Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6995

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
9108351 CC EXPL 21-137
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Zorgen om dreigende tekortkoming vormen geen grondslag voor vordering in kort geding. Geen spoedeisend belang. Geen tekortkoming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9108351 VV EXPL \ 21-137

uitspraak: 10 mei 2021

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 8 april 2021,

gemachtigde: mr. J.W. Vreugdenhil, TLC Advocaten te Enschede,

tegen

[gedaagde]

.

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S.O. Voogt.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de bij brief van 15 april 2021 door de gemachtigde van [gedaagde] overgelegde producties;

  • -

    de door de gemachtigde van [eiseres] bij faxbericht overgelegde producties 31 tot en met 34;

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 april 2021 om 15.00 uur.

Namens [eiseres] is verschenen dhr. [persoon A] bijgestaan door de gemachtigde mr. J.W. Vreugdenhil.

Namens [gedaagde] is verschenen dhr. [persoon B] , bijgestaan door de gemachtigde

mr. S.O. Voogt die tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota heeft voorgedragen die aan het procesdossier is toegevoegd.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

[eiseres] heeft voor onbepaalde tijd aan [gedaagde] verhuurd een bedrijfsruimte gelegen aan het [adres] te ( [postcode] ) Rotterdam, bestemd tot cafébedrijf, hierna te noemen 'het gehuurde'.

2.2

De huurovereenkomst is op 1 mei 1994 gesloten tussen J.J. Hanssen Horeca Exploitatie Mij B.V. als verhuurder en Heineken Nederland B.V. als huurder.

Vanaf 21 juni 1994 werd het gehuurde onderverhuurd aan de rechtsvoorganger van [gedaagde] ; Hobea Speelautomaten B.V.

2.3

Middels een akte van indeplaatsstelling d.d. 1 november 2013 is met ingang van

1 januari 2014 het hoofdhuurderschap door Heineken Nederland B.V. overgedragen aan [gedaagde] .

2.4

Het gehuurde wordt door [gedaagde] met ingang van 1 augustus 2015 onderverhuurd aan mevrouw [persoon C] die het gehuurde exploiteert onder de naam ' [naam café] '.

2.5

Het gehuurde is door [eiseres] in eigendom verkregen op 13 juni 2017. Vanaf 13 juni

2017 is [eiseres] (hoofd)verhuurder van het gehuurde.

2.6

[eiseres] heeft zich na de koop van het gehuurde aangesloten bij de projectgroep ‘Mooi, Mooier Middelland’. Een experiment waarbij de bewoners, ondernemers en de gemeente Rotterdam werken aan verbetering van de wijk Middelland. De betrokkenheid van [eiseres] was erop gericht om samen met een aantal ondernemers en pandeigenaren de uitstraling van hoofdzakelijk de Middellandstraat en het Middellandplein te verbeteren.

2.7

Ter uitvoering en als onderdeel van de betrokkenheid bij deze projectgroep heeft [eiseres] de pui van het gehuurde begin 2019 vernieuwd en voorzien van een nieuw zonnescherm.

2.8

Verder heeft [eiseres] in de loop van de tijd achterstallig onderhoud aan het pand uitgevoerd en daarbij onder ander werkzaamheden laten uitvoeren aan de riolering en het dak.

2.9

In april 2020 is begonnen met de renovatie van de voorgevel van het gehele pand.

2.10

In de periode oktober 2018 tot 3 april 2020 is tussen [eiseres] en [gedaagde] en tussen [eiseres] en de onderhuurster van MutiAction discussie geweest over de uit te voeren werkzaamheden in het pand. Tussen [eiseres] en [gedaagde] bestaat voorts discussie over de uitleg van de huurovereenkomst en de verantwoordelijkheden over en weer.

2.11

Op dinsdag 9 maart 2021 ontving de gemachtigde van [eiseres] van [gedaagde]

per e-mail het bericht dat de cv ketel kapot is met het verzoek om spoedig actie te ondernemen.

2.12

De gemachtigde van [eiseres] heeft op 10 maart 2021 om 14:23 uur als volgt op die mail gereageerd:

“(…)”

Conform artikel 14 van de huurovereenkomst komt het normale onderhoud aan de cv installatie voor rekening van de huurder. Behoudens bijzonderheden dient u dit dus zelf op te pakken.

