Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6727

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
17-61 EA
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 295 Fw geeft de rechter-commissaris slechts de bevoegdheid om (op grond van lid 2 en lid 3) ten aanzien van het inkomen en periodieke uitkeringen te bepalen dat deze (deels) niet aan de boedel behoeven te worden afgedragen. Een dergelijke bevoegdheid verschaft artikel 295 Fw de rechter-commissaris niet voor vermogensbestanddelen die niet als inkomen of periodieke uitkering kunnen worden gekwalificeerd (zoals een erfenis). Naar het oordeel van de rechtbank kan deze grondslag evenmin worden gevonden in artikel 296 lid 3 Fw. Het aan schuldenaar toekomende deel van de erfenis dient alsnog te worden afgedragen aan de boedel.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 349a
Faillissementswet 354
Faillissementswet 295
Faillissementswet 296
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

tussenvonnis beëindiging schuldsaneringsregeling

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 30 april 2021

Bij vonnis van deze rechtbank van 22 maart 2017 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats]

schuldenaar,

bewindvoerder: N.L. Menso.

1 De procedure

Op 21 december 2020 heeft de bewindvoerder schriftelijk verslag uitgebracht over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Volgens de bewindvoerder heeft schuldenaar een boedelachterstand van € 9.798,15, waardoor er geen schone lei verleend kan worden.

Op 9 april 2021 heeft er een verhoor bij de rechter-commissaris plaatsgevonden.

Op 15 april 2021 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht omtrent de laatste stand van zaken.

De beëindiging is behandeld ter terechtzitting van 19 april 2021. Verschenen zijn:

  • -

    schuldenaar,

  • -

    mr. Van der Duijn Schouten (advocaat van schuldenaar); en

  • -

    de bewindvoerder.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De achtergrond

Tijdens de initiële looptijd van de schuldsaneringsregeling van schuldenaar zijn achterstanden ontstaan in de afdrachten boven het vrij te laten bedrag die schuldenaar verplicht was te verrichten.

Op 17 juni 2019 heeft er naar aanleiding daarvan een verhoor bij de plaatsvervangend rechter-commissaris plaatsgevonden. De achterstand betrof op dat moment € 16.917,22. De achterstand is volgens schuldenaar ontstaan toen zijn ex-partner stopte met het betalen van de kosten voor de kinderopvang (waarvoor zij ook de toeslagen ontving). Schuldenaar heeft deze kosten toen voldaan en heeft daarvoor geld opzij gezet.

In het proces-verbaal van het verhoor is opgenomen dat de regeling zal worden verlengd met twaalf maanden, om schuldenaar de gelegenheid te geven de achterstand in te lopen en zo alsnog in aanmerking te komen voor de schone lei. Voorts is opgenomen: “Gedurende de verlenging zal schuldenaar slechts het bewindvoerderssalaris verschuldigd zijn en kan hij de resterende afloscapaciteit aanwenden voor het inlopen van de boedelachterstand.”

In de daarop volgende verlengingsbeschikking van 19 juni 2019 is de looptijd van de schuldsaneringsregeling van schuldenaar krachtens artikel 349a Fw gesteld op vier jaar, tot 22 maart 2021. In het dictum is voorts bepaald dat gedurende de verlenging:

“• de inspanningsverplichting/sollicitatieverplichting niet van toepassing is;

• de afdrachtverplichting beperkt is tot betaling van het bewindvoerdersalaris en

dat de afloscapaciteit voor het overige kan worden ingezet voor het aflossen van

de boedelachterstand ten bedrage van € 16.917,22;

• de informatieverplichting beperkt is tot het informeren over het inlossen van de

boedelachterstand;

• de verplichting om geen nieuwe schulden te maken onverkort van toepassing

blijft.”

Op 8 mei 2020 is de vader van schuldenaar komen te overlijden. Vlak daarvoor, op 4 mei 2020, heeft de vader van schuldenaar een nieuw testament laten opmaken, waarin hij zijn partner, mevrouw [naam 2] , het volledige vruchtgebruik van de woning heeft toegekend.

In juli 2020 is de wettelijke verdeling (onder voorwaarden) ongedaan gemaakt. Als gevolg daarvan werd schuldenaar tezamen met zijn broers gerechtigd tot zijn wettelijk erfdeel in de nalatenschap, waarvan de woning ook deel uitmaakte. De plaatsvervangend rechter-commissaris heeft hiervoor op 10 juli 2020 toestemming verleend.

De woning van de vader van schuldenaar is eind december 2020 verkocht en begin januari 2021 geleverd. Ook hiervoor heeft de plaatsvervangend rechter-commissaris toestemming verleend.

De schuldenaar heeft vervolgens uit hoofde van de erfenis een bedrag van € 88.902,65 bruto (inclusief daarover nog af te dragen erfbelasting) ontvangen.

In februari 2021 heeft de schuldenaar (met het geld van de erfenis) nog een betaling van verricht van € 9.798,15 op de boedelrekening.

Vervolgens is de vraag gerezen of de schuldenaar met deze betaling zijn achterstand in de boedelafdrachten heeft kunnen inlopen.

De rechter-commissaris heeft schuldenaar er tijdens het verhoor van 9 april 2021 op gewezen dat de wet bepaalt dat goederen die schuldenaar gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling ontvangt in de boedel vallen en dat dat ook zo is als de regeling is verlengd op grond van artikel 295 jo artikel 349a van de Faillissementswet (hierna: Fw).

3 De standpunten

De bewindvoerder adviseert de rechtbank om geen schone lei aan schuldenaar te verlenen. Ingevolge artikel 295 lid 1 jo 349a Fw is er sprake van een (bruto) boedelachterstand van

€ 88.902,65, welke ziet op de nalatenschap die gedurende de verlening van de schuldsaneringsregeling is opengevallen.

Schuldenaar voert (mede bij monde van zijn advocaat) aan dat hij niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Uit het verhoor van 17 juni 2019 heeft hij mogen afleiden dat tijdens de verlening van de schuldsaneringsregeling alleen de boedelachterstand vergoed moest worden. Daarbij blijkt uit de beschikking van 19 juni 2019 dat de verlenging van de schuldsaneringsregeling uitsluitend is bedoeld om de boedelachterstand in te lopen. In de beschikking is bepaald dat de afdrachtverplichting beperkt is tot betaling van het bewindvoerdersalaris en dat de afloscapaciteit voor het overige kan worden ingezet voor het aflossen van de boedelachterstand. De informatieverplichting is ook nadrukkelijk beperkt tot de boedelachterstand. In deze veronderstelling heeft schuldenaar na het overlijden van zijn vader, een door zijn vader verleend vruchtgebruik ter discussie gesteld. Schuldenaar heeft met succes aanspraak gemaakt op betaling van € 88.901,65, over welk bedrag nog erfbelasting moet worden betaald. Schuldenaar is dan ook van mening dat de erfenis aan hem toe behoort te komen en niet in de boedel dient te vallen. Daarnaast was de bewindvoerder aanvankelijk van oordeel dat de uitkering uit de nalatenschap niet afgedragen hoefde te worden. Pas tijdens het verhoor van 9 april 2021 communiceerde de bewindvoerder hierover een nieuwe opvatting. Schuldenaar is van mening dat hij enig vertrouwen mag ontlenen aan de mededeling van de bewindvoerder en dat de aanvankelijke veronderstelling van de bewindvoerder bijdraagt aan het beeld dat schuldenaar in deze kwestie geen verwijt kan worden gemaakt.

Schuldenaar voert aan dat artikel 296 lid 3 Fw een wettelijke basis biedt voor een uitzondering op de afdracht-verplichting. De rechter-commissaris kan bij schriftelijke beschikking bepalen dat schuldenaar het beheer heeft over bepaalde goederen. Dit heeft de rechter-commissaris gedaan door te bepalen dat de afdrachtverplichting gedurende de verlening van de schuldsaneringsregeling beperkt is tot het bewindvoerderssalaris en de boedelachterstand, aldus schuldenaar. Al het overige is bij schriftelijke beschikking onder het beheer van schuldenaar gebracht en valt daarmee niet meer onder de wettelijke afdrachtverplichting. Schuldenaar is derhalve niet tekortgeschoten in zijn afdrachtverplichting, laat staan toerekenbaar tekortgeschoten.

Voor zover er een afdrachtverplichting zou bestaan, dient de tekortkoming, gezien de bijzondere aard van deze tekortkoming, buiten beschouwing te worden gelaten en moet toepassing worden gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw. De rechter-commissaris heeft immers nadrukkelijk bepaald dat schuldenaar gedurende de verlenging uitsluitend het bewindvoerderssalaris en de boedelachterstand diende te voldoen. Zelfs de inspannings- en informatieverplichting zijn in dat kader door de rechter-commissaris beperkt. Onder die omstandigheden kan het schuldenaar niet worden toegerekend dat hij niet meer dan het bewindvoerderssalaris en de boedelachterstand heeft afgedragen.

4 De beoordeling

Aan de orde is de vraag of de schuldenaar toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op grond van artikel 295 lid 1 Fw omvat de boedel alle goederen van de schuldenaar ten tijde van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, en alle goederen die hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt. In het geval van schuldenaar is de termijn van de schuldsaneringsregeling met toepassing van artikel 349a Fw verlengd tot een termijn van vier jaar (tot en met 22 maart 2021).

Gedurende deze verlengde termijn zijn de verplichtingen van titel III, tweede afdeling, Fw, inclusief artikel 295 Fw, (in beginsel) van kracht. In dit geval is in de verlengingsbeschikking nader gespecificeerd dat bepaalde verplichtingen gedurende niet langer, althans niet langer volledig, zijn blijven gelden.

Aan de orde is de vraag, of de verlengingsbeschikking grondslag biedt voor de conclusie (conform het standpunt van schuldenaar) dat de erfenis waartoe de schuldenaar gedurende de verlengde, materiële looptijd gerechtigd is geraakt, niet aan de boedel hoeft te worden afgedragen.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Artikel 295 Fw geeft de rechter-commissaris slechts de bevoegdheid om (op grond van lid 2 en lid 3) ten aanzien van het inkomen en periodieke uitkeringen te bepalen dat deze (deels) niet aan de boedel behoeven te worden afgedragen. Een dergelijke bevoegdheid verschaft artikel 295 Fw de rechter-commissaris niet voor vermogensbestanddelen die niet als inkomen of periodieke uitkering kunnen worden gekwalificeerd (zoals een erfenis).

Naar het oordeel van de rechtbank kan deze grondslag evenmin worden gevonden in artikel 296 lid 3 Fw. De rechter-commissaris kan op grond van die bepaling slechts het beheer over een goed aan de schuldenaar laten. Dat betekent echter niet dat het goed niet (langer) in de boedel valt of dat de waarde niet ten behoeve van de schuldeisers dient te worden afgedragen. In de verlengingsbeschikking van 19 juni 2019 heeft de rechter-commissaris overigens ook geen uitspraak gedaan over het beheer van een of meerdere (te verkrijgen) vermogensbestanddelen door de schuldenaar.

De verlengingsbeschikking dient te worden begrepen tegen de achtergrond van voornoemde wettelijke bepalingen. De daarin opgenomen beslissing van de rechter-commissaris dat de afloscapaciteit kan worden ingezet om de achterstanden in de inkomensafdrachten te compenseren, moet worden gekwalificeerd als een beschikking krachtens 295 lid 3 Fw. Deze beschikking kan niet zo worden uitgelegd dat daarmee beoogd is te bepalen dat later verkregen vermogensbestanddelen niet aan de boedel hoefden te worden afgedragen. De juridische grondslag daartoe ontbreekt immers.

De consequentie is, dat schuldenaar tekort is geschoten in zijn verplichting op grond van artikel 295 Fw jo. 296 lid 2 Fw, door het hem toekomende deel van de erfenis niet (volledig) af te dragen aan de boedel. Omdat de erfenis als vermogensbestanddeel in de boedel valt (en dus aan de boedel had dienen te worden afgedragen), kon de erfenis bovendien niet worden ingezet om de resterende achterstand van € 9.798,15 mee in te lossen. Het niet inlossen van deze achterstand levert eveneens een tekortkoming op in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden, of voornoemde tekortkomingen aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend.

De rechtbank betrekt bij dat oordeel het feit dat de bewindvoerder zich aanvankelijk op het standpunt heeft gesteld dat de achterstanden naar haar mening konden worden ingelopen met het geld uit de erfenis.

Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit echter niet dat het niet afdragen van de erfenis een tekortkoming is, die niet aan de schuldenaar toerekenbaar is. De schuldenaar heeft weliswaar enige tijd in een verkeerde veronderstelling geleefd; dit had hem er niet van behoeven te weerhouden om de erfenis – in ieder geval na het verhoor van 9 april 2021 – alsnog (geheel) aan de boedel af te dragen. Het feit dat schuldenaar dit niet heeft gedaan, staat naar het oordeel van de rechtbank (vooralsnog) in de weg aan verlening van de schone lei.

Dit ligt naar het oordeel van de rechtbank anders ten aanzien van de niet-afgeloste achterstanden. Het oordeel over de status van de erfenis (zijnde een goed dat krachtens artikel 295 Fw geheel in de boedel valt) heeft als consequentie dat de schuldenaar ten onrechte in de periode vanaf juli 2020 vanuit zijn inkomen geen aflossingen meer heeft gedaan teneinde de boedelachterstanden in te lopen. Daardoor is in die periode een bedrag van in totaal € 9.798,15 te weinig afgedragen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet los te zien van de mededelingen die eerder vanuit de bewindvoerder aan de schuldenaar zijn gedaan, en de verwachting die daarmee is gewerkt richting de schuldenaar. Anders dan bij de erfenis, kon ten aanzien van de achterstanden van de schuldenaar ook niet verlangd worden dat hij deze voor het einde van de regeling, althans binnen afzienbare tijd na het verhoor van 9 april 2021, alsnog zou voldoen vanuit zijn inkomen. Dat inkomen is daartoe immers ruim ontoereikend.

De rechtbank ziet – gelet op de hierboven geschetste context en het verhandelde ter zitting –aanleiding om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen om de in beginsel toerekenbare tekortkoming, inhoudende dat hij niet de volledige netto erfenis heeft afgedragen aan de boedel, te herstellen door de volledige netto erfenis alsnog af te dragen aan de boedel. Daartoe krijgt schuldenaar tot een maand na de datum van dit vonnis de gelegenheid, en derhalve tot en met uiterlijk 31 mei 2021. De rechtbank wenst uiterlijk 2 juni 2021 van de bewindvoerder te vernemen of de schuldenaar de volledige netto som van zijn erfdeel heeft overgemaakt naar de boedelrekening. Daarna zal de rechtbank in beginsel binnen een termijn van twee weken een einduitspraak doen.

Teneinde de schuldenaar in de gelegenheid te stellen om het oordeel over de tekortkomingen te laten toetsen in hoger beroep, zal de rechtbank tussentijds beroep openstellen tegen dit tussenvonnis. Het hoger beroep heeft schorsende werking. De hierboven genoemde termijnen zullen in dat geval worden geschorst totdat in hoger beroep arrest is gewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat de bewindvoerder de rechtbank uiterlijk op 2 juni 2021 informeert;

- stelt tussentijds hoger beroep open tegen dit tussenvonnis;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. A.A. Dadzie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 april 2021. 1

de griffier is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.