Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6912

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-07-2021
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
10/996673-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minimega Beerenberg I. Officier van justitie ontvankelijk. Vervolging niet in strijd met beginselen van een goede procesorde. Vrijspraak deelname criminele organisatie wegens ontbreken oogmerk op het plegen van misdrijven. Bewezenverklaring medeplegen omzetbelastingfraude van € 1.000.000,-. Strafmatigende omstandigheden geen financieel voordeel, meewerken aan onderzoek en overschrijding redelijke termijn. Oplegging gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996673-17

Datum uitspraak: 13 juli 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte],

raadsman mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 28 en 29 juni 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdachte wordt verweten dat hij lid is geweest van een criminele organisatie en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan omzetbelastingfraude.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R. Terpstra heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

4. Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

De officier van justitie is niet-ontvankelijk in de vervolging. Daartoe is het volgende aangevoerd:

a. a) de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Diverse medeverdachten die aanzienlijk voordeel hebben gehad van de onjuist aangegeven omzetbelasting worden niet langer vervolgd, terwijl de verdachte, die geen voordeel heeft gehad van de ten laste gelegde feiten, wel wordt vervolgd.

b) de redelijke termijn is overschreden doordat er bijna vier jaren zijn verstreken sinds de doorzoeking van de woning van de verdachte.

c) de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, te weten het fair trial beginsel. Medewerkers van de Belastingdienst die als getuigen door de rechter-commissaris zijn gehoord, zijn beïnvloed door de officier van justitie. Hij heeft voorafgaand aan de verhoren vragen gestuurd naar de Belastingdienst en de medewerkers bij elkaar geroepen voor een voorlichtingsbijeenkomst, waar op de inhoud van de zaak gerichte informatie is verstrekt.

d) het onverwachte FIOD optreden. Op 1 maart 2017 is overgegaan tot strafrechtelijke afhandeling van de zaak, terwijl ook na deze datum nog overleg werd gevoerd met de Belastingdienst over het betalen van de omzetbelastingschuld.

4.2.

Beoordeling

Ad a)

In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend om naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek zelfstandig te beslissen of vervolging moet plaatsvinden. Volgens vaste rechtspraak leent de beslissing om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Dit betekent dat alleen in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, zoals het gelijkheidsbeginsel.

Schending van het gelijkheidsbeginsel veronderstelt dat gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld zonder dat voor die ongelijke behandeling een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. Gelet op de stukken in het dossier is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat er sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld. De verdachte was direct betrokken bij het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door de fiscale eenheid, naar aanleiding waarvan het strafrechtelijk onderzoek is gestart. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de door de verdediging genoemde medeverdachten ook in die positie zaten.

Ad b)

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat die overschrijding wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

Ad c)

Uit het dossier is niet gebleken dat medewerkers van de Belastingdienst voorafgaand aan hun verhoor bij de rechter-commissaris op enigerlei wijze zijn beïnvloed door de officier van justitie. Het verweer mist daarmee feitelijke grondslag. Ook overigens is niet gebleken van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Ad d)

De Fiscale eenheid [naam fiscale eenheid] (hierna: de fiscale eenheid), waarvoor de verdachte werkzaam was, was gedurende het eerste half jaar van 2017 met de Belastingdienst in overleg over het betalen van de omzetbelastingschuld over de periode 1 januari 2010 tot en met 30 april 2013. Op 1 maart 2017 is besloten tot de strafrechtelijke afhandeling van het vermoedelijk opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting in de periode mei 2013 tot en met april 2016.

Geen rechtsregel stond de strafrechtelijke vervolging voor deze mogelijk nieuwe strafbare feiten in de weg.

4.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

5. Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering feit 2

5.1.1.

Standpunt verdediging

Over de maanden juni, november en december 2013 en juni 2014 is niet opzettelijk een onjuiste aangifte omzetbelasting gedaan. In 2013 werd in de ene maand te veel en in de andere maand te weinig omzetbelasting aangegeven en afgedragen. Het cumulatieve verschil tussen de afgedragen omzetbelasting en het bedrag dat betaald had moeten worden in mei en juni 2013 is beperkt. Het verschil in juni 2014 is te verklaren door een verloren rechtszaak. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het ten laste gelegde voor wat betreft de vier genoemde maanden.

5.1.2.

Beoordeling

Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte in de maanden juni, november en december 2013 en juni 2014 een onjuiste aangifte omzetbelasting voor de fiscale eenheid heeft ingediend (waardoor over die maanden een bedrag van ruim
€ 200.000,- te weinig aan omzetbelasting is geheven). De redenen die de verdediging heeft aangevoerd, geven mogelijk een verklaring waarom de verdachte onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend, maar doen niet af aan het opzet dat de verdachte had op die gedragingen. Van belang is hierbij ook dat door verdachte namens de fiscale eenheid geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid suppleties in te dienen om zo onjuiste aangiften te corrigeren en eventuele verrekening van te veel/te weinig aangegeven omzetbelasting inzichtelijk en voor de Belastingdienst controleerbaar te maken. Het verweer wordt verworpen.

5.1.3.

Beoordeling

Het onder feit 2 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

5.2.

Vrijspraak feit 1

5.2.1.

Standpunt officier van justitie

De verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1]) en [naam medeverdachte 2], samen met de medeverdachte rechtspersonen [naam medeverdachte rechtspersoon 1], de [naam medeverdachte rechtspersoon 2], [naam medeverdachte rechtspersoon 3], [naam medeverdachte rechtspersoon 4] en [naam medeverdachte rechtspersoon 5], vormden van 1 mei 2013 tot en met 30 augustus 2017 een samenwerkingsverband. Zij hadden wetenschap van het oogmerk van het samenwerkingsverband, te weten het plegen van omzetbelastingfraude, voorkomen dat dit werd gemeld als ongebruikelijke transactie aan de Financial Intelligence Unit en witwassen. Het witwassen betrof het betalen van een bovenmatige management fee aan [naam medeverdachte rechtspersoon 5] ten behoeve van [naam medeverdachte 1] en het doen van onzakelijke uitkeringen aan de familie van [naam medeverdachte 1] met de extra liquide middelen die de [naam medeverdachte rechtspersoon 2] had verworven doordat door de fiscale eenheid te weinig omzetbelasting was aangegeven en afgedragen.

5.2.2.

Beoordeling

Om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit te komen, moet worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie, dat wil zeggen een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Verder is voor een bewezenverklaring vereist dat dit samenwerkingsverband het oogmerk had strafbare feiten te plegen.

Op grond van het dossier en hetgeen op de terechtzitting is besproken, kan het volgende worden vastgesteld.

[naam medeverdachte 1] was in de ten laste gelegde periode enig bestuurder en directeur van [naam medeverdachte rechtspersoon 2] (hierna: [naam medeverdachte rechtspersoon 2]). De verdachte was in loondienst werkzaam als hoofd financiën bij [naam medeverdachte rechtspersoon 2] en diende voor de fiscale eenheid de aangiften omzetbelasting in bij de Belastingdienst. De verdachte heeft in de ten laste gelegde periode meerdere keren na overleg en in samenspraak met [naam medeverdachte 1] een te laag bedrag aan omzetbelasting aangegeven en afgedragen. In zoverre is sprake van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is echter van oordeel dat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat het oogmerk van deze organisatie gericht was op het plegen van misdrijven.

