Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6839

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-07-2021
Datum publicatie
26-07-2021
Zaaknummer
C/10/574191 / HA ZA 19-453
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 185 WVW. Bus rijdt over de voet van persoon die op de rijbaan staat. Geen overmacht of aan opzet grenzende roekeloosheid van de benadeelde. Eigen schuld 50%. Na billijkheidscorrectie komt 25% van de schade voor eigen rekening van de benadeelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0628
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/574191 / HA ZA 19-453

Vonnis van 21 juli 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. E.C.H. van Loosbroek te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ROTTERDAMSE ELECTRISCHE TRAM N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E. van Houweninge Graftdijk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en RET genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 het proces-verbaal van comparitie van 20 augustus 2019 met mondelinge uitspraak ex artikel 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,

 de aanvullend productie van [eiser] , ingediend op 9 oktober 2019,

 de processen-verbaal van getuigenverhoor van 10 december 2019, 10 januari 2020, 7 februari 2020 en 13 november 2020,

 de conclusie na enquête,

 de antwoordconclusie na enquête.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank zal verklaren voor recht:

  • -

    dat RET aansprakelijk is voor de gevolg van het op 17 juni 2018 aan [eiser] overkomen ongeval;

  • -

    dat RET gehouden is de kosten als begroot in de deelgeschilprocedure ad € 3.695,93, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 januari 2019 te voldoen,

  • -

    dat RET haar medewerking dient te verlenen aan buitengerechtelijke onderhandelingen, terwijl bij uitblijven van medewerking, de schade dient te worden begroot op te maken bij staat.

Dit alles met veroordeling van RET in de kosten van de procedure en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval de voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening.

2.2.

[eiser] baseert zijn vorderingen op aansprakelijkheid van RET voor zijn schade tengevolge van een verkeersongeval, onder verwijzing naar de beschikking die deze rechtbank op 16 januari 2019 heeft gewezen in een tussen partijen gevoerde deelgeschilprocedure ex artikel 1019w Rv. Daarbij is voor recht verklaard dat RET aansprakelijk is voor de gevolgen van het op 17 juni 2018 gebeurde ongeval, tenzij zij bewijs levert van feiten of omstandigheden die aannemelijk maken dat er sprake was van overmacht. Verder heeft de rechtbank in deze beschikking de kosten van het deelgeschil aan de zijde van [eiser] begroot op € 3.695,93.

2.3.

RET voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de kosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen nadat het vonnis is gewezen en met veroordeling van [eiser] in de nakosten. Dit alles zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.4.

RET doet primair een beroep op overmacht en subsidiair een beroep op aan opzet grenzende roekeloosheid van [eiser] . Meer subsidiair voert RET als verweer dat de schade voor 50% voor rekening van [eiser] moet blijven omdat zijn gedragingen in verhouding tot die van de buschauffeur minimaal voor 50% aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen.

3. De verdere beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat vast dat op 17 juni 2018 om ongeveer 04.50 uur een aan RET toebehorende RET-bus (verder: de bus) op de Mathenesserweg te Rotterdam over de voet van [eiser] is gereden. In geschil is of RET voor de dientengevolge door [eiser] geleden schade aansprakelijk is.

Het juridisch kader

3.2.

Bij de in deze procedure bedoelde aanrijding (verder: de aanrijding) waren een motorrijtuig (de bus) en een voetganger ( [eiser] ) betrokken. In deze situatie geldt artikel 185 lid 1 WVW. Dit artikel bepaalt dat, wanneer een motorrijtuig dat op de weg rijdt betrokken is bij een verkeersongeval, waardoor schade wordt toegebracht aan een niet door dat motorrijtuig vervoerd persoon, de eigenaar van het motorrijtuig verplicht is om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht.

3.3.

Dit begrip overmacht moet in verband met het gevaar, dat het verkeer met motorrijtuigen op de openbare weg voor anderen oplevert, strikt worden uitgelegd, zoals volgt uit bestendige jurisprudentie. Het beroep op overmacht gaat slechts op als aannemelijk wordt dat aan de bestuurder van het motorrijtuig rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt, omdat de aanrijding uitsluitend is te wijten aan fouten van een ander die voor de bestuurder zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met deze mogelijkheid in redelijkheid geen rekening behoefde te houden.

3.4.

Indien overmacht niet aannemelijk wordt, maar er wel een fout van [eiser] is, geldt op grond van de in de jurisprudentie ontwikkelde 50%-regel dat de billijkheid bij de verdeling van de schade over partijen eist dat ten minste 50% van de schade ten laste van RET wordt gebracht. Dit brengt mee dat RET in ieder geval aansprakelijk is voor de helft van de schade van [eiser] .

3.5.

Voor een uitzondering op deze 50%-regel is op grond van de jurisprudentie alleen plaats indien sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van [eiser] . Voor die aan opzet grenzende roekeloosheid is in beginsel in elk geval bewustheid van het gevaar bij [eiser] vereist.

3.6.

Bij de mondelinge uitspraak van 20 augustus 2019 heeft de rechtbank RET toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten of omstandigheden:

  1. die aannemelijk maken dat er sprake was van overmacht aan de zijde van haar chauffeur bij het ontstaan van de ten processe bedoelde aanrijding op 17 juni 2018;

  2. waaruit volgt dat die aanrijding is ontstaan ten gevolge van of mede ten gevolge van aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van [eiser] , althans is ontstaan mede als gevolg van een omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend.

