemachtigde, die buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. De [eiseres] vordert op grond van artikel 6:74 BW jo 6:96 lid 2 sub c jo 6:96 lid 5 BW een vergoeding voor deze kosten van € 266,58 (incl.46,27 btw).

Voorts maakt de [eiseres] aanspraak op de wettelijke rente die, berekend tot 4 maart 2021,

€ 30,13 bedraagt.

4. Het verweer

[gedaagde] heeft zakelijk weergeven en voor zover van belang het volgende als verweer aangevoerd.

De bij dagvaarding overgelegde specificatie van de hoofdsom is haar niet duidelijk.

Zij heeft sinds zij het appartement heeft gekocht een bedrag van € 211,49 betaald en geen

€ 172,64. [gedaagde] betaalt wel eens te laat, maar zij betaalt uiteindelijk wel.

In de hoofdsom is een bedrag van € 25,-- aan boete begrepen, omdat zij een keer niet kon komen vanwege haar werk.

[gedaagde] heeft een rijschool die als gevolg van de door de overheid ingevoerde cornonamaatregelen stil is komen te liggen. Daarnaast is zij ziek geweest. Als zij zou kunnen betalen deed zij dat.

De [eiseres] levert geen goede service. Zo moet een barst in haar raam worden verholpen, de deuren in de hal gaan niet goed dicht, mensen kunnen vallen over een rubberen mat bij binnenkomst, een ijzeren stuk metaal zit los bij de voordeur en er is sprake van stankoverlast, aldus [gedaagde].

5. De beoordeling

5.1

De [eiseres] heeft ter onderbouwing van de door haar gevorderde hoofdsom van € 886,34 als productie 1 bij dagvaarding een specificatie overgelegd.

5.2

[gedaagde] heeft ten aanzien van deze specificatie bij antwoord gesteld dat hierin een boete is begrepen van € 25,-- omdat zij een keer niet komen. [gedaagde] heeft geen juridische consequenties aan deze stelling verbonden. Voor zover zij met deze stelling bedoelt de verschuldigdheid van de boete te betwisten gaat dit verweer niet op. De [eiseres] heeft hier immers onbetwist tegenover gesteld dat de boete haar grondslag vindt in het reglement en daarom door [gedaagde] verschuldigd is.

5.3

[gedaagde] heeft bij antwoord voorts aangevoerd dat zij sinds de aankoop van het appartement een bedrag van € 211,49 heeft betaald en geen € 172,64. Voor zover [gedaagde] hiermee bedoelt te stellen zij met deze betalingen aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan, had het op haar weg gelegen die stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting door de [eiseres], met onderliggende stukken zoals betaalbewijzen te onderbouwen. Dit heeft [gedaagde] niet gedaan, zodat dit verweer als onvoldoende onderbouwd wordt verworpen.

5.4

De door [gedaagde] bij antwoord aangevoerde persoonlijke omstandigheden kunnen, hoe verstrekkend deze ook voor haar zijn, niet aan de [eiseres] worden tegengeworpen en ontslaan haar niet van haar betalingsverplichting jegens de [eiseres].

5.5

[gedaagde] heeft bij dupliek aangevoerd dat de [eiseres] geen goede service verleent. Voor zover zij hiermee een beroep op opschorting van haar betalingsverplichting heeft willen doen, treft dit beroep geen doel. In de eerste plaats dienen alle verweren bij antwoord te worden opgeworpen. Dit verweer is dus te laat gevoerd. Bovendien staan de door [gedaagde] gestelde klachten niet in de weg aan haar betalingsverplichting jegens de [eiseres]. Artikel 5:121 BW heeft in dat verband een bijzondere procedure voorgeschreven die [gedaagde] had moeten volgen. In dit artikel is bepaald dat een appartementseigenaar met betrekking tot bepaalde handelingen waarvoor hij toestemming/medewerking nodig heeft van de [eiseres], en die toestemming/medewerking niet wordt verleend, om een vervangende machtiging van de kantonrechter kan worden verzocht.

5.6

Nu [gedaagde] (verder) geen inhoudelijk verweer tegen de gevorderde hoofdsom van

€ 886,34 heeft gevoerd zal deze worden toegewezen.

5.7

De vordering inzake toekomstige, nog te vervallen, bijdragen, wordt toegewezen vanaf maart 2021 tot het einde van het ten tijde van de dagvaarding lopende boekjaar. De reden van deze beperking is, dat de hoogte van de bijdragen nadien nog niet vaststaat.

5.8

De wettelijke rente wordt als niet weersproken eveneens toegewezen.

5.9

Met het versturen van de brief van 24 maart 2020 is voldaan aan de vereisten zoals neergelegd in artikel 6:96, zesde lid BW. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen voor het gevorderde bedrag van € 266,58 welk bedrag is berekend volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

5.10

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de [eiseres] vastgesteld op € 615,22 aan verschotten en € 746,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van € 373,-- per punt).

5.11

[gedaagde] heeft bij dupliek gesteld dat zij een bedrag van € 1.000,-- naar de gemachtigde van de [eiseres] heeft overgemaakt. Indien de gemachtigde dit bedrag daadwerkelijk heeft ontvangen strekt dit bedrag vanzelfsprekend in mindering op de toegewezen bedragen.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan de [eiseres] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 1.183,05 (waarvan € 886,34 ziet op de hoofdsom, € 30,13 op de vervallen wettelijke rente tot 4 maart 2021 en € 266,58 op de buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente over € 886,34 vanaf 4 maart 2021 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tevens om aan de [eiseres] te voldoen de bijdragen, zodra opeisbaar, ten bedrage van € 172,45 per maand, die vervallen in de periode vanaf maart 2021, tot het einde van het ten tijde van de dagvaarding lopende boekjaar, dan wel zoveel eerder als het lidmaatschap van [gedaagde] zal eindigen;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de [eiseres] vastgesteld op € 615,22 aan verschotten en € 746,-- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

426