Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6732

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
10/661041-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht.

Openlijke geweldpleging tegen personen en medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen.

Vrijspraak medeplegen van bedreiging en diefstal met (bedreiging met) geweld.

Jeugddetentie van 90 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar met bijzondere voorwaarden, een leerstraf van 25 uren en een vrijheidsbeperkende maatregel 38v Sr van 2 jaren (contactverbod met aangever), met 1 week vervangende hechtenis per overtreding, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden. Geen dadelijke uitvoerbaarheid.

Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij, met schadevergoedingsmaatregel (€ 34,95,-). Hoofdelijke aansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/661041-20

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

raadsman mr. J.C. Sneep, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 28 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D. van Zetten heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar en de bijzondere voorwaarden die zijn vermeld in het adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 7 april 2021 (kort gezegd: het hebben van dagbesteding in de vorm van onderwijs en vrije tijdsbesteding in de vorm van sport of een bijbaan), met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, te weten de gedragsinterventie Tools4U Plus, voor de duur van 25 uren, subsidiair 12 dagen vervangende jeugddetentie;

  • -

    oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op basis van artikel 77we juncto artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van 2 jaren, inhoudende een contactverbod ten aanzien van [naam aangever] , met 1 week vervangende jeugddetentie per overtreding, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel;

  • -

    opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering van de feiten 1 en 3

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 en 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feit 2

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De verdachte is weliswaar met de medeverdachten naar het plein aan de Wiekslag gegaan, maar het was de bedoeling met de aangever [naam aangever] (hierna: de aangever) te praten over een voorval dat eerder die dag had plaatsgevonden. De verdachte is uit de auto gestapt en heeft de aangever aangewezen. Hij heeft daarmee geen voldoende wezenlijke en significante bijdrage aan het gepleegde geweld geleverd. Ook is geen sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachten. Subsidiair is aangevoerd dat het gebruik van vuurwapens en een mes niet bewezen kan worden.

Beoordeling

Vast staat dat de verdachte op 14 maart 2020 omstreeks 19.00 uur met de vijf medeverdachten, allen familieleden, verspreid over twee auto’s naar een plein aan de Wiekslag in Capelle aan den IJssel is gegaan. Daar heeft een confrontatie met de aangever plaatsgevonden. Ook staat vast dat bij de aangever op 15 maart 2020 meerdere zwellingen op zijn hoofd en rode strepen op zijn linkerwang zijn waargenomen.

De rechtbank neemt voor de vraag wat op het plein is gebeurd en welke rol de verdachte en de medeverdachten daarin hebben gespeeld de verklaring van de verdachte van 31 maart 2020 als uitgangspunt. Anders dan zijn latere verklaringen is deze verklaring gedetailleerd, kort na de gebeurtenissen afgelegd en vindt deze steun in overige stukken in het dossier, onder meer in verklaringen van onafhankelijke getuigen, zoals buurtbewoners die vanuit hun woningen het incident hebben gezien en daar zelf niet bij betrokken waren. Een en ander maakt dat de rechtbank deze verklaring als betrouwbaar aanmerkt.

De rechtbank stelt op basis van deze verklaring, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, het volgende vast.

Op 14 maart 2020 heeft ‘s middags een confrontatie plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever. De verdachte is daarbij, zo verklaart hij, door de aangever gestoken en heeft daaraan lichte verwondingen overgehouden. De verdachte heeft na dit incident zijn vader, medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ), gebeld. [naam medeverdachte 1] heeft vervolgens telefonisch contact gehad met de medeverdachte [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ) en met de medeverdachte [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3] ) en is naar zijn woning in Capelle aan den IJssel gereden. [naam medeverdachte 2] heeft de medeverdachte [naam medeverdachte 4] opgehaald en is ook naar Capelle aan den IJssel gekomen, net als [naam medeverdachte 3] en de medeverdachte [naam medeverdachte 5] .