3.7.

RET heeft vijf getuigen doen horen, te weten [eiser] , [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] . [eiser] heeft in contra-enquête twee getuigen doen horen, te weten [persoon E] en [persoon F] .

Verder baseren partijen zich op reeds tot het dossier behorende stukken.

De bewijsmiddelen

3.8.

Per saldo zijn de volgende bewijsmiddelen thans voorhanden.

3.9.

Het mutatierapport van de Politie Eenheid Rotterdam dat op 17 juni 2018 naar aanleiding van de aanrijding is opgemaakt (verder: het mutatierapport) vermeldt – voor zover hier relevant – :

“(…)

Verbalisanten: (…)( [kenmerk verbalisant 1] (…))

(…)( [kenmerk verbalisant 2] (…))

(…)

Verhaal van [eiser] (slachtoffer):

Ik had een paar mensen uit de zaak gezet, deze waren vervelend. (…) Ik had (…) een fout gemaakt en heb toen het geld terug gevraagd. Dit liep een beetje uit de hand waarna ik werd geduwd en op de straat viel. Hierna is een RET bus die op dat moment langs reed over mijn been gereden. (…)

Verhaal [persoon A] :

(…) Ik zag (…) dat [eiser] werd geduwd door een van de heren en hierdoor op straat viel.

(…)

Verhaal [persoon D] (ret chauffeur);

(…) Ik heb (…) niets gezien. Ik heb wel gezien dat er een ruzie was voor club [naam club] . In zag dat 2 portiers op straat 2 andere mannen in elkaar aan het slaan waren. (…) Ik ben nog om de vechtende heren heen gereden. Ook heb ik nog achteruit gekeken in mijn spiegel maar ik zag niemand.

(…)”

3.10.

Een op 18 juni 2018 door RTV Rijnmond na een interview met [eiser] gepubliceerd artikel vermeldt – voor zover hier van belang – :

“(…) “(…)”zegt [eiser] . (…) De klant (…) werd geweigerd. De discussie eindigde met duw- en trekwerk, waarbij de beveiliger op straat werd geduwd.

Op dat moment haalde de RET-bus net de geparkeerde taxi in. De beveiliger knalde tegen de zijkant van de bus, viel en kwam met het onderbeen onder het voertuig terecht. (…) “(…), zegt [eiser] . (…)”

3.11.

De schriftelijke verklaring van [persoon D] van 13 november 2018 – voor zover hier van belang – luidt:

Ik ben als buschauffeur in dienst van de RET.

Op 17 juni 2018 omstreeks 04:50 uur reed ik met de bus op de Mathenesserweg in de richting van Marconiplein. Ik reed op de rechter weghelft. Rechts van mij waren geparkeerde auto’s, daar rechts van was een fietspad en daar weer rechts van was de stoep.

Toen ik op de Mathenesserweg reed, kort nadat ik over de Mathenesserbrug was gereden, zag ik voor mij dat er ter hoogte van de nachtclub [naam club] vier mannen op de stoep stonden. Twee mannen waren beveiligers van de nachtclub. Dat kon ik zien aan de kleding die ze droegen, een wit overhemd met een donker vest zonder mouwen en een donkere broek. Ik zag dat de twee beveiligers flinke klappen uitdeelden aan de twee andere mannen. (…) Ik zag dat ze echt vuistslagbewegingen maakten naar de twee andere mannen. Dit gebeurde dus op de stoep voor de nachtclub. Het duurde niet zo lang en ik zag dat de mannen die geslagen werden van de beveiligers vandaan liepen over de stoep, in de richting van Marconiplein.

Aangezien er een taxi ter hoogte van de nachtclub op de rechter weghelft stond, naast de geparkeerde auto’s, moest ik uitwijken naar de linker weghelft om de taxi te kunnen passeren.

Voordat ik de inhaalmanoeuvre ging uitvoeren minderde ik vaart en vervolgens reed ik met heel lage snelheid (stapvoets) over de linker weghelft om de taxi in te halen. Toen de gehele bus voorbij de taxi was stuurde ik de bus weer naar de rechter weghelft en toen de bus weer geheel op de rechter weghelft was gaf ik gas en vervolgde mijn rit.

Tijdens de inhaalmanoeuvre, toen ik dus op de linker weghelft reed, had ik mijn ogen voornamelijk gericht op de weg voor mij. Tijdens die inhaalmanoeuvre stonden (…) op de rechter weghelft, daar waar ik met de bus naar toe zou gaan (…) geen mensen.

Ik weet ook zeker dat er geen mensen op straat stonden voordat ik met de inhaalmanoeuvre begon.

Toen ik de bus na het inhalen naar rechts stuurde heb ik in de rechter zijspiegel van de bus gekeken, maar ik zag ook toen geen mensen op straat lopen. (…)”

3.12.

Een ongedateerde schriftelijke verklaring van [persoon B] – voor zover hier van belang – luidt:

“Ik stond voor de deur bij de nachtclub [naam club] . De portier stond op de weg te discussiëren met (…) gasten. Volgens mij hadden ze ruzie. Er kwam op dat moment een RET bus op de weg waar mijn taxi stil stond en deed een manoeuvre langs mijn taxi en daar stonden de portier en de (…) gasten. De bus raakte de portier met de zijkant van de bus, hij viel op de grond en ik hoorde zijn geschreeuw. Toen zag ik dat de bus over zijn voet heen reed[t]. (…)”

3.13.

