Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6889

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-06-2021
Datum publicatie
16-08-2021
Zaaknummer
620209
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/620209 / JE RK 21-1607

datum uitspraak: 28 juni 2021

beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

locatie Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

betreffende

[naam kind],

geboren op [geboortedatum kind] 2005 te [geboorteplaats kind], hierna te noemen: [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader],

hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats vader],

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West,

gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 14 juni 2021, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum;

- de bepaling jeugdhulp van de gemeente Gorinchem van 14 juni 2021, ingekomen bij de griffie op 25 juni 2021;

- de definitieve raadsrapportage van 23 juni 2021, ingekomen bij de griffie op 25 juni 2021;

- de reactie van de ouders op de definitieve raadsrapportage van 23 juni 2021, ingekomen bij de griffie op 25 juni 2021;

- een brief van [naam kind] van 23 juni 2021, ingekomen bij de griffie op 25 juni 2021.

Op 28 juni 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1];
- een vertegenwoordigster van de GI, [naam 2].

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam kind] verblijft in een gezinshuis.

Bij beschikking van 14 april 2021 is [naam kind] voorlopig onder toezicht gesteld tot 14 juli 2021. De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 april 2021 de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] verlengd voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 14 juli 2021.

Het verzoek

De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [naam kind] voor de duur van twaalf maanden.

Tevens wordt de uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg verzocht voor de duur van zes maanden.

De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [naam kind] is na de scheiding terecht gekomen in een loyaliteitsconflict. [naam kind] krijgt mee dat beide ouders negatief over elkaar praten, terwijl zij dit niet wil horen. [naam kind] wordt hierdoor meegenomen in de strijd tussen de ouders. Deze strijd moet gestaakt worden en de ouders moeten samen gaan werken voor en over [naam kind]. Enerzijds geven de ouders aan dat zij zich in de steek gelaten voelen door [naam kind]. Anderzijds voelt [naam kind] zich verlaten door de ouders. Na de scheiding is [naam kind] in het diepe gegooid door haar ouders. De huishoudelijke taken en de verantwoordelijkheid over [naam 3] en [naam 4], het broertje en zusje van [naam kind], komen voornamelijk op de schouders van [naam kind] te rusten. De ouders belasten [naam kind] met volwassenenproblematiek en maken het belang van [naam kind] ondergeschikt aan hun eigen belang. Het is in het belang van [naam kind] dat iemand de regie gaat voeren door middel van een ondertoezichtstelling, zodat zij zich weer kan gaan richten op haar eigen ontwikkeling. Hierdoor is het van belang dat [naam kind] in het gezinshuis kan blijven.

Het standpunt van de GI

De GI heeft ter zitting ingestemd met het verzoek van de Raad. [naam kind] verblijft momenteel in een gezinshuis van Enver en hier heeft zij het fijn. [naam kind] heeft een goede klik met de gezinshuisouder. Ondanks dat [naam kind] het nog lastig vindt om aan te geven wat zij zelf wil, wordt hierin toch een vooruitgang gezien. Het lukt [naam kind] steeds meer om haar grenzen aan te geven. Sinds haar verblijf in het gezinshuis heeft [naam kind] de vader niet meer gezien. Zij heeft de moeder sindsdien één keer gezien in de supermarkt. Met beide ouders heeft [naam kind] af en toe contact via Whatsapp over alledaagse dingen. De ouders hebben aangegeven dat zij het contact met [naam kind] weer willen oppakken. De moeder wil het liefste dat [naam kind] weer bij haar komt wonen. [naam kind] geeft zelf aan dat zij nu vooral tot rust wil komen. Zij heeft momenteel geen behoefte om de ouders te zien. Verder wil [naam kind] nog niet terug naar huis. Dit heeft grotendeels te maken met het feit dat zij geen keuze kan maken tussen de moeder of de vader. Als ze ervoor kiest om bij de ene ouder te wonen dan is zij bang dat de andere ouder boos wordt. Er is te zien dat [naam kind] klem zit tussen de ouders en daarom is het van belang dat er wordt geluisterd naar de wensen van [naam kind]. Er moet worden gekeken wat [naam kind] nodig heeft voor haar (sociaal-emotionele) ontwikkeling. Tegelijkertijd moet er ook onderzocht worden hoe het contact tussen de ouders en [naam kind] kan worden vormgegeven in de toekomst. Binnenkort zullen de ouders daarom kennis maken met het gezinshuis waar [naam kind] verblijft.

Het standpunt van de belanghebbenden

Door de moeder is ingestemd met het verzoek van de Raad. De moeder geeft aan dat zij sinds 1 mei 2021 een nieuwe woning heeft waar zij samen met haar partner woont. Het liefste ziet de moeder dat [naam kind] weer bij haar thuis komt wonen.

Door de vader is verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De vader voedt [naam kind] al een jaar op samen met de grootmoeder. De vader geeft aan dat [naam kind] het goed heeft bij hem thuis. Hier ziet zij ook haar broertje en zusje. De vader geeft aan dat [naam kind] weer bij hem mag komen wonen.

De beoordeling

Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat [naam kind] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De ontwikkelingsbedreiging is gelegen in de verstoorde relatie en onderlinge strijd tussen de ouders. [naam kind] zit momenteel klem tussen de ouders. Er is sprake van een loyaliteitsprobleem bij [naam kind] en er moeten worden gekeken hoe zij weer met beide ouders onbelast contact kan hebben. [naam kind] verblijft op dit moment bij een gezinshuis van Enver. Daar is te zien dat het goed gaat met [naam kind] en dat zij een goede band heeft opgebouwd met de gezinshuisouder. Het is belangrijk dat het verblijf bij het gezinshuis wordt voortgezet omdat [naam kind] rust nodig heeft en daar weer kan toekomen aan haar eigen ontwikkeling. De aankomende periode moet er worden onderzocht hoe het contact tussen [naam kind] en de ouders kan worden vormgegeven. Het belang van [naam kind] moet hierbij voorop komen te staan. Verder moet er onderzocht worden welke hulpverlening [naam kind] nodig heeft om haar positieve ontwikkeling voort te zetten bij het gezinshuis.

Gezien het voorgaande is kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom [naam kind] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b (BW). Het verzoek zal worden toegewezen voor de duur van zes maanden.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [naam kind] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, locatie Dordrecht, van 28 juni 2021 tot 28 juni 2022;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg (een gezinshuis) tot 28 december 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2021 door mr. S. Jordaan, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M. Hermans, als griffier. Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 12 juli 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.