Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6781

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
15-07-2021
Zaaknummer
8672450 / CV EXPL 20-26042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overdracht van een waterscooter ex artikel 3:84 lid 1 BW. Gedaagde is op het moment van bezitsverkrijging niet te goeder trouw, zodat hem geen bescherming toekomt in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8672450 / CV EXPL 20-26042

uitspraak: 18 juni 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

gemachtigde: mr. D.A. Siddiqui te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ respectievelijk ‘[gedaagde]’.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 14 juli 2020, met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 11;

  • -

    het tussenvonnis van 3 september 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald op 11 november 2020;

  • -

    de brief van 30 oktober 2020 van de gemachtigde van [eiser], met producties 8 en 9;

  • -

    het proces-verbaal van de op 11 november 2020 gehouden mondelinge behandeling;

  • -

    de brief van 1 december 2020 van de rechtbank Rotterdam, waarbij een voortzetting van de mondelinge behandeling is bepaald op 18 januari 2021;

  • -

    de akte na comparitie van de gemachtigde van [eiser], met producties 10 tot en met 15;

  • -

    de akte na comparitie van de gemachtigde van [gedaagde], met producties 12 tot en met 14.

1.2.

Bij de op 18 januari 2021 gehouden mondelinge behandeling zijn [eiser] en zijn gemachtigde enerzijds en [gedaagde] en zijn gemachtigde anderzijds verschenen. De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Op 25 juli 2019 is op een vakantiepark te Ouddorp een waterscooter van het merk SEA-DOO en type RXT X 26AS, met registratieteken [registratieteken] en rompnummer/identificatienummer [nummer] (hierna: de waterscooter) weggenomen van de eigenaar, wonende te Duitsland (hierna: de rechtmatig eigenaar).

2.2.

Op 3 augustus 2019 heeft [gedaagde] van een Duits sprekende persoon (hierna: de Duitser) op het strand te Hellevoetsluis de waterscooter gekocht voor een bedrag van € 7.300,-.

2.3.

Op 4 augustus 2019 heeft [gedaagde] bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: de RDW) een registratiebewijs voor de waterscooter aangevraagd, waarna hij op 7 augustus 2019 bericht heeft ontvangen dat de aanvraag succesvol is afgehandeld en dat het registratiebewijs de eerstvolgende werkdag wordt opgestuurd.

2.4.

Door de rechtmatig eigenaar is op 8 augustus 2019 aangifte gedaan van diefstal van de waterscooter.

2.5.

Op 13 september 2019 heeft [gedaagde] de waterscooter via Marktplaats aan [eiser] verkocht voor een bedrag van € 6.175,-.

2.6.

[eiser] heeft de waterscooter op 20 september 2019 doorverkocht aan [naam bedrijf] voor een bedrag van € 7.750,-.

2.7.

De waterscooter is door de politie op of omstreeks 2 januari 2020 in beslag genomen bij [naam bedrijf]. Op diezelfde dag heeft [naam bedrijf] door middel van het tekenen van een afstandsverklaring afstand gedaan van de waterscooter. Vervolgens is de waterscooter in februari of maart 2020 ter beschikking gesteld aan de rechtmatig eigenaar.

2.8.

Per brief van 31 januari 2020 heeft [eiser] van de Landelijke Eenheid Dienst Infrastructuur Geografische Afdeling – Noord-West-Nederland van de politie (hierna: de politie) een uitnodiging ontvangen om op 6 februari 2020 als verdachte te worden verhoord over heling van de waterscooter. In het proces-verbaal van het verhoor van 6 februari 2020 staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“(…)

V: Heeft u voor de daadwerkelijke aankoop ook gevraagd naar het motor- en rompnummer van de waterscooter?

A: Nee, dat heb ik niet gedaan.

(…)

V: Wat heeft u vervolgens met de waterscooter gedaan?
A: Ik heb deze te koop aangeboden op marktplaats. [naam bedrijf] uit Langenboom had mij gebeld omdat hij interesse had in de waterscooter. Op zijn verzoek had ik een filmpje gemaakt en hierna had hij mij gebeld en hij had zijn vraagtekens bij het rompnummer omdat hij deze had gecontroleerd en dacht dat hij van diefstal afkomstig was. Hier is appcontact over geweest en later kreeg ik bericht van [naam bedrijf] dat het volgens hun toch in orde was. Ik heb de waterscooter aan hen verkocht voor 7750 euro. Ik heb de waterscooter met trailer naar Langenboom gebracht.

(…)”

2.9.

Per brief van 4 februari 2020 heeft de gemachtigde van [naam bedrijf] [eiser] bericht dat de op 20 september 2019 gesloten koopovereenkomst buitengerechtelijk wordt ontbonden. Voorts is gesommeerd tot betaling van de koopsom van € 7.750,- en de reparatiekosten van de waterscooter van € 842,30 binnen vijf dagen op het rekeningnummer van de gemachtigde van [naam bedrijf].

2.10.

[gedaagde] heeft per brief van 25 februari 2020 eveneens een uitnodiging van de politie ontvangen om op 5 april 2020 als verdachte te worden verhoord over heling/diefstal van de waterscooter. Het verhoor is vanwege coronamaatregelen respectievelijk verhindering van de gemachtigde van [gedaagde] enige malen uitgesteld en heeft uiteindelijk op 6 oktober 2020 plaatsgevonden. In het proces-verbaal van het verhoor van 6 oktober 2020 staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“(…)

V: Heb je een registratiebewijs gezien bij de aankoop?

A: Ik heb een wit papiertje waar een rompnummer en een motornummer en type van de waterscooter op stond. Ik heb hier geen kopie van gemaakt. Ik heb [naam] geïnformeerd. Hij is bij de havendienst. Hij heeft mij voorzien van advies. Hij heeft mij gezegd om de gegevens te controleren van die man. Ik heb de ID-kaart gezien van die man en zijn adres. Ik had de gegevens van die man opgeschreven. Dit ben ik helaas nu kwijt.

V: Wat stonden daar voor gegevens op?

A: Dit witte briefje was een verzekeringsbewijs. Ik heb het niet in mijn handen gehad. Verder weet ik het niet precies.

(…)

V: Hoe wist u dat de boot niet gestolen was?

A: Dat kan je op internet zien. Ik heb dat nog nooit gedaan.

V: Is het niet vreemd dat als je een boot van zo veel geld koopt niet even kijkt of het toevallig gestolen is?

A: Ik heb een aanvraag bij de RDW gedaan. Daar kwam verder niets uit. Ik had verwacht dat de RDW wel zou reageren als er iets niet klopte.

(…)

V: In de nacht van 25 juli 2019 is gezien door een medewerker van het vakantie park dat er door twee mannen een waterscooter is meegenomen? Kunt u daar iets over vertellen?

A: daar weet ik niets van.

V: Vindt u dat niet vreemd? U vaart op een boot en een paar dagen later staat hij op uw naam.

A: Dat is misschien wel vreemd. Ik zou nooit wat stelen.

V: In onze systemen staat wel dat u gestolen heeft. Hoe kan dat?

A: Dat was wat brandstof. Daar ben ik gelukkig voor gepakt. Daar heb ik van geleerd.

(…)”

2.11.

Per brief van 18 maart 2020 heeft van de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] bericht dat de koopovereenkomst wordt ontbonden. [gedaagde] is verzocht de koopsom van € 6.175,- en een schadevergoeding van € 301,29, zijnde juridische kosten, binnen vijf dagen te voldoen op het rekeningnummer van de gemachtigde van [eiser]. [gedaagde] heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

2.12.

Op 20 maart 2020 heeft [eiser] een bedrag van € 7.750,- overgemaakt naar de rekening van de gemachtigde van [naam bedrijf].

2.13.

Op 30 maart 2020 is [gedaagde] per brief van de gemachtigde van [eiser] opnieuw gesommeerd tot betaling van de in 2.11 genoemde bedragen binnen drie dagen.

2.14.

In de periode van 30 maart 2020 tot en met 7 juli 2020 hebben de gemachtigde van [eiser] en [gedaagde] met elkaar via WhatsApp gecorrespondeerd over de (terugbetaling van) de waterscooter. Op 6 april 2020 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] verzocht uiterlijk op 11 april 2020 (een voorstel tot) betaling te doen en op 25 mei 2020 uiterlijk op 31 mei 2020.

2.15.

Per brief van 5 februari 2021 heeft het Openbaar Ministerie, Arrondissementsparket Rotterdam, [eiser] bericht dat de zaak jegens hem is geseponeerd.

3. De vordering

3.1.

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 6.175,-;

II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de over dit bedrag [lees: de vordering onder I] verschuldigde wettelijke rente te rekenen vanaf de dag van ontvangst van de buitengerechtelijke ontbinding van de koopsom, dan wel vanaf 31 maart 2020;

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

IV. [gedaagde] te veroordelen tot de proceskosten.

3.2.

Aan zijn vordering heeft [eiser] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de waterscooter aan [eiser] heeft geleverd terwijl hij daartoe niet beschikkingsbevoegd, zodat geen overdracht in de zin van artikel 3:84 BW heeft plaatsgevonden en [eiser] geen eigenaar van de waterscooter is geworden. [eiser] heeft de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, zodat [gedaagde] gehouden is tot terugbetaling van de koopsom van € 6.175,-. Het gevorderde bedrag aan hoofdsom dient vermeerderd te worden met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag van ontvangst van de buitengerechtelijke ontbinding, dan wel vanaf 31 maart 2020. [gedaagde] is voorts buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten verschuldigd.

4. Het verweer

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Daartoe heeft hij – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd. [gedaagde] heeft betwist dat hij ten tijde van de verkoop van de waterscooter aan [eiser] beschikkingsonbevoegd was. Bij de koop van de waterscooter van de Duitser was [gedaagde] te goeder trouw in de zin van artikel 3:11 BW, nu hij voorafgaand aan die koop niet bekend was met het feit dat de waterscooter ontvreemd was van de rechtmatig eigenaar, de waterscooter feitelijk aan hem is overhandigd, de waterscooter ten tijde van de inschrijving niet als gestolen geregistreerd stond bij de RDW en hij een reële prijs van € 7.300,- voor de waterscooter heeft betaald. Daar komt bij dat hij aan zijn onderzoeksplicht ex artikel 3:11 BW heeft voldaan nu hij het legitimatiebewijs van de Duitser heeft gecontroleerd met de gegevens op het verkoopbewijs. Omdat naast voornoemde goede trouw de waterscooter aan [gedaagde] is geleverd en de overdracht anders dan om niet is geschied, namelijk tegen betaling van € 7.300,-, is voldaan aan de vereisten van artikel 3:86 lid 1 BW en heeft een geldige overdracht van de waterscooter aan [gedaagde] plaatsgevonden. [gedaagde] was derhalve bij de verkoop van de waterscooter aan [eiser] beschikkingsbevoegd, zodat een geldige overdracht aan [eiser] heeft plaatsgevonden ingevolge artikel 3:84 BW. Volgens [gedaagde] is hij niet toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en is die overeenkomst niet rechtsgeldig ontbonden door [eiser]. De waterscooter is door [eiser] doorverkocht in het kader van zijn hobby van kopen en doorverkopen van onder meer waterscooters, zodat hij als een professionele koper aangemerkt kan worden en op hem een zwaardere onderzoeksplicht rust dan op [gedaagde]. Door [eiser] is niet kenbaar gemaakt welk verlies hij heeft geleden door de koop van de waterscooter. Nu het politieonderzoek nog loopt, staat (nog) niet vast dat [gedaagde] de waterscooter door diefstal heeft verkregen. Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke kosten is aangevoerd dat in de brieven van 18 en 30 maart 2020 aan [eiser] geen termijn van veertien dagen is verstrekt voor betaling, maar een kortere termijn.

5. De beoordeling

5.1.

Vast staat dat de gestolen waterscooter na strafvorderlijk beslag door het openbaar ministerie van [naam bedrijf] ter beschikking is gesteld aan de rechtmatig eigenaar.

Vervolgens heeft [eiser] [naam bedrijf] het aankoopbedrag terugbetaald en de koopovereenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk ontbonden. In geschil is of [gedaagde] gehouden is tot terugbetaling aan [eiser] van het aankoopbedrag van € 6.175,-.

5.2.

Voor beantwoording van deze vraag is het van belang om vast te stellen of [gedaagde] door een geldige overdracht eigenaar van de waterscooter is geworden. Indien dat niet het geval is, dan kan [gedaagde] gehouden worden tot betaling van enig bedrag aan [eiser].

5.3.

Voor overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd was over het goed te beschikken (artikel 3:84 lid 1 BW). Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 3:90 BW van een roerende zaak geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is (artikel 3:86 lid 1 BW).

5.4.

[gedaagde] heeft de waterscooter geleverd gekregen tegen betaling van € 7.300,-. Nu de waterscooter gestolen was en de verkoper niet bevoegd was die waterscooter aan [gedaagde] over te dragen, kan van een geldige overdracht aan [gedaagde] alleen sprake zijn indien [gedaagde] op dat moment te goeder trouw was in de zin van artikel 3:11 BW. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.5.