De in het proces-verbaal van de op 20 augustus 2019 in deze procedure gehouden comparitie opgenomen verklaring van [eiser] over de toedracht van de aanrijding luidt – voor zover hier van belang – :

“Het klopt dat ik op het moment van het ongeval op de weg stond en met een andere man aan het duwen en trekken was. Hieraan ging een ruzie met die man en nog een andere klant vooraf. Dat begon in de [naam club] . (…) Vrijwel direct nadat ik het briefje aan de klant had gegeven besefte ik mijn fout en ben ik die klant achterna gegaan om het briefje van € 50,- terug te vragen. (…) Ik ben de klant met het geld gevolgd. Wij liepen direct vanuit de [naam club] over de stoep zo de rijbaan op. (…). Wij waren al op de rijbaan voordat de bus er aan kwam, maar ik heb de bus toen niet opgemerkt. Ik liep en keek naar die klant en zei dat ik niet wilde knokken, maar gewoon het geld terug wilde. Ik probeerde dat terug te pakken en hij wilde het niet geven. We stonden toen allebei op de rijbaan, ik had een wit overhemd met een zwart giletje aan. Ineens voelde ik een duwtje en viel ik. Toen ik wilde opstaan merkte ik dat mijn voet klem zat onder de bus. De bus reed heel rustig, was de taxi voorbij en ging toen rustig naar rechts. Ik stond al die tijd met die klant op de rijbaan. De bus is met de zijkant, een paar meter vanaf het voorwiel tegen mij aangereden, op dat moment viel ik en toen is de bus met het achterwiel over mijn voet gereden. (…)”

3.14.

Op camerabeelden die op 17 juni 2018 zijn gemaakt met de camera, die zich bevond in de bus en was gericht op de voordeur van de bus (verder: camera 1), is bij de na te melden tellerstanden het volgende te zien:

circa 15:00 : de bus vermindert vaart;

circa 15:05 – 15:07 : de bus rijdt langzaam en passeert een stilstaande taxi die met brandende koplampen naast geparkeerde auto’s staat;

circa 15:08 – 15:11 : [eiser] stapt enkele meters voor de taxi tussen geparkeerde auto’s uit de rechter rijbaan op en loopt in de rijrichting van de bus naar een man die op de rechter rijbaan staat. [eiser] kijkt daarbij niet in de richting van de bus, maar in de richting van die man. De bus rijdt langzaam;

circa 15:14 : de bus begint weer terug te rijden naar de rechter rijbaan;

circa 15:22 : de bus rijdt geheel op de rechter rijbaan.

3.15.

Op camerabeelden die op 17 juni 2018 zijn gemaakt met de camera, die zich bevond in de bus en was gericht op de achterste zitplaatsen van de bus (verder: camera 2), is bij de na te melden tellerstand het volgende te zien:

circa 15:09 : een vrouw en man aan het rechter raam kijken naar buiten;

circa 15:11 – 15:12 : de koplampen van de taxi zijn zichtbaar;

circa 15:13 – 15:15 : de vrouw en de man kijken nog steeds naar buiten;

circa 15:16 : de vrouw en de man kijken elkaar aan;

circa 15:17 – 15:25 : de vrouw en de man en ook passagiers die achter hen zitten kijken naar buiten naar iets achter de bus.

3.16.

De getuigenverklaring van [eiser] – voor zover hier van belang – :

“Ik heb als partij op de vorige zitting een verklaring afgelegd. Ik heb toen de waarheid gezegd, wat ik toen verteld heb, is wat ik mij herinner. U leest mij die verklaring nog een keer voor. Dat klopt. Wat u mij daar voor leest, zo was het.

In aanvulling op wat ik toen heb verteld en in reactie op vragen verklaar ik als volgt:

Ik werkte in de [naam club] als beveiligingsportier. (…) In de club ging het er om dat ik aan de ene klant vroeg: geef het geld terug en dat hij dat niet wilde. (…) ik zou het geen ruzie willen noemen. (…) Die klant is naar buiten gegaan, naar de stoep en ik ben er achter aan gelopen. Mijn collega, dat is de DJ (…) hij heet [persoon A] , is achter ons aangelopen. Wij zijn even op de stoep verder gegaan met de discussie en met die dreigende gebaren. Dat was (…) met duwen en trekken op de stoep. Nu u mij dat terug leest, zeg ik u dat er toen niet echt duwen en trekken aan de orde was, het ging nog steeds om dreigende gebaren maken. Die klant en ook de andere klant zijn toen weggelopen, de rijbaan op. (…) De stoep is daar best breed, zes of zeven meter, dan komt er een fietspad en dan een parkeerstrook. Die parkeerstrook stond vol met geparkeerde auto’s. Ik liep achter die klant aan de rijbaan op en ik zei tegen hem dat hij het geld terug moest geven (…) het ging allemaal heel snel ik praatte tegen hem en hij praatte terug. (…) De taxi stond toen al naast de geparkeerde auto’s stil. (…) Wij zijn toen op de rijbaan verdergegaan met dreigen tegen elkaar, het ging er nog steeds om dat ik dat geld terug wilde. Wij hebben elkaar niet geslagen of geschopt, die klant en ik. Het kan zijn dat wij elkaar misschien een of twee keer hebben aangeraakt, een beetje getrokken of geduwd maar er was geen sprake van een vechtpartij. Toen wij eenmaal op de rijbaan waren, de twee klanten, [persoon A] en ik, zijn wij niet meer teruggegaan naar de parkeerhavens of naar de stoep. Wij zijn de hele tijd op de rijbaan gebleven. De klant met wie ik in discussie was en ik stonden ook allebei op onze voeten, midden op de rijbaan. Ik stond tamelijk dicht bij de witte middenstreep. Het was ongeveer vijf uur ’s ochtends, er was geen verkeer, alle lantarenpalen brandden en er was niks bijzonders in de straat aan de hand. (…) Dit alles heeft zich op die rijbaan in ongeveer 1 minuut afgespeeld, alles ging heel snel. (…)