(…)”

2.13

[gedaagde] , in de persoon van dhr. [persoon B] reageert op 10 maart 2021 om 14:35 -voor zover relevant- als volgt:

“(…)

De cv ketel is kapot dus dit valt niet onder het normale onderhoud zoals u zal begrijpen. Anders had ik er ook mail aan besteed.

(…)”

2.14

De gemachtigde van [eiseres] reageert op 10 maart 2021 om 14:42 uur met onderstaand e-mailbericht:

“(…)

Dank voor uw vlotte reactie. Kunt u mij het laatste onderhoudsrapport en de rapportage toesturen van de installateur die heeft geconstateerd dat de cv ketel kapot is? Voor zover nodig kan de verhuurder dan op basis daarvan passende actie ondernemen.

(…)”

2.15

Dhr. [persoon B] reageert daarop bij e-mail van 10 maart 2021 om 14:55 uur als volgt:

“(…)

Het is niet onze taak om rapportages op te laten stellen. Een kapotte cv ketel merk je snel genoeg als hij het niet meer doet lijkt mij. Mocht tijdens het bezoek van de cv monteur van uw client blijken dat het aan de waterdruk ligt (enige wat onze verantwoordelijkheid is) dan zien we wel een nota van het bezoek tegemoet.

Nu lijkt het mij vooral belangrijk dat uw client iemand langs stuurt voor het repareren en/of vervangen van de ketel.

(…)”

2.16

De gemachtigde van [eiseres] reageert bij e-mail van 11 maart 2021 -voor zover relevant- als volgt:

“(…)

Hoewel het inderdaad niet uw verplichting is om rapportages op te laten stellen adviseer ik u dit wel te (laten) doen omdat u daarmee kunt laten zien dat u op een juiste wijze aan uw onderhoudsverplichting als huurder voldoet. Die verplichting ziet immers op het onderhoud in het algemeen, en niet enkel op de waterdruk.

Conform uw verzoek zal de verhuurder een kundig installateur inschakelen. Mocht uit de opname ter plaatse blijken dat de oorzaak van het defect aan de cv installatie gelegen is in het ontbreken van (deugdelijk) onderhoud, dan zullen de kosten voor uw rekening zijn en integraal aan u worden doorberekend. Zonder omgaand tegenbericht vertrouw ik u daarmee akkoord.

(…)”

2.17

Op donderdag 11 maart 2021 is door [eiseres] aan [gedaagde] bericht dat door haar een installateur ingeschakeld wordt, maar dat de kosten aan [gedaagde] worden doorberekend als achteraf blijkt dat het gaat om werkzaamheden die conform de huurovereenkomst voor rekening van de huurder zijn.

2.18

De installateur is dinsdagochtend 16 maart 2021 ter plaatse geweest en heeft naar aanleiding van zijn bezoek die dag om 11.39 uur het volgende aan [eiseres] gemaild:

“(…)

[persoon A] ,

Betreft de cv ketel [naam café] .

Zoals je ziet op de foto zijn de draadjes kapot geknipt.

Tevens is de automatische ontluchter kapot

Ik weet niet wat ik nog meer tegenkom als ik begin met de reparatie.

(…)”

2.19

Dhr. [persoon B] heeft op 16 maart 2021 om 12.03 het volgende aan de gemachtigde van [eiseres] bericht:

“(…)

De monteur is vanmorgen ter plekke gekomen.

Daarbij heeft hij verschillende problemen geconstateerd welke hij niet allemaal gelijk op kon lossen, dat kan gebeuren.

Naast bovenstaande problemen waren er ook ineens draden doorgeknipt waardoor de ketel nooit heeft kunnen werken in het verleden.

Wij vinden het zeer teleurstellend dat uw client een monteur stuurt welke draden door knipt (laten we hopen per ongeluk) en ons de schuld in de schoenen wil schuiven, laat staan als uw client hier enige weet van had.

Graag horen wij het van u wanneer wij de monteur weer mogen vervangen om de laatste onderdelen te vervangen welke volgens hem vervangen moesten worden.

(…)”

3. De vordering

3.1

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen tot het toelaten van door [eiseres] ingeschakelde werklieden voor zover deze werklieden werkzaamheden komen verrichten op verzoek van [gedaagde] of werkzaamheden moeten verrichten ten behoeve van het waarde behoud van de eigendommen van [eiseres] , een en ander voor zover minimaal 24 uur van te voren door [eiseres] aan [gedaagde] aangekondigd;

II. [gedaagde] te veroordelen na te laten enige door [eiseres] ingeschakelde partij te (laten) hinderen - waaronder begrepen het in woord en/of daad treiteren, kleineren, jennen en pesten - in de uitvoering van de werkzaamheden waartoe zij van [eiseres] opdracht heeft gekregen, voor zover deze werklieden werkzaamheden verrichten op verzoek van [gedaagde] of werkzaamheden moeten verrichten ten behoeve van het waarde behoud van de eigendommen van [eiseres] ;

III. [gedaagde] te veroordelen na te laten opzettelijk schade toe te brengen aan de eigendommen van [eiseres] , waaronder in ieder geval bedoeld:

a. het op een andere manier gebruiken van het zonnescherm dat onderdeel is van het gehuurde dan conform de bij MulitAction bekende gebruiksvoorschriften;

b. het binnen veertien dagen na betekening van het vonnis deskundig laten monteren van de bar met als doel dat de lekkage stopt en niet langer schade aan de vloer van het gehuurde toebrengt;

c. het gat in de vloer achter de bar door [eiseres] te laten herstellen op een door de aannemer geadviseerde wijze dan wel te laten controleren of het gat in de vloer op een juiste wijze is hersteld en dus geen gevaar voor de vloer of de gebruiker oplevert;

IV. [gedaagde] te veroordelen tot het -door een ter zake deskundigen laten- plegen van regulier onderhoud aan de installaties, waaronder de cv installatie, de meterkast en de schoorsteen, conform de huurovereenkomst, waarbij zij [eiseres] op eerste verzoek inhoudelijk informeert over de in haar opdracht uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden en daarvan bewijsstukken toont. Voor alle installaties waaraan de afgelopen achttien maanden geen (aantoonbaar) onderhoud is gepleegd geldt dat deze binnen dertig dagen na betekening van het vonnis in opdracht van [gedaagde] een reguliere onderhoudsbeurt moeten krijgen om op een juiste wijze aan haar onderhoudsverplichting te voldoen;

V. Wat betreft de onder I, II, III en IV uit te spreken veroordelingen te bepalen dat bij niet-nakoming hiervan [gedaagde] een dwangsom zal verbeuren van € 10.000,-- per gebeurtenis en € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan haar veroordeling te voldoen, althans een door de Voorzieningenrechter te bepalen dwangsom;

VI. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, en -voor het geval dat voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt- deze te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na dagtekening van het vonnis, en te vermeerderen met de na het vonnis te komen kosten van tenuitvoerlegging daarvan, die bij betekening van het vonnis in ieder geval € 80,24 exclusief BTW bedragen, op de voet van artikel 3:299 lid 3 BW.

3.2

[eiseres] heeft in het licht van de vaststaande feiten - zakelijk weergeven - het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.

3.2.1

Het enige dat [eiseres] wil is haar eigendommen en de verhouding met haar relaties beschermen. [gedaagde] huurt van [eiseres] en moet zich als goed huurder gedragen. Dat is dus ook de insteek van deze procedure omdat dit helaas niet vanzelfsprekend blijkt te zijn.

3.2.2

[eiseres] wenst in alle redelijkheid de rechten, plichten en fatsoensnormen tussen (onder)huurder en verhuurder duidelijk te hebben en is er niet op gericht de relatie tussen partijen met deze procedure te laten escaleren. [eiseres] zal daarom in beginsel ook geen ontruiming vorderen, maar enkel onthouding van het overlast veroorzakende gedrag door de (onder)huurder en onthouding van het toebrengen van schade aan het gehuurde.

3.2.3

[eiseres] heeft ervoor gekozen om de hoofdhuurder [gedaagde] ter zake in rechte te betrekken en niet (mede) de onderhuurster, mevrouw Obradovic. [eiseres] heeft namelijk hoofdzakelijk met [gedaagde] gecommuniceerd en [gedaagde] is aansprakelijk voor de gedragingen van haar (onder)huurder.

3.2.4

[gedaagde] gedraagt zich niet als goed huurder in de zin van artikel 7:213 BW.

Zo is [gedaagde] zonder resultaat voortdurend door [eiseres] gesommeerd om:

- de werklieden die door [eiseres] worden ingeschakeld toe te laten en ongehinderd hun werk te laten doen;

- geen opzettelijke schade toe te brengen aan het gehuurde of de installaties van het gehuurde, meer specifiek:

i. het zonnescherm enkel te gebruiken conform de gebruiksvoorschriften;

ii. de bar door een deskundige aan te laten sluiten op juiste wijze zodat lekkage en waterschade aan de vloer stopt;

iii. het gat in de vloer door [eiseres] te laten herstellen of te laten controleren of het gat in de vloer op een juiste wijze is hersteld en dus geen gevaar voor de vloer of de gebruiker oplevert;

iv. regulier onderhoud te laten plegen door erkende vakmensen aan de installaties, zoals de cv installaties, de meterkast en het vegen van de schoorsteen – alles conform de huurovereenkomst - en daarvan opgaaf doen aan [eiseres] .

3.2.5

[gedaagde] en haar onderhuurster hebben een lange historie van vernielingen, getreiter, bedreigingen en intimidaties. Voor [eiseres] was de laatste actie van [gedaagde] op 16 maart 2021 met de cv ketel de spreekwoordelijke druppel en de directe aanleiding voor deze procedure.

3.2.6

Op basis van de in het verleden behaalde resultaten ziet [eiseres] geen andere mogelijkheid dan om het (wettelijk) verplichte en noodzakelijke doen- en nalaten van [gedaagde] in rechte af te dwingen op last van verbeurte van een dwangsom.

3.2.7

De spoedeisendheid van deze procedure is gelegen in de aard van de vorderingen.

[gedaagde] en haar onderhuurster veroorzaken overlast. Zaken van [eiseres] worden (moedwillig) vernield en relaties van [eiseres] worden onbehoorlijk toegesproken, geïntimideerd en zelfs bedreigd. Dat moet onmiddellijk stoppen. Door [eiseres] is meerdere malen geprobeerd het onacceptabele gedrag van [gedaagde] en haar onderhuurster buiten rechte te laten eindigen, maar -zo is 16 maart 2021 opnieuw gebleken- zonder resultaat.

Met deze procedure probeert [eiseres] een spreekwoordelijke stok achter de deur van [gedaagde] te krijgen om zich als goed huurder te gaan gedragen. Op basis van het verleden is immers gebleken dat dit -ook na herhaaldelijke sommaties- niet gebeurt en [eiseres] daarom een gerechtvaardigde angst heeft dat wanneer actie uitblijf nog meer schade aan zijn eigendommen en/of de door haar ingeschakelde werklieden wordt toegebracht.

4. Het verweer

4.1

[gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd betwist en tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiseres] dan wel tot afwijzing van de vorderingen geconcludeerd. Daartoe heeft zij

-zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

4.1.1

[gedaagde] betwist dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de door haar ingestelde vorderingen. [gedaagde] heeft zich niet schuldig gemaakt aan vernielingen, getreiter, bedreigingen en intimidaties er is er geen reden om aan te nemen dat zij zich in de toekomst aan dergelijk gedrag schuldig zal maken. De verwijten richten zich bovendien voornamelijk tegen de onderhuurster van [gedaagde] en niet tegen [gedaagde] .

In de dagvaarding en producties worden allerlei onderhoudskwesties aan de orde gesteld die zich niet lenen voor een behandeling in kort geding. Bovendien zijn de werkzaamheden al maanden geleden afgerond. [gedaagde] betwist daarom dat [eiseres] een belang heeft bij de door haar ingestelde vorderingen en zeker geen spoedeisend belang.

4.1.2

Anders dan [eiseres] meent is een huurder niet volledig verantwoordelijk voor de gedragingen van derden die zich met zijn toestemming in het gehuurde bevinden.

De vorderingen van [eiseres] miskennen de beperkte strekking van artikel 7:219 BW. [gedaagde] is aansprakelijk voor de schade wanneer de onderhuurster schade zal toebrengen. [gedaagde] moet zich er -gelijk zij ook doet- voor inspannen om dergelijke situaties te voorkomen, maar er bestaat geen rechtsgrond om [gedaagde] op voorhand, onder verbeurte van een dwangsom, verantwoordelijk te maken voor iedere gedraging van de onderhuurder of derden die schade of overlast kunnen meebrengen. Voor dergelijke gedragingen had [eiseres] de onderhuurster of andere derden rechtstreeks moeten aanspreken.

4.1.3

De vorderingen in de onderhavige procedure zijn dusdanig ruim geformuleerd, dat op voorhand niet voldoende bepaalbaar is wanneer de dwangsom wel of niet verschuldigd is. De vorderingen toewijzen is vragen om een veelvoud van executiegeschillen.

De gevraagde vorderingen op verbeurte van een dwangsom zijn ook niet proportioneel in relatie tot het beoogde doel.

4.1.4

Ten aanzien van het onder I. gevorderde betwist [gedaagde] dat zij werklieden heeft geweigerd werkzaamheden te verrichten. Er is dan ook geen enkele aanleiding om [gedaagde] hiertoe onder verbeurte van een dwangsom te veroordelen.

De vordering geeft onvoldoende duidelijk aan dat deze ook geldt wanneer de onderhuurster of derden werklieden weigeren toe te laten hetgeen, gelet op de inhoud van de dagvaarding, blijkbaar wel is beoogd.

Er is geen juridische grondslag om [gedaagde] onder verbeurte van een dwangsom verantwoordelijk te achten voor gedragingen die een onderhuurder of stamgast of willekeurige andere derde ooit in de toekomst zal laten zien.

[gedaagde] kan nooit garanderen dat zij binnen 14 uur kan bewerkstelligen dat alle mogelijke derden werklieden zullen toelaten.

4.1.5

Ten aanzien van het onder II. gevorderde betwist [gedaagde] dat zij een door [eiseres] ingeschakelde partij gehinderd heeft en er is geen aanleiding om [gedaagde] onder verbeurte van een dwangsom te verplichten dat in de toekomst ook niet te doen.

Wanneer [eiseres] met de vordering het oog heeft op de gedragingen van de onderhuurster c.q. andere derden, bestaat er geen juridische grondslag om [gedaagde] onder verbeurte van een dwangsom volledig verantwoordelijk te houden voor eventuele gedragingen van derden in de toekomst.

4.1.6

Ten aanzien van het onder III. gevorderde betwist [gedaagde] dat zij opzettelijk schade heeft toegebracht aan eigendommen van [eiseres] . [gedaagde] gebruikt het zonnescherm ook niet. De vorderingen richten zich daarmee ten onrechte tot [gedaagde] .

Er is geen juridische grondslag om [gedaagde] op voorhand onder verbeurte van een dwangsom volledig verantwoordelijk te maken voor eventuele gedragingen van derden in de toekomst. Zij kan nooit volledig instaan voor wat een onderhuurder of stamgast of een andere derde zal doen. [gedaagde] betwist voorts dat de bar en bijbehorende installaties lekkage vertonen, waardoor schade aan de vloer wordt aangebracht. Hetgeen [eiseres] daarover heeft gesteld is onvoldoende om een juridisch oordeel te vormen en daarop een zo verstrekkende vordering onder verbeurte van een dwangsom te baseren.

De vloer is inmiddels is hersteld. De door de aannemer geadviseerde wijze om de vloer te herstellen stond tussen partijen ter discussie. [gedaagde] betwist dat de door de aannemer geadviseerde wijze de enige juiste wijze van herstel is en dat [gedaagde] verplicht zou zijn om slechts op die wijze te herstellen.

4.1.7

Ten aanzien van het onder IV. gevorderde betwist [gedaagde] dat zij geen regulier onderhoud aan het pand verricht. Er is geen bovendien geen aanleiding om te veronderstellen dat [gedaagde] in de toekomst niet aan haar verplichtingen ter zake zal voldoen.

5. De beoordeling

5.1

Voor de vraag of toewijzing bij voorraad van een vordering in kort geding geïndiceerd is, moet de kantonrechter niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van [eiseres] op [gedaagde] voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden, die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.

5.2

De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [eiseres] dat zij zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] zich niet als goed huurder gedraagt omdat zij geen werklieden tot het gehuurde wil toelaten, werklieden hindert, geen regulier onderhoud aan de installaties in het pand uitvoert en schade veroorzaakt aan de eigendommen van [eiseres] door onjuist gebruik van het zonnescherm en het niet verhelpen van gebreken aan de bar en de vloer.

5.3

Uit de eigen stellingen van [eiseres] is naar voren gekomen dat de renovatiewerkzaamheden in maart 2021 zijn afgerond en dat zich sinds april 2020 geen problemen meer hebben voorgedaan. Desgevraagd kon [eiseres] op de mondelinge behandeling geen concrete werkzaamheden noemen die op dit moment aan het pand moeten worden uitgevoerd en waarvoor het noodzakelijk is dat [gedaagde] haar medewerking verleent in die zin dat zij werklieden toelaat.

