Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6898

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-06-2021
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
8423910 / CV EXPL 20-10119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:218 BW. Er is geen sprake van medehuur, maar van drie afzonderlijke huurovereenkomsten voor onzelfstandig gebruikte woonruimte, waarbij de afzonderlijke huurders geen woongemeenschap vormden, zodat de ene huurder niet aansprakelijk gesteld kan worden voor schade veroorzaakt door het handelen van een andere huurder (of een namens deze huurder zich in de woning bevindende derde). Van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 7:281 lid 2 BW kan daarom geen sprake zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8423910 / CV EXPL 20-10119

uitspraak: 4 juni 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 16 maart 2020,

gemachtigde: mr. A.A.S. Wiesmeier-van der Brugge te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1]

gemachtigde: mr. I.I.P. Cuijpers te ‘s-Hertogenbosch, en

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger te Rotterdam, en

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats gedaagde 3] ,

gemachtigde: mr. I.I.P. Cuijpers te ‘s-Hertogenbosch,

gedaagden.

Eiseres wordt verder aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en gedaagden als ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’ en ‘ [gedaagde 3] ’ genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk ‘ [gedaagden] ’ genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    de dagvaarding van 16 maart 2020, met producties 1 tot en met 15;

  • -

    de conclusie van antwoord van mr. Bouman, de voormalig gemachtigde van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] , met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de conclusie van antwoord van mr. Rhijnsburger, met producties 1 en 2;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging eis, met producties 16 tot en met 20;

  • -

    de conclusie van dupliek van mr. Bouman, met producties 7 tot en met 10;

  • -

    de conclusie van dupliek van mr. Rhijnsburger, met productie;

  • -

    het tussenvonnis van 11 december 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief van 8 maart 2021 van mr. Wiesmeijer-van der Brugge, met producties 21 tot en met 26;

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties van 9 maart 2021 van mr. Bouman, met producties 11 tot en met 13;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Wiesmeijer-van der Brugge;

  • -

    de schriftelijke eiswijziging van mr. Wiesmeijer-van der Brugge.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 maart 2021. Daarbij waren aanwezig namens eiseres de heren [naam 1] en [naam 2], zakelijk vertegenwoordigers van eiseres, bijgestaan door de gemachtigde mr. Wiesmeijer-van der Brugge. Namens gedaagden is [gedaagde 2] in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde

mr. Rhijnsburger, en zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 3] in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. Cuipers, alsmede [naam 3] (de partner van [gedaagde 3] ) en [naam 4] (jurist bij Achmea). Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[eiseres] heeft middels haar beheerder [naam bedrijf 1] (hierna: de beheerder) als verhuurder ten aanzien van de woning drie afzonderlijke huurovereenkomsten voor onzelfstandige woonruimte gesloten met [gedaagden] (hierna: de huurovereenkomsten), met vooruitbetaling van de huurprijs (inclusief servicekosten), te weten:

  • -

    met [gedaagde 3] van 1 februari 2017 tot en met 1 maart 2019, tegen een maandelijkse huurprijs van € 805,-;

  • -

    met [gedaagde 2] van 1 april 2017 tot en met 1 juli 2020, tegen een maandelijkse huurprijs van € 355,-;

  • -

    met [gedaagde 1] van 1 mei 2017 tot en met 1 juli 2019, tegen een maandelijkse huurprijs van € 885,-.

2.2.

De - op de navolgende punten gelijkluidende - huurovereenkomsten luiden, voor zover van belang, als volgt:

“ [naam bedrijf 1] , [adres] , handelend als gevolmachtigde van verhuurder en bevoegd tot (onder)huur van onderstaand object, verder in deze overeenkomst genoemd ‘verhuurder’,

(…)

10. De beheerder van uw woonruimte is [naam bedrijf 1] (…);

(…)

Betalingswijze.

14. De huur geldt per gehele kalendermaand en is elke maand bij vooruitbetaling verschuldigd.

Uw betaling dient steeds voor de 1e van de maand te zijn bijgeschreven op rekening [bankrekeningnummer] t.n.v. [eiseres] met vermelding van uw huurnummer, uw huuradres, uw naam en de maand waarop de betaling betrekking heeft. (dus niet aan de beheerder betalen)

(…)

Onzelfstandige woonruimte, privé ruimtes en onzelfstandig gebruik sanitair en installaties

20. U huurt via deze (onder)huurovereenkomst een onzelfstandige woonruimte, waarvan alleen u via uw sleutel het persoonlijk gebruiksrecht krijgt van de in uw contract genoemde privé woonvertrekken.

Tevens krijgt u via deze overeenkomst het recht op onzelfstandig (mede)gebruik van alle sanitaire voorzieningen en installaties, toegangswegen, trappen, algemene ruimten binnen het gebouw waar u toegang tot heeft.