[naam medeverdachte rechtspersoon 2] is een (winter)sportwinkel. Hierin is haar voornaamste bestaansgrond gelegen. Uit het procesdossier komt het beeld naar voren dat [naam medeverdachte rechtspersoon 2] een sterk seizoensgebonden omzetverloop had en steeds in de maanden december tot en met maart om meerdere redenen een (groot) tekort had aan liquide middelen, waardoor niet kon worden voldaan aan alle financiële verplichtingen. Met het geld dat in kas kon worden gehouden door het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting, werden in die maanden naast de managementfees ook de salarissen van het personeel en leveranciers betaald. De omzetbelastingfraude heeft plaatsgevonden in het kader van de reguliere bedrijfsvoering van [naam medeverdachte rechtspersoon 2] en vormde in die zin niet de kern van de activiteiten van het samenwerkingsverband. De omzetbelastingfraude was een middel om de reguliere activiteiten te kunnen voortzetten en niet een doel. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat het oogmerk van het samenwerkingsverband tussen [naam medeverdachte 1] en de verdachte was gericht op het plegen van strafbare feiten. De andere ten laste gelegde misdrijven die aan dit samenwerkingsverband worden toegeschreven hangen samen met de gepleegde omzetbelastingfraude en staan nog verder af van de reguliere bedrijfsvoering. Het plegen van deze misdrijven vormt in die zin evenmin het oogmerk van het samenwerkingsverband.

Gelet op het vorenstaande is het ten laste gelegde ‘oogmerk’ niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt van dit feit vrijgesproken.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij, in de periode 1 mei 2013 tot en met 1 juni 2016 in Nederland,

tezamen en vereniging met een ander , meermalen, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting (ten name van de Fiscale eenheid [naam fiscale eenheid]) over de maanden

-juni 2013 en november 2013 en december 2013 en-januari 2014 en februari 2014 en juni 2014 en-januari 2015 en februari 2015 en maart 2015 en-januari 2016 en februari 2016 en maart 2016,

onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij opzettelijk op de aan de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst toegezonden elektronische aangiftebiljetten omzetbelasting over de genoemde tijdvakken telkens een te laag bedrag aan per saldo verschuldigde omzetbelasting opgegeven, terwijl die feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

2.

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft als hoofd financiën binnen een bedrijf samen met de bestuurder daarvan in een periode van drie jaren meerdere keren een aangifte omzetbelasting ingediend voor het bedrijf, waarop een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting was vermeld. Zodoende had het bedrijf meer liquide middelen beschikbaar voor het doen van andere uitgaven.

De verdachte heeft misbruik gemaakt van het door de Belastingdienst gehanteerde systeem, dat erop berust dat op de volledigheid en juistheid van belastingaangiften moet kunnen worden vertrouwd. Door zijn handelen heeft hij de Belastingdienst en daarmee de samenleving benadeeld voor een bedrag van om en nabij de € 1.000.000,-.

De strafbaarstelling van belastingontduiking beschermt niet alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers. Belastingontduiking kan leiden tot verzwaring van de belastingdruk voor anderen.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 mei 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 1 juni 2021. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

De verdediging heeft verzocht om geen gevangenisstraf op te leggen maar te volstaan met het opleggen van een taakstraf. Naar het oordeel van de rechtbank zou daarmee geen recht worden gedaan aan het feit. De aard en ernst van het feit, het gegeven dat het feit structureel en gedurende een langere periode is gepleegd en de hoogte van het totale benadelingsbedrag, verzetten zich daartegen. Van belang is ook dat de verdachte is doorgegaan met het doen van onjuiste aangiften zelfs nadat de Belastingdienst een onderzoek was gestart naar onregelmatigheden in de aangiften omzetbelasting over een eerdere periode. Het opleggen van een gevangenisstraf wordt dan ook passend en geboden geacht.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.

De rechtbank weegt, net als de officier van justitie, in sterk strafmatigende zin mee dat niet is gebleken dat de verdachte financieel voordeel heeft gehad bij de fraude en dat hij openheid van zaken heeft gegeven en heeft meegewerkt aan het onderzoek. Voorts weegt de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin mee. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn is in deze zaak aangevangen op 16 augustus 2017, het moment waarop de FIOD de woning van de verdachte heeft doorzocht. De redelijke termijn is dus met bijna twee jaar overschreden.