Op grond van artikel 8.01 lid 1 van het Binnenvaartpolitiereglement moet een snelle motorboot ten name van de eigenaar zijn geregistreerd bij een door de Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen instelling. Deze instelling kent aan hem een registratieteken toe en geeft een bijbehorend registratiebewijs af volgens een door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld model. Ingevolge artikel 4 lid 1 Regeling registratie snelle motorboten 1997 wordt een registratiebewijs afgegeven dan wel erkend door of vanwege het Bondsministerie voor Verkeer van de Bondsrepubliek Duitsland geacht te zijn afgegeven door een instelling als genoemd in artikel 8.01 lid 1 van het Binnenvaartpolitiereglement. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] van de Duitser een registratiebewijs ter zake de waterscooter heeft ontvangen en gecontroleerd. Dat [gedaagde], zoals hij heeft aangevoerd, een legitimatiebewijs van de Duitser heeft vergeleken met de gegevens op het verkoopbewijs, dan wel het verzekeringsbewijs van de Duitser heeft geverifieerd, is daartoe onvoldoende. Nu [gedaagde] blijkens het proces-verbaal van het verhoor van 6 oktober 2020 sinds juli 2017 over een vaarbewijs beschikt en reeds eerder (een) waterscooter(s) in zijn bezit heeft gehad, mag verondersteld worden dat hij van vorenstaande regelgeving op de hoogte was. Daar komt bij dat [gedaagde], blijkens voornoemd proces-verbaal, in het verleden een waterscooter heeft gehad die in beslag genomen was omdat er geen rompnummer op vermeld was. Het had daarom op de weg van [gedaagde] gelegen om de gang van zaken extra nauwkeurig te controleren, te meer daar de koop plaatsvond op het strand te Hellevoetsluis door een Duitser en niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dat [gedaagde] bij de RDW een nieuw registratiebewijs heeft aangevraagd en hij in de veronderstelling was dat de RDW contact met hem zou opnemen als er iets niet klopte, doet aan voornoemde verplichting niet af.

5.6.

Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] op het tijdstip van bezitsverkrijging niet te goeder trouw is geweest, zodat aan hem geen bescherming in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW toekomt en hij geen eigenaar van de waterscooter is geworden. Dit betekent dat [gedaagde] niet beschikkingsbevoegd was de waterscooter aan [eiser] over te dragen en dat hij niet in staat was en is de koopovereenkomst na te komen. Dit brengt met zich dat [eiser] die overeenkomst buitengerechtelijk kon ontbinden en dat [gedaagde] gehouden is tot terugbetaling van € 6.175,- aan [eiser]. Hierbij wordt nog opgemerkt dat, voor zover [gedaagde] op het moment van bezitsverkrijging te goeder trouw zou zijn geweest, hem in dat geval op grond van het bepaalde in artikel 3:86 lid 3 BW ook geen bescherming toe zou komen nu gesteld noch gebleken is dat de Duitser zijn bedrijf maakt van het verhandelen van soortelijke zaken aan het publiek, de Duitser gehandeld heeft in de normale uitoefening van zijn bedrijf en het bedrijf wordt uitgeoefend in een daartoe bestemde, gebouwde onroerende bedrijfsruimte. In het midden kan blijven of op [eiser] al dan niet een schadebeperkingsplicht rustte. De vordering onder I wordt toegewezen.

5.7.

De onder II over de hoofdsom gevorderde wettelijk rente in de zin van artikel 6:119 BW is, als op de wet gegrond en door [gedaagde] ook niet afzonderlijk betwist, toewijsbaar met inachtneming van het volgende. Bij brief van 18 maart 2020, waarin de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, heeft (de gemachtigde van) [eiser] [gedaagde] een betalingstermijn van vijf dagen gegeven. Dit brengt met zich dat de wettelijke rente pas gaat lopen na afloop van die termijn, te weten vanaf 24 maart 2020.

5.8.

[eiser] heeft voorts aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten. Artikel 6:96 lid 6 BW vereist voor toewijzing van de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten dat [gedaagde] door (of namens) [eiser] vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen aanvangende de dag na aanmaning, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling (hierna: de veertiendagenbrief). Nu [gedaagde] namens [eiser] bij brieven van 18 en 30 maart 2020 is gesommeerd tot betaling binnen 5 dagen dan wel drie dagen en per Whatsapp op 6 april 2020 en op 25 mei 2020 tot betaling binnen vijf dagen respectievelijk zes dagen, is sprake van een onjuiste, te korte termijn. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.

5.9.

[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, bestaande uit verschotten en gemachtigdensalaris. De verschotten worden vastgesteld op € 105,09 aan explootkosten en € 236,- aan griffierecht. Aan gemachtigdensalaris wordt in totaal tweeënhalve punten à € 311,- toegekend, te weten € 777,50. Hierbij wordt opgemerkt dat ingevolge artikel 21 Rv één punt aan gemachtigdensalaris niet is gerekend nu [eiser] bij dagvaarding het feitencomplex niet volledig heeft weergegeven en niet alle voor de onderhavige zaak van belang zijnde stukken (tijdig) heeft overgelegd.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 6.175,-, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf 24 maart 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 341,09 aan verschotten en € 777,50 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.L.M. van der Wildt en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

[46009]