(…)

CV en klein (huurders)onderhoud

28. Verhuurder kan een bedrag aan servicekosten in rekening brengen voor dagelijks onderhoud aan installaties. Huurder dient waar mogelijk zelf de CV bij te vullen, te resetten en te ontluchten en op te starten na storing, alsmede het vervangen van deurbellen en lampen. Als verhuurder dat uitvoert wordt het via de servicekosten aan de gezamenlijke huurders doorberekend. Verhuurder mag dat als vaste servicepost opvoeren.

(…)”

2.3.

Op de huurovereenkomsten zijn (gelijkluidende) algemene voorwaarden van toepassing waarin, voor zover van belang, als volgt is bepaald:

“(…)

Betalingstermijnen en administratiekosten

09. (…)

In afwijking van de Algemene Voorwaarden zijn bij te late, of niet volledig betaling na de vervaldatum de navolgende kosten van toepassing. Zodra een aanmaning is verstuurd zijn de kosten onomkeerbaar.

Administratiekosten (boete te laten betaling)

Contracthuur bruto tot € 499 incl. btw: € 50 euro kosten, maandelijks cumulatief

Contracthuur bruto tot € 799 incl. btw: € 100 euro kosten, maandelijks cumulatief

Contracthuur bruto tot € 1500 incl. btw: € 150 incl. btw plus 10% over het meerdere. Bij elk nieuw verzuim (termijnbedrag) komt er weer een gelijk bedrag bij. Als kosten of afrekeningen niet worden betaald is hierover maandelijks 10% cumulatieve administratiekosten verschuldigd. (…)

(…)

Installaties.

26. Huurder zal het gehuurde en de bijbehorende installaties normaal gebruiken.

Het regelmatig ontluchten en bijvullen van de CV ketel, dagelijks onderhoud (het opstaren na storing of uitval dient door huurders zelf te geschieden. Klein onderhoud en kranen, regelknoppen – thermostaten – ontluchter – vulslangen – pakkingen, alsmede reparaties voortkomend uit ondeskundige werkzaamheden door huurder verplicht aan installatie, zijn voor rekening en risico van huurder en kunnen door verhuurder worden doorberekend of ten laste van de servicekosten worden gebracht. Reparaties en reiniging van de ketel mag alleen door erkend en gekwalificeerd personeel plaatsvinden. Zelf gegeven reparatieopdrachten door een huurder blijven altijd voor zijn/haar eigen rekening.

(…)

Reparaties en overlast of hinder aan huurders - oplossingen - vergoeding.

30. Indien er zaken gerepareerd moeten worden zoals lekkages, douche of toilet of CV/warm water storingen, zullen deze zo snel mogelijk door verhuurder worden opgedragen voor uitvoering. Verhuurder is daarbij niet schadeplichtig. Verhuurder dient ervoor te zorgen dat bij elk gebrek binnen 1 week opdracht tot herstel wordt gegeven en dat normale klachten binnen 6 weken zijn opgelost. Huurder dient bij voorkomende reparaties minstens 2 dagen per week beschikbaar te zijn om werkmensen het gehuurde te laten binnengaan en de reparaties te laten uitvoeren. Indien dat niet het geval is gelden er geen termijnen voor herstel binnen de privé gedeelten, waar bepaalde gebreken moeten worden opgelost. Als een huurder dusdanig ernstige overlast ondervindt waarbij door uitvallen van stroom water of energie verblijf in het gehuurde niet mogelijk is, en huurder daadwerkelijk het gehuurde verlaat, ontvangt hij/zij een vergoeding van maximaal het aantal dagen huur dat de ruimte niet bruikbaar is en huurder afwezig. Als het (water) of andere schade betreft die verzekerbaar is komen de uitkeringen hiervoor in de plaats. (Zie inboedelverzekering). Bij overige hinder of schade vind[t] nooit huurcompensatie plaats.

(…)”

2.4.

Op 16 april 2018 heeft [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2] ) in opdracht van [eiseres] werkzaamheden verricht aan de cv-ketel.

2.5.

Op 23 december 2018 heeft in de woning een lekkage plaatsgevonden doordat op enig moment na het bijvullen van de cv-ketel de kraan niet is dichtgedraaid, waardoor er teveel druk op de vulslang is komen te staan en deze is gebarsten.

2.6.

Per e-mail van 24 december 2018 heeft de beheerder aan [gedaagde 2] gevraagd of zij de datum/dag kan doorgeven waarop zij dacht dat er iemand in het cv-hok was geweest. [gedaagde 2] heeft diezelfde dag het volgende, voor zover van belang, per e-mail bericht:

“(...) Ik kan me de dag niet meer specifiek herinneren. Maar het moet maandag avond om 21:00 zijn geweest toen ik thuis kwam of dinsdag avond om 17:00 toen ik thuis kwam.

Ik (…) ben de rest van de week niet thuis geweest dus het kan ook zijn geweest dat iemand er al eerder heeft aangezeten dat ik het pas later heb opgemerkt. (…)”

2.7.

[naam 5] , in zijn hoedanigheid van eigenaar/adviseur van [naam bedrijf 3] (hierna: [naam bedrijf 3] ), heeft per e-mail van 2 januari 2019 aan de beheerder het volgende, voor zover thans van belang, gestuurd:

“(…) Na inspectie van de foto’s die u heeft toegestuurd, moet ik concluderen dat hier niet juist is gehandeld.

De slang die aangesloten was tijdens gebeurde, is niet geschikt voor een permanente oplossing en had afgekoppeld moeten worden na gebruik.

Hiermee had voorkomen kunnen worden, dat er (warme) waterdruk is blijven staan op betreffende slang.

Deze is hierdoor vervormd en bezweken, waarna er waterschade is ontstaan. (…)”

2.8.

Per e-mail van 3 januari 2019 heeft [naam 6] , in zijn hoedanigheid van Allround Bouwkundig Medewerker van [naam bedrijf 4] (hierna: [naam bedrijf 4] ), aan de beheerder het volgende, voor zover thans van belang, bericht:

“(…) De vraag is hoe lang kan een vulslang onder druk blijven staan het antwoord is niet te geven maar gezien de slang zal dit ongeveer 2 tot 6 weken geweest zijn. (…)”

2.9.

Per e-mail van 3 januari 2019 heeft de beheerder aan [gedaagde 1] en in kopie aan [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onder meer bericht dat [gedaagden] verantwoordelijk zijn voor de (gevolg)schade van de lekkage en dat zij geen recht hebben op opschorting van de huur.

2.10.

Mr. Rhijnsburger heeft bij brief van 30 januari 2019 namens [gedaagden] aan [eiseres] bericht dat [gedaagden] , zolang zij het gehuurde niet kunnen bewonen, aanspraak maken op restitutie van de huur nu het woongenot niet verschaft kan worden door een oorzaak buiten de risicosfeer van [gedaagden]

2.11.

Op 7 februari 2019 heeft [naam 7] , in zijn hoedanigheid van expert bij [naam bedrijf 5] , in opdracht van Interpolis Particulieren voor [gedaagde 3] als verzekerde, een expertiserapport uitgebracht. Dat rapport luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…) In April 2018 heeft een installateur de cv-ketel gesitueerd op de bovenste etage van het pand bijgevuld in verband met het vervangen van een radiator in het pand. Na het bijvullen heeft de installateur de vulslang niet afgekoppeld en is derhalve de vulslang onder druk op de cv-ketel aangesloten gebleven. Door de waterdruk welke op deze vulslang heeft gestaan, is de vulslang op 17 december kapot geknapt, met als gevolg dat water het pand heeft kunnen uitstromen. (…)

De schade kan worden verhaald op de betreffende installateur welke in April 2018 de werkzaamheden aan de cv-ketel heeft verricht en na de werkzaamheden de vulslang onder druk niet heeft afgekoppeld, met als gevolg dat deze door de constante waterdruk is verscheurd.

Wij ramen de verhaalbare schade op basis van dagwaarde en herstelkosten op EUR 1.630,00 inclusief btw. (…)”

2.12.

In reactie op zijn aansprakelijkstelling door (één van) de verzekeraar(s) van [gedaagden] heeft [naam bedrijf 2] per e-mail van 18 februari 2019 aan de afdeling Schadeafhandeling van Interpolis het volgende, voor zover thans van belang, bericht:

“(…) De vulslang kan niet maanden onder druk op de kraan gezeten hebben, want dan klap die al met 3 dagen.

Wij (…) halen dan ook altijd de vulslang van de kraan af dus dit kan niet gebeuren.

Dus de aansprakelijkheid moet U zoeken bij een van de bewoners, want wij zijn ook gebeld met de mededeling dat hun voor de kerst de CV bijgevuld hadden. (…)”

2.13.

Op 24 april 2019 heeft de voormalig gemachtigde van [eiseres] [gedaagde 3] bericht dat zij akkoord is met een huurverlaging van € 274,91 over de maand februari 2019.

2.14.

De beheerder heeft [gedaagde 3] per e-mail van 6 mei 2019 bericht dat zij akkoord is met uitstel van de terugbetaling van de borg aan [gedaagde 3] totdat meer duidelijk is over de waterschade.

2.15.

Per brieven van 12 september 2019 en van 18 december 2019 van de (voormalig) gemachtigde van [eiseres] zijn [gedaagden] (hoofdelijk) aansprakelijk gesteld voor de (water)schade als gevolg van foutief menselijk handelen na het bijvullen van de cv-ketel en zijn [gedaagden] (hoofdelijk) gesommeerd tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 24.649,02 binnen twee weken, respectievelijk uiterlijk vóór 1 januari 2020.

2.16.

Op 11 september 2020 heeft [naam 8] , in zijn hoedanigheid van schade-expert | expertise & risicodeskundigheid bij Achmea Schadeverzekeringen N.V., in opdracht van Interpolis Particulieren voor [gedaagde 3] als verzekerde, een expertiserapport uitgebracht. Dat rapport luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…) De tijdsduur dat een dergelijke slang de waterdruk van het waterleidingnet aan kan is afhankelijk van een aantal factoren. Deze factoren zijn:

1. De kwaliteit van de vulslang. De slangen voor het bijvullen van een cv-ketel zijn veelal van zeer matige kwaliteit (onder andere niet gewapend). Op zich voldoen dit soort slangen prima wanneer ze alleen tijdens het vullen van de cv-installatie worden gebruikt. Ze zijn niet geschikt om continu op het waterleidingnet aangesloten te zijn. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een wasmachineslag die speciaal daarvoor gemaakt is om deze druk wel continu aan te kunnen.

2. De waterdruk in het waterleidingnet. Deze druk kan verschillen en hangt af van de omstandigheden. Zo is de waterdruk op de begane grond meestal hoger dan op hoger gelegen verdiepingen. Daarnaast heeft ook het waterverbruik invloed op de druk. Een sprekend voorbeeld is dat op een warme zomerdag de tuin vaak gesproeid wordt. Op zo’n moment merk je duidelijk dat de waterdruk minder is. Daartegenover staat dat de waterdruk op rustige perioden juist hoger is. Dit is bijvoorbeeld ’s nacht het geval. Juist op dat soort momenten vinden dan voorvallen als in deze zaak plaats.

3. De temperatuur van de slang (of het water dat erin zit) heeft ook invloed op hoeveel druk aankan. Dit heeft te maken met verweking van het materiaal waarvan de slang is gemaakt. In de zomer wordt over het algemeen het cv-water niet verwarmd. In de winterperiode juist wel. Hierdoor kan het warmer worden in de ruimte waar de cv-ketel hangt. Daarnaast vindt er een warmteoverdracht plaats ter plaatse van de aansluiting van de slang op de ketel. Hierdoor kan de slang en het daarin aanwezige stilstaande water opwarmen.

Dit alles heeft dus invloed op de tijd die het duurt eer de opdruk staande vulslang bezwijkt. (…)”

2.17.

De respectieve verzekeraars van partijen hebben geen aansprakelijkheid erkend en evenmin is door die verzekeraars een vergoeding van de (water)schade uitgekeerd.

3. De vordering

3.1.

[eiseres] heeft, na schriftelijke en mondelinge wijziging van eis, - verkort weergegeven - gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. [gedaagden] hoofdelijk, dan wel ieder voor zich, te veroordelen tot het vergoeden van de schade van [eiseres] , zijnde een bedrag van € 21.128,17, te vermeerderen met de rente vanaf 27 september 2019, althans vanaf 2 januari 2020;

II. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van de huur van € 1.650,85;

III. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van de contractuele boete van € 1.800,-;

IV. [gedaagde 3] te veroordelen tot betaling van de huur van € 805,-;

V. [gedaagde 3] te veroordelen tot betaling van de contractuele boete van € 650,-;

VI. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van de huur van € 1.065,-;

VII. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van de contractuele boete van € 1.800,-;

VIII. [gedaagden] hoofdelijk, dan wel ieder voor zich te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vijftien dagen na het wijzen van dit vonnis;

IX. [gedaagden] ieder voor zich te veroordelen in de nakosten,

3.2.

Aan haar vordering heeft [eiseres] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagden] zijn verantwoordelijk voor het bijvullen van de cv-ketel (artikel 28 van de huurovereenkomsten en artikel 26 van de algemene voorwaarden) en zij dienen dit met de benodigde zorgvuldigheid te doen (artikel 7:213 BW). Dit is kennelijk niet gebeurd. Na het bijvullen van de cv-ketel is de kraan niet dicht gedraaid, waardoor er teveel druk op de vulslang is komen te staan en de slang is gebarsten, met een lekkage in en (water)schade aan de woning als gevolg. Deze schade wordt op grond van artikel 7:218 lid 2 BW vermoed te zijn ontstaan door een toerekenbare tekortkoming van [gedaagden] in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomsten, zodat zij aansprakelijk zijn voor de schade. Zijdens [eiseres] is na april 2018 geen monteur in de woning geweest voor de cv-ketel. Uit de verklaringen van [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 2] volgt dat het onmogelijk is dat een vulslang pas na acht maanden springt als een kraan niet is dichtgedraaid. Dit kan hooguit een paar weken geduurd hebben. Gelet op de e-mail van 24 december 2018 van [gedaagde 2] dient er vanuit gegaan te worden dat door, dan wel namens [gedaagden] de cv-ketel is bijgevuld. Indien dit namens [gedaagden] is gedaan, dan zijn zij daar op grond van artikel 7:219 BW aansprakelijk voor. De herstelkosten worden begroot op een totaalbedrag van € 21.128,17, te weten: € 76,45 aan storing voorrijkosten van Stedin, € 381,15 voor opruimwerkzaamheden van de lekkage door Liancobouw, € 2.859,84 voor een nieuwe groepenkast en nieuwe cv-ketel door [naam bedrijf 2] , € 5.392,58 voor het drogen van de woningen en de ondergelegen winkel en het doen van vochtmetingen door [naam bedrijf 4] , € 9.656,20 voor de renovatie van de trappen, gangen en diversen op de eerste en tweede verdieping door [naam bedrijf 2] en € 2.761,95 voor het bekleden van de trappen en gangen en het leggen van laminaat op de eerste en tweede verdieping door Devloerenspecialist.nl. [gedaagden] dienen hoofdelijk, dan wel ieder voor zich veroordeeld te worden tot betaling van voornoemd bedrag van € 21.128,17 aan [eiseres] .

3.3.

[eiseres] heeft voorts gesteld dat [gedaagde 1] de huur over de maanden februari, maart en april 2019 niet heeft betaald, te weten een totaalbedrag van € 1.650,82, en dat zij daarom een contractuele boete heeft verbeurd. Hoewel deze boete maandelijks cumulatief berekend dient te worden, zal [eiseres] de boete matigen door louter aanspraak te maken op € 50,- boete per maand voor elke maand dat de huur niet is voldaan. Dit betekent dat [gedaagde 1] naast voornoemde achterstallige huur een contractuele boete van € 1.800,- aan [eiseres] dient te voldoen (36 x € 50,-).

3.4.

Volgens [eiseres] heeft [gedaagde 3] de huur van € 805,- over de maand februari 2019 niet voldaan en zij is een contractuele boete verschuldigd van € 650,- (13 x € 50,-).

3.5.

Daarnaast heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagde 2] de huur over de maanden februari, maart en april 2019 niet heeft betaald, te weten een totaalbedrag van € 1.065,- en dat zij een contractuele boete is verschuldigd van € 1.800,- (36 x € 50,-).

3.6.

Ten slotte heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagden] hoofdelijk, dan wel ieder voor zich de proceskosten en de nakosten verschuldigd zijn.

4. Het verweer

Van [gedaagde 1] en [gedaagde 3]

4.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vordering, althans haar deze te ontzeggen als ongegrond en onbewezen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben aangevoerd dat zij op grond van de wet, dan wel op grond van de huurovereenkomst niet aansprakelijk gehouden kunnen worden voor de door [eiseres] geleden schade. Het bewijsvermoeden ingevolge artikel 7:218 lid 2 BW is niet gericht op de tekortkoming, maar op het causale verband tussen de tekortkoming en de schade. Alvorens aan dit vermoeden wordt toegekomen, dient vast komen te staan dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst. [eiseres] heeft niet gesteld welke verplichting uit de huurovereenkomst [gedaagde 1] en [gedaagde 3] niet zijn nagekomen.

Voor zover de kantonrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de gestelde tekortkoming in de nakoming, wordt betwist dat sprake is van een dergelijke tekortkoming. Nadat de door [eiseres] ingeschakelde monteur (van) [naam bedrijf 2] op 16 april 2018 werkzaamheden heeft verricht, bleef de waterdruk en de toevoer van warm water constant. Voor [gedaagde 1] en [gedaagde 3] bestond geen noodzaak de cv-ketel bij te vullen en zij hebben dit dan ook niet gedaan. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zich schuldig hebben gemaakt aan niet “normaal gebruik” van de cv- ketel, zoals genoemd in artikel 26 van de algemene voorwaarden, is niet gebleken. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] volgt uit het expertiserapport van [naam bedrijf 5] dat de schade voortgevloeid is uit de in april 2018 uitgevoerde werkzaamheden, zodat [naam bedrijf 2] aansprakelijk is voor de schade. Voorts wordt aangevoerd dat [gedaagde 1] noch [gedaagde 3] hebben gezegd dat enkele dagen voor de lekkage een persoon in het cv-hok zou zijn geweest. Dat een paar schoenen van [gedaagde 2] op de gang van de derde verdieping verschoven zijn, betekent nog niet dat iemand in het op die gang uitkomende cv-hok is geweest, laat staan dat de cv-ketel is bijgevuld. Het is ook mogelijk dat iemand het in de gang aanwezige raam heeft gesloten. De mededeling van [naam bedrijf 2] dat hij telefonisch van een niet nader te noemen persoon heeft gehoord dat de huurders de cv-ketel hebben bijgevuld, moet gezien worden als een reactie op diens aansprakelijkstelling. Bovendien volgt uit de bij conclusie van antwoord van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overgelegde productie 3 dat [naam bedrijf 2] niet altijd de vulslang van de cv-ketel afhaalt.

Uit de verklaring van [naam bedrijf 4] blijkt dat het antwoord op de vraag hoe lang de vulslang op de waterkraan en de cv-ketel bevestigd is geweest alvorens die slang als gevolg van de waterdruk is gebarsten, niet kan worden gegeven. Dit is afhankelijk van de omstandigheden zoals de stand waarin de waterkraan zich bevond, de stand waarin de vulkraan zich bevond, de hiermee gepaard gaande waterdruk en de tegendruk die op de leidingen stond, de temperatuurschommelingen en de sterkte van de vulslang. [eiseres] heeft nagelaten op deze omstandigheden in te gaan. Gelet op het vorenstaande zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 3] op grond van artikel 7:218 BW niet aansprakelijk te houden voor de schade aan de zijde van [eiseres] . Dat huurders ingevolge artikel 7:217 BW jo. artikel 7:240 BW jo. het Besluit Kleine Herstellingen de cv-ketel dienen bij te vullen, betekent niet dat huurders per definitie aansprakelijk zijn voor een situatie als het onderhavige geval. Daar komt bij dat niet gebleken is van een situatie waarvoor [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ingevolge artikel 7:219 BW aansprakelijk gehouden kunnen worden.

4.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 3] betwisten voorts dat zij huur over de maanden februari tot en met april 2019 respectievelijk februari 2019 verschuldigd zijn. Afgezien van het feit dat [eiseres] ten aanzien van [gedaagde 3] heeft ingestemd met een huurvermindering van € 274,91 over de maand februari 2019, zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 3] geen huur verschuldigd nu de woning gedurende de herstelwerkzaamheden onbewoonbaar was en er tijdens die werkzaamheden sprake was van uitval van stroom en water (artikel 7:207 lid 1 BW en artikel 30 van de algemene voorwaarden).

4.4.

Voorts betogen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] dat zij geen contractuele boete verschuldigd zijn. [gedaagde 3] heeft in overleg met de toenmalig gemachtigde van [eiseres] de betaling van de huur over de maand februari 2019 opgeschort in afwachting van de onderhavige procedure. Daarnaast zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gerechtigd de vordering van [eiseres] tot betaling van de huur te verrekenen met hun vordering ter zake huurvermindering in de zin van artikel 7:207 BW. Daar komt bij dat artikel 9 van de algemene voorwaarden die ziet op de contractuele boete, als onredelijk bezwarend en als een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG aangemerkt dient te worden. Aan de contractuele boete is geen maximum verbonden, de hoogte van de boete staat niet in verhouding tot de overtreding en er kan – gelet op de hoogte van die boete – niet gesproken worden van administratiekosten. Gelet hierop dient de bepaling volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] vernietigd te worden. Voor zover de kantonrechter niet overgaat tot vernietiging van artikel 9 van de algemene bepaling, dan wordt gevorderd de contractuele boete te matigen.

4.5.

Voor zover de kantonrechter tot het oordeel komt dat een vergoedingsplicht bestaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] jegens [eiseres] , wordt aangevoerd dat een gedeelte van de schade niet is onderbouwd en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komt. De facturen [naam bedrijf 2] van 25 januari 2019 met een bedrag van € 2.859,84 en van 5 maart 2019 met een bedrag van € 9.656,20 zijn niet gespecificeerd. Daarnaast is ten aanzien van het totale schadebedrag van € 21.128,17 geen rekening gehouden met de aftrek nieuw voor oud, terwijl bijvoorbeeld de oude cv-ketel gedateerd was.

Van [gedaagde 2]

4.6.

heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4.7.

Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd. Het groot onderhoud van de cv-ketel komt voor rekening van [eiseres] als verhuurder, net als gebreken aan die ketel. [gedaagde 2] betwist dat zij tekortgeschoten is in haar verplichtingen als huurder, dan wel dat zij onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. De woning is kamergewijs verhuurd (geweest) waardoor het beheer intensiever dient (diende) te zijn. [eiseres] heeft aan [gedaagde 2] geen uitleg gegeven over het bijvullen van de CV ketel terwijl zij een jonge, onervaren huurder is. [gedaagde 2] heeft nooit enige handeling aan de CV ketel verricht ter zake het bijvullen, dan wel het aansluiten van een vulslang en is daarom niet aansprakelijk voor de schade in de zin van artikel 7:218 BW. Kennelijk heeft [naam bedrijf 2] de vulslang aangesloten en niet afgekoppeld. Na plaatsing van een nieuwe CV ketel in januari 2019 door [naam bedrijf 2] was opnieuw een vulslang aangesloten op de CV ketel. Voorts heeft [gedaagde 2] aangevoerd dat de CV ketel technisch gezien zodanig van aard was dat eenvoudig schade kon ontstaan. De CV ketel was niet voorzien van een waterklep, te weten een beveiliging voor een situatie als ontstaan in december 2018. Daar komt bij dat door [eiseres] geen gewapende vulslang ter beschikking is gesteld, een slang die meer druk kan hebben dan een ‘gewone’ vulslang. Volgens [gedaagde 2] dient [eiseres] de schade te dragen. Uit de brief van 20 februari 2019 van Centraal Beheer, de verzekeraar van [eiseres] , volgt dat geen overeenstemming bestaat over de technische oorzaak van de schade. Door de verzekeraar is geconstateerd dat een ‘vastgemaakte slang’ is losgeschoten en dat er ‘geen sprake is van een breuk in de slang en/of leiding’. Niet uitgesloten kan worden dat (een medewerker van) [naam bedrijf 2] de slang niet deugdelijk heeft aangesloten. Verder wordt door [gedaagde 2] aangevoerd dat uit de nota van de aannemer blijkt dat geen rekening is gehouden met aftrek nieuw voor oud. Daarnaast kan [eiseres] geen aanspraak maken op een bedrag van € 1.065,- aan huur, nu Van Rijswijk met [eiseres] heeft afgesproken dat zij over de maanden februari, maart en april 2019 geen huur verschuldigd is omdat in die periode geen woongenot verschaft kon worden. De gevorderde contractuele boete betreft een nietig beding in de zin van de Europese Richtlijn als het Burgerlijk Wetboek, zodat [eiseres] ook geen aanspraak kan maken op een bedrag van € 1.800,-. Genoemd beding is opgenomen in de algemene voorwaarden over welke voorwaarden niet onderhandeld kan worden. Daar komt bij dat [eiseres] een professionele verhuurder is, de boete niet gemaximeerd is en de boete niet in verhouding staat tot de vermeende tekortkoming.

5. De beoordeling

ontvankelijkheid

5.1.

[gedaagde 2] heeft in haar conclusie van dupliek aangevoerd dat [eiseres] niet ontvankelijk is in haar vordering, omdat zij geen partij is bij de huurovereenkomst. In de huurovereenkomst (van [gedaagde 2] ) staat vermeld: [naam bedrijf 1] , [adres] , handelend als gevolmachtigde van verhuurder en bevoegd tot (onder)huur van onderstaand object, verder in deze overeenkomst genoemd ‘verhuurder’. Volgens [gedaagde 2] blijkt hieruit dat de beheerder op eigen naam heeft gecontracteerd.

5.2.

De kantonrechter overweegt dat op grond van de huurovereenkomst er genoegzaam vanuit kan worden gegaan dat de beheerder niet bedoeld heeft als verhuurder op te treden, nu er staat vermeld ‘handelend als gevolmachtigde van verhuurder’. In dit oordeel is meegewogen dat in artikel 10 van de huurovereenkomst expliciet vermeld staat dat [naam bedrijf 1] de beheerder is en in artikel 14 van de huurovereenkomst dat de huur overgemaakt dient te worden op het rekeningnummer van [eiseres] en dat niet aan de beheerder betaald moet worden. Voorts is meegewogen dat in de na de lekkage gevoerde correspondentie van de gemachtigde van [eiseres] aan de (voormalig) gemachtigde van [gedaagde 2] (en [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ) de naam van [eiseres] (als eigenaresse van de woning) is genoemd. Het verweer van [gedaagde 2] faalt.

schade

5.3.

Vast staat dat na oplevering van het gehuurde aan [gedaagden] schade is ontstaan doordat na het bijvullen van de cv-ketel de kraan niet is dichtgedraaid, waardoor er teveel druk op de vulslang is komen te staan en deze is gebarsten. Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagden] hoofdelijk, dan wel ieder voor zich, aansprakelijk zijn voor de herstelkosten van die schade, door [eiseres] begroot op € 21.128,17.

5.4.

Artikel 7:218 lid 1 BW bepaalt dat de huurder aansprakelijk is voor schade aan het gehuurde die is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst. Lid 2 van genoemd artikel bepaalt daarbij dat alle schade (behoudens brandschade en schade aan de buitenzijde van het gehuurde) vermoed wordt daardoor te zijn ontstaan, terwijl volgens het derde lid de huurder wordt vermoed het gehuurde in onbeschadigde toestand te hebben ontvangen. De ratio van voornoemd bewijsvermoeden is dat de huurder in de regel veel beter dan de verhuurder in staat is na te gaan door welke oorzaak de schade is ontstaan.

5.5.

[eiseres] heeft een beroep gedaan op voornoemd bewijsvermoeden. Zij stelt dat de schade is ontstaan door (of namens) het handelen van (één van) de huurder(s). Volgens [eiseres] volgt de hoofdelijke aansprakelijkheid uit het feit dat [gedaagden] alle drie afzonderlijk gebruik maken van en toegang hebben tot de cv- ketel die zich in een gemeenschappelijke ruimte bevindt.

5.6.

Als een huurder wordt geconfronteerd met een dergelijk wettelijk bewijsvermoeden, zoals in het onderhavige geval, dan kan de huurder dit bewijsvermoeden ontzenuwen door feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit kan worden afgeleid dat de schade niet door of namens de huurder is veroorzaakt. In dat geval herleeft de normale bewijslast.

5.7.

Vooropgesteld wordt dat in de onderhavige situatie geen sprake is van medehuur maar van drie afzonderlijke huurovereenkomsten voor onzelfstandig gebruikte woonruimte, waarbij de afzonderlijke huurders geen woongemeenschap vormden, zodat de ene huurder niet aansprakelijk gesteld kan worden voor schade veroorzaakt door het handelen van een andere huurder (of een namens deze huurder zich in de woning bevindende derde). Van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 7:218 lid 2 BW kan daarom geen sprake zijn. [eiseres] dient te stellen en te bewijzen wie van de huurders de kraan niet heeft dichtgedraaid. Dat [gedaagden] allemaal gebruik maken van en toegang hebben tot de cv- ketel in de gemeenschappelijke ruimte doet daar niet aan af. Ook de stelling van [eiseres] dat uit de verklaringen van [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 2] blijkt dat het praktisch niet mogelijk is dat de kraan acht maanden opengestaan heeft voordat de vulslang is gebarsten en de lekkage is ontstaan, leidt niet tot een ander oordeel.

5.8.

Ten aanzien van [gedaagde 2] zijn geen feiten en omstandigheden gesteld dat zij de cv-ketel heeft bijgevuld. Dit betekent dat de vordering onder I jegens [gedaagde 2] wordt afgewezen.

5.9.

Met betrekking tot [gedaagde 1] heeft [eiseres] gesteld dat de vriend van [gedaagde 1] ook in de woning aanwezig was toen de lekkage ontstond en dat hij wellicht de cv-ketel heeft bijgevuld en omtrent [gedaagde 3] is door [eiseres] gesteld dat uit de verklaring van [naam 9] blijkt dat de vader van [gedaagde 3] enkele dagen voorafgaand aan de lekkage de cv-ketel heeft bijgevuld. Gelet op de betwisting van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ter zake lag het op de weg van [eiseres] om haar stellingen op dit punt nader te concretiseren - immers nu wordt uitgegaan van twee tegenstrijdige scenario’s - en te onderbouwen. [eiseres] heeft dat niet, althans niet voldoende gedaan, zodat niet aan bewijslevering wordt toegekomen. Dit betekent dat niet vast is komen te staan dat (een derde namens) [gedaagde 1] en/of [gedaagde 3] de kraan open heeft laten staan. De overige stellingen en weren hoeven daarom niet besproken te worden. De vordering onder I jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] wordt eveneens afgewezen.

de huur ten aanzien van [gedaagden]

5.10.

[eiseres] vordert onder II en VI de huur van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over de maanden februari, maart en april 2019 en onder IV de huur van [gedaagde 3] over de maand februari 2019.

5.11.

De huurachterstanden zijn door [gedaagden] niet betwist, zodat zij ingevolge de huurovereenkomsten in beginsel gehouden zijn tot betaling van die huurachterstand. Vast staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de huur over de maanden februari tot en met april 2019 niet hebben voldaan en dat [gedaagde 3] de huur over de maand februari 2019 niet heeft betaald. Of het onder IV gevorderde bedrag van € 805,- ten aanzien van [gedaagde 3] verminderd dient te worden met een bedrag van € 274,91 kan in het midden blijven, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.

5.12.

[gedaagde 2] heeft aangevoerd dat zij met [eiseres] heeft afgesproken dat over de periode van februari tot en met april 2019 geen huur betaald hoefde te worden omdat geen, dan wel verminderd huurgenot kon worden geboden. Daarnaast heeft [gedaagde 2] aangevoerd dat zij over voornoemde periode geen huur verschuldigd is omdat buiten haar schuld geen woongenot verschaft kon worden, zodat [eiseres] geen aanspraak kan maken op betaling van die huurtermijnen.

Door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] is aangevoerd dat, nu de oorzaak van de schade en de omstandigheid dat de woning gedurende de herstelwerkzaamheden onbewoonbaar was niet voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] komt, zij op grond van artikel 7:207 lid 1 BW en artikel 30 van de algemene voorwaarden recht hebben op vermindering van de huurprijs tot nihil. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] wensen de door [eiseres] gevorderde huur te verrekenen.

5.13.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagden] onverkort gehouden is tot betaling van de huurpenningen, omdat de schade door hun eigen toedoen, dan wel onder hun verantwoordelijkheid is ontstaan. Zij betwist echter niet dat de woning als gevolg van de waterschade na de lekkage van 23 december 2018 tot en met 18 maart 2019 onbewoonbaar was en dat [gedaagden] in die periode in het geheel geen huurgenot hebben gehad. Nu in ro. 5.7 tot en met 5.9 reeds is overwogen dat niet is komen vast te staan dat het schadevoorval kan worden toegerekend aan één van de huurders, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagden] op goede gronden de huurpenningen over die periode onbetaald hebben gelaten. De vorderingen onder II, IV en VI worden daarom afgewezen.

de contractuele boete ten aanzien van [gedaagden]

5.14.

Met betrekking tot de gevorderde contractuele boete ten aanzien van [gedaagden] wordt overwogen dat nu in ro. 5.13 is geoordeeld dat [gedaagden] de gevorderde huur niet verschuldigd zijn, geen aanleiding bestaat voor betaling van de contractuele boete. Dit betekent dat de vorderingen onder III, V en VII worden afgewezen.

proceskostenveroordeling ten aanzien van [gedaagde 1] en [gedaagde 3]

5.15.

[eiseres] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] vastgesteld op € 1.494,- aan salaris voor de gemachtigde (drie punten à € 498,- per punt).

5.16.

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als in de beslissing vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5.17.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

proceskostenveroordeling ten aanzien van [gedaagde 2]

5.18.

[eiseres] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 2] vastgesteld op € 1.494,- aan salaris voor de gemachtigde (drie punten à € 498,- per punt).

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten,

  • -

    tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] vastgesteld op € 1.494,- aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; en indien [eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op € 120,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [eiseres] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het nasalaris en de kosten van betekening verschuldigd vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 2] vastgesteld op € 1.494,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

[46009]