5.4

De kantonrechter is op basis daarvan van oordeel dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt zij op dit moment een spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot veroordeling van [gedaagde] om mee te werken aan het toelaten van werklieden. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

5.5

Voor wat betreft het regulier onderhoud aan de installaties in het pand heeft [gedaagde] gesteld dat zij dit onderhoud wel degelijk uitvoert. [eiseres] heeft hier niets tegenover gesteld. Zij heeft dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] op dit punt tekort schiet, zodat de vordering tot veroordeling tot het plegen van regulier onderhoud ook wordt afgewezen.

5.6

Ten aanzien van de stelling dat [gedaagde] schade aan de eigendommen van [eiseres] veroorzaakt heeft [gedaagde] gesteld dat de bar en de vloer inmiddels vakkundig zijn gerepareerd. Daarnaast betwist zij dat zij het zonnescherm niet correct gebruikt. Het had op de weg van [eiseres] gelegen haar stelling dat [gedaagde] op deze punten tekort schiet nader te onderbouwen. Dit heeft zij onvoldoende gedaan. Zij heeft alleen gesteld dat zij niet weet of de bar en de vloer inmiddels zijn hersteld, omdat zij van [gedaagde] het pand niet mag betreden, hetgeen [gedaagde] op haar beurt heeft betwist. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] , tegenover de betwisting van [gedaagde] , onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] op deze punten nalatig is. De vordering om [gedaagde] te veroordelen om na te laten schade te veroorzaken aan de eigendommen van [eiseres] wordt daarom afgewezen.

5.7

[eiseres] vordert voorts [gedaagde] te veroordelen na te laten door [eiseres] ingeschakelde partijen te hinderen bij hun werkzaamheden waaronder wordt begrepen treiteren, kleineren, jennen en pesten.

5.8

[gedaagde] erkent dat er in het verleden discussies tussen partijen zijn geweest en dat bij haar onderhuurster irritaties leven over achterstallig onderhoud. Zij betwist echter dat zij in het verleden door [eiseres] ingeschakelde partijen heeft gehinderd het pand te betreden om werkzaamheden uit te voeren en zich schuldig heeft gemaakt aan kleineren, pesten en jennen.

5.9

Ook hier is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] haar stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien geldt ook hier dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het op dit moment noodzakelijk is dat werklieden het pand betreden. De vordering om na te laten ingeschakelde partijen bij hun werkzaamheden te hinderen wordt daarom eveneens afgewezen.

5.10

[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling betoogd dat hij vreest dat wanneer de horeca na versoepeling van de coronamaatregelen, weer open gaat, de voorheen tussen partijen spelende problemen weer zullen opspelen en dat hij als stok achter de deur c.q. voor dat geval de onderhavige veroordelingen wenst.

5.11

De kantonrechter overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat zich in het verleden het een en ander tussen hen en de onderhuurster van [gedaagde] heeft voorgedaan. Zij verschillen echter van inzicht over de aard en ernst daarvan.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] , gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] van de tegen haar geuite verwijten, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] zich in het verleden niet als goed huurder heeft gedragen. [eiseres] heeft, gelet op hetgeen onder 5.2 tot en met 5.9 is overwogen, evenmin aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] zich op dit moment niet als goed huurder gedraagt. [eiseres] heeft ook geen aanknopingspunten geboden op basis waarvan aannemelijk is dat sprake is van een dreigende tekortkoming van de zijde van [gedaagde] . Uit haar eigen stelling blijkt immers dat zich sinds april 2020 geen problemen hebben voorgedaan. Anders dan [eiseres] ziet de kantonrechter in de e-mailwisseling van medio maart 2021 over de cv ketel geen aanknopingspunten voor een dreigende tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] . Bovendien heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat zij zich als goed huurder zal blijven gedragen.

5.12

Het mag zo zijn dat [eiseres] zich op basis van haar ervaringen met [gedaagde] en haar onderhuurster zorgen maakt of [gedaagde] zich in de toekomst als goed huurder zal blijven gedragen. Echter, los van de vraag of die zorgen al dan niet terecht zijn, vormen die zorgen zonder concrete aanknopingspunten dat die zorgen bewaarheid zullen worden, geen grond voor toewijzing van de vorderingen in deze kort geding procedure.

5.13

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiseres] integraal worden afgewezen.

5.14

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 747,00 aan salaris voor de gemachtigde.

5.15

De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

6. De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 747,00 aan salaris voor de gemachtigde, genoemd bedrag te vermeerderen met de verschuldigde rente vanaf veertien dagen na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der voldoening;

en indien [eiseres] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 124,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

426