Op zeker moment voelde ik een duwtje op mijn rug. Er stond niemand achter mij en die klant stond ongeveer 2 meter voor mij. (…) Ik ben toen vooruit gevallen en toen was het wiel van de bus ineens op mijn voet. Ik had de bus niet zien aankomen en hij heeft ook niet getoeterd. Ik was verrast dat de bus er opeens was.

Mij wordt gevraagd naar het interview met RTV Rijnmond. Zij hebben het anders opgeschreven dan ik het gezegd heb (…).”

3.17.

De getuigenverklaring van [persoon A] – voor zover hier van belang – :

“(…) Ik ken [eiser] als collega. (…) Ik heb nog wel een herinnering aan die avond. Ik was aan het werk in de [naam club] (…) Op een gegeven moment hoorde ik (…), dat ik naar buiten moest gaan omdat [eiser] een conflict had, hij had problemen met klanten. (…) Ik ben toen naar buiten gelopen. Toen ik buiten kwam, zag ik (…) dat er een bus aan kwam rijden. Ik zag verder dat er geparkeerde auto’s stonden en dat naast die geparkeerde auto’s een taxi stond. Ik zag dat de taxichauffeur naast zijn auto stond, (…) Ik zag dat [eiser] op de weg stond, ik bedoel daarmee het gedeelte waar de auto’s rijden. Hij stond nog net aan de kant van de witte streep waar [naam club] zit. Ik ben vanaf de deur meteen de rijbaan opgerend (…) Die twee klanten, het waren mannen, waren aan het wegrennen, van het Marconiplein af. Ik zag dat de bus tegen de schouder van [eiser] aankwam. Ik was toen vlakbij [eiser] , ik denk maar 1 of 2 meter van hem af. [eiser] gleed toen uit en viel. (…) Hij keek in de richting van het Marconiplein, dus van hem uit gezien kwam de bus van achter. De bus toeterde niet. Verder was er geen verkeer, de lantarenpalen brandden en er was niks bijzonders aan de hand in de straat.

Toen [eiser] weer in de club was en de ambulance moest komen, is er politie geweest. Ik kan mij niet herinneren dat een politieagent vragen heeft gesteld. U leest mij een gedeelte voor uit een mutatierapport, het gedeelte waarboven staat ‘verhaal [persoon A] ’. Ik weet niet waar dat vandaan komt. (…) Ik heb (…) helemaal niet gezien dat [eiser] werd geduwd en op straat viel, dat heb ik ook niet tegen de politie gezegd. (…)”

3.18.

De getuigenverklaring van [persoon B] (taxichauffeur) – voor zover hier van belang – :

“(…) Ik weet niet meer precies wanneer het ongeluk is gebeurd, maar volgens mij was het […] in juni 2018. Het was ongeveer tussen half 5 en 5 uur ’s ochtends, het begon net te schemeren. (…)

Op die ochtend bracht ik een klant naar de [naam club] . Omdat er geen parkeerplaats was heb ik mijn taxi dubbel geparkeerd. (…) Toen ik de auto daar parkeerde waren er een portier en twee mannen buiten. (…) Die portier en die twee mannen stonden eerst op de stoep en zijn toen, ik denk vijf of tien seconden later, naar de rijbaan gelopen. Dat was een afstand van ongeveer tien meter. Zij liepen met normale snelheid. Zij waren met elkaar op de stoep aan het discussiëren met stemverheffing, maar ik kon niet verstaan wat er gezegd werd. Ik heb niet gezien dat er geslagen of geschopt is. Ze zijn al discussiërend aan de voorzijde van mijn taxi op de rijbaan gaan staan, de twee klanten aan de ene kant en de portier daar tegenover. De portier keek in de richting van de [naam club] . Op dat moment zag ik dat er een RET bus aankwam. (…) Die twee mannen en de portier zijn, toen ze eenmaal aan de voorzijde van mijn auto waren gaan staan niet meer terug naar de geparkeerde auto’s of naar de stoep gegaan. Ze zijn daar blijven staan en hebben de discussie steeds voortgezet. Ze waren nog aan het discussiëren toen de bus de portier raakte.

De RET bus reed niet hard, tien km/uur of nog langzamer. Omdat ik dubbel geparkeerd stond moest de bus om mijn taxi heen rijden en toen weer terug naar zijn eigen rijbaan. Bij die manoeuvre zag ik dat de RET bus ongeveer ter hoogte van de middelste deur de portier lichtjes op het midden van zijn rug raakte. De portier had niet bewogen, hij was daar gewoon blijven staan tijdens het gesprek met die twee mannen. De portier is toen vrijwel onmiddellijk gevallen. (…) Ik heb niet horen toeteren. (…)

Ik had niet gezien dat de bus over de voet gereden was, dat kon ik ook niet zien van waar ik stond. Pas toen ik bij de portier was zag ik dat de voet gedraaid was en hoorde ik van de portier dat de bus over de voet gereden was. (…)”

3.19.

De getuigenverklaring van [persoon C] – voor zover hier van belang – :

“(…) Ik heb van wat er gebeurd zou zijn zelf niets gezien, ik ben ook niet ter plaatse geweest. (…)”

3.20.

De getuigenverklaring van [persoon D] – voor zover hier van belang – :

“Ik heb mij voor deze zitting voorbereid door mijn verklaring nog eens door te lezen. (…) De verklaring die ik destijds heb opgesteld heb ik doorgenomen met de jurist van de RET en de advocaat heeft die toen op papier gezet. Wat ik toen verklaard heb, klopt. (…)

Ik heb nog wel een herinnering aan het gebeuren in de nacht van 17 juni 2018. Het was 04:50 ’s ochtends, ik reed de route die ik vanaf januari dat jaar vast reed, met de nachtbus. Ik kwam over de Mathenesserbrug en ik zag toen mensen vechten op de stoep voor de [naam club] . Dat was voor mij rechts dichtbij de ingang van de [naam club] . Ik zag vier mannen. Twee ervan hadden dezelfde kleding aan en ik ging ervan uit dat zij beveiligers waren. Zij maakten vuistbewegingen naar twee andere mannen en raakten die mannen ook. (…) Er stond daar op de weg een taxi stil en ik heb met mijn bus achter die taxi gewacht. Ik zag toen de twee mannen die geslagen werden op de stoep richting Marconiplein lopen. Ik kan mij niet precies herinneren wat die twee beveiligers toen deden. In elk geval zag ik niemand op de rijbaan. Op dat moment vond ik dat ik verantwoord om de taxi heen kon rijden en dat heb ik toen gedaan. Ik reed stapvoets, heel zacht, eigenlijk liet ik de bus min of meer rollen. Er waren op dat moment geen tegenliggers. Omdat er auto’s geparkeerd stonden en even verderop een wegversmalling was, heb ik mij geconcentreerd op die inhaalmanoeuvre en vooral voor mij uit gekeken. Ik weet zeker dat ik niemand op de rijbaan heb gezien, ik heb wel mijn knipperlicht aangezet voordat ik inhaalde maar ik heb niet geclaxonneerd. Toen ik de taxi had ingehaald ben ik rustig verder gereden. (…) U vraagt mij of het kan dat de flank van de bus de beveiliger tegen de rug geraakt heeft. Ik heb daar niets van gezien of gemerkt. (…)

Toen ik op centraal station was aangekomen heb ik (…) een heel kort gesprek gehad met de politie. (…) U leest mij voor wat er in het mutatierapport staat. Dat klopt niet, ik heb niet gezegd dat ik mensen heb zien vechten op straat en ik heb ook niet gezegd dat ik om de vechtende heren heen ben gereden. (…)”

3.21.

De getuigenverklaring van [persoon E] – voor zover hier van belang – :

“(…)

Ik herinner mij dat wij in juni 2018 een melding kregen van de meldkamer en dat mijn collega [persoon F] en ik toen naar club [naam club] in Rotterdam zijn gegaan. Wij hebben daar gesproken met iemand die gewond was geraakt, de heer [eiser] . (…) In ieder geval was er niemand die de aanrijding had zien gebeuren, dat weet ik zeker. (…) Ik herinner mij nog dat [eiser] vertelde dat hij was aangereden door een bus, maar volgens mij heeft hij toen niets verteld over een ruzie. (…)

Ik ben vervolgens met mijn collega naar Centraal Station gereden om met de chauffeur te spreken. (…) De buschauffeur vertelde dat hij een ruzie had gezien bij de [naam club] en dat hij niets van een aanrijding had gemerkt. (…)

U houdt mij een mutatierapport van 17 juni 2018 voor, gevoegd bij de brief van mr. Van Loosbroek van 9 oktober 2019. (…) Ik zie dat de namen van de verbalisanten zwart gemaakt zijn, het nummer dat begint met [kenmerk verbalisant 2] , is mijn nummer. (…)

U houdt mij de tekst voor die in het mutatierapport als ‘verhaal [eiser] ’ is aangeduid. Volgens mij heb ik dat gedeelte over het uit de zaak zetten van mensen pas naderhand gehoord, ik bedoel daarmee nadat wij de chauffeur hadden gesproken. (…) Ik weet dat niet zeker, maar ik heb het zo in mijn hoofd dat [eiser] aanvankelijk alleen over de aanrijding heeft gesproken en niet over een ruzie of iets dergelijks. Het ‘verhaal [persoon A] ’ dat in het mutatierapport staat, herinner ik mij helemaal niet, het kan zijn dat mijn collega [persoon F] met [persoon A] heeft gesproken. (…)”

3.22.

De getuigenverklaring van [persoon F] – voor zover hier van belang – :

“(…) Ik herinner mij niet meer wanneer het incident heeft plaatsgevonden, wel dat het vroeg in de ochtend was. Wat mij er nog van bij staat is dat ik met mijn collega [persoon E] naar de club [naam club] ben gegaan, naar aanleiding van een melding. (…) Ik herinner mij dat er een portier bij de [naam club] was die letsel had, ik dacht beenletsel. Aan het gesprek met hem heb ik geen duidelijke herinnering. Er was in elk geval 1 ander persoon ter plaatse die ik heb gesproken (…) en die persoon wist volgens mij niet van de hoed en de rand. (…) De naam [persoon A] komt mij niet bekend voor. (…) Volgens mij is later pas duidelijk geworden dat hij door een bus was aangereden, er was heel veel onduidelijkheid. Na onderzoek bleek er sprake te zijn van een schermutseling, maar hoe dat precies gebleken is, staat mij niet bij. (…) Toen wij daar op straat waren, kwam uiteindelijk naar voren dat er een schermutseling was geweest, dat [eiser] was gevallen en dat er een bus overheen gereden was. Of dat aan het begin van ons gesprek daar gezegd is of later pas, weet ik niet. Het was wel toen wij daar bij [naam club] waren.

(…)

U toont mij het mutatierapport van 17 juni 2018, gevoegd bij de brief van mr. Van Loosbroek van 9 oktober 2019. Het nummer dat begint met [kenmerk verbalisant 1] , is mijn nummer. (…) U leest mij voor het ‘verhaal [eiser] ’ en het ‘verhaal [persoon A] ’, zoals dat in het mutatierapport staat, Het komt mij wel bekend voor dat er sprake was van een schermutseling, maar verder kan ik het mij echt niet meer herinneren. (…)”

Is het opgedragen bewijs geleverd?

3.23.

RET vindt dat zij in het aan haar opgedragen bewijs is geslaagd.

[eiser] heeft op de rijbaan de confrontatie opgezocht met de klant waarmee hij onenigheid had en met hem gevochten en heeft zo artikel 5 WVW en artikel 4 RVV overtreden. Die fouten van [eiser] waren voor de buschauffeur zo onwaarschijnlijk dat hij daarmee bij het bepalen van zijn verkeersgedrag geen rekening behoefde te houden. Er is daarom sprake van overmacht aan de zijde van de buschauffeur en indien de rechtbank dat niet aannemelijk vindt, is er sprake van aan opzet grenzende roekeloosheid van [eiser] . Bewustheid van het aanzienlijke gevaar van een aanrijding met een motorrijtuig kan worden afgeleid uit de volgende feiten en omstandigheden. [eiser] liep de rijbaan op in de richting van de klant met wie hij eerder had gevochten en zocht aldus de confrontatie met die klant en ging vervolgens op de rijbaan met deze klant vechten. [eiser] moet er als beveiliger van de nachtclub mee bekend worden verondersteld dat er, ook in de nacht in het weekend, regelmatig verkeer op de Mathenesserweg rijdt.

In ieder geval blijkt uit dit alles dat de aanrijding geheel, althans grotendeels heeft kunnen plaatsvinden door ernstige verkeersfouten van [eiser] , aldus nog steeds RET.

3.24.

[eiser] vindt dat RET niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Ten tijde van het voltooien van de inhaalmanoeuvre stonden [eiser] en nog een andere persoon of personen op de rijbaan. De buschauffeur had hen moeten zien, althans had kunnen verwachten dat zich daar personen zouden bevinden. Er kan geen sprake zijn van overmacht aan de zijde van RET. Voor de buschauffeur was het mogelijk om anders te handelen dan hij heeft gedaan. Hij had even kunnen stilhouden achter de taxi om de “vechtende” personen te laten passeren. De situatie duurde maar kort. Er blijkt niet van tegemoetkomend verkeer.

Roekeloosheid is niet bewezen. Dat [eiser] zich niet bewust was van het gevaar blijkt uit feit dat hij op de rechter weghelft vóór de stilstaande taxi stond en de bus over de linker weghelft reed. [eiser] behoefde niet te verwachten dat de bus zo kort vóór de taxi weer terug naar rechts zou gaan en dat de buschauffeur hem niet zag.

3.25.

De rechtbank oordeelt dat er geen feiten of omstandigheden zijn bewezen die overmacht aan de zijde van de chauffeur van RET bij het ontstaan van de aanrijding aannemelijk maken en evenmin aan opzet grenzende roekeloosheid van [eiser] . Dit baseert de rechtbank op het volgende.

overmacht

3.26.

Artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV1990) bepaalt dat bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals van rijstrook wisselen, het overige verkeer voor moeten laten gaan. Onder het overige verkeer vallen alle weggebruikers, dus ook voetgangers.

3.27.

Uit de beelden van camera 1 blijkt dat [eiser] en een andere man zich op de rechter- rijbaan bevonden toen de bus op de linkerrijbaan passeerde en dat de bus daarna weer de rechterrijbaan op is gereden. De overige bewijsmiddelen bevatten geen aanwijzingen dat het anders is gegaan. De verklaringen van [persoon B] en [eiser] bevestigen juist dat [eiser] op die rijbaan was en is gebleven.

3.28.

Het bepaalde in artikel 54 RVV brengt mee dat de buschauffeur zich er van diende te verzekeren dat zich niemand op de rechterrijbaan naast de bus bevond voordat hij de bus weer de rechterrijbaan op stuurde. Dit heeft de buschauffeur niet of in onvoldoende mate gedaan. Immers, hij heeft verklaard niemand op de rechterrijbaan te hebben gezien.

3.29.

Niet aannemelijk is dat de buschauffeur [eiser] niet op de rijbaan heeft kunnen zien omdat hij niet of onvoldoende zichtbaar was. Uit de beelden van camera 1 blijkt dat [eiser] goed zichtbaar was. Hij droeg een wit overhemd en liep in het schijnsel van de koplampen van de taxi de rijbaan op. De buschauffeur heeft ook verklaard [eiser] te hebben gezien toen [eiser] zich nog op de stoep bevond.

3.30.

Het was ook niet zo onwaarschijnlijk dat [eiser] en de klanten waarmee hij onenigheid had zich op de rijbaan zouden begeven dat de buschauffeur daar in redelijkheid geen rekening mee hoefde te houden. De verklaring van de buschauffeur dat de klanten over de stoep richting Marconiplein liepen, vindt geen steun in de andere getuigenverklaringen. Niet alleen [eiser] maar ook getuige [persoon B] heeft verklaard dat de klanten en [eiser] eerst op de stoep stonden en toen naar de rijbaan zijn gelopen. Tussen de stoep en de rijbaan bevonden zich nog een fietspad en een strook met geparkeerde auto’s. Verder blijkt uit de beelden van camera 1 dat [eiser] de rijbaan opliep op het moment dat het voorste portier van de bus hem passeerde en een klant een paar meter voor hem op de rijbaan was. Niet gebleken is van omstandigheden die het zicht van de buschauffeur op het naderen van de rijbaan door die klant en [eiser] belemmerden. Van de buschauffeur mocht daarom worden verwacht dat hij rekening hield met de mogelijkheid dat de betrokkenen zich op de rijbaan zouden bevinden als hij zou inhalen. Hij had voorts kunnen anticiperen door kort stil te gaan staan (al dan niet met knipperende lichten). Dat dit technisch mogelijk was is evident, gelet op de lage snelheid van de bus. Dat de verkeerssituatie kort stoppen niet toeliet kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid. Er was geen ander verkeer en dat was gelet op het tijdstip -4.50 uur in de ochtend- ook niet onmiddellijk te verwachten. Voor ander verkeer zou de bus, gelet op zijn omvang en de straatverlichting, ook van een afstand zichtbaar zijn geweest. In elk geval had de chauffeur kunnen toeteren om de personen die zich buiten bevonden op de aanwezigheid van de bus opmerkzaam te maken. Dat heeft hij nagelaten.

3.31.

Voor zover RET heeft willen stellen dat sprake is van overmacht in die zin dat het letsel zoals het zich heeft voorgedaan in redelijkheid niet voorzienbaar was en niet vermeden kon worden is RET ook in dat bewijs niet geslaagd.

Het letsel is ontstaan doordat de bus [eiser] raakte en vervolgens over zijn voet is gereden. [eiser] heeft als getuige verklaard dat de klant 2 meter voor hem stond toen hij een duwtje in zijn rug voelde, dat hij toen is gevallen en dat de bus over zijn voet reed. Ook [persoon A] en [persoon B] hebben verklaard dat de bus [eiser] raakte, dat hij viel en dat de bus toen over zijn voet reed. [persoon B] is een onafhankelijke getuige, die geen banden heeft met [eiser] en evenmin met de RET of de chauffeur, die ter plaatse was en in een positie waar hij goed zicht had. Aan zijn verklaring komt dus veel gewicht toe. Hij heeft schriftelijk en als getuige eenduidig verklaard dat [eiser] met de klanten stond te discussiëren en toen door de zijkant van de bus geraakt werd. Dat er verschillen zijn in de details, met name dat in zijn schriftelijke verklaring staat dat hij heeft gezien dat de bus over de voet van [eiser] reed, terwijl hij als getuige heeft verklaard dat hij dat niet heeft gezien, maar toen hij bij [eiser] kwam zag dat de voet van [eiser] verdraaid was en van [eiser] hoorde dat de bus over zijn voet heen was gereden, doet aan de geloofwaardigheid van de verklaring niet af.

Dat een persoon die geraakt wordt door een bus ten val komt, valt en dan letsel bekomt doordat de bus over zijn voet rijdt is een voorzienbaar gevolg van dat geraakt worden. Ook in dat opzicht is van overmacht geen sprake.

3.32.

Dit alles leidt er toe dat niet bewezen is dat de aanrijding en het letsel uitsluitend zijn te wijten aan fouten van [eiser] die voor de buschauffeur zo onwaarschijnlijk waren dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag naar redelijkheid daarmee geen rekening behoefde te houden. Overmacht aan de zijde van de chauffeur van RET bij het ontstaan van de aanrijding kan daarom niet worden aangenomen.

aan opzet grenzende roekeloosheid

3.33.

In algemene zin is het als voetganger de rijbaan van een door het gemotoriseerd verkeer gebruikte straat oplopen en daar een minuut of iets langer blijven staan onvoorzichtig, maar dat is pas roekeloos als er sprake is van bijzondere omstandigheden.

In de vaststaande omstandigheden is van roekeloosheid niet gebleken. Het gaat om een goed verlichte straat in de binnenstad van Rotterdam. Er was geen verkeer op straat, dat was gelet op het tijdstip – 4.50 uur in de nacht – ook niet te verwachten, en er stond ter plekke een taxi dubbel geparkeerd. De nachtbus kwam daar weliswaar op zijn route langs, maar dat die daar juist op dat moment verwacht werd blijkt uit niets. [eiser] , maar ook [persoon B] , heeft de bus niet zien aankomen en de bus kondigde zijn komst en de ongewone manoeuvre – het rond de taxi rijden – ook niet door middel van toeteren aan. Er was dus geen bijzondere reden voor [eiser] om extra voorzichtig te zijn. Hij heeft ook maar kort op de rijbaan gestaan.

Dat [eiser] zich het concrete gevaar bewust was, te weten dat om de taxi heen een bus zou komen rijden, is niet gebleken. De situatie was ook niet zodanig dat hij zich dit gevaar bewust moet zijn geweest. Dat hij, toen hij eenmaal op de rijbaan was, zijn rug naar de rijrichting van de bus had en zijn aandacht op de klant gericht hield waarmee hij onenigheid had is onvoorzichtig, maar maakt zijn gedrag niet roekeloos. Dat/of hij met die klant ook gevochten heeft doet niet ter zake. Uit het bewijsmateriaal blijkt, dat zijn val niet is veroorzaakt door een gevecht maar door de bus. Aan opzet grenzende roekeloosheid is daarom niet bewezen.

eigen schuld

3.34.

Uit de getuigenverklaringen en de beelden van camera 1 blijkt dat [eiser] zonder acht te slaan op het verkeer op de weg, achter de klant met wie hij onenigheid had aan, de rijbaan is opgelopen en op de rijbaan met die klant is gaan staan discussiëren. Of hij nu in een echte vechtpartij was verwikkeld of dat het, zoals [eiser] zelf stelt, is gebleven bij schijnbewegingen en verbaal geweld doet daarbij niet ter zake. In beide gevallen was het onverantwoord van [eiser] om op de rijbaan te gaan en, al was het maar kort, te blijven staan. Dat is niet alleen, zoals eerder overwogen, onvoorzichtig maar ook een verwijtbare verkeersfout die het ontstaan van de aanrijding en de schade mede heeft mogelijk gemaakt. In die zin heeft zijn gedrag in causale zin bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding. Die bijdrage is in belang gelijk aan de bijdrage van de verkeersfout van de chauffeur.

3.35.

De billijkheidscorrectie vereist echter, in het kader van art. 6:101 BW, dat de schade niet slechts voor 50%, maar voor 75% voor rekening van RET komt. Er is immers sprake van blijvend letsel bij [eiser] . Hij heeft pijn gehad en chirurgisch ingrijpen moeten ondergaan en er zal, naar het zich thans laat aanzien, ook financieel behoorlijke schade aan de orde zijn. De gevolgen van het ongeval zijn dus voor hem zeer ernstig. Voorts is de rechtbank van oordeel dat van een professionele buschauffeur in een situatie als de onderhavige – er wordt met een nachtbus een inhaalmanoeuvre uitgevoerd, terwijl de buschauffeur even tevoren mensen in de onmiddellijke nabijheid had gezien – meer anticiperend gedrag en meer voorzichtigheid en oplettendheid mag worden verwacht. Daarbij weegt mee dat hij niet eens heeft opgemerkt dat hij iemand had geraakt, terwijl dat wel verwacht had mogen worden.

3.36.

Per saldo is de rechtbank daarom van oordeel dat toepassing van art. 6:101 BW ertoe lijdt dat 25% van de schade voor eigen rekening van [eiser] moet blijven.

Wat zijn de gevolgen voor de vorderingen?

3.37.

Omdat overmacht aan de zijde van de chauffeur bij het ontstaan van het ongeval niet aannemelijk is geworden is RET op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk voor de gevolgen van de aanrijding. De daartoe strekkende verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.

3.38.

De gevorderde verklaring voor recht dat RET gehouden is om de kosten van het deelgeschil te vergoeden is slechts voor 75% van die kosten toewijsbaar. De kosten van het deelgeschil maken op grond van artikel 1019aa Rv en artikel 6:96 lid 2 BW deel uit van de schade die [eiser] door de aanrijding lijdt.

3.39.

De gevorderde verklaring voor recht dat RET haar medewerking dient te verlenen aan buitengerechtelijke onderhandelingen, terwijl bij uitblijven van medewerking die schade dient te worden begroot en opgemaakt bij staat, dient bij gebrek aan belang te worden afgewezen. [eiser] heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat de vrees is gerechtvaardigd dat RET weigerachtig zal zijn om de buitengerechtelijke onderhandelingen op te pakken.

Nu is beslist dat RET aansprakelijk is voor 75% van de schade ligt voor de hand dat partijen gaan onderhandelen. Bij een voorwaardelijke verwijzing naar de schadestaat, wat [eiser] daarmee ook heeft bedoeld, bestaat geen belang, nu hij niet voorts veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat heeft gevorderd. Kennelijk heeft hij de schade zelf nog onvoldoende in kaart gebracht. Hoe dan ook staat het hem vrij, ten vervolge op dit vonnis en bij uitblijven van overeenstemming, veroordeling van RET tot betaling van 75% van het schadebedrag te vorderen.

3.40.

RET zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op

- dagvaarding

103,58

- griffierecht

81,00

- salaris advocaat

2.815,00

5 punten x tarief II ad € 563,00 per punt

totaal

2.999,58

De daarover gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen als na te melden.

3.41.

De gevorderde nakosten zullen, met de daarover gevorderde wettelijke rente, worden toegewezen als na te melden.

4. De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat de RET voor 75% aansprakelijk is voor de schade van [eiser] als gevolg van het op 17 juni 2018 aan [eiser] overkomen ongeval,

verklaart voor recht dat RET gehouden is 75% van de kosten als begroot in de deelgeschilprocedure ad € 3.695,93, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 januari 2019 te voldoen,

veroordeelt RET in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.999,58, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis en – voor het geval de voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de dag dat die termijn zal zijn verstreken tot aan de voldoening,

veroordeelt RET in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat RET niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2021.

2515/106