De rechtbank komt evenwel tot een hogere strafoplegging dan de officier van justitie heeft geëist, omdat zij van oordeel is dat de verdachte een grotere rol bij de fraude heeft gespeeld, dan de officier van justitie en de raadsman hem toedichten.

Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte meer is geweest dan ‘een werktuig’ in de handen van de medeverdachte [naam medeverdachte 1]. [naam medeverdachte 1] was weliswaar degene die uiteindelijk bepaalde dat, en voor welk bedrag, er werd gefraudeerd, maar de verdachte heeft vaak het initiatief genomen tot het plegen van fraude door concrete voorstellen voor de onjuiste omzetbelastingaangiften aan [naam medeverdachte 1] te doen. Verder heeft hij zich ingespannen om de fraude in financiële stukken van het bedrijf te verdoezelen. Het ogenschijnlijke gemak waarmee de verdachte jarenlang heeft meegewerkt aan dit frauduleuze handelen, vindt de rechtbank zeer kwalijk.

De verdachte is niet uit eigen beweging gestopt met deze praktijken, maar pas nadat hij merkte dat de FIOD de fraude op het spoor was gekomen.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals de officier van justitie heeft geëist, geen recht doen aan de zaak en de rol van de verdachte daarin.

De rechtbank acht het passend en geboden om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 8 maanden. Hiervan worden 4 maanden voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaren, teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

en mrs. R.H. Kroon en A. Bonder, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juli 2021.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij, in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 augustus 2017 te

Den Haag, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke

organisatie (in elk geval) bestond uit hem, verdachte, en/of [naam medeverdachte 1] en/of

[naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte rechtspersoon 5] en/of [naam medeverdachte rechtspersoon 4] en/of [naam medeverdachte rechtspersoon 1]

en/of De [naam medeverdachte rechtspersoon 2] en/of [naam medeverdachte rechtspersoon 3] en/of (een)

ander(e) (rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

-overtreding van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (artikel 69 lid 2

Awr) en/of

-(gewoonte)witwassen (artikel 420bis lid 1 ahf/ond a en b Sr en/of artikel

420ter Sr) en/of

-overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van

terrorisme (artikel 16 Wwft);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij,

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 mei 2013 tot en met

1 juni 2016 te Den Haag en/of Oosterbeek en/of Nieuwegein, in ieder geval in

Nederland,

tezamen en vereniging met (een) ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene Wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)

aangifte(n) voor de omzetbelasting (ten name van de [naam medeverdachte rechtspersoon 2]

en/of De [naam medeverdachte rechtspersoon 3] en/of [naam medeverdachte rechtspersoon 1] (tezamen Fiscale

eenheid [naam fiscale eenheid] vormende)) over de

maand(en)

-juni 2013 (DOC-051) en/of november 2013 (DOC-056) en/of december 2013

(DOC-057) en/of

-januari 2014 (DOC-058) en/of februari 2014 (AMB-002, p. 17) en/of juni 2014

(DOC-062) en/of

-januari 2015 (DOC-069) en/of februari 2015 (DOC-070) en/of maart 2015

(DOC-071) en/of

-januari 2016 (DOC-079) en/of februari 2016 (AMB-002, p. 71) en/of maart 2016

(DOC-080),

onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan,

immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) opzettelijk op het/de bij de

Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst ingeleverde en/of aan de

Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst toegezonden (elektronische)

aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over de genoemde tijdvak(ken) (telkens)

onjuiste bedragen, althans (telkens) een te laag bedrag aan per saldo

verschuldigde omzetbelasting opgegeven, zulks terwijl daarvan (telkens) het

gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven

en/of terwijl dat/die feit(en) er toe strekte(n) dat te weinig belasting werd

geheven.

art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen