Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6822

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2021
Datum publicatie
19-07-2021
Zaaknummer
ROT 20/3286
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoekster recht op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade nu verweerder door het bewaren en verwerken van de rapporten met persoonlijke gegevens van verzoekster in strijd heeft gehandeld met de AVG en daardoor het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van verzoekster heeft geschonden. Ten aanzien van de hoogte van de vast te stellen schadevergoeding is van belang dat de privacygevoelige persoonsgegevens gedurende een periode van ongeveer tien jaar door verweerder zijn bewaard, ondanks verschillende verzoeken van verzoekster tot vernietiging van de gegevens. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat in die tien jaar de persoonlijke gegevens van verzoekster zijn verwerkt en meerdere personen en/of instanties van de inhoud kennis hebben kunnen nemen zonder dat zij daartoe gerechtigd waren en dat verzoekster op grond daarvan immateriële schade heeft geleden. De schade begroot de rechtbank, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:898), waarin een schadevergoeding is toegekend van € 500,- voor een kortdurende onrechtmatige verwerking van medische gegevens, en de lengte van de periode dat de gegevens onrechtmatig zijn bewaard en verwerkt, op € 2.500,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/3286

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2021 in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

gemachtigde: mr. J.C. Avedissian.

Procesverloop

Bij verzoekschrift van 15 juni 2020 heef verzoekster verzocht om schadevergoeding op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2021. Verzoekster is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 18 december 2014 heeft verzoekster verweerder verzocht medische gegevens uit haar dossier te verwijderen. Bij besluit van 6 maart 2015 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 24 juli 2017 heeft verweerder het verzoek van verzoekster om terug te komen van dit besluit eveneens afgewezen. Bij besluit van 7 februari 2018 heeft verweerder laatstgenoemd besluit ingetrokken en verzoekster meegedeeld dat alle medische gegevens uit 2008 en 2009 uit haar dossier worden verwijderd. Bij besluit van

17 september 2018 heeft verweerder verzoekster meegedeeld de medische gegevens van verzoekster ook uit andere dossiers te verwijderen.

2. Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat met de intrekking van het besluit van 24 juli 2017 de onrechtmatigheid van dit besluit is gegeven. De rechtbank ziet geen reden om daar anders over te oordelen. Ter zitting heeft verweerder nog betoogd dat niet zonder meer van de onrechtmatigheid van het ingetrokken besluit kan worden uitgegaan nu de precieze reden daarvoor onbekend is, maar met dat enkele betoog heeft verweerder de onderbouwde stelling van verzoekster dat verweerder haar medische gegevens onrechtmatig heeft verwerkt niet op voldoende wijze weersproken.

3.1.

Op grond van artikel 82, eerste lid, van de AVG heeft eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade.

3.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 1 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:898) overwogen dat bij de uitoefening van het recht op schadevergoeding, zoals neergelegd in artikel 82 AVG, rekening dient te worden gehouden met overweging 146 van de considerans van de AVG. Daarin is, onder meer, vermeld dat de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker alle schade moeten vergoeden die iemand kan lijden ten gevolge van een verwerking die inbreuk maakt op deze verordening. Het begrip schade moet ruim worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), op een wijze die ten volle recht doet aan de doelstellingen van deze verordening. Ook is vermeld dat betrokkenen een volledige en daadwerkelijke vergoeding van door hen geleden schade dienen te ontvangen. Verder volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat te vergoeden schade reëel en zeker moet zijn.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht.

3.4.

Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

4.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoekster recht op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade nu verweerder door het bewaren en verwerken van de rapporten met persoonlijke gegevens van verzoekster in strijd heeft gehandeld met de AVG en daardoor het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van verzoekster heeft geschonden. Een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verzoekster kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid en onder b, van het BW, die aanspraak geeft op vergoeding van immateriële schade.

4.2.

Verzoekster stelt als gevolg van het handelen van verweerder ten minste € 25.000,- aan schade te hebben geleden.

4.3.

Ten aanzien van de hoogte van de vast te stellen schadevergoeding is van belang dat de privacygevoelige persoonsgegevens gedurende een periode van ongeveer tien jaar door verweerder zijn bewaard, ondanks verschillende verzoeken van verzoekster tot vernietiging van de gegevens. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat in die tien jaar de persoonlijke gegevens van verzoekster zijn verwerkt en meerdere personen en/of instanties van de inhoud kennis hebben kunnen nemen zonder dat zij daartoe gerechtigd waren en dat verzoekster op grond daarvan immateriële schade heeft geleden. De schade begroot de rechtbank, met inachtneming van de in 4.1. genoemde uitspraak van de Afdeling (waarin een schadevergoeding is toegekend van € 500,- voor een kortdurende onrechtmatige verwerking van medische gegevens) en de lengte van de periode dat de gegevens onrechtmatig zijn bewaard en verwerkt, op € 2.500,-.

4.4.

De stelling van verzoekster dat door het onrechtmatig bewaren en bewerken van haar gegevens haar carrière is beschadigd en zij daardoor onder andere inkomensverlies heeft geleden, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Het verzoek om materiële schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

5. Omdat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk toewijst, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht vergoedt.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek om schade gedeeltelijk toe;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van verzoeksters schade, vastgesteld op € 2.500,- ;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt;

- wijst het verzoek voor het overige af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Dijkhoff, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 juli 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.