[naam medeverdachte 1] is, voordat de anderen aankwamen, langs het plein aan de Wiekslag gereden en heeft toen gezien dat daar veel mensen aanwezig waren. De verdachte en [naam medeverdachte 1] hebben vervolgens samen thuis gewacht op de overige familieleden, waarna ze gezamenlijk naar het plein zijn gereden.

Op het plein aangekomen, is iedereen uit de auto’s gestapt. De verdachte heeft de aangever aangewezen en verklaart dat een van zijn neven heeft gezegd: “Iedereen ga liggen nu”. Getuigen [naam getuige 1] (hierna: [naam getuige 1] ), die op dat moment op het plein aanwezig was en getuige [naam getuige 2] (hierna: [naam getuige 2] ), een buurtbewoonster, verklaren dat alle jongens die op het pleintje aanwezig waren, gehurkt bleven zitten.

[naam medeverdachte 1] heeft de aangever met een vuist bij zijn kleren vastgepakt. De aangever heeft verklaard dat hij vervolgens door twee of drie mannen op zijn hoofd is geslagen en dat een van de verdachten met een mes een snijdende beweging langs zijn wang heeft gemaakt. De rechtbank acht de verklaring van de aangever op dit punt betrouwbaar, omdat deze wordt bevestigd door getuigenverklaringen. Zo heeft [naam getuige 2] verklaard dat zij zag dat een jongen door ‘drie of vier anderen’ werd geslagen en bevestigen [naam getuige 1] en getuige [naam getuige 3] , een andere buurtbewoonster, dat een van de verdachten een mes bij zich droeg. De verklaring van de aangever wordt op dit punt ook ondersteund door het letsel dat bij hem is geconstateerd, namelijk rode strepen op zijn wang.

Concluderend volgt uit het bovenstaande dat de verdachte op het plein de aangever heeft aangewezen, waarna [naam medeverdachte 1] hem heeft vastgepakt. Een van de verdachten heeft zich dusdanig dreigend opgesteld richting de overige aanwezigen op het plein dat zij zich laag bij de grond hebben gehouden en de aangever niet te hulp zijn geschoten. Twee of drie andere verdachten hebben de aangever geslagen en een van hen is ook met een mes langs zijn wang is gegaan. Dat betekent dat de verdachte en de medeverdachten allen een rol hebben gespeeld in het geweld dat zij in vereniging tegen de aangever hebben gepleegd. Daarbij kan in het midden blijven wie precies welke rol heeft gehad, omdat naar het oordeel van de rechtbank ieder van de genoemde bijdragen voldoende significant en wezenlijk is geweest.

Naar de uiterlijke verschijningsvorm was het handelen van de verdachte en de medeverdachten gericht op de confrontatie met en geweld tegen de aangever en hieruit volgt dat zij daarop dus opzet hebben gehad.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging tegen de aangever. Omdat niet is komen vast te staan dat daarbij vuurwapens zijn gebruikt, zal de verdachte voor dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering feit 4

De verdachte heeft bekend dat hij het ten laste gelegde vuurwapen voorhanden heeft gehad. Hij heeft verklaard dat hij dit wapen heeft gekregen van een jongen uit de buurt en in de kast in zijn slaapkamer heeft gelegd. Hij zegt dat zijn vader [naam medeverdachte 1] niets van dit wapen afwist en zijn vader heeft dat punt bevestigd.

Het wapen is op 30 maart 2020 aangetroffen in de kamer van verdachte. Maar eerder had zijn vader in een getapt telefoongesprek van 19 maart 2020 gesproken over de aankoop van een vuurwapen. Verder blijkt uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut dat er zowel DNA-materiaal van de verdachte als van zijn vader op het vuurwapen is aangetroffen. De rechtbank komt op grond daarvan tot een bewezenverklaring dat de verdachte in vereniging met zijn vader dat vuurwapen voorhanden heeft gehad.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 14 maart 2020 te Capelle aan den IJssel,

op of aan de openbare weg, te weten op/aan de Wiekslag, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [naam slachtoffer 1] , door

- meerdere malen in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van voornoemde [naam slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en

- de kleding van voornoemde [naam slachtoffer 1] beet te pakken en

- met een mes in het gezicht van voornoemde [naam slachtoffer 1] te snijden

4.

hij in of omstreeks de periode van 14 maart 2020 tot en met 30 maart 2020 te Capelle aan den IJssel,

tezamen en in vereniging met een ander

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk Smith & Wesson, type M&P Victory, kaliber .32 S&W, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2.

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

4.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft samen met vijf familieleden van hem openlijk geweld gepleegd tegen de aangever. Aanleiding hiervoor was een incident, waarbij de verdachte door de aangever zou zijn gestoken. Zijn vader heeft de verdachte gebeld, waarna de verdachte zijn neef heeft opgehaald en naar de woning van [naam verdachte] en zijn vader is gereden. Vrijwel direct daarna zijn ze met zijn allen naar het plein gegaan waar de aangever was en hebben toen flink geweld tegen hem gebruikt. De aangever is vastgepakt, meerdere malen op zijn hoofd geslagen en in zijn wang gesneden met een mes. Als gevolg hiervan heeft meerdere zwellingen op zijn hoofd, een zwelling boven zijn wenkbrauw en oppervlakkige snijverwondingen op zijn wang opgelopen.

De verdachte en zijn mededaders hebben daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Ook als de aangever [naam verdachte] eerder die dag had gestoken, had daarvan aangifte bij de politie moeten worden gedaan. In plaats daarvan hebben de verdachte en zijn mededaders voor eigen rechter gespeeld en zijn zij verhaal gaan halen bij de aangever. Alsof dit niet al voldoende kwalijk is, komt hierbij nog dat dergelijk geweld in de openbare ruimte veel onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaakt. In dit geval zeker, omdat het plaatsvond in het begin van de avond middenin een woonwijk, op een plein waar ook veel andere mensen (met name jongeren) aanwezig waren en zij ook werden geïntimideerd om te voorkomen dat zij de aangever te hulp zouden schieten. De rechtbank rekent dit alles de verdachte flink aan.

De verdachte heeft daarnaast samen met zijn vader in hun woning een vuurwapen voorhanden gehad. Dit vuurwapen lag in de kledingkast van de verdachte. Tegen wapenbezit dient krachtig te worden opgetreden, gelet op de gevaren die daar van uitgaan. Wapens worden immers vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving, in het bijzonder omdat de kans bestaat dat een vuurwapen daadwerkelijk zal worden gebruikt.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) over de verdachte heeft opgemaakt, gedateerd 7 april 2021. Dit rapport houdt het volgende in.

In een eerder advies was vermeld dat er op meerdere leefgebieden risicofactoren aanwezig waren, die de kans op herhaling van delictgedrag verhoogden. Gebrekkige vaardigheden, een gebrek aan sociaal probleemoplossend vermogen, aanwezige angsten vanuit het verleden, omgang met antisociale contacten en beïnvloeding vanuit familie en zijn omgeving, zijn mogelijke oorzaken die tot het delictgedrag hebben geleid. Tijdens de schorsing is Multi Systeem Therapie (MST) ingezet door De Viersprong om de kans op herhaling te gaan verlagen en eventuele ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden te verwerken. Dit is medio september 2020 positief afgerond. Ook het verplichte toezicht en begeleiding door Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te Rotterdam (hierna: JBRR) gedurende de schorsing is positief verlopen.

De verdachte heeft inmiddels aangegeven dat hij een opleiding in de zorg wil gaan doen. Hij zou daar in september 2021 mee kunnen starten. De RvdK vindt het voor het voorkomen van herhaling van delictgedrag vooral belangrijk dat de verdachte zijn dagbesteding in de vorm van een opleiding of werk snel op orde krijgt en dat hij de gemaakte afspraken ter zake de leerplicht na gaat komen. Daarnaast vindt de RvdK het belangrijk dat hij de juiste keuzes blijft maken, risicovolle situaties leert te mijden en dat hij meer inzicht krijgt in oorzaak en gevolg van eigen handelen. Hij is vanwege zijn omgang met antisociale ‘vrienden’ in november 2020 opnieuw in zijn vrije tijd met de politie in aanraking gekomen. Ook al is de zaak geseponeerd, blijkt hieruit nog wel dat hij antisociale contacten onderhoudt, wat de kans op herhaling verhoogt. Verder is het belangrijk dat hij ook zijn vrije tijd zinvoller gaat indelen, door te gaan werken, zich aan te melden bij een sportvereniging, naast de beschermende factoren als zijn kledinglijn die hij met vrienden heeft opgezet en zijn pro-sociale relatie met zijn vriendin.

De RvdK adviseert de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen, met een onvoorwaardelijk strafdeel in de vorm van een leerstraf, te weten de gedragsinterventie Tools4U Plus voor de duur van 25 uren, en een voorwaardelijk strafdeel in de vorm van een werkstraf. Genoemde leerstraf betreft een individuele training gericht op het leren van enkele cognitieve en sociale vaardigheden die de kans op recidive verminderen. De RvdK adviseert het toezicht en de begeleiding door JBRR voort te zetten in het kader van de voorwaardelijke straf en als bijzondere voorwaarden op te leggen dat de verdachte:

  • -

    wordt verplicht om zich aan de afspraken met leerplicht te houden, inhoudende: hebben en behouden van school/werk, een inschrijving voor nieuwe opleiding en een aanmelding bij De Jonge Krijger te Capelle aan den IJssel;

  • -

    en zich inzet om zijn vrije tijdsbesteding zinvol in te richten.

Geadviseerd wordt om rekening te houden met de afgelopen positief verlopen periode van bijna een jaar en de proeftijd en het verplichte toezicht en de begeleiding daarom te beperken tot een jaar.

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij zich inmiddels heeft ingeschreven voor een andere opleiding en sinds kort een bijbaan heeft als fietsbezorger bij een snackbar.

De deskundige, [naam], als reclasseringswerker werkzaam bij JBRR, die ook op de zitting is gehoord, heeft het bovenstaande bevestigd. Hij vindt dat de verdachte het goed doet, maar ook de komende tijd nog begeleiding en toezicht nodig heeft. Hij persisteert bij het advies.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de aard en de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Oplegging van uitsluitend een taakstraf, bestaande uit een onvoorwaardelijke leerstraf en een voorwaardelijke werkstraf, zoals geadviseerd door de RvdK, acht de rechtbank niet passend.

Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Daarnaast weegt de rechtbank, evenals de officier van justitie, de volgende omstandigheden in strafmatigende zin mee. De verdachte heeft bij de politie vrijwel direct open en eerlijk verklaard wat er was gebeurd en heeft daarmee zijn verantwoordelijkheid genomen, dit in tegenstelling tot de andere (volwassen) verdachten. Hij heeft zich schuldbewust getoond; hij liet zien dat hij inzag dat het verkeerd was wat de aangever was aangedaan. Ook op de zitting verklaarde hij dat hij het erg vindt wat er is gebeurd. Verder probeert hij de aangever te vermijden om nieuwe confrontaties uit de weg te gaan.

Verder wordt ook meegewogen dat de verdachte zich goed heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. Zoals blijkt uit het rapport van de RvdK is het een en ander (met name op het gebied van werk, opleiding en vrije tijdsbesteding) nog niet (voldoende) op orde, maar op de zitting is gebleken dat de verdachte daar gemotiveerd aan heeft gewerkt, en nog steeds aan werkt.

Bovendien wordt ook rekening gehouden met de context waarin het openlijk geweld heeft plaatsgevonden, namelijk dat hij eerder die dag zelf door de aangever is gestoken en hij vervolgens min of meer door zijn vader, van wie het initiatief hiertoe kwam, en de anderen is meegenomen in dit delict. Dit ontslaat de verdachte niet van zijn verantwoordelijkheid. Ook hijzelf heeft een verkeerde keuze gemaakt, maar de rechtbank weegt deze context in zijn voordeel mee in de strafmaat.

Verder is bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het tijdsverloop.

Een en ander afwegend wordt aanleiding gezien om de jeugddetentie voor een groot deel voorwaardelijk op te leggen en het onvoorwaardelijke deel van de straf te beperken tot de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel zullen voorwaarden worden verbonden die door de RvdK zijn geadviseerd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, passend en geboden.

De rechtbank zal aan de verdachte ook een taakstraf bestaande uit een leerstraf opleggen, te weten de gedragsinterventie Tools4U Plus, voor de duur van 25 uren.

Daarnaast wordt, conform de eis van de officier van justitie, aanleiding gezien aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren op te leggen, inhoudende een contactverbod ten aanzien van de aangever.

De rechtbank is van oordeel dat niet is voldaan aan de criteria voor dadelijk uitvoerbaarverklaring van de bijzondere voorwaarden en het toezicht. Mede gelet op voornoemde houding van de verdachte, is niet voldaan aan het daarvoor geldende criterium dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Ook is niet voldaan aan het voor dadelijk uitvoerbaarverklaring van de vrijheidsbeperkende maatregel geldende criterium dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens de aangever.

De bijzondere voorwaarden, het toezicht en de vrijheidsbeperkende maatregel zullen daarom niet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Niet duidelijk is of de problemen tussen (familie van) aangever en (die van) de verdachte is opgelost. Om die reden acht de rechtbank het wel van belang dat het contactverbod met de aangever, dat eerder ook als schorsingsvoorwaarde is gesteld, van kracht blijft indien hoger beroep wordt ingesteld tegen dit vonnis. Ook acht de rechtbank het van belang dat het toezicht en de begeleiding door JBRR wordt voorgezet indien hoger beroep wordt ingesteld tegen dit vonnis. Daarom zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis niet worden opgeheven, met dien verstande dat daarbij alleen het contactverbod en het zich houden aan de aanwijzingen van JBRR nog als schorsingsvoorwaarden worden gesteld. De andere voorwaarden komen te vervallen.

8. Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Hij vordert een vergoeding van € 679,95 aan materiële schade, bestaande uit de volgende posten: T-shirt merk Adidas € 34,95, telefoon merk Samsung A10 € 295,- en Adidas jas € 350,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 34,95, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, omdat de schade de eigen schuld is van de benadeelde partij.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, namelijk schade aan zijn T-shirt. Uit de aangifte blijkt dat hij een T-shirt aan had en dat die onder het bloed zat. Er is geen aankoopbedrag van het T-shirt overgelegd, maar het genoemde bedrag van € 34,95 is aannemelijk. De vordering wordt daarom, ondanks de betwisting door de verdachte, in zoverre toegewezen.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van diefstal van de telefoon van de benadeelde partij en uit het dossier niet blijkt dat de verdachte ten tijde van het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit een jas aan had. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Omdat de verdachte het strafbare feit samen met mededaders ( [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 5] , [naam medeverdachte 4] , [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1] ) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders (of één of een deel van hen) de benadeelde partij betalen (betaalt) is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 14 maart 2020.

Omdat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 34,95, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38v, 77a, 77g, 77i, 77we, 77x,77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 90 (negentig) dagen;

bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 45 (vijfenveertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

zich zal houden aan de afspraken met leerplicht, inhoudende: hebben en behouden van school/werk, een inschrijving voor nieuwe opleiding en een aanmelding bij De Jonge Krijger te Capelle aan den IJssel;

zich zal inzetten zijn vrije tijdsbesteding zinvol in te richten.

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) uren, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan de gedragsinterventie Tools4U Plus;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;

bepaalt dat de vervangende jeugddetentie ten uitvoer kan worden gelegd als vervangende hechtenis, indien de veroordeelde bij aanvang van de eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 2 (twee) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam aangever] , gedurende 2 jaren na het onherroepelijk worden van dit vonnis;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende jeugddetentie wordt toegepast voor de duur van 1 (één) week, met een totale duur van ten hoogste 6 (zes) maanden;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 5] , [naam medeverdachte 4] , [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1] , des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 34,95 (zegge: vierendertig euro en vijfennegentig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam benadeelde] te betalen € 34,95 (hoofdsom, zegge: vierendertig euro en vijfennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 34,95 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. V.F. Milders en L. Stevens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 maart 2020 te Capelle aan den IJssel,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

op de openbare weg, te weten de Wiekslag, in ieder geval op een openbare weg,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele

telefoon (merk Samsung, type Galaxy A10), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- een of meerdere vuurwapen(s) en/of een of meerdere op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) heeft/hebben gepakt en/of (vervolgens) aan voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of voornoemde [naam slachtoffer 2] heeft/hebben getoond en/of

- ( vervolgens) naar voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of voornoemde [naam slachtoffer 2] toe is/zijn gelopen en/of voornoemd(e) vuurwapen(s) en/of op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) op voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of voornoemde [naam slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en/of

- ( daarbij) aan voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of voornoemde [naam slachtoffer 2] de dreigende woorden heeft/hebben toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of voornoemde [naam slachtoffer 2] op de grond moesten gaan liggen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, met voornoemd(e) vuurwapen(s) en/of op (een)

vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) en/of met gebalde vuist in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van voornoemde [naam slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of gestompt, terwijl voornoemde [naam slachtoffer 1] op de grond lag en/of

- de haren en/of de kleding van voornoemde [naam slachtoffer 1] heeft/hebben beetgepakt en/of (vervolgens) voornoemde [naam slachtoffer 1] omhoog heeft/hebben getrokken en/of

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht van voornoemde [naam slachtoffer 1] heeft/hebben gesneden, terwijl voornoemde [naam slachtoffer 1] bij zijn haren en/of zijn kleding werd vastgehouden en/of

- op/tegen het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer 1] heeft/hebben geduwd, waardoor voornoemde [naam slachtoffer 1] op een bankje terecht kwam;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 14 maart 2020 te Capelle aan den IJssel,

op of aan de openbare weg, te weten op/aan de Wiekslag, in elk geval op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [naam slachtoffer 1] , door

- meerdere malen, althans eenmaal, met een of meerdere vuurwapen(s) en/of een of meerdere op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) en/of met gebalde vuist in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van voornoemde [naam slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen, terwijl voornoemde [naam slachtoffer 1] op de grond lag en/of

- de haren en/of de kleding van voornoemde [naam slachtoffer 1] beet te pakken en/of (vervolgens) voornoemde [naam slachtoffer 1] omhoog te trekken en/of

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht van voornoemde [naam slachtoffer 1] te snijden, terwijl voornoemde [naam slachtoffer 1] bij zijn haren en/of zijn kleding werd vastgehouden en/of

- op/tegen het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer 1] te duwen, waardoor voornoemde [naam slachtoffer 1] op een bankje terecht kwam;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 14 maart 2020 te Capelle aan den IJssel,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- een of meerdere vuurwapen(s) en/of een of meerdere op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) te pakken en/of (vervolgens) aan voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of voornoemde [naam slachtoffer 2] te tonen en/of

- ( vervolgens) naar voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of voornoemde [naam slachtoffer 2] toe te lopen en/of voornoemd(e) vuurwapen(s) en/of op (een) vuurwapen(s) gelijkende voorwerp(en) op voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of voornoemde [naam slachtoffer 2] te richten en/of

- ( daarbij) aan voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of voornoemde [naam slachtoffer 2] de dreigende woorden toe te voegen - zakelijk weergegeven - dat voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of voornoemde [naam slachtoffer 2] op de grond moesten gaan liggen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 14 maart 2020 tot en met 30 maart 2020 te Capelle aan den IJssel,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk Smith & Wesson, type M&P Victory, kaliber .32 S&W, voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie